---
title: "Droits et privilèges du Trésor, poursuite · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 29 mars 2011"
description: "Droits et privilèges du Trésor, poursuite, instance, preuve, mesure de contrôle. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 29 mars 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droits-privileges-tresor-poursuite-instance-cour-appel-anvers-2011-03-29-ebfc"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droits et privilèges du Trésor, poursuite, instance, preuve · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

29 mars 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

115 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 29.03.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

**In zake : 2009/AR/2296**

**D. A.**, wonende te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen op 18 maart 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen,

vertegenwoordigd door Mr. **H. V. O.** loco Mr. **M. F.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, Gewestelijke Directeur, Administratie BTW, Registratie en Domeinen, wonende te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4, bus 4

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door **F. V. O.** loco Mr. **V. H. M.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 18 maart 2009 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 augustus 2009;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

**1.1.** De heer **A. D.**, appellant, is uit hoofde van zijn economische activiteit van caféhouder onderworpen aan de forfaitaire regeling der caféhouders en in die en in die hoedanigheid gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften;

Hij is als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

**1.2.** De NV **A.** leverde op regelmatige basis en effectief dranken aan appellant.

Op 3 oktober 1991 werd de NV **A.** onderworpen aan een controle over de juiste toepassing van de BTW-wetgeving.

Na deze controle werd door de administratie van de BTW een proces-verbaal opgesteld op 13 september 1993, waarin volgende vaststellingen werden opgenomen :

*"a. voor elke bestelling .van dranken door de klant wordt een document "bestelbevestiging" opgemaakt in dubbel exemplaar, dit document bevat alle vermeldingen van een factuur (klant, adres, datum, bestelde dranken, prijzen, BTW-bedrag);*

*b. deze documenten "bestelbevestiging" (zie voorbeeld met afgedekte identiteit in bijlage nr. 1. gevoegd aan dit proces-verbaal) vergezelden de aflevering van de dranken;*

*c. de chauffeur van de N.V.* ***A.*** *ontving normaliter contant de waarde van de afgeleverde dranken;*

*d. pas na de levering werden de facturen opgesteld, zoals kan worden afgeleid uit de verrekening van bij de levering van die dag teruggenomen leeggoed, en welke verrekening in de facturen is verwerkt;*

*e. slechts een deel van de aan belastingplichtige afnemers geleverde dranken werd gefactureerd en de niet gefactureerde hoeveelheden werden geboekt als contante verkopen aan particulieren, onder de benaming "****A.*** *Dagontvangsten "; de bestelbevestigingen en de aantekeningen omtrent de ontvangen contanten door de chauffeur (daglijsten), werden vernietigd.”.*

Op 4 juli 1994 heeft mevrouw **L. V.**, adjunct-controleur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen destijds verbonden aan het BTW-controlekantoor Antwerpen I, vervolgens een controle van de boekhouding uitgevoerd bij appellant voor de periode van juli 1989 tot december 1991.

Hierbij werden niet aangegeven meeraankopen vastgesteld.

De naar aanleiding van deze controle vastgestelde inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal opgemaakt op 18 april 1995.

Op 19 april 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger van het 1ste BTW-ontvangkantoor van Antwerpen. Op dezelfde dag werd het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Hoofdcontroleur van de BTW Antwerpen 1.

Krachtens dit dwangbevel zijn volgende bedragen verschuldigd :

\- als BTW : … BEF (… EUR)

\- als geldboete : … BEF (… EUR)

\- een interest van 0,80 % per maand overeenkomstig [artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) van rechtswege verschuldigd over de niet-tijdig betaalde BTW te rekenen vanaf 21 januari 1992.

Het dwangbevel werd aan appellant ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 19 april 1995.

**1.3.** Bij dagvaarding betekend op 11 mei 1995 vordert appellant de vernietiging van het voormeld dwangbevel.

Op 6 december 1999 werd de zaak ambtshalve van de rol weggelaten bij toepassing van artikel 730 Ger. W. en op 26 mei 2004 werd zij op verzoek van appellant opnieuw op de rol van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen ingeschreven.

Bij beschikking van 7 mei 2008 werden de conclusietermijnen in eerste aanleg op verzoek van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, vastgesteld en werd de rechtsdag voor pleidooien bepaald op de terechtzitting van 23 februari 2009.

**1.4.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 18 maart 2009 oordeelt vooreerst dat het te dezen enkel relevant is of het ten aanzien van appellant opgestelde proces-verbaal van 18 april 1995 is ondertekend, wat het geval is, en naderhand bevindt zich dit proces-verbaal in aanhangsel bij het dwangbevel ook nog als eensluidend verklaard afschrift. Nu voorts de lezing van het proces-verbaal (ten laste van NV **A.**) van 13 september 1993 wordt vermeld in het proces-verbaal (ten laste van appellant) van 1995, wordt de weergave van die inhoud geacht correct te zijn tot bewijs van het tegendeel. Er bestond in rechte alsdan geen enkele behoefte om te dezen een ondertekend exemplaar van het proces-verbaal van 1993 voor te brengen of aan te zeggen. Uit de gegevens van het dossier blijkt :

\- dat de controle ten aanzien van **A.** is gestart in oktober 1991

\- dat van de bevindingen daarvan een proces-verbaal is opgesteld in september 1993

\- dat, naar aanleiding daarvan, in juli 1994, binnen de toenmalige verjaringstermijn, controle is uitgevoerd ten laste van en bij appellant

\- dat van de bevindingen van die controle op 18 april 1995 proces-verbaal is opgesteld

\- dat dit laatste PV kennelijk pas is opgesteld na blijvende betwisting door appellant van de fiscale vordering.

Het tijdsverloop tussen de controle in juli 1994 en het PV van 18 april 1995 kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezien als resulterend in een schending der rechten van verweer van appellant op de fiscale vordering. Integendeel blijkt appellant precies dat tijdsverloop te hebben besteed aan het voeren van verweer, wat dan uiteindelijk is geresulteerd in de opstelling van het proces-verbaal van 18 april 1995. Uit het PV (van 1993) ten laste van **A.** blijkt dat zij groothandel combineerde met een inrichting voor kleinhandel (zgn. discount), en dat zij een gewiekst computersysteem had opgezet om de groothandel ten dele te verbergen onder zgn. kleinhandel en ook dat appellant met grote regelmaat had deelgenomen aan dat systeem middels telkens aankopen op factuur in parallel met zogezegde aankopen in discount. De eerste rechter acht vervolgens de toegepaste boete van 20 % als minder dan evenredig met de feiten, nu appellant op een systematische wijze blijkt te hebben deelgenomen aan belastingontduiking. Met betrekking tot de loop der interesten stelt de eerste rechter tenslotte dat weliswaar blijkt dat het in 1995 opgestarte geding gedurende lange tijd niet werd geactiveerd, doch dat appellant volop de mogelijkheid had tot activering en daartoe echter pas overging in 2004 met een vraag tot fixatie (op basis van het toen geldende artikel 751 Ger. W.). Bovendien is het geïntimeerde die naderhand begin 2008 zelf heeft verzocht om termijnen voor. syntheseconclusies en om fixatie op grond van artikel 747, § 2, Ger. W. De eerste rechter treft hier dan ook geen fout aan in hoofde van geïntimeerde bij het blijven lopen zijn van de intrest, naast overigens het gegeven dat de hier betrokken intrest van rechtswege loopt. De vordering wordt derhalve toelaatbaar, maar op alle punten ongegrond verklaard.

**1.5.1.** Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 augustus 2009.

**1.5.2.** Bij aangetekend schrijven van 11 september 2009 heeft de Eerstaanwezend Inspecteur a.i./ontvanger van het Eerste BTW­ontvangkantoor van Antwerpen bij toepassing van artikel 92 W.BTW van appellant een borgstelling geëist van … EUR.

Bij verzoekschrift ter griffie van dit Hof neergelegd op 6 november 2009 heeft appellant, op grond van artikel 92, derde lid, W.BTW, aan het Hof gevraagd om het consignatieverzoek niet gegrond, of, ondergeschikt, nietig te verklaren.

Bij arrest uitgesproken op 23 februari 2010 werd het consignatieverzoek niet ontvankelijk verklaard in zoverre het gesteund is op artikel 92 W.BTW zoals gewijzigd bij artikel 61 van de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en nietig verklaard wegens onvoldoende motivering in zoverre het gesteund is op artikel 92 W.BTW. vóór voormelde wetswijziging. De beoordeling van de grond van de zaak en van de kosten werd aangehouden.

**1.6**. In het verzoekschrift tot hoger beroep en in de op 5 juli 2010 neergelegde syntheseconclusies stelt appellant dat hij enkel het bewijs kan leveren van de officiële leveringen die wel hebben plaatsgevonden en hij verwijst hiervoor naar de neergelegde boekhouding en de ingediende kwartaalaangiften in het kader van de BTW. Deze aangiften bevatten een vermoeden van juistheid. Indien de administratie meent dat deze aangegeven gegevens onjuist zijn dient zij het bewijs te leveren van het bestaan van leveringen welke niet werden opgenomen binnen de reguliere boekhouding. Appellant betwist de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van 13 september 1993. De administratie bewijst niet dat het origineel ervan ondertekend is. In geval van niet-ondertekening is het proces-verbaal nietig. Bij de controle bij appellant werden geen aanwijzingen aangetroffen van leveringen buiten boekhouding. Vervolgens kon de administratie uitsluitend verwijzen naar het proces-verbaal van 13 september 1993 om haar vordering wegens leveringen buiten boekhouding te ondersteunen. Dit PV van 13 september 1993 werd pas voor het eerst ter kennis gebracht van appellant, als bijlage bij het PV van 18 april 1995. Het kan bijgevolg niet betwist worden dat appellant voor het eerst op 20 april 1995 op de hoogte werd gebracht van de controle van 3 oktober 1991 bij **A.**, op basis waarvan de administratie de betrokkenheid van appellant bij het fraudesysteem wenst te weerhouden. Het proces-verbaal aangaande **A.**, waarop de administratie al haar beweringen baseert, is slechts opgemaakt op 13 september 1993, terwijl de controle reeds heeft plaatsgevonden in het jaar 1991. De administratie gaat vervolgens op basis van de controle van 3 oktober 1991 over tot een controle bij appellant op 4 juli 1994. Het opmaken van een proces-verbaal van deze controle wordt tergend lang uitgesteld tot 18 april 1995. Appellant ontvangt slechts op 20 april 1995 een voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van de controle van 3 oktober 1991. Het is onmogelijk 5 jaar na de betwiste feiten (het handelt o.a. over het jaar 1990) nog op behoorlijke wijze tegenargumenten te vergaren, zodat de belastingplichtige ontegensprekelijk in een onherstelbaar nadelige positie geplaatst wordt.

De eerste conclusies van geïntimeerde en haar stukken zijn bovendien slechts overgemaakt op 9 augustus 2004. Uit dit geheel van feiten blijkt duidelijk dat de rechten van verdediging geschonden zijn door de veel te lange tussenperiode van handelen van de administratie. Appellant voert verder aan dat een proces-verbaal enkel bewijswaarde heeft met betrekking tot de materiële vaststellingen daarin vervat, en niet aangaande de daaruit voortvloeiende gevolgtrekkingen. Het ganse dossier van de administratie is gebaseerd op het feit dat de volgorde van de bestelde goederen steeds dezelfde is op de dagontvangsten, als op de facturen. Vervolgens zou het mogelijk zijn om bepaalde dagontvangsten te koppelen aan bepaalde facturen. Vermits er geen enkel document is aangetroffen waarop appellant bij naam is vermeld, wordt de betrokkenheid van appellant enkel en alleen weerhouden op basis van deze 'unieke volgorde' en parallellisme tussen de dagontvangsten en de facturen. Appellant wijst op verschillende tegenstrijdigheden in de stelling van de administratie die de geloofwaardigheid van haar visie ondermijnen. Ook blijkt uit de diverse dagontvangsten dat er wel degelijk dagontvangsten zijn, die niet gekoppeld kunnen worden aan bepaalde facturen. Hieruit vloeit voort dat er wel degelijk particuliere afnemers waren van de NV **A.**. Het valt bijgevolg niet uit te sluiten dat er een overeenkomst bestaat tussen een levering aan een professionele afnemer en een daaropvolgende particuliere afnemer, zonder dat er sprake is van enige fraude. Appellant besluit dat de administratie niet op basis van vaststaande, zekere en overeenstemmende gegevens het bewijs door middel van vermoedens levert dat appellant betrokken was bij het fraudesysteem. Het feit dat andere afnemers hebben erkend dat zij hieraan hebben geparticipeerd, levert enkel het bewijs op van het bestaan van een fraudesysteem, doch niet de participatie van appellant. Ondergeschikt betwist appellant de begroting van de vordering van de administratie. Het blijkt immers dat één factuur aan meerdere dagontvangstennummers gekoppeld kan worden. Het valt niet op tegensprekelijke wijze te controleren aan welke dagontvangstennummers de facturen op naam van appellant eventueel gekoppeld kunnen worden. In de hypothese dat het Hof de stelling van de administratie volledig zou aanvaarden merkt appellant op dat de administratie van de BTW geen rekening houdt in haar vordering met de betaalde BTW. Op de aankopen werd BTW aangerekend, BTW welke niet in mindering werd gebracht. Het neutraliteitsbeginsel vereist dat elke BTW-plichtige de betaalde BTW in mindering mag brengen van het resultaat. Zodoende moet de vordering van de administratie herleid worden tot … BEF (… EUR).

Over de verschuldigdheid van de boete werpt appellant vooreerst op dat de juistheid van haar aangifte en haar goede trouw erkend moet worden, zodat er geenszins een reden voorhanden is een boete op te leggen. Door het strafrechtelijk karakter van de geldboete, behoort de overschrijding van de 'redelijke termijn' te sanctioneren. Er is bijna 20 jaar verstreken sinds de feitelijke omstandigheden die aan de grondslag liggen van dit geschil. Kwijtschelding, minstens aanpassing, van de geldboete is dan ook een gepaste sanctie. Gezien de rechter in dezelfde mate gebonden is als de administratie, kan het Hof de geldboete ook verminderen bij toepassing van het Regentbesluit van 18 maart 1831. Over de verschuldigdheid van de interesten stelt appellant dat deze volgens de administratie op 20 september 2009 reeds … EUR bedraagt en dat er moratoire interesten verschuldigd zijn van … EUR, zodat een totaal aan interesten verschuldigd is van niet minder dan … EUR. In de gegeven omstandigheden dient het bedrag aan interesten verminderd te worden tot bv. 10 % van de hoofdsom. Op deze wijze wordt de loop van de interesten tot normale proporties teruggebracht. Appellant wijst hierbij nog op artikel 644/2/1 van de BTW-Handleiding, die de Gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, de bevoegdheid verleent om in bijzondere gevallen vrijstelling te verlenen van de interesten of een deel ervan. Nu de rechtbank met volheid van bevoegdheid kan oordelen, bezit de rechtbank eveneens de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen voor de interesten of een deel ervan. Appellant besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis, het nietig en van generlei waarde verklaren van het bestreden dwangbevel; ondergeschikt, de vermindering van de vordering van geïntimeerde tot … EUR.na aftrek van de reeds betaalde BTW, de kwijtschelding van de geldboete, minstens vermindering ervan tot 10 %, de vermindering van de interesten tot 10 % van de hoofdsom wegens het uitzonderlijk langdurig verloop van de procedure; de veroordeling van geïntimeerde om aan appellant te betalen, alle sommen ten onrechte betaald of ingehouden uit hoofde van het vernietigde dwangbevel, te verhogen met de moratoriumintresten. Appellant begroot tenslotte het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op … EUR (vordering in geld waardeerbaar tussen € 20.000,01 - € 40.000,00) per aanleg.

**1.7.** Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 2 september 2010 neergelegde syntheseconclusies de redengeving van het bestreden vonnis en voegt eraan toe dat het afschrift van het proces-verbaal en het afschrift van het dwangbevel niet de originele handtekeningen moeten bevatten van de ambtenaren die de originele stukken ondertekend hebben. Het feit dat appellant een door de bevoegde ontvanger voor eensluidend verklaarde kopie heeft ontvangen impliceert dat de originele documenten de vereiste handtekeningen bevatten. Geïntimeerde merkt verder op dat het onderzoek van het dossier van de NV **A.** op 3 oktober 1991 begon en dat het, gelet op de omvang en het complexe karakter van het dossier, heel wat tijd vergde. Tevens diende bij 89 afnemers van de NV **A.**, waaronder appellant, een onderzoek van de boekhouding te worden uitgevoerd. Het onderzoek van de boekhouding van appellant maakte het voorwerp uit van een bezoek ter plaatse op 4 juli 1994. Zoals blijkt uit de brief van de raadsman van appellant, was appellant reeds op 12 juli 1994 op de hoogte van het feit dat te zijnen laste een navordering van BTW wegens meeromzet zou worden gesteld. Appellant heeft daarenboven de hem uitgereikte 'bestelbevestingen' niet in zijn boekhouding opgenomen. De termijn van 2,5 jaar die verlopen is tussen de aanvang van het onderzoek bij de NV **A.** en de datum waarop appellant kennis heeft genomen van het bestaan van een navordering te zijnen laste, is in casu volkomen verantwoord. Het waarborgt immers een rechtvaardige taxatie van de betrokkene(n). Geïntimeerde voert voorts aan dat gegevens mogen worden geput uit het fiscaal dossier van de belastingplichtige zelf, evenals uit de stukken opgemaakt, ontvangen of gehouden door derden, in casu de NV **A.**, die leverancier is van appellant, wanneer daarmee kan worden bewezen of kan worden bijgedragen te bewijzen dat die afnemer, in casu appellant, niet al zijn belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en bijgevolg de over deze niet aangegeven omzet verschuldigde BTW niet aan de Schatkist heeft voldaan. Geïntimeerde beroept zich niet alleen op het proces-verbaal van 13 september 1993 maar evenzeer op de vermoedens voortkomend uit dit proces-verbaal. Het gaat hier om zeer zwaarwichtige vermoedens voortspruitend uit een in [artikel 59 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) bedoeld proces-verbaal, maar aangevuld met andere elementen, en wel degelijk bewijskrachtig. De processen-verbaal gelden als volledig bewijs zolang zij niet van valsheid zijn beticht.

Documenten bij derden gevonden kunnen wel tegen een belastingplichtige ingeroepen worden indien het om stukken gaat die dergelijke aanwijzingen verschaffen omtrent veelvuldige en herhaalde handelsverrichtingen – in casu zelf 69 gevallen met akkoordverklaring - dat er geen reden meer bestaat om aan de ernst en de waarachtigheid ervan te twijfelen. In het proces-verbaal van 13 september 1993 wordt het systeem van facturering door leverancier NV **A.** uiteengezet. Dit systeem werd door de NV **A.** opgezet om in samenwerking met haar klanten volledige leveringen van dranken voor de fiscus te verbergen door een al dan niet groot deel van de gedane leveringen niet of slechts gedeeltelijk te factureren en dit voor te stellen alsof deze niet gefactureerde dranken verkocht werden aan particulieren die de vaten en bakken met dranken zelf kwamen afhalen bij de vestiging van de NV **A.**. Er zijn een aantal gegevens die door hun consistentie de frauduleuze handelwijze bewijzen : zo werden noch door de NV **A.**, noch door appellant de bestelbevestigingen, die dienst deden als leveringsbon en waarop de totale goederenwaarde en de BTW waren berekend, bewaard, ofschoon de vóór 1 januari 1993 geldende tekst van het artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, m.b.t. de regeling van de voldoening van de BTW, de verplichting oplegt voor de leveringen van dranken aan hotels, restaurants en cafés een factuur uit te reiken op het tijdstip waarop de goederen ter beschikking van de verkrijger worden gesteld, m.a.w. onmiddellijke factureringsverplichting. De facturen werden echter niet onmiddellijk uitgereikt, maar pas achteraf. Voorts vormen ze door hun wijze van opstelling, nl. op een volledig geautomatiseerde wijze, inbegrepen de verrekening van het leeggoed dat bij dezelfde levering werd teruggenomen, reeds het bewijs van niet onmiddellijke opstelling en uitreiking. De afleveringsbon vormt samen met de factuur één geheel in de boekhouding zowel van de leverancier als van de afnemer. Appellant diende aldus de afleveringsbons van de NV **A.** te bewaren. Indien de stelling van appellant dat hij geen leveringen 'in het zwart' ontvangen zou hebben, waar zou zijn, zouden de afleveringsbons voor appellant het perfecte bewijs van zijn stelling zijn. De door hem gevoerde boekhouding is niet bewijskrachtig nu vaststaat dat hij stukken die aan hem werden uitgereikt, nl. de voormelde afleveringsbons, niet heeft bewaard. In tegenstelling tot hetgeen appellant laat uitschijnen is de bijkomende taxatie te zijnen laste gebaseerd op vermoedens die voortspruiten uit vaststaande feiten (nader aangehaald op blz. 15-16 van de conclusies). De respectieve hoeveelheden van de te factureren goederen en van de niet te factureren goederen maakten het voorwerp uit van een voorafgaande bestelling van de klant bij hun leverancier.

De klanten betaalden de bestelde doch niet gefactureerde leveringen contant. Alle bewijsstukken nopens de niet gefactureerde leveringen werden met zorg vernietigd. Per dagontvangstennummer vermeld in de kolom 'bon' is de volgorde van de bestelde goederen steeds dezelfde als deze op de factuur, in de mate dat de goederen ook effectief gefactureerd werden. Dit blijkt na vergelijking van de volgorde van de voormelde dagontvangstennummers met de voormelde facturen op naam van appellant, waarbij het opvalt dat de gefactureerde goederen voor alle aangehaalde gevallen in dezelfde volgorde voorkomen als deze op de lijst van de dagontvangsten. Bovendien blijkt uit de facturen en uit de dagontvangstenlijsten dat de volgorde van de dranken volstrekt willekeurig was maar dat de volgorde waaronder de dranken op een bepaalde dag op de facturen en op de dagontvangstenlijsten werden vermeld steeds dezelfde was. Door het vergelijken van de facturen met de lijsten van de dagontvangsten van de NV **A.** heeft men de werkelijke leveringen volledig kunnen vaststellen zich steunend op :

\- de datum;

\- de 'unieke volgorde' van de bestelde dranken per klant;

\- het feit dat de nummering van de facturen en de nummering op de lijsten met de dagontvangsten van de NV **A.** steeds in volgorde verloopt.

Geïntimeerde benadrukt bijkomend dat appellant geen enkele bestelbevestiging heeft voorgelegd, hetgeen nog maar bewijst dat zijn boekhouding onvolledig en bijgevolg niet bewijskrachtig is. Gelet op het geheel van de aangevoerde elementen van bewijs kan worden besloten dat de gegevens opgenomen in het proces-verbaal van 13 september 1993 geenszins vaag zijn doch wel degelijk volledig gedetailleerd en dit zowel voor wat betreft de wijze van wedersamenstelling van de gedane leveringen als voor wat betreft het toegepaste systeem waaruit de gegevens voortspruiten en het doel dat de betrokken partijen hebben willen bereiken. Aldus leverde de NV **A.** volgens het proces-verbaal van 13 september 1993 in de loop van 1990 aan appellant een totaal bedrag van … BEF (… EUR) dranken die niet in de boekhouding werden ingeschreven. In 1991 werden aankopen voor een bedrag van … BEF (… EUR) niet door appellant in zijn boekhouding opgenomen. De omzetverhoging, berekend met toepassing van de brutowinstpercentages vermeld in de forfaitaire regeling der caféhouders waaraan belastingplichtige in de periode 1991-1992 onderworpen was, bedroeg - na correctie wegens de verhoging van de omzet geregulariseerd door de administratie der directe belastingen - … BEF (… EUR) voor 1990 en voor 1991, … BEF (… EUR). De ter zake verschuldigde BTW bedraagt :

\- voor 1990 : … BEF x 17 % = … BEF (… EUR)

\- voor 1991 : … x 17 % = … BEF (… EUR)

\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_

\- hetzij in totaal : … BEF (… EUR)

Geïntimeerde stelt verder dat aan het verzoek van appellant tot het in aftrek brengen van de BTW geen gevolg kan worden gegeven, nu, de belastingplichtige, overeenkomstig [artikel 3, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, in het bezit dient te zijn van facturen die de voorziene vermeldingen bevatten om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen en appellant geen enkel stuk voorlegt. Geïntimeerde betwist tenslotte de door appellant aangevoerde goede trouw, gezien zijn boekhouding bij gebrek aan voorlegging van de bestelbevestigingen, zodat de administratieve geldboete terecht werd opgelegd. Het toetsingsrecht kan aan de rechter toelaten na te gaan of de straf al dan niet evenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter is te onderzoeken of administratie naar redelijkheid kan overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van dusdanige omvang. Dit toetsingsrecht houdt echter niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in, de opgelegde boete kan kwijtschelden of verminderen, De boete gevorderd ten laste van appellant werd conform de ter zake geldende wetgeving en in overeenstemming met de bepalingen van de schaal gevoegd bij het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, opgelegd. Op grond van [artikel 91, § 1 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) is van rechtswege een intrest van 0,8 pct. per maand verschuldigd wanneer de belasting niet tijdig wordt voldaan. Geïntimeerde besluit derhalve tot niet ontvankelijkheid, minstens de ongegrond verklaring van de oorspronkelijke vordering en begroot de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg .als in hoger beroep op een bedrag van … EUR.

## 2. Beoordeling

**2.1.** Artikel 743, tweede lid, Ger.W. bepaalt dat de inventaris van de stukken bij de conclusies wordt gevoegd.

Naar luid van artikel 740 Ger. W. worden alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd.

Overeenkomstig artikel 1042 Ger. W. zijn de regels met betrekking tot de minnelijke, gerechtelijke en wettelijke instaatstelling van de zaak van toepassing in graad van hoger beroep (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLIG, A. DECROËS, 'Droit judiciaire privé, Les voies de recours. Examen de jurisprudence (1993 à 2005)', *RCJB* 2006, nr. 234 p. 236).

Nieuwe stukken mogen in hoger beroep worden medegedeeld met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 740 en 743 Ger. W. Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing indien de stukken reeds in eerste aanleg werden medegedeeld. Stukken, die in eerste aanleg werden medegedeeld worden gemeenschappelijk aan partijen. Ieder van hen mag ze alsdan naar eigen goeddunken in eigen belang aanwenden (A. FETTWEIS, *Manuel de procédure civile*, Luik, U.Lg., 1987, nr. 277 p. 223). Uit het enkele feit dat een partij bij haar conclusie in hoger beroep geen inventaris der stukken heeft gevoegd, kan niet worden afgeleid dat zij in hoger beroep nieuwe stukken (G. CLOSSET­MARCHAL, J.-Fr. VAN DRROGHENBROECK, S. UHLIG, A. DECROËS, 'Droit judiciaire privé. Les voies de recours. Examen de jurisprudence (1993 à 2005)', *RCJB* 2006, nr. 234 p. 236).

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat de inventaris der stukken gevoegd bij de conclusies in hoger beroep van geïntimeerde slechts 6 stukken vermeldt, terwijl de inventaris der stukken gevoegd bij zijn hernemende conclusies in eerste aanleg neergelegd op 12 augustus 2008 30 stukken omvat, waaronder de relevante stukken van het administratief dossier. Door appellant wordt niet betwist dat voormelde 30 stukken hem ook in eerste aanleg werden meegedeeld.

Er bestaat dan ook geen aanleiding om voormelde stukken, die hoewel niet geïnventariseerd bij de conclusies in hoger beroep ingevolge hun mededeling in eerste aanleg aan beide partijen gemeen zijn geworden, uit de debatten te weren.

**2.2.1.** Door het Hof dient te worden vastgesteld dat noch het bij het dwangbevel gevoegd afschrift van het proces-verbaal van 13 september 1993 gehecht aan het proces-verbaal van 18 april 1995 noch het door geïntimeerde thans bij zijn dossier overgelegd afschrift van het proces-verbaal van 13 september 1993 een handtekening van de verbaliserende controleur bevat.

Geen nietigheid van het door de met de invordering belaste ambtenaar uitgevaardigde dwangbevel kan echter worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat bij de betekening ervan het aan de belastingplichtige overhandigde afschrift van het krachtens [artikel 59 van het BTW­wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) opgemaakte proces-verbaal niet door de opsteller van dat proces-verbaal is ondertekend (artikel 85 W.BTW; Cass. AR C.93.0371.N, 2 december 1994, *Arr.Cass.* 1994, 1044, *A.J.T.* 1994-95, 460, *Bull.* 1994, 1037, *BTW-Revue* 1995, 921; *FJF* 1995, 93, *Pas.* 1994, I, 1037, *Rec.gén.enr.not.* 1996, 76, noot, *RW* 1994-95, 1378).

Zo uit het vormgebrek van een proces-verbaal niet onmiddellijk een nietigheid van het hierop steunende dwangbevel kan worden afgeleid, dan nog dient de bewijskracht van zulk proces-verbaal nader te worden onderzocht ten einde na te gaan of en in welke mate de in het dwangbevel vervatte BTW-vordering bewezen is.

**2.2.2.** Het behoort aan de BTW-administratie om de verschuldigdheid van de BTW aan te tonen.

Krachtens artikel 59, § 1, W.BTW kan de administratie volgens de regelen en door alle middelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, het bewijs leveren van :

1° elke overtreding van de bepalingen van het Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluite;

2° elk feit dat de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantoont;

3° elk feit dat bijdraagt tot het aantonen van de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete.

Het proces-verbaal is een akte waarin een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën inzonderheid zijn benaarstigingen, zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent.

Een proces-verbaal moet worden opgemaakt niet alleen wanneer een overtreding werd vastgesteld maar ook wanneer het onderzoek feiten heeft aan het licht gebracht die, inzonderheid, de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.

Het proces-verbaal is vooral nuttig voor het vaststellen van feiten of inbreuken die een vluchtig karakter hebben, zoals het slachten van een dier, het vervoeren van een goed, het laden of lossen van een goed, de weigering boeken of bescheiden voor te leggen of inlichtingen te verstrekken.

Krachtens [artikel 59, § 1, tweede lid](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59), van het Wetboek leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Die bewijskracht strekt zich uit tot alle handelingen die de verbalisanten verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest; het proces-verbaal levert bewijs op inzonderheid van hetgeen de verbalisanten hebben ontdekt in de hun overgelegde stukken, van de verklaringen die zij afgelegd of ingewonnen hebben en, meer algemeen, van al wat zij gezien, gehoord of anders waargenomen hebben mits de vaststellingen binnen het kader van hun opdracht blijven. Maar de bewijskracht van het proces-verbaal geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden : deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle der rechtbanken onderworpen zoals alle andere gevolgtrekkingen.

Opdat het proces-verbaal geldig zou zijn (zie *BTW-Handleiding*, nr. 594 p. 1378), moet het :

a) de naam en de hoedanigheid vermelden van de opsteller die daartoe bevoegd is;

b) de datum vermelden waarop de vaststellingen zijn gedaan;

c) op nauwkeurige en omstandige wijze de gedane vaststellingen weergeven;

d) gedagtekend en ondertekend zijn door de ambtenaar die het opgesteld heeft.

Bij gebrek aan overlegging van een ondertekend exemplaar van het proces­verbaal van 13 september 1993 dient het Hof te besluiten dat geïntimeerde in zijn bewijslast faalt.

Inderdaad, gaat de administratie van de in voormeld ongeldig proces­verbaal vervatte vaststellingen uit om te besluiten dat appellant meeraankopen bij de NV **A.** heeft gedaan welke in·zijn boekhouding niet werden ingeschreven.

De overige door geïntimeerde aangehaalde feitelijke gegevens ter staving van de vermeende fraude, waarnaar op blz. 15 en 16 van zijn syntheseconclusies wordt verwezen, vinden geen steun in andere door hem aangevoerde middelen van recht.

De ondertekening van het proces-verbaal van 18 april 1995 kan het vormgebrek van het proces-verbaal van 13 september 1993 niet herstellen. De bewijskracht van de in het proces-verbaal van 18 april 1995 weergegeven vaststellingen kan enkel steun vinden in de vaststellingen gedaan in het proces-verbaal van 13 september 1993, waarvan de geldigheid niet bewezen is bij gebrek aan overlegging van een ondertekend exemplaar ervan, zodat de geldigheid van deze latere vaststellingen eveneens in het gedrang komt.

De beoordeling van de bewijslevering zou wellicht anders zijn geweest, indien appellant, zelfs hangende de procedure, een ondertekend exemplaar van het proces-verbaal van 13 september 1993 had kunnen overleggen, wat hij echter, ondanks de duidelijke betwisting hieromtrent, niet doet.

Het hoger beroep is derhalve gegrond.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Verklaart het bestreden dwangbevel van 19 april 1995 opgemaakt door de adjunct-controleur, bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en·domeinen, verbonden aan het eerste BTW-controlekantoor te Antwerpen, nietig en van generlei waarde;

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant te betalen, alle sommen ten onrechte betaald of ingehouden uit hoofde van het vernietigde dwangbevel, te verhogen met de moratoriuminteresten;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot aan de zijde van appellant op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **NEGENENTWINTIG MAART TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. D.** en

**S. B.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier

**A. V. L.** **S. B.** **M. D.** **D. W.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 3 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 2 occurrences

[AR no 3 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance, Mentions obligatoires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-mons-2020-10-27-ed7b) 3 dispositions communes

[Exonération, Preuve, Déduction, Facture, Amende, Réduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-preuve-deduction-facture-amende-tribunal-hasselt-2000-04-05-732b) 3 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2011-06-10-cf98) 3 dispositions communes

[Cotisation à l'IPP, administration de l'inspection spéciale des impôts](https://juriel.be/fr/jurisprudence/isi-cotisation-ipp-administration-inspection-tribunal-namur-2017-02-15-d007) 3 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 2 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes
