---
title: "2 novembre 2005 · Établissement de la taxe, droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Établissement de la taxe, droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 2 novembre 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-droit-deduction-impot-tribunal-hasselt-2005-11-02-d3bb"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Établissement de la taxe, droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

2 novembre 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

51 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 02.11.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**INZAKE A.R. nr. 02/0891/A**

**U. N.V.** met maatschappelijke zetel te …, ….

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. **A.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

tegen :

**ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT,**

in de persoon van de Gewestelijk Directeur van het onder de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit ressorterende Controlecentrum Tongeren-Genk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,**

Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder, vertegenwoordigd door Mr. **O.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het tussenvonnis van deze rechtbank van 23.3.2005;

\- de stukken en conclusies van partijen.

## Voorgaanden

Ten gronde handelt de betwisting tussen partijen over de vraag of verweerder bij monde van een administratieve directorale beslissing van 2.4.2002 terecht besloten heeft dat eiseres vanaf 1.1.2002 bij toepassing van artikel 2 W.BTW. voor de activiteit "kasteelbezoek" niet de hoedanigheid heeft van BTW-plichtige, zodat haar ontvangsten uit die activiteit niet aan BTW onderworpen zijn, maar die activiteit ook geen recht op aftrek doet ontstaan in de zin van artikel 45 W.BTW, dit gelet op de afwezigheid van een omzet voor deze activiteit (1996 of 1997) en op het zeer laag niveau van die omzet voor 1998 en 1999 in vergelijking met de omzet uit haar andere activiteiten, en gelet op het feit dat eiseres in haar kasteel slechts aan geselecteerde groepen bezichtiging toelaat en zij het kasteel niet heeft ingericht als museum.

In het tussenvonnis van 23.3.2005 heeft de rechtbank zich bevoegd verklaard en ambtshalve de vraag gesteld naar het bestaan van een reeds· verkregen en dadelijk belang in de zin van artikel 18 Ger. W. en derhalve de toelaatbaarheid van de vordering aangaande de vordering van eiseres tot nietigverklaring van de directorale beslissing van 2.4.2002. De debatten werden heropend om partijen toe te laten een standpunt in te nemen. De rechtbank verwijst naarvhet feitenrelaas zoals uiteengezet in haar tussenvonnis.

## In rechte

## De toelaatbaarheid van de vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe de administratieve beslissing van 2.4.2002 te doen vernietigen waarbij volgens. de visie van verweerder aan eiseres vanaf 1.1.2002 de aftrek van de BTW moet worden ontzegd op een deel van de aan haar geleverde goederen en diensten, met name die die betrekking hebben op de activiteit "kasteelbezoek".

De rechtbank heeft ambtshalve de vraag opgeworpen naar de toelaatbaarheid van deze vordering, met name naar de vraag of eiseres te dien aanzien een reeds verkregen en dadelijk belang heeft in de zin van artikel 18 Ger. W..

In hun besluiten na tussenvonnis zijn partijen het erover eens dat eiseres te dien aanzien een reeds verkregen en dadelijk belang heeft.

De rechtbank kan daarmee niet instemmen.

Krachtens artikel 18 Ger. W. kan de rechtsvordering worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring ván recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

Eiseres heeft haar reeds verkregen en dadelijk belang bij haar vordering tot nietigverklaring van de administratieve beslissing van 2.4.2002 gemotiveerd op grond van de overwegingen dat de administratieve beslissing van 2.4.2002 :

\- met terugwerkende kracht tot 1. î .2002 genomen is en derhalve haar rechtspositie vanaf die datum bepaalde;

\- de verhouding tussen haarzelf en verweerder op BTW-gebied regelde vanaf die datum.

Evenwel moet worden vastgesteld dat de administratieve beslissing van 2.4.2002 (stuk 1 van verweerder) als dusdanig slechts de opzegging van een akkoord van 30.3.1995 behelst en daarom niet declaratief kan zijn ten aanzien van de rechten op aftrek in hoofde van eiseres van BTW op aan haar geleverde goederen en diensten vanaf 1.1.2002.

Met andere woorden schept deze beslissing van 2.4.2002, die als een opzeg aanzien moet worden, in hoofde van de N.V. **U.** geen rechten, in casu een recht op aftrek van BTW op aan haar geleverde goederen en diensten vanaf 1.1.2002 en sluit zij ook het ontstaan van rechten, in concreto een recht op aftrek uit hoofde van "kasteelbezoek"-activiteiten vanaf die datum, niet uit.

Immers is ingevolge de beslissing van 2.4.2002 geen recht van eiseres ontstaan en is geen recht vernietigd of verloren gegaan. De "beslissing" van 2.4.2002 behelst slechts een standpunt, in casu een standpunt van verweerder ten aanzien van een zich vanaf 1.1.2002 nog te beoordelen situatie, doch schept in hoofde van eiseres nog geen recht. Evenmin tast de beslissing van 2.4.2002 in hoofde van eiseres een recht aan. Of, anders geformuleerd, het bestaan van een recht op aftrek van voorbelasting inzake BTW in hoofde van eiseres, wordt niet door de beslissing van 2.4.2002, die slechts een opzeg is, uitgesloten.

Immers wordt de vraag naar het al dan niet bestaan van belastingplicht in hoofde van eiseres inzake BTW zoals bedoeld in art. 2 W.BTW vanaf 1.1.2002, niet bepaald door de administratieve beslissing van 2.4.2002. Evenzeer wordt, daaruit volgend, het bestaan van een recht op aftrek van BTW zoals bedoeld in artikel 45 W.BTW vanaf 1.1.2002, niet bepaald door de administratieve beslissing van 2.4.2002.

De hoedanigheid van eiseres als BTW-belastingplichtige vanaf 1.1.2002 en dus ook haar recht op aftrek, weze met betrekking tot slechts een deel van haar bedrijfsmatige activiteiten (tuin- en kasteelbezoek, dan wel elk van die twee afzonderlijk beschouwd), wordt bepaald door de feitelijke situatie zoals die zich vanaf 1.1.2002 heeft voorgedaan en door de toepassing van de BTW-wetgeving in samenlezing met de algemene rechtsbeginselen op die feitelijke situatie.

Evenwel ligt niet die feitelijke situatie ter beoordeling aan de rechtbank voor, doch enkel een vordering tot vernietiging van de beslissing van verweerder van 2.4.2002.

Te dien aanzien moet dan ook worden vastgesteld, gelet op het feit dat deze beslissing voor de fiscale toestand inzake BTW vanaf 1.1.2002 van eiseres, en haar daaruit voortvloeiende rechten en plichten, niet declaratief is, dat eiseres geen belang in de zin zoals bedoeld in artikel .17 en 18 Ger. W. aantoont bij haar thans ingestelde vordering tot vernietiging van de administratieve beslissing van 2.4.2002. In concreto doet zich door deze administratieve beslissing geen onherstelbare krenking van een recht op aftrek van BTW in hoofde van eiseres vanaf 1.1.2002 voor. Eiseres kan derhalve evenmin volhouden dat zij dreigt een schending van een ernstig bedreigd recht te ondergaan in de zin van artikel 18, lid 2 Ger. W door de voornoemde administratieve beslissing.

Haar huidige vordering, die los staat van de concrete beoordeling van haar toestand vanaf 1.1.2002 van al dan niet belastingplicht inzake BTW betreffende haar activiteit van "kasteelbezoek" en de invloed daarvan op het al dan niet bestaan van een recht op aftrek van BTW zoals bedoeld in artikel 45 W.BTW (en die niet ter beoordeling aan de rechtbank voorligt in huidige zaak), moet dan ook thans als ontoelaatbaar beoordeeld worden wegens gebrek aan een reeds verkregen en dadelijk belang.

Gelet op de toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,** statuerende op tegenspraak,

Haar tussenvonnis van 23.3.2005 verder uitwerkend,

Verklaart de vordering van eiseres ontoelaatbaar wegens gebrek aan een reeds verkregen en dadelijk belang,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van bet geding en begroot deze in hoofde van verweerder op :

\- € … rechtsplegingsvergoeding.

\- € … aanvullende rechtsplegingsvergoeding tussenvonnis.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 02.11.2005 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **C. V.**, enige rechter, en,

De heer **R. D.**, griffier-hoofd-van-dienst.

**R. D.** **C. V.**
