---
title: "20 janvier 2010 · Établissement de la taxe, champ d&#x27;application · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers"
description: "Établissement de la taxe, champ d'application, service, opération imposable, poursuite. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 20 janvier 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-champ-application-service-tribunal-anvers-2010-01-20-53d9"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Établissement de la taxe, champ d'application, service, opération imposable · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

20 janvier 2010

## Parcours procédural

2 étapes · 1 an 9 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance d'Anvers 20.01.2010
2. [Décision sur appel Cour d'appel d'Anvers 25.10.2011](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-anvers-2011-10-25-aacf)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

75 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 20.01.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twintig januari tweeduizend en tien in openbare zitting van de vierde kamer F van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, alleenzetelend rechter,

**N. D.**, griffier.

**In zake: A.R. Nr. 07/3850/A**

**CVBA M. T. C.**,

ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**EISENDE PARTIJ**

\- verschijnende bij meester **G. P.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT,**

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Turnhout, in de persoon van de Rekenplichtige, eerstaanwezend inspecteur van het de BTW-ontvangkantoor Turnhout, wiens burelen gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

**VERWERENDE PARTIJ**

\- verschijnende bij meester **F. D. R.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het geïnventariseerd dossier van de rechtspleging gekend onder het algemeen rolnummer … (weggelaten van de algemene rol op 4 december 2006) waarin vervat o.a. :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **Ph. B.** te Turnhout op 22 augustus 2002,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek op 29 september 2008,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 december 2009.

---

De vordering strekt ertoe :

\- het dwangbevel Reg. …, uitgevaardigd op 8 november 2001 en uitvoerbaar verklaard op 12 november 2001, van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens eiseres te ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde BTW, proportionele boetes, kosten en nalatigheidsintresten, verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en/of toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en verweerder tevens te veroordelen tot de kosten van het geding;

\- in ondergeschikte orde voormeld dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete wordt nagevorderd, alsmede de eventuele nalatigheidintresten kwijt te schelden.

## Beoordeling

## Betreffende motiveringsplicht van het dwangbevel

Het dwangbevel beantwoordt aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wanneer het door zijn inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

De motiveringsverplichting heeft aldus tot doel de bestuurder alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten.

Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de bestuurde een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen.

Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen van hem wordt gevorderd en over de motivering van deze vordering.

Het dwangbevel is voldoende gemotiveerd en aldus rechtsgeldig gezien bij de betekening van dit dwangbevel het proces-verbaal van 24 oktober 2001 mede werd betekend, zoals duidelijk blijkt uit dit dwangbevel.

Hierdoor werd eiseres zonder misverstand ingelicht over hetgeen van haar werd gevorderd en over de motivering van deze vordering zodat zij kon beoordelen of het zin had haar te verweren tegen het dwangbevel en zij in staat was met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst het dwangbevel aan te vechten.

Betreffende de kwalificatie van de overeenkomst tussen eiseres en de NV **M. T. C.**

Deze betwisting heeft betrekking op de vraag of de overeenkomst tussen eiseres en de NV **M. T. C.** moet beschouwd worden als een onroerende verhuur (stelling van de administratie).

De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie welke de partijen zelf aan de overeenkomst hebben gegeven, maar zij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen.

Krachtens artikel 18, § 1, 6° W.BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd "de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen."

Uit het gebruik van de woorden "onder meer" moet worden afgeleid dat de opsomming van voornoemd artikel 18 niet limitatief is, zodat niet mag uitgesloten worden dat andere handelingen diensten zijn in de zin van het wetboek van BTW en derhalve belastbaar zijn.

Als algemeen beginsel stelt artikel 2 W.BTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."

Voor het onderzoek van het huidig geschil dient derhalve niet onderzocht te worden of de overeenkomst beantwoordt aan alle vereisten van artikel 18, § 1, 6° W.BTW, maar wel of deze overeenkomst moet beschouwd worden als een onroerende verhuur.

Aangezien als algemeen beginsel BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, moeten de woorden "verhuur van onroerende goederen" strikt worden uitgelegd (H.v.J. 9 oktober 2001, **F.J.F.** 2002/3).

Noch de zesde BTW-richtlijn noch het wetboek van BTW geven een definitie van het begrip "onroerende verhuur" zodat dit begrip dient te worden uitgelegd in het licht van haar context en de doelstellingen en het algemene opzet van de zesde richtlijn; de onroerende verhuur bestaat in wezen daarin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (H.v.J. 18 november 2004, **T.F.R.** 2005/12).

Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat :

\- de duur van de verhuur op zichzelf geen onderscheidend criterium is en het niet noodzakelijk is dat deze duur bij het sluiten van de overeenkomst is vastgelegd, daar er immers rekening moet worden gehouden met de werkelijke contractuele verhoudingen,

\- het recht van de huurder, om het onroerend goed bij uitsluiting van ieder ander te gebruiken, kan in de met de verhuurder gesloten overeenkomst worden beperkt, hetgeen niet wegneemt dat dit gebruik uitsluitend is ten opzichte van eenieder die niet op grond van de wet of de overeenkomst een recht kan doen gelden ten aanzien van dat goed

(H.v.J. 18 november 2004, **T.F.R.** 2005/12).

Bijgevolg zijn noch de duur noch het exclusieve karakter doorslaggevende criteria om te bepalen of de overeenkomst al dan niet als onroerende verhuur moet gekwalificeerd worden.

De rechtbank dient aldus na te gaan of de overeenkomst, zoals zij wordt uitgevoerd :

\- in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling ten doel heeft van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop,

\- dan wel strekt tot het verrichten van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt

(H.v.J.. 18 november 2004, **T.F.R.** 2005/12).

Niettegenstaande het recht van de NV **M. T. C.**, om het onroerend goed bij uitsluiting van ieder ander te gebruiken, in de met eiseres gesloten overeenkomst werd beperkt en niettegenstaande de NV **M. T. C.** het gebruik van het onroerend goed mogelijk met andere verbonden vennootschappen moet delen, staat het ontegensprekelijk vast dat de effectieve uitvoering van de overeenkomst in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling ten doel heeft van ruimtes of oppervlakten van het onroerend goed tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, namelijk tegen een maandelijkse vergoeding.

Bijgevolg is het bewezen dat deze overeenkomst met de NV **M. T. C.** een onroerende verhuur betreft, hetgeen vrijgesteld is van BTW en aldus geen recht op aftrek van BTW verleent.

Aangezien eiseres 2 nieuwe ruimten had bijgebouwd en aangezien niet kan uitgemaakt worden of de aan eiseres geleverde goederen of verleende diensten betrekking hadden op de ruimte bestemd voor voornoemde onroerende verhuur of op de andere ruimte, heeft de administratie op grond van de nieuwe bebouwde oppervlakte terecht een verhouding bepaald van 75 % (onroerende verhuur) en 25 % (andere ruimte).

Bijgevolg is deze verhouding geenszins willekeurig bepaald en heeft de administratie dan ook terecht 75 % van de in aftrek gebrachte BTW verworpen.

## Betreffende de boete van 10 %

De boete van 10 % is wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

## Betreffende de kwijtschelding van de nalatigheidintresten

Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidintresten te verlenen.

## Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, zijn beide partijen in hun conclusies akkoord met een bedrag van … EUR, waarvan de rechtbank akte kan verlenen.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door veweerder begroot op en door de rechtbank vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

**N. D.** **P. W.**
