---
title: "Entreprise de vente en gros;facturation;amende · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 8 février 2005"
description: "Entreprise de vente en gros;facturation;amende. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 8 février 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/entreprise-vente-gros-facturation-amende-cour-appel-anvers-2005-02-08-1079"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Entreprise de vente en gros;facturation;amende

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

8 février 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

93 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd

**Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 08.02.2005**

Le Courrier Fiscal 2005/408

*Entreprise de vente en gros.*

*Facturation.*

*Amende.*

## Résumé

L'Administration de la TVA est en droit d'appliquer une amende à un assujetti lorsque ce dernier, alors qu'il n'est pas tenu de délivrer des factures, établit des factures qui ne contiennent pas toutes les mentions prévues par la loi.

La Cour prend en considération le fait que le système de vente mis en place par l'assujetti permettait à des «assujettis TVA de bonne ou mauvaise foi» de s'approvisionner en noir dans les points de vente de l'assujetti.

**Texte intégral**

### Corps de la décision

**N.V. GROEP S.,** H.R. te Hasselt N° ..., gekend als B.T.W.-belastingplichtige N° ..., gevestigd te ..., ...;

a p p e l l a n t e,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 25 september 2002;

vertegenwoordigd door Meester J. B. loco Meester H. V., advocaat te ..., ...;

tegen:

de **BELGISCHE STAAT,** Federale Overheidsdienst Financiën (voorheen Ministerie van Financiën), Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur (voorheen hoofdcontroleur) van het eerste B.T.W.- controlekantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te ..., ...;

g e ï n t i m e e r d e,

vertegenwoordigd door Meester A. van L. de J., advocaat te ..., ...;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 25 september 2002 door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 november 2002;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep:

1.1.- De NV GROEP S., appellante, is wegens de door haar uitgeoefende activiteit van groothandel in parfums en cosmetica (onder meer kappersartikelen en benodigdheden) geregistreerd als B.T.W.-belastingplichtige vennootschap onder het B.T.W.-identificatienummer ... en zodoende onderworpen aan de B.T.W.-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

1.2.- Op 7 maart 1995 en 23 juni 1995 hebben H. J. en J. K., respectievelijk controleur en verificateur verbonden aan het controlekantoor van de Opsporings- en Documentatiediensten van de Administratie van de B.T.W. te Hasselt, bij appellante een B.T.W.-controle doorgevoerd over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994.

Bij nazicht van de voorgelegde boeken en stukken en van de verstrekte inlichtingen stelden de controleambtenaren van de Administratie van de B.T.W. te Hasselt onder meer het volgende vast:

\- appellante heeft vestigingen te Hasselt, Maasmechelen, Brussel, Luik en Namen;

\- een groot deel van de uitgaande facturatie gebeurde op naam van "leerlingen Hasselt", "leerlingen Maasmechelen", "leerlingen Brussel", 'leerlingen Luik", "leerlingen Namen", zonder vermelding van de juiste identiteit van de afnemer, zoals voorgeschreven door [artikel 5, § 1, 3° van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992;

\- op bovenvennelde rekeningen werden de volgende omzetten geboekt:

\- leerlingen Hasselt: 433.774,58 EUR (17.498.423 BEF)

\- leerlingen Maasmechelen: 150.965,84 EUR (6.089.947 BEF)

\- leerlingen Brussel: 188.743,53 ELIR (7.613.895 BEF)

\- leerlingen Luik: 127.078,82 ELTR (5.126.347 BEF)

\- leerlingen Namen: 356.907,08 EUR (14.397.596 BEF)

Het totaal van de rekeningen "leerlingen" bedroeg aldus 1.257.469,85 EUR (50.726.208 BEF), dit is 27 % van de totaal aangegeven omzet van 1994. Het bedrag van de B.T.W. hierop beloopt 257.781,30 EUR (10.3 98.872 BEF).

1.3.- De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 12 februari 1996 en leidde tot het opleggen van een geldboete, berekend aan 200 %, ten bedrage van 515.562,61 EUR (20.797.744 BEF) op grond van artikel 70, § 2, van het B.T.W.-Wetboek wegens het ontbreken van of onjuistheden in de vermeldingen die moesten worden aangebracht op de facturen.

Dit proces-verbaal en de opgelegde boete werden aan appellante ter kennis gebracht bij brief van 12 februari 1996 van de Controle van de Opsporings- en Documentatiediensten B.T.W.-Hasselt. Appellante werd hierbij verzocht om haar op- of aanmerkingen schriftelijk te laten kennen binnen een termijn van 20 dagen.

1.4.- Bij beslissing van de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de B.T.W. van 7 juli 1997 werd de boete veminderd tot 10 %, zijnde 25.756,14 EUR (1.039.000 BEF)

Appellante betaalt sedert september 1997 de opgelegde boete af door middel van maandelijkse afkortingen van 1.611,31 EUR (65.000 BEF). De betalingen gebeuren onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige bekentenis.

1.5.- Bij dagvaarding betekend op 29 maart 1999 vordert appellante de terugbetaling van de opgelegde en reeds betaalde B.T.W.-boete ten bedrage van 25.756,14 EUR (1.039.000 BEF), te vermeerderen met de interesten sedert de dagvaarding.

In conclusies in eerste aanleg neergelegd besluit de Belgische Staat tot de afwijzing van deze vordering, doch ook tot de veroordeling van appellante om de haar opgelegde fiscale geldboete ten bedrage van 25.756,14 EUR (1.039.000 BEF) te betalen.

1.6.- Het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 25 september 2002 stelt vooreerst vast dat uit de vaststellingen van de controleambtenaren en uit de overgelegde stukken blijkt dat appellante facturen heeft uitgereikt met betrekking tot de door haar gedane leveringen van goederen zonder inachtneming van de ter zake geldende wettelijke voorschriften en bepalingen, meer bepaald werd de naam en het adres van de koper niet vermeld op de facturen. De eerste rechter merkt op dat de bewering van appellante dat zij niet diende te factureren bij de verkoop aan leerlingen ter zake niet dienend is daar de grondslag van het probleem niet is gelegen in het feit of appellante al dan niet kon genieten van een ontheffing van de factureringplicht, maar wel in het feit dat appellante heeft gefactureerd zonder de wettelijke vermeldingen op te nemen in haar facturen. Indien men factureert, dienen, volgens de eerste rechter, de facturen te voldoen aan de wettelijke opgelegde formaliteiten en voorwaarden. Het bestreden vonnis oordeelt verder dat het vertrouwensbeginsel niet geschonden is, nu uit de voorgelegde stukken niet blijkt dat de administratie een houding heeft aangenomen die door appellante kon of mocht worden aanzien als een vaste gedrags- of beleidsregel waarop zij ten alle tijde kon voortgaan. Met betrekking tot de opgelegde geldboete is de eerste rechter de mening toegedaan dat er, rekening houdend met het feit dat de activiteit van appellante als groothandel in parfums en cosmetica erop gericht is te leveren aan de detailhandelaars en rekening houdend met het percentage van het omzetcijfer dat werd geboekt door de verkoop aan "leerlingen", bezwaarlijk nog gewag kan gemaakt worden van "louter toevallige overtredingen". De veelvuldige herhalingen van onregelmatigheden bij de facturatie aan "leerlingen" wijzen inderdaad om een systematische handelswijze die goede trouw in hoofde van appellante uitsluit. Appellante bewijst tevens niet in concreto dat zij geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractanten. De eerste rechter stelt tenslotte vast dat de begane overtredingen uitermate ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. De begane overtredingen getuigen meer bepaald van het ontbreken van elke goede trouw in hoofde van appellante. De argumenten die appellante aanhaalt als verzachtende omstandigheden worden bijgevolg niet weerhouden om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete. De vordering van appellante wordt derhalve ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.7.- Tegen dit vonnis hebben appellanten hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 november 2002.

1.8.- In dit verzoekschrift en in de op 7 augustus 2003 neergelegde conclusies voert appellante volgende grieven aan:

i) Appellante diende niet te factureren aan leerlingen. Er kan dan ook geen boete opgelegd worden wanneer zij toch factureerde maar de facturen niet alle voorgeschreven vermeldingen bevatten. Leerlingen van kappersscholen hebben immers geen beroeps- of economische activiteit en kappersscholen kunnen evenmin als detaillisten worden beschouwd, zodat geen boete kan worden opgelegd. Het betreft bovendien om verkopen in detailhandel in haar winkel. Wanneer een handelaar twee activiteiten heeft, een groothandel en een kleinhandel, dan dient zijn activiteit van kleinhandel niet anders behandeld te worden dan de activiteit van een handelaar die enkel aan kleinhandel doet. Er anders over oordelen zou een onterechte discriminatie uitmaken en zou het gelijkheidsbeginsel schenden. In voorkomend geval zou het nuttig zijn om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof.

ii) Zelfs indien er van uitgegaan wordt dat appellante wel moest factureren, dan nog kan geen boete opgelegd worden. Artikel 70, § 2, W.B.T.W. bepaalt immers dat de boete niet verschuldigd is indien de leverancier geen reden had om te twijfelen aan de niet belastingplicht van de koper, m.a.w. wanneer de leverancier levert aan iemand die beweert een particulier te zijn, en hij is dit ook, dan kan er geen boete opgelegd worden. Aan deze particulier moest immers niet gefactureerd worden en hierover kan geen twijfel bestaan. Er dient, inderdaad, een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen het begaan van een overtreding op de voorschriften inzake het uitreiken van facturen en het opleggen van een geldboete voor een dergelijke overtreding en er kan niet getwijfeld worden aan de goede trouw van appellante, gezien het door haar uitgehangen bord waarbij aan de belastingplichtige klanten werd gevraagd zich kenbaar te maken.

iii) Indien de administratie meent dat er toch een boete kan opgelegd worden, dan moet zij aantonen dat de voorwaarden voor het opleggen van de boete aanwezig zijn. De administratie laat echter na dit bewijs te leveren en meer bepaald dat aan belastingplichtigen werd verkocht. De boete heeft immers een strafrechtelijk karakter, zodat appellante geacht moet worden onschuldig te zijn tot bewijs van het tegendeel te leveren door de administratie.

iv) Schending van het vertrouwensbeginsel. Jarenlang heeft appellante haar facturen op dezelfde wijze opgemaakt. De administratie heeft nooit enige bemerking gemaakt tijdens of naar aanleiding van eerdere controles. Zij kan nu niet met terugwerkende kracht de facturen van appellante verwerpen.

v) De boete overeenkomstig artikel 70 W.B.T.W. is een straf. De rechter kan oordelen over de wettelijkheid en de opportuniteit van de straf. In casu is een boete van 25.756,14 EUR (1.039.000 BEF) onredelijk en niet in evenredigheid met de overtreding. Zij roept in het bijzonder verzachtende omstandigheden in en o.a. het feit dat de verschuldigde B.T.W. op de verkopen correct aan de schatkist werd afgedragen en er aldus geen B.T.W. werd ontdoken, zodat het algemeen belang niet werd geschaad. Zij roept eveneens de eenheid van opzet in, die zou inhouden dat de boete alleen maar zou kunnen worden berekend op het bedrag van de factuur waarop het hoogste recht verschuldigd was. Tenslotte werden de overtredingen niet opzettelijk, met het oog op fraude ten gunste van zichzelf of derden, begaan.

Appellante besluit derhalve tot de kwijtschelding van de boete minstens de ernstige herleiding ervan.

1.9.- Geïntimeerde beaamt in haar beroepsconclusies neergelegd op 19 maart 2003 en in haar aanvullende beroepsconclusies neergelegd op 28 mei 2004 de redengeving van het bestreden vonnis. De Belgische Staat wijst er tevens op dat de hoedanigheid van de koper en het feit dat met betrekking tot die leveringen een ontheffing van de factureringplicht mogelijk zou zijn geweest geen afbreuk doen aan de wettelijk na te komen verplichtingen met betrekking tot een rechtsgeldige en correcte facturatie als bedoeld in de B.T.W.-wetgeving.

Nergens in het B.T.W.-wetboek of in de ter uitvoering ervan getroffen besluiten staat immers bepaald dat in zoverre appellante gebruik zou kunnen of mogen maken van andere facultatieve mogelijkheden ten opzichte van facturatie, zulks meteen zou inhouden dat de regels inzake een correcte opstelling van een factuur niet meer dienen nageleefd te worden. Geïntimeerde blijft dan ook op zijn standpunt dat indien appellante met betrekking tot haar verkopen, met inbegrip van de verkopen aan leerlingen, facturen uitreikt, zij verplichtend ertoe gehouden blijft alle wettelijk voorgeschreven vermeldingen op de factuur aan te brengen, inclusief de juiste en correcte identiteit van de koper en los van het feit waarvoor de koper de goederen bestemt. De geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of door de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Zij is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt. De aankopen in de verkoopsinrichtingen van appellante werden gedaan door leerlingen, wat inhoudt dat de aankopen werden gedaan door bepaalde personen handelend in het kader van een economische of een beroepsactiviteit en alleszins niet door personen in het kader van hun uitsluitende privé-behoeften. Het totaal van de rekening "leerlingen", hetzij een bedrag van 1.257.469,85 EUR (50.726.208 BEF), bedraagt 27 % van de totale aangegeven omzet van 1994 (186.719.793 BEF), en is volgens geïntimeerde opmerkelijk, rekening houdende met het feit dat de activiteit van appellante in de eerste plaats en hoofdzakelijk in 1994 als groothandelaarster in parfums en cosmetica erop gericht is te leveren aan detailhandelaars, coiffeurs en coiffeuses. Het betreft dan ook niet louter toevallige overtredingen doch wel veelvuldige herhalingen van zwaarwichtige overtredingen die een zekere systematische handelswijze vertonen. Het gegeven dat de controleambtenaren bij een eerste controle of een eerste vaststelling zich soepel opstellen ten overstaan van de gecontroleerde belastingplichtige is geen reden om in de toekomst de eerbiediging van de na te leven formaliteiten inzake B.T.W.-reglementering niet te eisen of daarvan blijvend af te zien. Geïntimeerde werpt verder op dat uit de bepalingen van de B.T.W.-reglementering niet blijkt dat ingeval zowel een groothandel als kleinhandel wordt uitgebaat door dezelfde B.T.W.-belastingplichtige deze los van elkaar moeten of kunnen worden gezien terzake wat de factureringverplichting aangaat. Wanneer iemand als groothandelaar moet worden aangemerkt dan is en blijft hij gehouden voor elke levering een factuur aan zijn klant uit te reiken ongeacht wie die klant is. Aan de hand van de summiere en zeer onvolledige gegevens betrekkelijk de afnemers van appellante valt in geen geval de juiste identiteit van die afnemers te achterhalen, wat het verrichten van mogelijke en efficiënte controles belemmert.

Er waren dan ook wel degelijk wettelijke gronden om de boete ten laste van appellante op te leggen. De Belgische Staat besluit derhalve in zijn eerste beroepsconclusies tot de ongegrondheid van de vordering van appellante en vordert hij dat voor recht zou worden gezegd dat de opgelegde administratieve boete op wettelijke gronden was verschuldigd en gevorderd. Geïntimeerde vordert tevens dat appellante zou worden veroordeeld om de haar opgelegde fiscale geldboete ten bedrage van 25.756,14 EUR (1.039.000 BEF) te betalen, verhoogd met de interesten sedert de dagvaarding. In de aanvullende beroepsconclusies besluit de Belgische Staat tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de afwijzing ervan met veroordeling van appellante tot de kosten van het hoger beroep.

## 2. Ten aanzien van het recht:

2.1.- Overwegende dat luidens [artikel 5, § 1, 3°, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over toegevoegde waarde de factuur (uitvoering van de artikelen [17](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-17), [22](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-22), [51](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51), [53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53), [53ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53ter), 59 octies, [54](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-54), [56 § 2 en 57](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) van het Wetboek) de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in [artikel 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) van het Wetboek bedoeld BTW-identificatie nummer van de medecontractant dient te vermelden; Dat [artikel 59, § 1, eerste lid van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) bepaalt dat overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën; Dat de processen-verbaal bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen ([artikel 59, § 1, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59));

Overwegende dat de ambtenaren van het Ministerie van Financiën, H. J. en J. K., respectievelijk controleur en verificateur verbonden aan het controlekantoor van de opsporings- en documentatiediensten van de Administratie van de BTW te Hasselt, op 7 maart 1995 en 23 juni 1995 bij appellante hebben vastgesteld dat een groot deel van de uitgaande facturatie op naam van "leerlingen Hasselt", "leerlingen Maasmechelen", "leerlingen Brussel", "leerlingen Luik" , "leerlingen Narnen" gebeurde en dus zonder vermelding van de juiste identiteit van de afnemer;

Dat deze materiële vaststellingen in een proces-verbaal opgemaakt op 12 februari 1996 werden opgenomen; Dat dit proces-verbaal het bewijs van de voormelde materiële vaststellingen tot bewijs van het tegendeel oplevert; Dat appellante deze vaststellingen evenwel niet betwist noch het tegendeel hiervan bewijst;

2.2.- Overwegende dat [artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) als volgt luidt:

> *"Wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk; waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan tweeduizendfrank \[50, 00 EUR\].*
>
> *Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant.*
>
> *Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in § 1 als de in § 2 bepaalde geldboete oploopt, is alleen de laatste verschuldigd. ";*

Dat uit deze bepalingen voortvloeit dat de geldboete verschuldigd is telkenmale belastingplichtigen voor de door hen verrichte leveringen van goederen en voor de door hen verstrekte diensten geen of een onregelmatige factuur uitreiken, en zulks ongeacht of de belastingplichtige leverancier of dienstverrichter op grond van [artikel 1, § 2, eerste lid van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992 er al dan niet van ontheven was een factuur uit te reiken, omdat de goederen werden geleverd of de diensten werden verstrekt aan natuurlijke personen die ze voor hun privé-gebruik bestemden (vgl. [artikel 1, § 1 van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992, [artikel 53 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) en [artikel 1, §2, eerste lid van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992);

Dat de door appellante aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wegens een beweerde ongelijke en discriminerende behandeling van enerzijds grossiersbedrijven, die eveneens aan natuurlijke personen in detail goederen voor hun privégebruik bestemd verkopen, en anderzijds kleinhandelaars, derhalve niet pertinent is voor de beoordeling van deze zaak en het Hof er dan ook niet toe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof (artikel 26, § 2, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof);

Overwegende dat appellante, die als BTW-belastingplichtige, facturen heeft uitgereikt die niet voldoen aan de voorschriften van [artikel 5, § 1, 3°, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992, en derhalve zijn administratieve verplichtingen niet correct heeft vervuld en aldus opeenvolgende overtredingen heeft begaan; Dat zelfs de vaststelling dat een leverancier op onopzettelijke wijze een overtreding heeft begaan, niets zou afdoen aan het feit dat hij, door zijn onachtzaamheid, het de administratie heeft bemoeilijkt de fiscale fraude op te sporen; Dat de gestrengheid van de sanctie, wanneer de tekortkoming van de leverancier geen ernstige fout vormt of te wijten is aan onachtzaamheid of nog, wanneer niet kan worden vastgesteld dat de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, ook niet voldoende is om tot de onevenredigheid ervan te besluiten; Dat de verplichtingen die aan de leverancier zijn opgelegd immers uitgaan van de noodzaak de financiën van de Staat te beschermen tegen diegenen die deze zouden kunnen ontwrichten door hun onachtzaamheid of misbruik, door middel van een controlesysteem dat niet doeltreffend kan zijn zonder een zekere rigiditeit (zie Arbitragehof nr. 97/2002, 12 juni 2002, *B.S.* 17 augustus 2002, Ed. 2, sub motief B. 10.2);

2.3.- Overwegende dat uit het feit dat naar aanleiding van vroegere controles gebeurlijk geen geldboete wegens overtredingen op de bepalingen van artikel 5, § 1, 3°, van het Koninklijk besluit van 29 december 1992 gebeurlijk werd opgelegd, niet kan noch mag worden afgeleid dat appellante er op mocht vertrouwen dat de door haar ter gelegenheid van volgende controles vastgestelde gelijkaardige overtredingen niet zouden worden gesanctioneerd; Dat het recht op rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige, inderdaad, geen onbeperkt recht is en onder omstandigheden moet wijken voor het legaliteitsbeginsel dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van alle belastingplichtigen;

Dat dit recht inzonderheid niet inhoudt dat een belastingplichtige aanspraak zou kunnen maken op een verdere straffeloosheid, vermits het niet beboeten van één of meer overtredingen in het verleden in zijnen hoofde geen gerechtvaardigde verwachtingen vermag te scheppen (vgl. Cass., 3 november 2001 , *A.C.*, 2000, 596, *Pas.*, 2000, I, 596);

2.4.- Overwegende dat de door [artikel 70, § 2, tweede lid, in fine, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bepaalde geldboete enkel niet verschuldigd is wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant;

Overwegende dat appellante niet beweert en zeker niet aantoont dat haar inschrijving in het handelsregister een kleinhandelsactiviteit voorzag noch dat zij het voeren van een dergelijke activiteit ter kennis van de BTW-administratie zou hebben gebracht; Dat haar verkoopsactiviteit er derhalve niet op gericht is goederen voor privégebruik te verkopen en zij er bijgevolg beroepshalve, zoals aangegeven in haar inschrijving in het handelsregister en bij de BTW-administratie, steeds moet van uitgaan dat zij aan belastingplichtigen verkoopt c.q. steeds ernstige redenen moet hebben om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van haar medecontractanten;

Overwegende dat uit de materiële vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 12 februari 1996 anderzijds blijkt dat het totaal van de rekeningen "leerlingen" 1.257.469,85 EUR (50.726.208 BEF) bedroeg, hetzij 27 % van de totaal aangegeven omzet van 1994; Dat derhalve niet kan worden aangenomen dat de overtredingen louter toevallig waren, inzonderheid rekening houdend met het feit dat de activiteit van appellante als groothandel in parfums en cosmetica erop gericht is te leveren aan de detailhandelaars en rekening houdend met het percentage van het omzetcijfer dat werd geboekt door de verkoop aan "leerlingen"; Dat de veelvuldige herhalingen van onregelmatigheden bij de facturatie aan "leerlingen" inderdaad wijst om een systematische handelswijze die goede trouw in hoofde van appellante uitsluit;

2.5.- Overwegende dat de wetgever bijzonder zware straffen mag opleggen in sectoren waar de omvang en de frequentie van de fraude de belangen van de gemeenschap ernstig aantasten; dat de factuur binnen de belasting over de toegevoegde waarde een centrale plaats inneemt, mede doordat het recht op aftrek door de belastingplichtige afhankelijk is van het bestaan van een dergelijk document; Dat aan dat document om die reden stringente eisen worden gesteld, waarvan de niet-naleving wordt bestraft;

Overwegende dat de belasting op de toegevoegde waarde werd ingevoerd ter uitvoering van Europese richtlijnen, hetgeen gevolgen heeft voor de bestraffing van inbreuken op die wetgeving; Dat wanneer een Europese regelgeving, zoals te dezen, geen specifieke bepaling betreffende de bestraffing van een overtreding bevat of daarvoor verwijst naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de Lidstaten blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens artikel 5 van het E.E.G.-verdrag (thans artikel 10 van het E.G.-Verdrag) verplicht zijn alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren; Dat de Lidstaten daartoe met name erop dienen toe te zien dat overtredingen van het gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht; Dat zij daarbij vrij zijn in hun keuze van de op te leggen straffen, maar deze wel doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn; Dat de nationale autoriteiten verder even energiek dienen op te treden tegen overtredingen van het gemeenschapsrecht als wanneer het gaat om de handhaving van een overeenkomstige nationale wettelijke regeling (H.v.J., 21 september 1989, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Helleense Republiek, *Jur.*, 1989, p. 2984-2985); Dat de Lidstaten die bevoegdheid echter moeten uitoefenen met inachtneming van het gemeenschapsrecht en de algemene beginselen daarvan, en, bijgevolg, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel; Dat administratieve of strafrechtelijke maatregelen niet verder mogen gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken; Dat aan controlemaatregelen geen sancties verbonden mogen zijn die zo onevenredig zijn aan de ernst van de overtreding dat zij tot een belemmering van de in het E.G.-Verdrag verankerde vrijheden worden (H.v.J., 16 december 1992, Cominissie *t.* Helleense Republiek, *Jur.*, 1992, p. I-6753);

Overwegende dat de in [artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bedoelde fiscale geldboeten tot doel hebben de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen; Dat zij derhalve een repressief karakter hebben en strafrechtelijk zijn in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens; Dat in tegenstelling tot de persoon die wordt gedagvaard om voor de correctionele rechtbank te verschijnen, de persoon die voor de rechtbank van eerste aanleg opkomt tegen de beslissing waarbij hem een fiscale geldboete wordt opgelegd, evenwel sommige wettelijke modaliteiten van individualisering van de straf, die enkel door een strafgerecht kunnen worden bevolen, niet kan genieten; Dat de toepassing door de burgerlijke rechter van een opslorpingsregel analoog aan die waarin artikel 65 van het Strafwetboek voorziet, inderdaad, niet verenigbaar zou zijn met het sanctiesysteem van [artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70); Dat zij er immers toe zou leiden dat bij systematische en herhaalde overtredingen met soms grote aantallen facturen slechts één boete met betrekking tot de hoogste factuur zou kunnen worden opgelegd; Dat een dergelijke maatregel niet het ontradende effect zou hebben dat de wetgever met de in het geding zijnde fiscale geldboeten moet beogen; Dat de straftoemetingsregeling van artikel 65 van het Strafwetboek derhalve niet toepasselijk is op de fiscale geldboeten waarin [artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) voorziet (Arbitragehof nr. 96/2002, 12 juni 2002, *B.S.,* 17 augustus 2002, Ed. 2, *R.W.,* 2002-03, p. 743, *T.F.R.,* 2004, p. 128, met noot B. COOPMAN, "Tot zeven maal zeventig maal. Vergiffenis met mondjesmaat voor mateloze boetes?");

2.6.- Overwegende dat de rechter volle rechtsmacht heeft om controle uit te oefenen op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen; Dat de rechter aldus kan nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd; Dat hij, in voorkomend geval, de boete zal kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de artikelen [70, § 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), en [84, derde lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84), van het BTW-Wetboek aan de administratie gestelde grenzen (Arbitragehof nr. 96/2002, 12 juni 2002, sub motief B.4.3, *B.S.* , 17 augustus 2002, Ed. 2, *R.W.,* 2002-03, p. 743, *T.F.R.,* 2004, p. 128; Arbitragehof nr. 22/99, 24 februari 1999, *R.W.,* 1998-99, p. 1346);

Overwegende dat het Hof van oordeel is dat een administratieve boete in elk geval gepast is; Dat het door appellante toegepast verkoopssysteem, inderdaad, de mogelijkheid openlaat aan al dan niet kwaadwillige BTW-belastingplichtigen, die zich bij appellante bevoorraden, al dan niet met medeweten van appellante, een omzet in het zwart te realiseren; Dat daartegenover staat dat de door appellante overtreden bepalingen van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 juist zijn ingevoerd als middel om BTW-fraude te voorkomen; Dat het algemeen belang derhalve ook ernstig geschaad is zelfs al zou de B.T.W. op de kwestieuze verkopen aan de Belgische Staat zijn afgedragen; Dat rekening houdende met de omvang van de gepleegde overtredingen en het ontradend effect dat de opgelegde boete moet hebben, het Hof de aan appellante opgelegde boete in verhouding tot de vastgestelde feiten acht; Dat het hoger beroep dan ook ongegrond is;

2.7.- Overwegende dat het Hof, in zoverre geïntimeerde de betaling vordert van de opgelegde boete, uit de stukken en conclusies van partijen dient vast te stellen dat de opgelegde boete inmiddels volledig werd voldaan; Dat het (impliciet) incidenteel beroep dan ook, in zoverre de eerste rechter nagelaten heeft over de tegeneis van geïntimeerde uitspraak te doen, ongegrond is; Dat deze tegeneis des te meer ongegrond is nu niet blijkt dat geïntimeerde voor de opgelegde geldboete een uitvoerbaar verklaarde dwangbevel heeft uitgevaardigd;

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis en veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op vierhonderd zesenvijftig euro en twaalf cent (456,12 EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP** te **ANTWERPEN** van**ACHT FEBRUARI** **TWEEDUIZENDENVIJF,**

waar aanwezig waren:

R. T.,

Voorzitter;

S. B.

en P. H.,

Raadsheren;

A. van L.,

Griffier.

| A. van L. | P. H. |
| --- | --- |
| S. B. | R. T. |

## Textes cités

13

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 6 occurrences

[AR no 1 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) 3 occurrences

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 3 occurrences

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 2 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 2 occurrences

[CTVA art. 17](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-17) 1 occurrence

[CTVA art. 22](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-22) 1 occurrence

[CTVA art. 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) 1 occurrence

[CTVA art. 51](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) 1 occurrence

[CTVA art. 53ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53ter) 1 occurrence

[CTVA art. 54](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-54) 1 occurrence

[CTVA art. 56](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56) 1 occurrence

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 1 occurrence

## Doctrine administrative

1

[Fiches de commentaire administratif 1](https://juriel.be/fr/jurisprudence/entreprise-vente-gros-facturation-amende-cour-appel-anvers-2005-02-08-1079/documents?type=commentaire)

« … ou de vente en gros. Dans ce cas, une facture doit toujours être émise, indépendamment du fait qu'une telle entreprise soit ou non agencée pour la vente au détail et du fait que le cocontractant soit une personne physique agissant pour ses besoins privés ( Arrêt de la Cour d’Appel d’Anvers du 08.02.2005 ). Dans le souci d'éviter à l'entreprise un surcroît de coûts et de charges administratives, l'administration admet toutefois une dérogation dans la mesure où l'entreprise est constituée en deux branches d'activité au sens de l'article 11 du Code de la TVA … »

[Règlement du paiement de la taxe (30.06.2021)](https://juriel.be/fr/commentaire-tva/reglement-paiement-taxe-a315) Commentaire administratif 05.05.2022

[Voir le document](https://juriel.be/fr/jurisprudence/entreprise-vente-gros-facturation-amende-cour-appel-anvers-2005-02-08-1079/documents)

## Décisions similaires

8

[Échange intracommunautaire, amende TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-intracommunautaire-amende-tva-tribunal-bruxelles-2025-11-14-8277) 8 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 7 dispositions communes

[Droit à déduction, Frais généraux, Prestations de sous-traitants](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-frais-generaux-prestations-tribunal-bruxelles-2023-09-29-4ad4) 7 dispositions communes

[Droit à déduction, Preuve de l’existence d’une activité économique](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-preuve-existence-activite-tribunal-bruxelles-2025-09-26-fc1b) 7 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-management-fees-tribunal-bruxelles-2023-09-29-7fe9) 7 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 6 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 6 dispositions communes

[Facture fictive](https://juriel.be/fr/jurisprudence/facture-fictive-droit-deduction-tva-tribunal-bruxelles-2026-06-05-97ca) 6 dispositions communes
