---
title: "2 décembre 2009 · Établissement de la taxe, champ d&#x27;application · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Établissement de la taxe, champ d'application, livraison de biens, lieu de livraison. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 2 décembre 2009."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-champ-application-livraison-tribunal-bruxelles-2009-12-02-2e24"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Établissement de la taxe, champ d'application, livraison de biens · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

2 décembre 2009

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

173 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 02.12.2009

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 36****ste** **Kamer**

**A.R. 1998/426/A**

*-* *Federale Belastingen - BTW - Intracommunautaire levering*

*-* *op tegenspraak en op tegenspraak op grond van artikel 747, § 2, 6**de* *al. Ger. W. t.a.v. S.A.R.L.* ***P. P.***

*-* *eindvonnis*

**In zake van :**

**Mr. R. P. qq**, advocaat te …, … en **Mr. J. M. qq**, advocaat te …, …, handelende in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de N.V. **A. M.**, met maatschappelijke zetel te …, … en ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. **L. V.**, loco Mr. **R. P. qq**, advocaat voornoemd

**tegen :**

1\. **De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de hoofdcontroleur van de BTW-controle te Londerzeel, met burelen te 1840 Londerzeel, Stationsstraat 90,

**Eerste verweerder,**

Vertegenwoordigd door Mr. **F. S.**, advocaat te …, …,

2\. **Meesters I. C. en I. L.**, advocaten met kantoor te …, …, handelend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de N.V. **I. O. S.**, met maatschappelijke zetel te …, … en voorheen ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder het nummer …,

Tweede verweerders qq.

Vertegenwoordigd door Mr. **C.**, voornoemd,

3\. **De S.A.R.L. P. P.**, vennootschap naar Luxemburgs recht, met maatschappelijke zetel te … (…), …, voorheen de S.A.R.L. **L. B. I.**, vennootschap naar luxemburgs recht, gevestigd in het …, te …, …;

Derde verweerster, die niet verschijnt, noch iemand voor haar,

In deze zaak, in beraad genomen op 05/11/2009, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

\- Het exploot van dagvaarding uitgaande van de N.V. **A. M.**, betekend aan de Belgische Staat op 27/11/1997, aan de meesters **C.** en **L. qq** (handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de N.V. **I. o. S.**) op 28/11/1997 en op 02/12/1997 aan de S.A.R.L. **L. B. l.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**);

\- De beschikkingen tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 11/02/2000, 02/02/2009 en 29/05/2009;

\- De eerste conclusie, de (eerste) syntheseconclusie en de (tweede) syntheseconclusie voor meesters **C.** en **L. qq** (handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de N.V. **I. o. S.**), neergelegd ter griffie op respectievelijk 27/05/1998, 15/05/2000 en 24/07/2008;

\- De conclusies, de aanvullende conclusies, de repliekbesluiten en de tweede aanvullende besluiten voor de Belgische Staat, neergelegd ter griffie op respectievelijk 17/08/1998, 22/03/1999, 28/06/2000 en 24/11/2005;

\- De besluiten, aanvullende besluiten, de tweede aanvullende besluiten, de derde aanvullende besluiten en de syntheseconclusie voor de N.V. **A. M.**, neergelegd ter griffie op respectievelijk 17/12/1998, 12/04/1999, 21/04/2000, 27/06/2000 en 22/08/2008;

\- De besluiten voor de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**), neergelegd ter griffie op 29/03/2000;

\- De stukken voor meesters **C.** en **L. qq** (handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de N.V. **I. o. S.**), neergelegd ter griffie op 30/10/2009;

\- De stukken voor de Belgische staat, neergelegd ter zitting op 04/11/2009; en

\- De stukken voor de N.V. **A. M.**, neergelegd ter griffie op 22/08/2008.

Gehoord, ter openbare zitting van 04/11/2009, de raadsman voor de N.V. **A. M.**, de raadsman voor de Belgische staat en meester **C. qq** (handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de N.V. **I. o. S.**), waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. PROCEDURE

1\. De S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**), derde verweerster is niet verschenen, noch iemand in haar naam, hoewel zij behoorlijk opgeroepen werd bij toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wat dit laatste betreft dient te worden vastgesteld dat de kennisgeving van de beschikking op grond van artikel 747, § 2 Ger.W., houdende vaststelling van de rechtsdag, ter kennis werd gebracht van deze partij per aangetekende brief en dat deze aangetekende brief blijkens de stukken in ontvangst werd genomen op 04/06/2009.

Huidig vonnis is dan ook op tegenspraak op grond van artikel 747, § 2, 6 de al. Ger.W. ten aanzien van deze partij.

## 2. FEITEN

2\. De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

2.1. Bij overeenkomst van 01/03/1995 kocht de N.V. **A. M.** een boot, type Fairline Squadron 65, aan bij de N.V. **I. o. S.**.

In deze overeenkomst werd tevens voorzien (uittreksels, stuk 1 N.V. **A. M.**) :

*"nv* ***I.*** *zal de huidige Squadron 56/16 van de nv* ***M.****, bouwjaar 1993, inruilen."*

> *"Deze verkoop wordt afgesloten aan een meerprijs in opleg na overname van bf. …, exclusief btw 20,5 %"*

> *"de nv* ***I.*** *verbindt er zich toe om de Squadron 56 in te ruilen en te betalen aan de nv* ***A. M.*** *ten laatste op 31.10.1995. Dit houdt evenwel in dat dit bedrag wordt gevoegd bij de hierbij overeengekomen koopsom teneinde de Squadron 65 te betalen."*

Vervolgens bracht de N.V. **I. o. S.** er de N.V. **A. M.** vanop de hoogte dat de over te dragen boot (Squadron 56) diende gefactureerd te worden aan de S.A.R.L. **L. B. I.**, met vermelding van het Luxemburgs BTW-nummer van deze laatste voor BEF … (thans … euro), zonder BTW. Tevens meldde de N.V. **I. o. S.** dat deze factuur aan haar diende bezorgd te worden (niet naar Luxemburg te sturen) (stuk 2 N.V. **A. M.**).

Alzo stelde de N.V. **A. M.** op 25/10/1995 een factuur op met nummer 214, waarbij de betreffende boot werd gefactureerd aan de S.A.R.L. **L. B. I.** met verwijzing naar [artikel 39bis BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) en K.B. nr. 52 van 29/12/1992 (stuk 3 N.V. **A. M.**, stuk 1 N.V. **I. o. S.**).

2.2. Op 12/06/1996 gebeurde een BTW-controle bij de N.V. **A. M.**. Hierbij werd onder meer vastgesteld dat de BTW-vrijstelling voor een intracommunautaire levering van vernoemde boot werd niet geleverd, zodat hierop toch nog een bedrag van … BEF (thans … euro) aan BTW verschuldigd was, alsmede een verminderde proportionele boete van … BEF (thans … euro).

Deze correctieopgave werd door de N.V. **A. M.** op 27/11/1997 ondertekend (stuk 4 N.V. **A. M.**, stuk 5 Belgische Staat).

Per brief van 27/11/1996 vroeg de N.V. **A. M.** om kwijtschelding van boete en intresten (stuk 5 N.V. **A. M.**). Bij beslissing van de diensten van verweerder van 05/12/1996, werd hieraan tegemoet gekomen (stuk 6 N.V. **A. M.**).

Tevens schreef de N.V. **A. M.** op 27/11/1996 de N.V. **I. o. S.** aan tot terugvordering van deze betaalde BTW (stuk 13 N.V. **A. M.**).

Op 02/04/1997 schreef de N.V. **A. M.** de diensten der BTW aan dat alsnog stukken voorhanden waren waaruit zou blijken dat de boot in kwestie naar Luxemburg werd vervoerd en dus de vrijstelling voor intracommunautaire levering van toepassing was (stuk 8 N.V. **A. M.**). Hierop werd niet ingegaan (stuk 9 N.V. **A. M.**).

Blijkens de besluiten van de Belgische Staat werd … BEF (thans … euro) vereffend via compensatie met een tegoed. Een saldo van … Bef (thans … euro) werd betaald op 14/01/1997.

2.3. Door de N.V. **A. M.** werd op 09/09/1998 klacht met burgerlijke partij stelling gedaan tegen de gedelegeerde bestuurder van de N.V. **I. o. S.**, alsmede de verantwoordelijken van de S.A.R.L. **L. B. I.** (stuk 16 N.V. **A. M.**).

Deze klacht werd, na verwijzing naar het parket-generaal te Brussel, zonder gevolg geklasseerd (stuk 5 N.V. **l. o. S.**).

## 3. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

3.

3.1. De vordering van de N.V. **A. M.** strekt er in hoofdorde toe de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de som van … euro (voorheen … BEF), meer intresten.

Ondergeschikt wenst de N.V. **A. M.** een terugbetaling van … euro (voorheen … BEF).

De Belgische Staat concludeert tot de ongegrondheid van deze vordering.

3.2. De ondergeschikte vordering van de N.V. **A. M.** strekt ertoe de N.V. **l.** **o. S.** en de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**) hoofdelijk en in solidum te veroordelen tot betaling van de som van … .euro (voorheen … BEF), meer intresten, minstens te zeggen dat zij een vordering heeft ten aanzien van de failliete N.V. **l.** **o. S.** en dat deze vordering moet worden opgenomen in het chirografair passief van het faillissement.

Meesters **C.** en **L. qq** (handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de N.V. **l.** **o. S.**) concluderen tot de ongegrondheid van de vordering van de N.V. **A. M.**.

De S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**) concludeert tot de onontvankelijkheid (zonder specifieke middelen aan te halen) en ongegrondheid van de vordering van de N.V. **A. M.** .

## 4. BEOORDELING

### 4.1. Ontvankelijkheid

4\. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van de N.V. **A. M.** op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vorderingen. Deze zijn ontvankelijk.

### 4.2. Ten gronde

#### 4.2.1. Aangaande de vermeende intracommunautaire levering

5.

5.1. Nu de eis van de N.V. **A. M.** in hoofdorde een betwisting van de al dan niet verschuldigdheid van de BTW betreft en de ondergeschikte vorderingen slechts een voorwerp hebben indien deze hoofdvordering niet gegrond zou zijn, wordt eerst onderzocht of de N.V. **A. M.** al dan niet BTW diende aan te rekenen op de verkoop van de vernoemde boot, dan wel of er sprake is van een intracommunautaire levering.

5.2. De N.V. **A. M.** laat gelden in synthesebesluiten (art. 748bis Ger.W.) dat zij sinds de akkoordverklaring van 27/11/1996 kennis heeft gekregen van nieuwe stukken waaruit blijkt dat er sprake is van een intracommunautaire levering; met name het logboek (stuk 10 N.V. **A. M.**), een betaling van liggelden in Luxemburg (stuk 11 N.V. **A. M.**) en een BTW-aangifte van de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**) (stuk 12 N.V. **A. M.**).

Tevens wijst de N.V. **A. M.** op het feit dat zij ter goeder trouw is (verwijzende naar rechtspraak van het Hof van Justitie).

Meesters **C.** en·**L. qq** (handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de N.V. **I. o. S.**) nemen in synthesebesluiten geen standpunt in hieromtrent.

De S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**) sluit zich aan bij de stelling dat de intracommunautaire levering afdoende bewezen is.

De Belgische Staat laat gelden dat er geen intracommunautaire levering bewezen is.

6\. Op grond van [artikel 2, lid 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2) zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.

Op grond van [artikel 15, § 2, 1° BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-15) moet de levering van de kwestieuze boot aan de S.A.R.L. **L. B. I.** geacht worden in België te hebben plaatsgevonden, nu er geen discussie is over het feit dat de boot in kwestie zich oorspronkelijk in België bevond en de N.V. **A. M.**, de N.V. **I. o. S.** en de S.A.R.**L. L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**) voorhouden dat de vermeende verplaatsing naar Luxemburg gebeurde naar aanleiding van de aankoop van deze boot door de S.A.R.L. **L. B. I.**.

In principe diende dan ook in België BTW betaald te worden op deze transactie, behoudens indien de N.V. **A. M.** zich kan beroepen op een vrijstelling. De N.V. **A. M.** beroept zich op dit punt op een vrijstelling voor intracommunautaire levering ([art. 39bis, al. 1, 1° BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis)).

[Artikel 39 bis, § 1, 1° BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) luidt als volgt :

> *"Van de belasting zijn vrijgesteld :*
>
> *1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4"*

[Artikel 1-3 van het koninklijk besluit nr. 52](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde bepalen :

> *"Art. 1 De in* [*artikel 39bis*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) *van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.*
>
> *Art. 2 De in* [*artikel 39bis, eerste lid, 1°*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis)*, van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.*
>
> *Art. 3 De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.*
>
> *Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper afvaar zijn rekening worden meegenomen".*

Uit deze bepalingen blijkt dat er slechts sprake kan zijn van een intracommunautaire levering, wanneer het bewijs wordt geleverd dat de betrokken boot werd verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat van de EG door de leverancier, door de afnemer of voor hun rekening nu de N.V. **A. M.** zich beroept op een vrijstelling, dient zij hiervan het bewijs te leveren.

Op basis van de voorliggende stukken acht de rechtbank dit bewijs niet afdoende geleverd.

Het vermeende logboek (stuk 10 de N.V. **A. M.**) vermeldt enkel dat het betrekking heeft op een "Fairline Squadron", doch vermeld geen verdere gegevens ter identificatie van het voertuig waarop dit betrekking heeft. Ook het motornummer is onvolledig zodat identificatie onmogelijk is (zie hieromtrent de verklaring van de heer **S. D.**, toenmalig werknemer van de N. V. **I. o. S.**, in het strafonderzoek).

De eventuele BTW-aangifte door de S.A.R.L. **L. B. I.** in Luxemburg is hier niet relevant, nu deze geen uitsluitsel geeft over de daadwerkelijke materiële levering van de boot.

Er blijft dan enkel het bewijs van betaling van liggelden voor een boot te Schwebsingen voor de periode 25/10/1995 tot en met 25/11/1995. Hiervan stelde de heer **D.** in zijn verhoor *"dat de som van … LUF mij weinig lijkt om een vaartuig van dergelijke afmetingen een maand te laten liggen"*.

Deze stukken - voor wat ze al waard zouden zijn - worden dan nog eens formeel tegengesproken door de volgende elementen :

\- de kwestieuze boot werd door de N.V. **I. o. S.** op 01/10/1995 verkocht aan dhr. **P. B.** (stuk 2 Belgische staat) en aan deze persoon geleverd op 15/10/1995 (verklaring **B.**, stuk 18 N.V. **A. M.**).

\- Dhr. **D.** (werknemer van de N.V. **I. o. S.**) verklaarde dat in oktober 1995 de betreffende boot in Oostende werd geleverd, vanuit Zeebrugge door de N.V. **A. M.**. Deze stelt tevens dat de boot in kwestie nooit naar Luxemburg werd vervoerd. (stuk 17 N.V. **A. M.**).

\- De koper, de heer **B.**, verklaarde dat hij nooit in Luxemburg heeft gekocht, noch contact heeft gehad met de S.A.R.L. **L. B. I.**.

\- Dhr. **D.** verklaarde dat de boot nooit in Luxemburg is geweest tussen 25/10/1995 en 25/11/1995 (stuk 19 N.V. **A. M.**)

\- de verkoop aan de heer B. werd op 19/10/1995 door de S.A.R.L. **L. B. I.** gefactureerd aan deze koper (stuk 4 de N.V. **I.** **o. S.**, stuk 1 Belgische Staat).

Gelet op deze tegenstrijdige elementen acht de rechtbank het niet naar eis van recht bewezen dat de kwestieuze boot naar Luxemburg werd verplaatst. Minstens kan deze verplaatsing niet het karakter van een intracommunautaire levering hebben, nu de boot in kwestie op het moment van de beweerde verplaatsing al verkocht, geleverd en in ontvangst genomen was door de uiteindelijke koper, de heer **B.**. Er kan bezwaarlijk voorgehouden worden dat er een verzending of vervoer van de boot in kwestie naar Luxemburg aan de S.A.R.L. **L. B. I.** heeft plaatsgevonden op een moment dat deze laatste geen eigenaar meer was van deze boot.

7\. De stelling van de N.V. **A. M.** dat deze toch zou kunnen genieten van de vrijstelling omwille van intracommunautaire levering om reden dat zij ter goeder trouw zou zijn en de onrechtmatige handelingen van de N.V. **I.** **o. S.** en de S.A.R.L. **L. B. I.** haar niet kunnen aangewreven worden, kan niet gevolgd worden.

Het is correct dat het recht van aftrek of vrijstelling voor een intracommunautaire levering niet komt te vervallen voor een belastingplichtige die bewijst dat hij ter goeder trouw is (vgl. door de N.V. **A. M.** aangehaalde en geciteerde rechtspraak).

Om ter goeder trouw te zijn, moet de belastingplichtige bewijzen dat hij niet wist of kon weten dat er sprake was van fraude, dan wel het nodige heeft gedaan dat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden lag om te zorgen dat zijn intracommunautaire levering niet bij een dergelijke fraude betrokken geraakt (vg!. H.vJ. nr. [C-409/04](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret), 27/09/2007).

Aan deze voorwaarden is niet voldaan. In de overeenkomst tussen de N.V. **I.** **o. S.** en de N.V. **A. M.** van 01/03/1995 werd overeengekomen dat de N.V. **I.** **o. S.** de kwestieuze boot zou inruilen. In strijd met deze overeenkomst (volgens de letter van de overeenkomst zou de N.V. **I. o. S.** de kwestieuze boot immers zelf overnemen) heeft de N.V. **A. M.** op slaafse wijze gevolg gegeven aan de vraag van de N.V. **I. o. S.** om de boot te factureren aan de S.A.R.L. **L. B. I.** - een firma waarvan zij geen kennis had - en deze factuur niet naar Luxemburg te sturen, maar aan de N.V. **I. o. S.** zelf. Omtrent de eventuele effectieve levering in Luxemburg heeft de N.V. **A. M.** niet de minste controle uitgevoerd.

Bovendien is de N.V. **A. M.** ook naderhand nalatig geweest en heeft zij nooit het nodige gedaan om zich in het bezit te laten stellen van de documenten waaruit het vervoer zou moeten blijken. Nochtans is het bezit van deze documenten een verplichting op grond van [artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art3) van 29 december 1992.

#### 4.2.2. Aangaande de toepassing van het neutraliteitsbeginsel

8\. Ondergeschikt beroept de N.V. **A. M.** zich op het neutraliteitsbeginsel. In casu werd bij de oorspronkelijke aankoop van de boot in kwestie de aftrek verworpen voor 50 %. Op dit gedeelte kan volgens de N.V. **A. M.** dan ook geen BTW meer geheven worden bij verdere verkoop. Volgens de N.V. **A. M.** is er dan ook ten onrechte geen rekening gehouden met 2/5 de van de verworpen aftrek (zijnde … euro) aangezien de boot verkocht werd binnen de 5 jaren. Hierdoor zou de N.V. **A. M.** naar eigen zeggen twee maal dezelfde BTW betalen.

De Belgische staat laat gelden dat door de verwerping van een deel van de BTW-aftrek van de kwestieuze boot, eiser voor dit gedeelte als eindgebruiker dient beschouwd te worden. Het neutraliteitsbeginsel speelt zich enkel af tussen BTW-plichtigen in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid.

9\. De door de N.V. **A. M.** aangehaalde redenering berust op een foute premisse. Met name leidt de N.V. **A. M.** uit het feit dat de aftrek van de BTW bij de oorspronkelijke aankoop van de kwestieuze boot deels werd geweigerd om reden dat het ging om een 50 % privé-aankoop, af dat de daaropvolgende verkoop slechts deels zou vallen onder de BTW-plicht.

De aftrekbeperking en de BTW-plicht staan evenwel los van elkaar en uit het ene volgt het andere niet. De reden voor de aftrekbeperking is het feit dat de N.V. **A. M.** wat betreft 50 % van de kwestieuze boot dient beschouwd te worden als eindverbruiker, zodat de BTW wat dit deel betreft definitief ten laste van de N.V. **A. M.** valt.

De belastingplicht op de daarna volgende verkoop volgt uit [artikel 2, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2), nu voor de N.V. **A. M.** het een levering van een goed betreft waarbij de N.V. **A. M.** optrad als BTW-belastingplichtige.

Meer nog, het neutraliteitsbeginsel werd op geen enkele wijze geschonden. De N.V. **A. M.** is immers zelf niet de uiteindelijke belastingplichtige van de BTW op de verkoop in kwestie. Zij dient zelf deze BTW (behoudens in geval van vrijstelling, zie hoger) door te rekenen aan haar koper (die deze vervolgens zal doorrekenen, tot aan de eindverbruiker). Op deze wijze is er ook geen dubbele heffing zoals ten onrechte door de N.V. **A. M.** voorgehouden.

Dat thans deze doorrekening niet kan geschieden doordat de regels niet correct werden gevolgd of andere betrokkenen failliet zouden zijn, kan geen afbreuk doen aan de verschuldigdheid van de BTW en is geen inbreuk op het neutraliteitsbeginsel.

Dat de N.V. **A. M.** het deel van de BTW van de oorspronkelijke aankoop dat betrekking had op het privé-aandeel in deze aankoop definitief zelf dient te dragen is geen schending van het neutraliteitsbeginsel, doch een enkele toepassing van het beginsel dat de eindverbruiker de BTW dient te dragen. Hierbij dient trouwens opgemerkt te worden dat bij de weigering van de aftrek voor het privégedeelte reeds rekening werd gehouden met het feit dat de kwestieuze boot reeds na 2 jaar werd verkocht. De weigering van aftrek werd dan ook beperkt tot 2/5 de in het licht van een herziening (art. 48, § 2 W.BTW).

Meer nog, de stelling van de N.V. **A. M.** zou tot gevolg hebben dat zij de BTW voor haar privé-aankoop via een daaropvolgende verkoop zou kunnen recupereren. Dit is in strijd met het aangehaalde beginsel dat de eindverbruiker de BTW finaal dient te dragen.

De door de N.V. **A. M.** uitgebreid aangehaalde rechtspraak en rechtsleer is niet ter zake doende, nu deze enkel betrekking heeft op de aftrekregeling. Evenmin zijn artikel 19, § 1 W.BTW of de aanschrijving 4/1996 van toepassing. Deze hebben immers enkel betrekking op bijkomstig en toevallig gebruik van goederen voor privédoeleinden. In deze is er evenwel sprake van een bestendig privé-karakter van dit gebruik (50 %).

Dit middel van de N.V. **A. M.** is niet gegrond.

10\. Uit de overwegingen opgenomen onder de randnummers 6 tot en met 9 volgt dat de vordering van de N.V. **A. M.** ten aanzien van de Belgische Staat niet gegrond is.

#### 4.2.3. Aangaande de eventuele gehoudenheid van de N.V. I. o. S. en/of de S.A.R.L. L. B. I. (thans de N.V.P. P.)

11\. Ondergeschikt vordert de N.V. **A. M.** de aangerekende BTW terug van de N.V. **I. o. S.** en de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de N.V. **P. P.**).

Zij beroept zich hierbij ten aanzien van de N.V. **I. o. S.** op artikel 1992 B.W., minstens art. 1382 B.W : Volgens de N.V. **A. M.** trad de N.V. **I. o. S.** op als mandataris bij de verkoop van de kwestieuze boot. Minstens diende zij de boot· zelf over te nemen, indien er geen koper werd gevonden.

De N.V. **I. o. S.** is van oordeel dat er geen fout in haren hoofde bewezen is. Zij was overigens geen mandataris, zij had enkel de opdracht om een koper te zoeken en dus enkel een aannemer van werk.

Hoe dan ook kunnen de curatoren niet veroordeeld worden tot betaling van deze geldsom, doch kan er enkel sprake zijn van opname in het passief als chirografair schuldeiser.

Ten aanzien van de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) laat de N.V. **A. M.** gelden dat deze een fout heeft begaan door de boot in kwestie niet naar Luxemburg te laten vervoeren.

De S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) is van oordeel dat er sprake is van een intracommunautaire levering (zie hoger). Indien deze levering niet tot stand kwam is dit de fout van de N.V. **A. M.** of haar mandataris (de N.V. **I. o. S.**), zodat zij niet gehouden is.

12.

12.1. Wat betreft de N.V. **I. o. S.** dient vastgesteld te worden dat de overeenkomst van 01/03/1995 tussen de N.V. **A. M.** en de N.V. **I. o. S.** op zich geen uitsluitsel geeft over de juiste invulling van de opdracht van de N.V. **I. o. S.**. Deze overeenkomst voorziet onder meer :

*"nv* ***I.*** *zal de huidige Squadron 56/16 van de nv* ***M.****, bouwjaar 1993, inruilen."*

> *"Deze verkoop wordt afgesloten aan een meerprijs in opleg na overname van bf. …, exclusief btw 20,5 %"*

> *"de nv* ***I.*** *verbindt er zich toe om de Squadron 56 in te ruilen en te betalen aan de nv* ***A. M.*** *ten laatste op 31.10.1995. Dit houdt evenwel in dat dit bedrag wordt gevoegd bij de hierbij overeengekomen koopsom teneinde de Squadron 65 te betalen. "*

Op basis hiervan kan de ene dan wel de andere stelling verdedigd worden. Meer nog, eigenlijk zou hieruit kunnen besloten worden dat de eigenlijke koper van de boot de N.V. **I. o. S.** is, daar deze zich heeft verbonden tot het inruilen van de boot in kwestie. Deze laatste stelling wordt evenwel door geen enkele partij verdedigd.

Belangrijker is dan ook de feitelijke houding van partijen bij de uitvoering van deze overeenkomst. En hieruit kan niet anders dan geconcludeerd worden dat de N.V. **I. o. S.** wel degelijk optrad als gemandateerde van de N.V. **A. M.**.

Uit de stukken blijkt immers dat de N.V. **A. M.** nooit enig contact heeft gehad met de S.A.R.L. **L. B. I.** ten tijde van de verkoop van de kwestieuze boot. De facturering gebeurde dan welaan de S.A.R.L. **L. B. I.**, doch dit gebeurde via en op aanwijzing van de N.V. **I. o. S.**. Het kan dan ook niet anders dan dat de eigenlijke verkoop gesloten werd door de N.V. **I. o. S.** als gemandateerde van de N.V. **A. M.**.

Het feit dat door de N.V. **A. M.** gefactureerd werd aan de S.A.R.L. **L. B. I.** sluit overigens niet uit dat de eigenlijke verkoopsovereenkomst werd afgesloten door de N.V. **I. o. S.** als gemandateerde.

Bij de daaropvolgende verkoop van de boot aan de heer **B.**, blijken de N.V. **I. o. S.** en de S.A.R.L. **L. B. I.** overigens een identieke handelswijze gehanteerd te hebben. De heer **B.** had geen rechtstreeks contact met de S.A.R.L. **L. B. I.**.

Op basis van de feitelijke uitvoering die door partijen aan de overeenkomst in kwestie is gegeven, is afdoende bewezen dat het de bedoeling was dat de N.V. **I. o. S.** optrad als gemandateerde van de N.V. **A. M.** bij de verkoop van de kwestieuze boot.

Door de boot te laten factureren aan de verkoper op grond van een intracommunautaire levering, zonder deze levering nadien ook effectief te laten plaatsvinden (zie hoger aangehaalde overwegingen, randnummer 6) beging de N.V. **I. o. S.** een fout waarvoor zij op grond van artikel 1992 B.W. schadevergoeding verschuldigd is aan de N.V. **A. M.**.

12.2. De N.V. **I. o. S.** laat geen specifieke middelen gelden ten aanzien van de gevorderde hoofdelijkheid.

Er worden de N.V. **A. M.** enkel gerechtelijke intresten toegekend, nu de N.V. **A. M.** voor het overige de intresten niet specificeert.

12.3. Nu voor het overige geen discussie is over de omvang van deze schadevergoeding, is deze vordering in principe gegrond. Deze vordering kan evenwel, zoals terecht opgeworpen door de curatele, niet uitgesproken worden tegen deze curatele. Er kan slechts vastgesteld worden dat de N.V. **A. M.** voor dit bedrag een schuldvordering heeft in het chirografair passief van de faling.

Nu tussen partijen geen betwisting bestaat over het feit dat deze vordering valt onder het chirografair passief, komt het gepast voor, in het licht van een efficiënte rechtsbedeling, dat dit door deze rechtbank wordt vastgesteld.

13\. Wat betreft de vordering ten aanzien van de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**), geldt het volgende :

Nu om hoger aangehaalde redenen (randnummer 6) de intracommunautaire levering niet bewezen is, is BTW verschuldigd op de verkoop van de kwestieuze boot aan de S.A.R.L. **L. B. I.**, zodat op deze grond alleen al deze laatste gehouden is tot betaling van de BTW als koper. De N.V. **A. M.** diende als verkoper deze BTW aan te rekenen aan de S.A.R.L. **L. B. I.**.

Dat de S.A.R.L. **L. B. I.** geen fout zou hebben begaan bij het feit dat er geen sprake is van een intracommunautaire levering is niet relevant. Het was trouwens aan de S.A.R.L. **L. B. I.** om er op toe te zien dat deze levering in Luxemburg wel degelijk geschiedde.

De N.V. **A. M.** kan dan wel een nalatigheid verweten worden in het kader van de BTW-wetgeving (zie hoger), doch in het kader van de eigenlijke verkoop en het niet tot stand komen van de intracommunautaire levering, kan de N. V. **A. M.** geen persoonlijke fout verweten worden.

Uit het aangehaalde feitenrelaas blijkt bovendien dat er sprake is van een combine tussen de N.V. **I. o. S.** en de S.A.R.L. **L. B. I.** waarbij de fictieve levering van de boot in Luxemburg werd opgezet, maar de facto de N.V. **I. o. S.** de boot onder zich hield en verder verkocht. De S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) kan dan ook niet verwijzen naar een fout van de N.V. **I. o. S.** (als gemandateerde van de N.V. **A. M.**) om te ontsnappen aan haar verplichtingen. Er is immers sprake van samenspraak en bedrog in hoofde van de N.V. **I. o. S.** en de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**).

Omtrent omvang van de gevorderde schadevergoeding en de vervorderde hoofdelijkheid worden geen specifieke middelen opgeworpen. Er worden de N.V. **A. M.** enkel gerechtelijke intresten toegekend, nu de N.V. **A. M.** voor het overige de intresten niet specificeert.

De vordering van de N.V. **A. M.** ten aanzien van de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) is dan ook gegrond.

## 5. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

14.

14.1. Aangezien de vordering van de N. V. **A. M.** ten aanzien van de Belgische Staat niet gegrond is, wordt de N.V. **A. M.** veroordeeld tot de kosten van het geding.

De Belgische Staat vordert het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding op grond van de waarde van het geschil, zonder dat hiervan door de N.V. **A. M.** een vermindering wordt gevorderd.

14.2. Aangezien de vordering van de N.V. **A. M.** ten aanzien van de N.V. **I. o. S.** gegrond is, wordt de N.V. **I. o. S.** veroordeeld tot de kosten van het geding wat betreft deze vordering.

De N.V. **A. M.** vordert het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding op grond van de waarde van het geschil, zonder dat hiervan door de N.V. **I. o. S.** een vermindering wordt gevorderd.

14.3. Aangezien de vordering van de N.V. **A. M.** ten aanzien van de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) gegrond is, wordt de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) veroordeeld tot de kosten van het geding wat betreft deze vordering.

De N.V. **A. M.** vordert het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding op grond van de waarde van het geschil, zonder dat hiervan door de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) een vermindering wordt gevorderd.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak op grond van artikel 747, § 2, 6de al. Ger.W. ten aanzien van de S.A.R.L. **P. P.** en op tegenspraak ten aanzien van de overige partijen,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de N.V. **A. M.** opzichtens de Belgische Staat ontvankelijk doch niet gegrond.

Verklaart de vordering van de N.V. **A. M.** opzichtens Meesters **I.** **C.** en **I. L.**, handelend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de N.V. **I. o. S.**, ontvankelijk en als volgt gegrond.

Verklaart de vordering van de N.V. **A. M.** opzichtens de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) ontvankelijk en als volgt gegrond.

Veroordeelt de N.V. **I.** **o. S.** en de S.A.R.L **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) hoofdelijk tot betaling aan de N.V. **A. M.** van de som van … euro (voorheen … BEF), meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 28/11/1997.

Zegt dat de N.V. **A. M.** voor wat betreft de vordering ten aanzien van de N.V. **I. o. S.** ten belope van aangehaald bedrag gerechtigd is tot opname in het chirografair passief van de faling van de N.V. **I. o. S.**.

Veroordeelt de N.V. **A. M.** tot de kosten van het geding ten aanzien van de Belgische Staat en begroot deze kosten op … euro in hoofde van de Belgische Staat;

Veroordeelt de N.V. **I. o. S.** tot de kosten van het geding ten aanzien van de N.V. **A. M.** en begroot deze kosten in hoofde van de N.V. **A. M.** op … euro (voorheen … BEF - dagvaarding) en … euro (rechtsplegingsvergoeding).

Veroordeelt de S.A.R.L. **L. B. I.** (thans de S.A.R.L. **P. P.**) tot de kosten van het geding ten aanzien van de N.V. **A. M.** en begroot deze kosten in hoofde van de N.V. **A. M.** op … euro (voorheen … BEF - dagvaarding) en … euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 2 december 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **J. V.** : toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.** : griffier.

**I. D.** **J. V. B.**

## Textes cités

6

[CTVA art. 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) 5 occurrences

[CTVA art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-2) 2 occurrences

[AR no 52 art. 1-3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[AR no 52 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[CTVA art. 15](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-15) 1 occurrence

[C-409/04, arrêt du 27 septembre 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-04-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 3 dispositions communes

[Champ d'application, livraison de biens, lieu de livraison](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-lieu-tribunal-bruxelles-2009-11-09-51e2) 3 dispositions communes

[Établissement de la taxe, champ d'application, livraison de biens](https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-champ-application-livraison-tribunal-mechelen-2000-03-16-628e) 3 dispositions communes

[Abus fiscal, délai de prescription prolongé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/abus-fiscal-delai-prescription-prolonge-tribunal-anvers-2023-10-20-09f9) 2 dispositions communes

[Vente à distance, Renseignements provenant de l'étranger](https://juriel.be/fr/jurisprudence/vente-distance-renseignements-provenant-etranger-cour-appel-bruxelles-2024-11-20-3008) 2 dispositions communes

[Livraison intracommunautaire de biens, Opérations exemptées](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-biens-operations-exemptees-cour-appel-liege-2024-03-06-4054) 2 dispositions communes

[Exonération, Livraison intracommunautaire, Vente à distance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-livraison-intracommunautaire-vente-distance-tribunal-anvers-2023-10-20-4111) 2 dispositions communes

[Conditions de forme de la contrainte](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conditions-forme-contrainte-autorite-chose-cour-appel-gand-2023-06-20-9f55) 2 dispositions communes
