---
title: "6 avril 2005 · Établissement de la taxe, assujettissement · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Établissement de la taxe, assujettissement, exonération, autre exemption, disposition pénale. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 6 avril 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-assujettissement-exoneration-autre-tribunal-hasselt-2005-04-06-0f80"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Établissement de la taxe, assujettissement, exonération, autre exemption · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

6 avril 2005

## Parcours procédural

2 étapes · 3 ans 11 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance de Hasselt 06.04.2005
2. [Décision sur appel Cour d'appel d'Anvers 10.03.2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tawe-valeur-ajoutee-assujettissement-champ-cour-appel-anvers-2009-03-10-3eec)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

270 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 06.04.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**IN ZAKE AR nr. 02/0569/A**

**NV S.**, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een NV met zetel te …, ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. D. B.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, registratie en domeinen**, in de persoon van de rekenplichtige van het 2° BTW-ontvangkantoor te Hasselt, Thonissenlaan 20.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. R.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het exploot van gerechtsdeurwaarder **P. T.** te … van 12.03.2002 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel van 12.11.2001 lastens eiseres uitgevaardigd door de heer **D. S.**, eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor van de BTW te Hasselt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.11.2001 door de heer **R. C.**, gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen;

\- de conclusie, antwoord- en syntheseconclusies en stukken van eiseres;

\- de conclusie, syntheseconclusies, tweede syntheseconclusie en stukken van verweerder.

## Feiten en voorgaanden

Eiseres, zijnde de NV **S.** "burgerlijke vennootschap onder vorm van een naamloze vennootschap", werd opgericht bij akte verleden voor notaris **R. l.** op 30.06.1993 en geregistreerd op 12.07.1993 (zie stuk 5, bundel verweerder).

De statuten vermelden als doel van de vennootschap :

\- het ter beschikking stellen van alle middelen dienstig voor de uitoefening van het notarisambt;

\- het beheer van eigen roerende en onroerende goederen;

\- het waarnemen van bestuursfuncties (zie stuk 5, bundel verweerder).

De statuten vermelden dat deze opsomming niet beperkend is en dat de vennootschap kan overgaan tot alle handelsactiviteiten, nijverheidsverrichtingen, financiële en onroerende verrichtingen, zo voor eigen rekening, zo voor rekening van derden, die van aard zijn de verwezenlijking van haar doel rechtstreeks of onrechtstreek te bevorderen, dit zowel in België als in het buitenland (zie stuk 5, bundel verweerder).

Eiseres heeft personeel in dienst en is eigenares van het bedrijfsgebouw gelegen te …, …, alsook van de kantooruitrusting waarmee het gebouw is uitgerust. Dit bedrijfsgebouw verhuurt zij aan notaris **K. S.**, die aldaar zijn standplaats als notaris heeft gevestigd.

Eiseres was niet geregistreerd als BTW-belastingplichtige.

Op 14.03.2001 en 03.04.2001 ging eerstaanwezend inspecteur **L. H.** bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, en op 10.07.2001 gingen eerstaanwezend inspecteur **L. H.** en eerstaanwezend inspecteur **L. V. H.** bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, na een voorafgaande verwittiging, over tot een BTW­controle van eiseres voor de periode 01.10.1996 tot en met 30.09.2000.

Bij nazicht van de voorgelegde bescheiden, alsmede op grond van de gedane vaststellingen stelde eerstaanwezend inspecteur **L. H.** vast dat er door eiseres inbreuken zouden gepleegd zijn op art. 53, eerste lid, 3° en 4° W.BTW en art. 18 van het KB BTW nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de aangegeven omzet.

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 06.11.2001 waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- € 408.236,01 (voorheen 16.468.200 BEF) aan BTW;

\- € 81.631,34 (voorheen 3.293.000 BEF) aan geldboete berekend in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en verminderd en afgerond in toepassing van art. 1 en tabel G, eerste afdeling, rubriek V en [art. 4, § 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art4) van 30 januari 1987 tilt vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW;

\- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.10.2000 over de som van € 408.231,06 (voorheen 16.468.000 BEF).

(zie stuk 1, bundel verweerder)

Bij gebrek aan betaling door eiseres werd er op 12.11.2001 tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 06.11.2001. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.11.2001 (zie stuk 2, bundel verweerder).

Bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **P. V. E.**, handelend ter vervanging van gerechtsdeurwaarder **L. H.** te … van 16.11.2001 werd het dwangbevel van 12.11.2001, alsmede het proces-verbaal van 06.11.2001, aan eiseres betekend (zie stuk 3, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de voormelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder **P. T.** te … van 12.03.2002 werd door eiseres bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 12.11.2001.

## Beoordeling

## 1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

**2.** **Aangaande de beweerde nietigheid van het dwangbevel van 12.11.2001**

### 2.1. Het dwangbevel zou niet uitgaan van het territoriaal bevoegde BTW­kantoor

Ingevolge art. 85 W.BTW dient het dwangbevel te worden uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar en dient het worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar.

In casu werd het desbetreffende dwangbevel op 12.11.2001 uitgevaardigd door de heer **D. S.**, eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW­ontvangkantoor te Hasselt. Voorafgaand aan de handtekeningstaat de volgende vermelding op het dwangbevel *“uitgevaardigd door mij,* ***D. S.****, wnd. e.a. inspecteur van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 12 november 2001”* (zie stuk 3, bundel verweerder).

De heer **S.** nam de functie waar van rekenplichtige, zijnde de met invordering belaste ambtenaar. De aan deze functie verbonden graad droeg voorheen de benaming van *“ontvanger”*. Ingevolge een KB van 06.07.1997 (BS 31.07.1997) is vanaf 01.07.1997 de benaming van *"ontvanger A"* of *"ontvanger B"* gewijzigd in *“eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur”* (zie stuk 16, bundel verweerder).

Derhalve staat vast dat de met invordering belaste ambtenaar het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

Het ambtsgebied van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt omvat … zodat ook het juiste ontvangkantoor het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

### 2.2. Het dwangbevel zou niet ondertekend zijn door de gerechtsdeurwaarder die het heeft betekend

Eiseres houdt voor dat het dwangbevel nietig is omdat het niet is ondertekend door een gerechtsdeurwaarder.

Overeenkomstig art. 43 Ger. W. dient op straffe van nietigheid het exploot van betekening van het dwangbevel te zijn ondertekend door de optredende gerechtsdeurwaarder, hetgeen in casu het geval is (zie stuk 3, bundel verweerder).

Geen enkele wettelijke bepaling stelt dat het dwangbevel zelf dient ondertekend te zijn door een gerechtsdeurwaarder, zodat ook deze grief van eiseres ongegrond is.

**3.** **Aangaande de beweerde nietigheid van de betekening van het dwangbevel van 12.11.2001 en het proces-verbaal van 06.11.2001**

Eiseres houdt vervolgens voor dat de betekening van het dwangbevel van 12.11.2001 en het proces-verbaal van 06.11.2001 bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **P. V. E.**, handelend ter vervanging van gerechtsdeurwaarder **L. H.** te … van 16.11.2001, nietig zou zijn omdat overeenkomstig art. 43, 2° Ger. W. het exploot van betekening de naam, voornaam en woonplaats van de persoon op wiens verzoek het exploot wordt betekend moet worden vermeld, hetgeen in casu niet gebeurd zou zijn.

De rechtbank merkt op dat het exploot plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **P. V. E.**, handelend ter vervanging van gerechtsdeurwaarder **L. H.** te … van 16.11.2001 de volgende vermelding bevat :

> *"Op verzoek van : BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en domeinen, in de persoon van de rekeningplichtige van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4"*

(zie stuk 3, bundel verweerder).

De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de wettelijke verplichting van art. 43, 2° Ger. W. is voldaan.

Deze grief van eiseres mist elke grond.

## 4. Aangaande de beweerde schending van de rechten van verdediging van eiseres

Eiseres houdt voor dat haar rechten van verdediging zouden zijn geschonden omdat :

\- het proces-verbaal van 06.11.2001 niet werd opgesteld op het ogenblik van de controles en de vaststelling van de onregelmatigheden;

\- het proces-verbaal van 06.11.2001 haar niet voorafgaandelijk aan de betekening van het dwangbevel werd ter kennis gebracht.

4.1. Het proces-verbaal van 06.11.2001 werd niet opgesteld op het ogenblik van de controle en de vaststelling van de onregelmatigheden

Op 14.03.2001 en 03.04.2001 ging eerstaanwezend inspecteur **L. H.** bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, en op 10.07.2001 gingen eerstaanwezend inspecteur **L. H.** en eerstaanwezend inspecteur **L. V. H.** bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de AOIF, controlecentrum Tongeren-Genk, na een voorafgaande verwittiging, over tot een BTW­controle van eiseres voor de periode 01.10.1996 tot en met 30.09.2000.

Het proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van deze controles dateert van 06.11.2001.

Uit het feit dat het proces-verbaal werd opgesteld een aantal maanden na de controle volgt niet automatisch de onwaarde van het proces-verbaal nu dat document enerzijds de weergave vormt van de optekeningen die de controleambtenaar heeft gedaan bij en naar aanleiding van de vroegere controles en anderzijds de vaststellingen en gevolgtrekkingen weergeeft van dezelfde controleambtenaar.

De door eiseres gedane bewering dat haar rechten van verdediging werden geschonden doordat het proces-verbaal niet werd opgesteld op het ogenblik van de controle, ontbreekt elke ernst, nu uit de feiten niet blijkt op welke wijze deze rechten zouden zijn geschonden.

Bovendien dient vastgesteld dat er geen enkele wetsbepaling een termijn voorziet waarbinnen de controle-ambtenaren hun processen-verbaal dienen op te stellen.

Deze grief mist elke grond.

4.2. Het proces-verbaal van 06.11.2001 werd eiseres niet voorafgaandelijk aan de betekening van het dwangbevel ter kennis gebracht, hetgeen een inbreuk is op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Eiseres houdt voor dat de toezending van het proces-verbaal een plicht van behoorlijk bestuur is en dat haar rechten van verdediging zouden zijn geschonden, nu dit proces-verbaal van 06.11.2001 niet voorafgaandelijk aan de betekening van het dwangbevel zou zijn ter kennis gebracht.

Het enkele feit dat het proces-verbaal van 06.11.2001 pas ter kennis werd gebracht samen met de betekening van het dwangbevel, houdt geen schending van de rechten van verdediging in.

Eiseres maakt het in concreto niet aannemelijk dat haar rechten van verdediging hierdoor zouden zijn geschonden. De rechtbank stelt vast dat haar verdedigingsrechten hierdoor geenszins werden beperkt.

Bovendien voorziet geen enkele wettekst dat het proces-verbaal bedoeld bij art. 59 W.BTW moet worden meegedeeld aan de belastingplichtige en binnen welke termijn dit zou moeten gebeuren.

Deze grief is dan ook ongegrond.

**5.** **Aangaande de bewering dat het proces-verbaal van 06.11.2001 geen bijzondere bewijswaarde zou bezitten omdat het geen woordelijk weergegeven verklaringen bevat**

De materiële vaststellingen die zijn geschied door de controle-ambtenaren hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 06.11.2001 de in art. 59, § 1 in fine W.BTW bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

Uit het proces-verbaal blijken in essentie de volgende materiële vaststellingen :

\- de NV **S.** reikt maandelijks een "NOTA" met vermelding van datum, maar zonder vermelding van volgnummer uit aan notaris **K. S.**, … te …;

\- als omschrijving van de gepresteerde diensten vermelden deze nota's *"aanrekening voor het uitvoeren van prestaties dienstig voor de uitoefening van het notarisambt voor de maand ... "* of *"aanrekening voor het ter beschikking stellen van de middelen en het uitvoeren van prestaties dienstig voor de uitoefening van het notarisambt voor de maand ..."*;

\- over de in de nota's vermelde bedragen werd geen BTW aangerekend;

\- de aangerekende bedragen werden niet vermeld in een volgens art. 53, eerste lid, 3° en 4° W.BTW verplicht in te dienen periodieke BTW-aangifte en de verschuldigd geworden belasting werd niet voldaan binnen de termijn gesteld voor de indiening van deze aangiften;

\- de nota's, opgemaakt gedurende de gecontroleerde periode, worden opgesomd in het proces-verbaal.

Door eiseres wordt niet het minste bewijs van het tegendeel geleverd van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen, zodat de juistheid en de waarachtigheid van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen dienen aanvaard te worden.

Deze bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controle-ambtenaren persoonlijk hebben vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen.

De loutere bewering dat de nota's niet mee werden betekend en evenmin werden opgenomen in het proces-verbaal, bewijst geenszins dat de materiële vaststellingen van de ambtenaren met betrekking tot deze nota's niet correct zouden zijn.

Het feit dat het proces-verbaal verwijst naar "uitleg" verstrekt door de heren **S.**, **D.** en **V. D. B.**, zonder dat deze uitleg woordelijk in het proces-verbaal is vastgesteld of opgenomen, doet niets af aan de materiële vaststellingen die de controle-ambtenaren hebben gedaan en tast de bewijskracht van het proces-verbaal wat betreft de materiële vaststellingen niet aan.

Deze grief van eiseres is ongegrond.

## 6. Is eiseres te beschouwen als een belastingplichtige zoals bedoeld in art. 4, § 1 W.BTW ?

### 6.1. Principes

Art. 4, § 1 W.BTW bepaalt :

> *"Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend"*.

Art. 2 W.BTW stelt onder meer :

> *"De leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, zijn aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.(...)".*

Art. 9 W.BTW bepaalt :

> *"Voor de toepassing van dit Wetboek wordt onder goederen verstaan de lichamelijke goederen.*
>
> *Als lichamelijke goederen worden beschouwd :*
>
> *1°* *elektriciteit, gas, warmte en koude;*
>
> *2°* *de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken; is in ieder geval uitgesloten het recht van erfpacht dat door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur wordt gevestigd of overgedragen in het kader van onroerende financieringshuur in de zin van art. 44, § 3, 2°, b.*
>
> *Effecten aan toonden worden niet als lichamelijke goederen beschouwd".*

Art. 10 W.BTW stelt :

*"§1 Als een levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.*

*Er wordt onder meer het feit bedoel waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing.*

*§ 2 Wordt eveneens als een levering in de zin van § 1 beschouwd* de **(blz. 9 en 10 ontbreekt)**

Overeenkomstig art. 4, § 2 W.BTW kan de Koning, in de gevallen en volgens de regels die Hij bepaald, de in België gevestigde personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, voor de toepassing van dit Wetboek als één belastingplichtige beschouwen.

Tot op heden werd er nog geen uitvoering gegeven aan art. 4, § 2 W.BTW zodat men in België geen beroep kan doen op het begrip "fiscale eenheid". Hiertoe is er immers een koninklijk besluit nodig.

In art. 4 onder punt 4, tweede alinea van de Zesde Richtlijn inzake BTW wordt er aan de lidstaten de mogelijkheid geboden om personen die in het binnenland gevestigd zijn en die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, samen als één belastingplichtige aan te merken. De lidstaten zijn evenwel niet verplicht om deze mogelijkheid om te zetten in nationale wetgeving. Het staat de lidstaten derhalve vrij om het begrip "fiscale eenheid" in te voeren. Zo bestaat dit begrip onder meer in Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië en Denemarken, maar niet in België aangezien er geen uitvoeringsmaatregelen daartoe zijn getroffen.

Er kan dan ook geen sprake zijn van een nalatigheid van de "fiscus" zoals eiseres voorhoudt omdat er geen koninklijk besluit ter uitvoering van art. 4, § 2 W.BTW is, nu de Zesde Richtlijn inzake BTW enkel in een mogelijkheid voorziet, doch niet in een verplichting om het begrip "fiscale entiteit" in te voeren.

De rechtbank is dan ook van oordeel op basis van de gegevens van het dossier dat eiseres wel degelijk BTW-belastingplichtige is.

## 7. Kan eiseres zich beroepen op de vrijstelling van BTW, zoals voorzien in art. 44, § 2, 1°bis W.BTW ?

### 7.1. Principes

Art. 44, § 2, 1°bis W.BTW bepaalt :

> *"Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld : (...) 1°bis : de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtige zijn, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden; de Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling (...)".*

De toepassingsvoorwaarden voor deze BTW-vrijstelling zijn geregeld in het KB nr. 43 van 05.07.1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verrichte diensten.

[Art. 1 van het KB nr. 43](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-43-exemption-groupements-autonomes-personnes-41a9#ar43-art1) stelt :

> *"Onder zelfstandige groepering van personen moet voor de toepassing van artikel …, § 2, 1°bis van het Wetboek worden verstaan :*
>
> *1°* *: de vereniging met rechtspersoonlijkheid,·*
>
> *2°* *: de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die onder een eigen benaming als afzonderlijke vereniging of groepering tegenover haar leden en tegenover derden optreedt".*

Verder bepaalt [art. 2 van het KB nr. 43](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-43-exemption-groupements-autonomes-personnes-41a9#ar43-art2) :

> *"De diensten verleend aan hun leden door de in artikel 1 bedoelde zelfstandige groeperingen van personen zijn van de belasting vrijgesteld op voorwaarde dat :*
>
> *1°* *: de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf en alle leden een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of waarvoor ze niet belastingplichtig zijn;*
>
> *2°* *: de leden van de groepering ofwel eenzelfde soort van werkzaamheid uitoefenen, ofwel behoren tot eenzelfde financiële, economische, professionele of sociale groep;*
>
> *3°* *: de door de groepering verleende diensten rechtstreeks en uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheid welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of waarvoor het lid niet belastingplichtig is;*
>
> *4°* *: de individueel aan ieder lid aangerekende vergoeding of retributie de terugbetaling vertegenwoordigt van zijn aandeel in de groepering gedane gezamenlijke uitgaven".*

Verdere toelichting i.v.m. regeling op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde die van toepassing is op kosten delende vereniging is opgenomen in de gepubliceerde BTW-[aanschrijving nr. 3 van 09.05.1996](https://juriel.be/fr/circulaires/3-1996-remplacee-association-frais-59f2).

In deze aanschrijving wordt onder nr. 3 verduidelijkt dat de vrijstelling groeperingen van fysieke of rechtspersonen beoogt die een activiteit uitoefenen welke buiten de werkingssfeer van de BTW valt en waarvoor zij dus geen belastingplichtige zijn of die van de BTW is vrijgesteld ingevolge art. 44 W.BTW en waarvoor zij belastingplichtige zijn zonder recht op aftrek. Worden eveneens beoogd, de groeperingen van openbare instellingen die als zodanig een werkzaamheid uitoefenen waarvoor ze niet als belastingplichtige worden aangemerkt.

Zo kan art. 44, § 2, 1°bis W.BTW onder meer van toepassing zijn ten aanzien van :

\- verenigingen zonder winstoogmerk;

\- beroepsverenigingen;

\- feitelijke verenigingen;

\- economische samenwerkingsverbanden, enz.

### 7.2. Toepassing van de principes in huidig dossier

Vooreerst stelt de rechtbank vast dat eiseres is opgericht als een burgerlijke vennootschap onder de vorm van een naamloze vennootschap. Eiseres is derhalve een commerciële vennootschap die werd opgericht met het oogmerk om aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen, zijnde een vennootschap die niet ressorteert onder art. 44, § 2, 1°bis W.BTW.

Uit de statuten van eiseres blijkt bovendien dat zij niet kan beschouwd worden als een vennootschap "met een sociaal oogmerk". Art. 10 van de statuten, dat handelt over de winstverdeling, vermeldt immers :

> *"Het batig saldo dat de balans aanwijst nadat alle lasten, algemene kosten, de nodige provisies en afschrijvingen zijn afgetrokken, maakt de zuivere winst uit van de vennootschap. Na de voorgeschreven voorafneming ten bate van de wettelijke reserve, wordt het saldo als dividend verdeeld onder de aandeelhouders naar rato van ieders aantal aandelen en de daarop verrichte stortingen, tenzij de algemene vergadering besluit de winst geheel of ten dele te reserveren. De raad van bestuur bepaalt het tijdstip en de wijze van betaling van de dividenden".*

Evenmin heeft eiseres, zoals overeenkomstig art. 68 en 69 W.Venn. vereist, bij de vermelding van haar rechtsvorm de woorden "met sociaal oogmerk" toegevoegd.

Eiseres voldoet verder niet aan de voorwaarden van art. 44, § 2, 1°bis W.BTW, omdat zij niet kan beschouwd worden als een zelfstandige groepering van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn.

Slechts één van de aandeelhouders-oprichters, met name de heer **S.**, oefent een van de BTW vrijgestelde activiteit uit.

Tevens is niet voldaan aan de in [art. 2, 4° van het KB nr. 43](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-43-exemption-groupements-autonomes-personnes-41a9#ar43-art2) gestelde voorwaarde volgens dewelke de individueel aan ieder lid aangerekende vergoeding of retributie slechts de loutere terugbetaling mag vertegenwoordigen van zijn aandeel in de door de groepering gedane gezamenlijke uitgaven. Door eiseres wordt er slechts gefactureerd aan notaris **S.**, zodat er geen sprake is van een verdeling van de kosten over de verschillende leden. Verder vertegenwoordigt de maandelijkse aanrekening aan notaris **S.** van de vergoeding voor de aan hem gepresteerde diensten niet louter de terugbetaling van zijn aandeel in de door de "groepering" gedane gezamenlijke uitgaven van die maand, maar rekent eiseres haar prestaties aan notaris **S.** door a rato van 90 % (met een mogelijke afwijking van 3 %) van de door de notaris zelf aangerekende kosten.

Eiseres kan dan zich ook niet beroepen op de vrijstelling voorzien in art. 44, § 2, 1°bis W.BTW.

## 8. Aangaande de beweerde verjaring van de BTW-vordering

Eiseres houdt voor dat de vordering van de fiscus is verjaard voor de jaren 1996, 1997 en voor een gedeelte van 1998.

Eiseres beroept zich hiervoor op art. 81bis, § 1 W.BTW, zoals ingevoegd bij art. 53 van de wet van 15 maart 1999 (BS, 27 maart 1999) en van toepassing vanaf 6 april 1999, dat voorziet in een verjaringstermijn van 3 jaar.

Art. 81bis, § 1 W.BTW stelt immers :

> *"Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan."*

Eiseres houdt evenwel geen rekening met de overgangsbepaling opgenomen in het zevende lid van art. 97 van de wet van 15 maart 1999 (BS, 27 maart 1999) waarin gestipuleerd is :

> *"De artikelen* [*81*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81) *en* [*82*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82) *van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals zij bestonden alvorens zij respectievelijk zijn gewijzigd door de artikelen 52 en 54 van deze wet, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999".*

De in het proces-verbaal van 06.11.2001 vermelde oudste overtreding heeft plaats gevonden tijden de maand oktober 1996. De uiterste indieningstermijn voor de BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van oktober 1996, is vastgesteld op uiterlijk 20.11.1996, dus vóór 1 januari 1999, zodat bij toepassing van het zevende lid van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 (BS, 27 maart 1999) inzake de verjaring artikel 81 oud van toepassing is op deze overtredingen.

Art. 81, eerste lid W.BTW zoals van toepassing van 1 januari 1993 tot 5 april 1999 stelt :

> *"De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan."*

De verjaringstermijn is dus vijf jaar en niet drie jaar zoals eiseres ten onrechte voorhoudt.

Vermits eiseres tot op 14.03.2001, het tijdstip van de aanvang van het BTW­nazicht :

\- geen aangifte van aanvang van werkzaamheden had ingediend, waarin onder meer het vermoedelijk bedrag van de te realiseren omzet dient te worden meegedeeld en waarin ook de optie voor de indiening van maand- of kwartaalaangiften wordt uitgeoefend;

\- niet geregistreerd was als BTW-belastingplichtige;

\- en bijgevolg niet het bedrag van in het [art. 19, § 1 van KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-19-ab6b) bedoelde voorschot heeft bepaald overeenkomstig de in art. 19, § 2 van hetzelfde KB vermelde wijze,

is bij toepassing van art. 53, eerste lid, 3° W.BTW eiseres gehouden tot het indienen van maandaangiften.

Nu de laatste door eiseres in te dienen maandaangifte, waarvan de vordering tot voldoening ontstaat voor 01.01.1999, deze is met betrekking tot de handelingen van de maand november 1998, waarvan de indieningstermijn bepaald is op uiterlijk 20.12.1998 en waarvan de vordering tot voldoening bij toepassing van art. 53, eerste lid, 4° W.BTW eveneens bepaald is op 20.12.1998, dient er te worden gesteld dat in concreto de oude verjaringstermijn van toepassing is op de vorderingen tot voldoening van de verschuldigde BTW die hadden dienen opgenomen te worden in de in te dienen BTW-aangiften met betrekking tot handelingen van de maanden oktober 1996 tot en met november 1998.

Bij toepassing van art. 81, eerste lid oud verjaart de vordering tot voldoening van de verschuldigde BTW, die blijkt uit de in te dienen BTW-aangiften met betrekking tot de oudste handelingen, nl. deze van de maand oktober 1996, vanaf 20.11.2001.

Overeenkomstig art. 83 oud W.BTW werd op 16.11.2001 overgegaan tot de betekening aan eiseres bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **P. V. E.**, handelend ter vervanging van gerechtsdeurwaarder **L. H.** te … van het dwangbevel van 12.11.2001, alsmede het proces-verbaal van 06.11.2001. Deze betekening is zodoende gebeurd vooraleer de verjaring is ingetreden voor de oudste overtreding en heeft tevens de verjaring gestuit (zie stuk 3, bundel verweerder).

Rekening houdend met het vorige is de rechtbank dan ook van oordeel dat de BTW-navorderingen van verweerder niet verjaard zijn.

## 9. Aangaande de beweerde schending van de redelijke termijn

Eiseres houdt voor dat het navorderen door verweerder van een BTW­schuld, negen jaar na het ontstaan in 1993 van de door haar betwiste belastingplicht een schending inhoudt van de redelijke termijn.

Nu uit hetgeen hoger is uiteengezet is komen vast te staan dat eiseres schromelijk in gebreke is gebleven bij het vervullen van de aan haar opgelegde wettelijke verplichtingen (o.m. geen BTW-registratie aangevraagd, geen aangiften in de BTW ingediend, geen BTW aangerekend op de door haar gestelde verrichtingen, geen BTW doorgestort aan de Schatkist, ... ), kan eiseres in de gegeven omstandigheden moeilijk voorwenden dat de redelijke termijn zou zijn geschonden.

Eiseres kan zich ook niet beroepen op het feit dat in tussentijd eventueel controles inzake directe belastingen werden uitgevoerd aangezien deze controles enkel betrekking hebben op de directe belastingen en niet de juiste toepassing van de BTW-wetgeving controleren.

**10.** **Aangaande de bewering van eiseres dat, voor zover er geoordeeld zou worden dat er BTW verschuldigd is over de door haar verrichte prestaties, deze BTW moet worden geacht begrepen te zijn aan de notaris S. aangerekende vergoedingen**

### 10.1. Principes

#### Met betrekking tot de te belasten maatstaf van heffing bepaalt art. 26 W.BTW :

*"Voor leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.*

*Tot de maatstaf van heffing behoren onder meer de sommen die de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt in rekening brengt als kosten van commissie, verzekering en vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een afzonderlijke overeenkomst. Belastingen, renten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen”.*

Art. 53, eerste lid W.BTW bepaalt onder meer :

> *“Belastingplichtigen, met uitzondering van degenen die geen enkel recht op aftrek hebben zijn gehouden :*
>
> *(...)*
>
> *2° een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken voor de door hen verrichte leveringen van goederen en voor de door hen verstrekte diensten :*
>
> *(…)”.*

[Art. 1, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt onder meer :

> *“De belastingplichtige, behalve hij die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het Wetboek, waarvoor hij geen recht op aftrek heen is gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken : 1° wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht :*
>
> *(...)”.*

Art. 1, § 2 van hetzelfde KB bepaalt :

> *“De in § 1 bedoelde belastingplichtige is ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik”.*

### 10.2. Toepassing van de principes in huidig dossier

Eiseres houdt voor dat de BTW over de door haar verrichte prestaties moet geacht te zijn inbegrepen in de aan de notaris **S.** aangerekende vergoedingen, aangezien het een vast gebruik uitmaakt dat de prijzen aangerekend aan niet-handelaars (niet BTW-plichtigen) steeds BTW inclusief worden aangerekend.

Notaris **S.** kan, als beroepsmatige afnemer van de door eiseres verstrekte een aangerekende diensten, niet beschouwd worden als een natuurlijke persoon die deze diensten voor zijn privé-gebruik aanwendt ([art. 1, § 2 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a)), zodat in toepassing van [art. 1, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) en art. 26 en 53, eerste lid, 2° W.BTW de diensten geleverd door eiseres gefactureerd worden tegen een prijs die bestaat uit alles wat de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet krijgen van degene aan wie de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden, of meer bepaald de tussen eiseres en notaris **S.** overeengekomen prijs.

De tussen eiseres en notaris **S.** overeengekomen prijs is de in de "NOTA'S" vermelde prijs, dewelke tevens werd betaald door notaris **S.**. Deze prijs, die in feite had dienen gefactureerd te worden is een netto-prijs, exclusief BTW, zoals blijkt uit de verwerking ervan in haar resultatenrekening.

De door eiseres verschuldigde BTW is de BTW die dient te worden geheven over de met notaris **S.** overeengekomen prijs, die hem als dusdanig werd aangerekend in "NOTA'S" en is derhalve niet inbegrepen in de aan notaris **S.** aangerekende vergoedingen.

## 11. Aangaande het recht op aftrek op grond van art. 45, § 1 W.BTW

### 11.1. Principes

Art. 45, § 1 W.BTW stelt :

> *"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :*
>
> *1°* *belaste handelingen;*
>
> *2°* *handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;*
>
> *3°* *handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;*
>
> *4°* *handelingen bedoeld in art. 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;*
>
> *5°* *diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."*

[Art. 4, § 1 van het KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art4) van 10.12.1969, zoals gewijzigd bij art. 8 van het KB 22.11.1994, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt :

> *"De belastingplichtige oefent zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor een aangiftetijdvak, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan en uitgeoefend kan worden krachtens artikel 3.*
>
> *Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de in art. 3, § 1, 1° bedoelde factuur werd uitgereikt na het verstrijken van de termijn voorgeschreven door* [*art. 4, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art4) *van 29 december 1992, wordt dat recht, op voorwaarde dat sinds het ontstaan ervan niet meer dan twee jaar zijn verlopen, uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld"*

Art. 4, § 2 van hetzelfde KB stelt :

*“Wanneer de belastingplichtige zijn recht op aftrek niet heeft uitgeoefend overeenkomstig § 1, kan hij het nog uitoefenen binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht op aftrek is ontstaan''.*

Deze regeling geldt voor de gevallen waarin het recht van aftrek is ontstaan voor 07.07.2003.

Ingevolge een wijziging bij art. 1 van het KB 16.06.2003, BS, 27.07.2003 en in werking getreden op 07.07.2003 luidt art. 4, § 1, 2 e lid van het KB nr. 3 thans :

*"Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de in artikel 3, § 1, 1° bedoelde factuur werd uitgereikt na het verstrijken van de termijn voorgeschreven door* [*artikel 4, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art4) *van 29 december 1992, wordt dat recht uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden".*

### 11.2. Toepassing van de principes in huidig dossier

Een belastingplichtige die zijn recht op aftrek is ontstaan voor 07.07.2003, en dit niet heeft uitgeoefend in een BTW-aangifte binnen de 2 jaar sinds het ontstaan ervan, dient om dit recht uit te oefenen een schriftelijke aanvraag daartoe te richten aan de eerstaanwezend inspecteur. Deze aanvraag dient, overeenkomstig [art. 4, § 2 van het KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art4), te worden ingediend binnen een termijn van 5 jaar vanaf het ontstaan van het recht op aftrek.

Het recht op aftrek is een "recht" dat de belastingplichtige zelf dient uit te oefenen.

De rechtbank merkt op dat eiseres op geen enkele wijze dit recht op aftrek heeft uitgeoefend binnen de termijn van 5 jaar vanaf het ontstaan van het recht op aftrek.

Uit het loutere feit dat de administratie in haar correctieopgave het recht op aftrek heeft in aanmerking genomen, leidt eiseres ten onrechte af dat dit recht moet worden toegekend aan eiseres.

Eiseres heeft de correctieopgave nooit voor akkoord ondertekend, zodat zij geen rechten kan putten uit deze correctieopgave. Deze niet-ondertekende correctieopgave houdt geen enkel akkoord in, noch over de verschuldigde BTW, noch over de eventueel aftrekbare BTW.

Eiseres kan haar eigen nalatigheid, doordat zij niet tijdig haar recht op aftrek heeft laten gelden, niet ten kwade duiden van verweerder.

Deze grief van eiseres is ongegrond.

## 12. Aangaande de intresten

### 12.1. Principes

Art. 91, § 1 W.BTW, zoals gewijzigd bij art. 92 van de wet van 28.12.1992 en art. 2 van de wet van 07.01.1998 bepaalt onder meer :

> *"Een interest van 0, 8 % per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is :*
>
> *1° : binnen de termijnen die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, eerste lid, 4°, 53ter, 2° en 53octies is gesteld"*

*(...)*

*De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde belasting, afgerond op het duizendtal naar beneden. leder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.*

*De interest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 100 BEF bereikt".*

Ingevolge de wijziging ingevoerd bij art. 5, § 5, 1° van het KB 20.07.2000, BS, 30.08.2000, err. BS, 08.03.2001 luidt art. 91, § 1 :

*“Een interest van 0,8 % per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is :*

*1° : binnen de termijnen die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, eerste lid, 4°, 53ter, 2° en 53octies is gesteld*

*(...)*

*De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. leder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.*

*De interest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 2,50 euro bereikt".*

### 12.2. Toepassing van de principes in huidig dossier

Eiseres is van oordeel dat de interesten slechts verschuldigd kunnen zijn vanaf 16.11.2001, zijnde de datum van betekening bij deurwaardersexploot van het dwangbevel van 06.11.2001.

In casu werden de interesten gevorderd vanaf 21.10.2000, zijnde de 21 e dag van de maand volgend op de laatst gecontroleerde periode.

De aanrekening van de interesten inzake BTW is wettelijk geregeld in art. 91 W.BTW.

Uit bovenvermeld art. 91, § 1 W.BTW blijkt dat de interest wettelijk verschuldigd is voor iedere overtreding inzake de voldoening van de BTW binnen de termijnen die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, eerste lid, 4°, 53ter, 2° en 53octies is gesteld, en maandelijks kan berekend worden vanaf de hiervoor gestelde termijn.

Gelet op hetgeen hoger werd aangehaald werden er door verweerder terecht interesten aangerekend.

De door eiseres geciteerde vonnissen op blz. 32 van haar antwoord en synthesebesluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15.11.2004, betreffen geschillen inzake directe belastingen en niet inzake BTW en zijn ter zake niet dienend.

Deze grief is eveneens ongegrond.

## 13. Aangaande de administratieve geldboete

De administratie vestigde de boete op grond van art. 70, § 1 W.BTW op een bedrag van 32.936.400 BEF (816.472,03 euro), zijnde 200 %.

Overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de BTW te voldoen, een geldboete opgelegd gelijke aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde rechten. Krachtens deze tekst is, ongeacht het bedrag van de BTW of de omstandigheden waarin de overtreding (zelfs een loutere toevallige) heeft plaatsgevonden, de boete verschuldigd.

Overeenkomstig art. 84, derde lid W.BTW wordt het bedrag van de boete bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Volgens [art. 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij art. 1 van het KB van 21.10.1993, is de schaal voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, voor de overtredingen begaan na 31.10.1993, bepaald in tabel G van de bijlage bij dit besluit ten aanzien van de overtreding beoogd in art. 70, § 1 W.BTW.

Bij toepassing van tabel G, eerste afdeling, rubriek V, van de bijlage bij het hogervermeld KB nr. 41 wordt de hierboven vermelde administratieve geldboete die verschuldigd is op grond van art. 70, § 1 W.BTW verminderd tot 20 % van de verschuldigde belasting of 3.293.640 BEF (€ 81.647,20).

Krachtens [art. 4, § 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art4) wordt het totale bedrag van de verminderde geldboete afgerond naar het lagere honderdtal of duizendtal naargelang het kleiner of groter is dan 10.000 BEF (€ 2.47,89).

Het bedrag van de verminderde geldboete wordt aldus afgerond naar 3.293.000 BEF (€ 81.631,34).

De opgelegde geldboete is in het proces-verbaal van 06.11.2001 gemotiveerd door een precieze en bepaalde verwijzing naar dart. 70, § 1 W.BTW en de hoger aangehaalde artikelen van het KB nr. 41.

Eiseres vordert dat de opgelegde geldboete van 20 % zou worden kwijtgescholden, wegens hetzij een gebrekkige motivering hetzij wegens de schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.

### 13.1. Aangaande de bewering dat de administratieve geldboete niet voldoende is gemotiveerd

Eiseres is vooreerst van oordeel dat in het proces-verbaal van 06.11.2001 niet gemotiveerd wordt waarom de geldboete wordt opgelegd.

Sinds 1 januari 1992 (wet van 29 juli 1991) moeten bestuurshandelingen van de administratieve overheden uitdrukkelijk gemotiveerd worden.

De rechtbank is van oordeel dat door de verwijzing naar alle van toepassing zijnde wetsartikelen en de begeleidende omstandigheden zoals ze tot uiting komen in het proces-verbaal van 06.11.2001, verweerder de opgelegde boete ten belope van 20 % voldoende heeft verantwoord.

### 13.2. Aangaande de bewering dat het vertrouwensbeginsel is geschonden

Eiseres houdt voor dat door het opleggen van een administratieve geldboete het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat er tijdens vorige fiscale controles op het vlak van de directe belastingen geen opmerking is gemaakt omtrent het feit dat zij BTW-belastingplichtige is.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid in en zijn ook bindend voor het bestuur van financiën. Dit recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan opgevat worden dan een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. De administratie moet bijgevolg de gewettigde verwachting die zij bij de burger gewekt heeft inlossen.

In voorliggend dossier is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een administratieve geldboete geen schending van de beginselen van behoorlijk inhoudt.

De veelvuldige verwijzingen in antwoord- en synthesebesluiten besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank van 15.11.2004, naar rechtsleer en rechtspraak dienaangaande, levert geen bewijs in concreto op van een schending van het vertrouwensbeginsel.

Uit vroegere controles in de personenbelasting of vennootschapsbelasting kan eiseres onmogelijk dit afleiden, nu deze handelswijze door haar niet kan worden gezien als een "vaste gedragslijn" die haar ontsloeg van haar verplichtingen als BTW-belastingplichtige.

Deze grief is dan ook ongegrond.

### 13.3. Aangaande de gevorderde kwijtschelding van de administratieve boete

De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999 en 12 juni 2002, *R.W.*, 1998-99, 1346).

Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding van de geldboete.

Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.

Eiseres moet tot het bewijs van het tegendeel worden geacht te goeder trouw te hebben gehandeld. Het is echter op grond van de hoger geciteerde vaststellingen ook duidelijk dat eiseres bijzonder onnauwkeurig, om niet te zeggen nonchalant heeft gehandeld. Zij dient de gevolgen te dragen van haar gebrek aan zorgvuldigheid bij het vervullen van de opgelegde wettelijke verplichtingen.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke te wijten is aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een geldboete gelijk aan 20 % aan bij de feiten.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN:

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **tegenspraak**.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 12.11.2001 ontvankelijk, doch ongegrond.

Wijst eiseres af en veroordeelt haar tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op de som van € 174,76 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 06.04.2005 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **C. V**., rechter, en,

De heer **Ph. N.**, griffier.

**Ph. N.** **C. V.**

## Textes cités

10

[AR no 1 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) 3 occurrences

[AR no 1 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f) 2 occurrences

[AR no 3 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 2 occurrences

[AR no 41 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 2 occurrences

[AR no 43 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-43-exemption-groupements-autonomes-personnes-41a9) 2 occurrences

[AR no 1 art. 19](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-19-ab6b) 1 occurrence

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[AR no 43 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-43-exemption-groupements-autonomes-personnes-41a9) 1 occurrence

[CTVA art. 81](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-81) 1 occurrence

[CTVA art. 82](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Tawe sur la valeur ajoutée, assujettissement, champ d'application, service](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tawe-valeur-ajoutee-assujettissement-champ-cour-appel-anvers-2009-03-10-3eec) 4 dispositions communes

[Déclaration de régularisation, Activité d'ostéopathe, Exonération de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-regularisation-activite-osteopathe-exoneration-tribunal-bruxelles-2025-10-06-2068) 2 dispositions communes

[Prescription, Délai de révision, Inventaire, TVA historique, transformation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-revision-inventaire-tva-cour-appel-anvers-2022-05-17-93b5) 2 dispositions communes

[Prescription Contrainte, Assujetti à la TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-contrainte-assujetti-tva-recouvrement-tribunal-gand-2007-01-17-7e6b) 2 dispositions communes

[Paiement, Prescription, Faillite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-prescription-faillite-tribunal-gand-2007-01-17-f858) 2 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, droit à déduction de l’impôt](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-droit-cour-appel-gand-2004-02-17-04a3) 2 dispositions communes

[Remboursement de la taxe, disposition pénale, amende administrative, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-disposition-penale-amende-tribunal-kortrijk-2003-03-04-1512) 2 dispositions communes

[Remboursement de la taxe, disposition pénale, amende administrative, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-disposition-penale-amende-tribunal-kortrijk-2003-03-17-4a93) 2 dispositions communes
