---
title: "Droit à déduction, droit à déduction de la TVA en amont · Cour d&#x27;appel de Gand, 6 septembre 2022"
description: "Droit à déduction, droit à déduction de la TVA en amont, étendue du droit à déduction. Cour d'appel de Gand (Belgique), 6 septembre 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-tva-amont-etendue-cour-appel-gand-2022-09-06-5d3d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

6 septembre 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

222 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 06.09.2022

WF 708-15-19/003220

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - droit à déduction*

## Dispositions légales

Art. 45, § 1er, 1° et [art. 79, § 2 Code TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79)

## Résumé

1) **Les faits et le jugement rendu en première instance**

Depuis le 1er septembre 2016, l’assujetti est identifié à la TVA pour l'activité économique consistant à aménager des terrains et à préparer des sites Il était également l’actionnaire unique et le gérant unique d'une entreprise de recyclage. Lors d’un contrôle, il a été constaté que dans la déclaration du quatrième trimestre 2016 la TVA grevant une livraison de l’entreprise de recyclage avait été déduite. Cette TVA n'a jamais été versée par cette entreprise. Le 9 février 2017, l'entreprise de recyclage a été déclarée en faillite. L'administration a considéré que l’assujetti, en tant que gérant unique de l’entreprise de recyclage, savait ou aurait dû savoir que la TVA ne serait pas versée.

Une action en justice a été déposée contre la contrainte délivrée. Toutefois, le tribunal a déclaré que la demande n'était pas fondée.

2) **L'arrêt de la Cour d'appel de Gand**

L'application de l'[article 79, § 2, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) vise la situation dans laquelle la personne qui a déduit la TVA avait l'intention d'éluder la taxe.

L'administration souligne que l’assujetti n'est devenu assujetti à la TVA que peu de temps avant l'émission le 29 novembre 2016 de la facture en question, à savoir le 1er septembre 2016. Bien que l'administration l'ait fait valoir comme argument dès le départ, l’assujetti n'a jamais démontré de manière plausible que ce fait n'avait rien à voir avec la transaction en question. En tout état de cause, il s'agissait d'une étape nécessaire afin de permettre la déduction du montant de la TVA au détriment du Trésor.

Dès lors, la conclusion est que l’assujetti s'est accordé un avantage fiscal et également financier contraire à l'objectif poursuivi par le code de la TVA et aux arrêtés d’exécution pris pour le mettre en œuvre, dans le seul but d'obtenir cet avantage. L'administration conclut à juste titre qu'il y a une pratique abusive au sens de l'[article 1er, § 10, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) et que cette forme d'enrichissement personnel aux dépens de l'Etat belge doit même être considérée comme une évasion ou une fraude fiscale. Les conditions de l'[article 79, §2, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) sont bien effectivement remplies. L'intention frauduleuse est démontrée.

Le recours en appel est recevable mais non fondé. L'arrêt attaqué est confirmé.

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Arrest van het hof van beroep te Gent, Vijfde Kamer

Arrest van 06.09.2022

Rol: 2021/AR/618

In de zaak van:

**L. K.**, RRN 680...23, ON 067...79,

met maatschappelijke zetel te …,

appellant,

hebbende als raadsman mr. Z. M., advocaat te …

tegen

**BELGISCHE STAAT**, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur - generaal van het Centrum KMO Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke - Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

### 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 2 april 2021 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 1 februari 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/2482/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.·

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 7 juni 2022, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

### 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellant heeft zich op 1 september 2016 laten registreren als btw-belastingplichtige voor de economische activiteit van het bouwrijp maken van terreinen.

De appellant was ook enige aandeelhouder en enige zaakvoerder van K. R. bvba.

Begin 2018 heeft een controleagent van de geïntimeerde een controle gestart naar de boekhouding van de appellant voor de kalenderjaren 2015 en 2016. Daarbij stelde de controleagent vast dat de appellant in zijn aangifte van het vierde kwartaal 2016 een bedrag van 33.915,00 euro btw had afgetrokken op grond van aankoopfactuur 24, op 29 november 2016 uitgereikt door K. R. bvba voor de aankoop (volgens de beschrijving op de factuur) van een betoncentrale, trommelzeefmachine en torenkraan. De koopprijs bedroeg in het totaal 161.500,00 euro waarop 33.915,00 euro verschuldigd was. De controleagent stelde vast dat K. R. bvba de btw die was aangerekend in die factuur nooit betaald had aan de Schatkist.

Op 9 februari 2017 is voor K. R. bvba een procedure van gerechtelijke organisatie opgestart en op 18 januari 2018 verklaarde de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Oudenaarde de vennootschap failliet.

De controleagent heeft op 29 juni 2018 per e-mail contact genomen met de curator over het faillissement van K. R. met de vraag of ze over de boekhouding van de gefailleerde beschikte om na te gaan of de appellant de hoger genoemde factuur had betaald. De curator heeft daarop geantwoord dat ze slechts over flarden van de facturatie beschikte en dat er van een boekhouding van K. R. bvba geen sprake was, maar dat de appellant haar heeft meegedeeld dat de betreffende factuur betaald werd via rekening-courant.

De controleagent heeft in een proces-verbaal van 21 september 2018 verslag uitgebracht van zijn bevindingen en op grond daarvan het volgende overwogen:

*Aangezien* \[de appellant\] *de enige zaakvoerder en aandeelhouder is van de BVBA K. R. is de juridische, economische en persoonlijke band tussen de BVBA K. R. en* \[de appellant\] *duidelijk. Bijgevolg is ook aangetoond dat ,*\[de appellant\] *op de hoogte was dat de btw niet zou betaald worden. Dit omdat de factuur niet werd betaald aan BVBA K. R. door* \[de appellant\]*. Bovendien was* \[de appellant\] *als enige zaakvoerder op de hoogte van het feit dat bij niet betaling van de verkoopfactuur de BVBA K. R. de btw niet zou kunnen voldoen.*

*Dit alles maakt dat* \[de appellant\]*, op het tijdstip waarop hij de belasting op de handelingen inzake voornoemde verkoopfactuur, in aftrek heeft gebracht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, door de BVBA K. R. niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken en dat er aldus sprake is van misbruik in de zin van* [*artikel 1, §10 WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1)*.*

*Bijgevolg moet* \[de appellant\] *overeenkomstig* [*artikel 79 §2 WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) *betreffende voornoemde verkoopfactuur de als btw afgetrokken bedragen aan de Staat terugstorten.*

Op grond van zijn vaststellingen en overwegingen, met verwijzing naar de wetgeving, heeft de controleagent verklaard dat de appellant het bedrag van 33.915,00 euro aan btw verschuldigd is.

De controleagent verklaarde ook een boete verschuldigd van 200% of 67.300,00 euro op grond van de volgende overweging:

*Conform* [*artikel 70, §1bis van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) *is de boete gelijk aan het dubbel van de belasting die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek werd gebracht.*

Verder werd ook de interest bedoeld in [artikel 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) aangerekend, zijnde op de btw te rekenen vanaf 21 januari 2017 aan het wettelijke tarief (van 0,8% per maand).

Bij gebrek aan betaling werd op 8 oktober 2018 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor de volgende bedragen:

• 33.915,00 euro btw;

• 67 .830,00 euro boete en

• 4.069,20 euro interest bedoeld in [artikel 91, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91).

Dat dwangbevel werd op 11 oktober 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 18 oktober 2018 per aangetekende zending aan de appellant ter kennis gebracht.

De appellant heeft op 6 december 2018 een administratief bezwaarschrift ingediend. Bij beslissing van 26 juni 2019 heeft de geïntimeerde het bezwaar afgewezen.

Op 16 september 2019 heeft de appellant bij het Centrum KMO Brugge een verzoek tot kwijtschelding van de geldboete ingediend.

Met een verzoekschrift van 25 september 2019 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 1 februari 2021 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

*Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.*

*Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

### 3. De vorderingen van de partijen

#### 3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

##### *In hoofdorde*

*Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*-* *Het vonnis dd. 1 februari 2021 gewezen door de Rechtbank van eerste Aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, 10e kamer in de zaak gekend onder rolnummer 19/2482/A te hervormen en dienvolgens:*

*-* *Te zeggen voor recht dat het dwangbevel op naam van appellant, uitgevaardigd op 16*

*oktober 2018 door mevrouw X, en aan appellant per aangetekend schrijven ter kennis gebracht op 16 oktober 2018, nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren, minstens vast te· stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet is bewezen;*

##### *In ondergeschikte orde*

Minstens de nietigheid van de sanctie uit te spreken, de sanctie te ontheffen en aan appellant uitstel van de sanctie toe te kennen;

##### *Rechtsplegingsvergoeding*

Geïntimeerde tot slot te zien en te horen veroordelen tot de kosten van het geding, thans begroot op de rechtsplegingsvergoeding, 6.000 EUR, per aanleg.

#### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

*De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:*

*het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;*

*appellant tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op 7.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep.*

*Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.*

### 4. De betwistingen en hun beoordeling

#### 4.1. Over de vraag of de geïntimeerde al dan niet terecht [artikel 79 ,§1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) heeft toegepast

De appellant stelt dat de loutere omstandigheid dat hij destijds de zaakvoerder was van de vennootschap die de btw had moeten doorstorten naar de schatkist op zich nog niet betekent dat er in zijn hoofde opzet of intentie tot belastingontduiking bestond. Het loutere feit dat de btw niet betaald werd aan de Schatkist vormt volgens de appellant geen belastingontduiking.

De appellant wijst er op dat de controleagent zich gebaseerd heeft op het feit dat hij geen bewijs van betaling van de factuur kon aantreffen, maar dat die betaling wel degelijk gebeurde, meer bepaald op 31 december 2017 via een boeking op zijn rekening-courant in de vennootschap.

Dat K. R. bvba de btw uiteindelijk niet afgedragen heeft is, zo stelt de appellant, vreemd aan enige bijzonder opzet tot fraude; dat feit zou uitsluitend te wijten zijn aan de omstandigheid dat de vennootschap toen in financiële slechte papieren zat, want uiteindelijk geleid heeft tot het faillissement.

De appellant voert ook aan dat hij geen acht meer geslagen heeft op de betreffende factuur omdat er tussen de opmaak van de factuur (29 november 2016) en de betaling ervan via rekening-courant meer dan een jaar verlopen was.

Daarenboven, zo roept de appellant in, worden overtredingen die voortvloeien uit nalatigheden, materiële vergissingen of interpretatiefouten niet beschouwd als frauduleus, terwijl hij zich op goede trouw zou kunnen beroepen.

*Beoordeling*

[Artikel 79, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) luidt als volgt:

*De persoon die de belasting in aftrek heeft gebraçht geheven van de goederen en de diensten die hem worden geleverd, van de goederen die hij heeft ingevoerd en van de intracommunautaire verwervingen die hij heeft verricht, is er toe gehouden de aldus afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten als hij, op het tijdstip waarop hij· deze handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken*.

De appellant wijst nog op de volgende overweging in de memorie van toelichting (Pari St., Doe 51, 2517/001, p. 18):

*Bovendien voorziet de maatregel niet de hoofdelijke aansprakelijkheid als de niet-betaling van de BTW aan de schatkist niets te maken blijkt te hebben met de bedoeling om de belasting te ontduiken. Er zou ook geen sprake zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid bij faillissement of gerechtelijk akkoord die geen frauduleus karakter hebben of nog gewone financiële problemen waarmee de schuldenaar van de belasting kan te maken krijgen.*

De toepassing van [artikel 79, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) is wel degelijk bedoeld voor het geval waarin de persoon die de belasting in aftrek gebracht, de bedoeling had om de belasting te ontduiken of laten ontduiken. De geïntimideerde betwist dat niet ook al verwijst hij naar het feit dat het (ook) om een geval van misbruik zou gaan in de zin van [artikel 1, 10° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1). [Artikel 79, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) heeft kennelijk wel een aanvullende functie ten aanzien van de mogelijkheden om tegen misbruik op te treden. In dat verband kan ook gewezen worden op de overwegingen in de memorie van toelichting, waar met betrekking tot de wetswijziging het volgende staat:

*Onafhankelijk van de vaststelling van een onrechtmatig handelen in de zin van* [*artikel 1, 10°, nieuw van het BTW- Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1)*, moet de Staat optreden tegen «oneerlijke» gedragingen van ondernemers en maatregelen uitwerken om zich te beschermen tegen de risico's van fiscale verliezen die voortvloeien uit de onmogelijkheid om de belasting in te vorderen bij de normale schuldenaar van de belasting. Welnu, zoals toegelaten door* [*artikel 21, § 3, van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-21)*, kunnen de lidstaten erin voorzien dat om het even welke persoon hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de voldoening van de BTW met om het even welke persoon die er schuldenaar van is (krachtens artikel 21, §§ 1 en 2, van de Zesde BTW -richtlijn)*.(Parl St., Doe 51, 2517/001, p. 17).

De appellant legt ondertussen wel een stuk voor waaruit moet blijken dat er een betaling gebeurde van de betreffende factuur, meer bepaald via rekening-courant op 31 december 2017, maar dat doet niets af van het feit dat de geïntimeerde afdoende de intentie in hoofde van de appellant aantoont om met de factuur/aankoop de belasting te (laten) ontduiken omdat hij wist dat K. R. de btw niet zou voldoen.

Vooraf kan al worden opgemerkt dat het de geïntimeerde niet kan verweten worden dat hij bij de beoordeling niet kan inschatten wat de toestand van K. R. bvba in de relevante periode was. Immers heeft de controleagent vergeefs de nodige info opgevraagd bij de curator van het faillissement nu deze geen boekhouding van de vennootschap had ontvangen (wat de appellant nooit ontkend heeft); dat wil zeggen dat de appellant, als enige zaakvoerder, geen boekhouding heeft voorgelegd, hetzij omdat hij er geen had, hetzij omdat hij ze wilde achterhouden. In dat laatste geval kan daarvoor geen andere verklaring bedacht worden, dan dat de appellant de informatie uit de boekhouding liever niet kenbaar maakte. In elk geval, zoals de controleagent in zijn proces-verbaal terecht heeft opgemerkt, is het gebrek aan overmaken van een boekhouding aan de curator een onregelmatige toestand. Tegelijk brengt dat mee dat de appellant naderhand zich van stukken kan bedienen waarvan niet kan achterhaald worden of ze werkelijk op het moment van de faillietverklaring al bestonden; zelfs mocht er al een boekhouding hebben bestaan, dan valt niet te controleren of de stukken die de appellant naderhand in het debat heeft gebracht, overeenstemmen met wat in die boekhouding genoteerd stond. Zoals de geïntimeerde stelt, wordt de bewijskracht van de voorgelegde stukken die beweerdelijk uit de boekhouding van K. R. bvba afkomstig zijn, niet gestaafd met een bij de Nationale Bank van België neergelegde jaarrekening. Zelfs onder de curatele zal kennelijk geen jaarrekening kunnen zijn opgemaakt, aangezien de curator geen boekhouding heeft aangetroffen, noch naderhand ontvangen.

Het kan dan ook de geïntimeerde niet ten kwade worden geduid dat hij slechts beperkte informatie heeft, terwijl zeer omzichtig moet worden omgegaan met de stukken die de appellant overlegt die volgens hem uit de boekhouding van K. R. bvba afkomstig zijn.

K. R. bvba heeft weliswaar, zoals is voorgeschreven, de verkoopfactuur opgenomen in haar btw-aangifte van het 4de kwartaal 2016, maar zij was uiteraard ook verplicht om de verschuldigde btw te betalen tegen uiterlijk 20 januari 2017. K. R. bvba heeft op 27 januari 2017 de btw-aangifte voor .de handelingen van het vierde kwartaal 2016 weliswaar ingediend met een te betalen saldo van 35.404,60 euro, maar bij gebrek aan betaling heeft de geïntimeerde haar btw-rekening-courant afgesloten op 28 februari 2017 en werd een bijzondere rekening gemaakt met dat bedrag als verschuldigde btw. Deze btw-schuld is nooit betaald. Dat wil zeggen dat de appellant, enige zaakvoerder van K.R. bvba, zeer goed wist dat zijn vennootschap de btw niet betaalde.

Meteen na de (blijkbaar laattijdige) aangifte voor het 4de kwartaal 2016, namelijk bij vonnis van 9 februari 2017, is bij vonnis van de rechtbank van koophandel Gent voor K. R. bvba de procedure van gerechtelijke reorganisatie geopend.

De appellant heeft van zijn kant in zijn btw-aangifte van het 4de kwartaal 2016 zelf wel het bedrag van 33.915,00 euro btw dat in de betreffende verkoopfactuur vervat zat, afgetrokken.

De geïntimeerde bewijst wel degelijk dat de appellant op dat moment die aftrek deed (en het voordeel daarvan incasseerde) terwijl hij wist dat K. R. de btw niet zou betalen. In elk geval werd K. R. bvba op het moment van de gefactureerde transactie niet in het bezit gesteld van het geld van de koopprijs en dus ook niet van de betreffende btw. De geïntimeerde laat in dat verband met reden gelden dat de appellant de transactie dus kennelijk niet deed om de vennootschap te helpen; anders had hij de factuur immers betaald. Het tegendeel gebeurde zelfs: de vennootschap kreeg wegens niet-betaling nog een boete van 15%.

Pas op 31 december 2017, meer dan een jaar later, werd in dat verband - althans afgaande op de stukken die de appellant naderhand voorlegde - een boeking op rekening-courant doorgevoerd. Zoals de geïntimeerde met reden laat opmerken, was er op het moment van de facturatie en ook niet in de maanden die daarop volgden een stand van de rekening­ courant die toeliet die boeking uit te voeren (de rekening-courant zaakvoerder bevatte op 29 november 2016, datum van de betreffende factuur, een krediet van slechts 20.943,60 euro). De appellant benadrukt zelf dat de vennootschap op dat moment in financiële moeilijkheden zat, wat dus betekent dat ze het geld nochtans zeer goed kon gebruiken. Dat betekent dus dat de appellant, als enige zaakvoerder en dus de persoon die alles binnen K. R. bvba kon beslissen en besliste, belangrijke activa van de vennootschap aan zichzelf verkocht zonder dat hij de betaling voor die activa uitvoerde, terwijl uit de gegevens die beschikbaar zijn (begrijp slechts door de appellant ter beschikking worden gesteld - zie hoger) blijkt dat de rekening-courant, zijnde het enige middel waarmee blijkbaar kan worden betaald, geen dienstig saldo vertoonde om dat te doen. Waar de appellant alleszins zelf bij uitstek een eventueel mogelijke beschikbaarheid om de btw aan de Schatkist te voldoen in handen had (door de door hem verschuldigde factuur aan K. R. bvba te betalen), heeft hij dat alleszins niet gedaan. Hoewel het niet duidelijk is of de appellant dat in werkelijkheid wel had gekund, blijkt uit het dossier niet dat K. R. bvba op enige manier het geld had om haar btw-schuld (vrijwel geheel afkomstig van de betreffende factuur) te voldoen. Met andere woorden: de appellant wist dat de btw-schuld door K. R. bvba niet zou worden betaald.

Dat is des te meer het geval nu de procedure van gerechtelijke organisatie al op 9 februari 2017 werd geopend waardoor een toestand ontstond die de mogelijkheid dat de betaling zou gebeuren nog meer onwaarschijnlijk maakte. Waar begin januari 2018 tot faillietverklaring werd beslist, moet worden aangenomen dat de kans dat de vennootschap er ooit weer bovenop zou komen al eind 2016 - begin 2017 zeer onrealistisch was. In elk geval had de appellant er met de betreffende verkoop al voor gezorgd dat belangrijke bedrijfsactiva van K. R. bvba uit de vennootschap verdwenen waren zonder dat de tegenwaarde in de plaats kwam.

Bij dit alles moet in rekening worden gebracht dat de stand van de rekening-courant in de voorgelegde (omzichtig te benaderen) stukken plots, op datum van 31 maart 2017 gestegen is van 10.259,57 euro naar 496.232,59 euro op grond van niet nader na te trekken boekingen onder de omschrijving 'waardering eigen middel'. Er kan in dat verband aan herinnerd worden dat er geen objectief bewijs is dat de voorgelegde stukken uit een werkelijke boekhouding afkomstig zijn (zie hoger). Op de openbare terechtzitting van 7 juni 2022 kon door de appellant niet verduidelijkt worden waarop die boekingen "waardering eigen middelen' slaan.

Evenzeer is het merkwaardig dat de 'betaling via rekening-courant' pas gebeurt vlak (18 dagen) voor de faillietverklaring van K. R. bvba.

Niet zonder reden wijst de geïntimeerde er ook op dat de appellant nog maar kort voor de opmaak van de betreffende factuur van 29 november 2016, namelijk op 1 september 2016 btw-belastingplichtige is geworden. Hoewel de geïntimeerde dat al van bij aanvang als argument heeft aangevoerd, heeft de appellant nooit aannemelijk gemaakt dat dit gegeven geen enkel uitstaans zou hebben met de betreffende transactie. Het was in elk geval een noodzakelijke stap om toe te laten dat de appellant het btw-bedrag ten nadele van de Schatkist in aftrek zou nemen.

De conclusies is dan ook dat de appellant zich wel degelijk een fiscaal en tegelijk financieel voordeel heeft toegekend, in strijd met de doelstelling beoogd in het btw-wetboek en ter uitvoering ervan genomen besluiten, met als enige doel het verkrijgen van dat voordeel. De geïntimeerde besluit terecht dat er dus sprake is van misbruik in de zin van [artikel 1 §10 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) en dat deze vorm van zichzelf verrijken op kosten van de Belgische Staat zelfs beschouwd moet worden als belastingontduiking of fraude.

Er is wel degelijk voldaan aan de voorwaarden van [artikel 79, §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79).

Deze grief is ongegrond.

#### 4.2. Over de motivering van de boete

De controleagent heeft in het proces-verbaal enkel verwezen naar [artikel 70 §1bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) dat voorziet dat in geval van fraude een boete verschuldigd is van het dubbel van de belasting die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek werd gebracht.

Anders dan wat de appellant stelt, heeft de controleagent zijn motiveringsplicht wel degelijk ten genoege van rechte nageleefd.

De uiteenzetting in het proces-verbaal over het verschuldigd zijn van het btw-bedrag van 33.915,00 euro, maakt duidelijk dat die schuld gebaseerd is op het feit dat de appellant dat bedrag op onrechtmatige en/of ongeoorloofde wijze in aftrek heeft gebracht.

De tekst van [artikel 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70),[1 bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1bis) WBTW luidt als volgt:

*leder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing §1, eerste lid.*

Aangezien er geen reden was voor een bestraffing met toepassing van artikel 70, §1, 1ste lid WBTW, heeft de controleagent niets meer gedaan dan vastgesteld dat de relevante feiten vielen onder het scenario dat door [artikel 70 §1bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) geviseerd wordt. Door te overwegen dat er op grond van die laatste bepaling een boete verschuldigd is van het dubbel van de onterecht door de appellant in aftrek gebrachte belasting, heeft de controleagent de boete zowel in feite als in rechte afdoende (om zijn beslissing te kunnen dragen) gemotiveerd.

Alle andere overwegingen van de appellant, kunnen niets veranderen aan het feit dat de motiveringsplicht gerespecteerd werd.

Overigens, zoals hierna zal worden bevestigd, was er hoe dan ook geen reden om rekening te houden met een gebrek aan kwade trouw en/of frauduleus inzicht, zodat er in elk geval geen reden was om wat dat betreft een expliciete motivering te vermelden. Overigens werd in het proces-verbaal wel uitdrukkelijk gesteld dat de overtreding van [artikel 79 §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) - die door de controleagent werd vastgesteld - veronderstelde dat de aftrek van btw gebeurde met de bedoeling om de belasting te ontduiken.

Ook deze grief is ongegrond.

#### 4.3. Over het bestaan, in hoofde van de appellant, van het op1et om de belasting te ontduiken

Gelet op wat hoger, onder hoofdstuk 4.1" door het hof is vastgesteld, miskent de appellant de feiten en het recht waar hij stelt dat het bewijs niet zou zijn geleverd dat de betreffende aftrek van de btw met frauduleus inzicht gebeurde.

Het geheel van feiten en de chronologie, laten immers niets anders toe dan te besluiten dat de appellant steeds moet hebben geweten dat hij doormiddel van de facturatie in zijn voordeel de aftrek van het bedrag van 33.915,00 euro zou kunnen doen en dat dit voor hetzelfde bedrag de Schatkist zou benadelen omdat K. R. bvba die btw nooit aan de Belgische Staat zou betalen en zelfs kunnen betalen. Het frauduleus opzet is door de geïntimeerde bewezen.

#### 4.4. Over de vraag of de boete in overeenstemming is met artikel 6 EVRM

De appellant heeft zich tot de rechter kunnen wenden en gewend om met volle rechtsmacht uitspraak te doen over de boete (voorwerp van het huidige geschil).

Zolang daarover geen definitieve uitspraak is gedaan, kan er geen schending zijn van een vermoeden van onschuld in de zin van artikel 6 EVRM. Het is pas bij de huidige gerechtelijke beoordeling dat over de schuld van de appellant op een voor dat artikel relevante manier uitspraak wordt gedaan. Waar de appellant inroept dat door de geïntimeerde al inhoudingen zijn gedaan op btw-tegoed en, liggen geen stukken voor waaruit dergelijke inhoudingen blijken, en al zeker niet dat de eventuele inhoudingen aangerekend werden op de (betwiste) boete. Evenmin is aangetoond dat een eventuele inhouding onherstelbaar nadeel voor de appellant zou hebben meegebracht; wat te veel zou zijn ingehouden, zou hoe dan ook moeten teruggegeven worden met interest.

Bovendien sluit het vermoed en van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2. EVRM in principe ook niet uit dat wordt overgegaan tot tenuitvoerlegging van de administratieve boete vooraleer de belastingplichtige bij een definitieve rechterlijke beslissing schuldig is bevonden. Gelet op de ernstige gevolgen die de onmiddellijke tenuitvoerlegging kan hebben voor de betrokkene, is de fiscale administratie er weliswaar toe gehouden om slechts binnen redelijke grenzen tot dergelijke onmiddellijke tenuitvoerlegging over te gaan (vgl. Cass. 18 januari 2018, rolnr. F.17.0013.N, via www.juportal.be), maar dat is wel degelijk mogelijk als maar een billijk evenwicht in acht genomen wordt tussen alle op het spel staande belangen (zie concl. Adv.-Gen. J. V. d. F. bij dat arrest van 18 januari 2018 - https://juportal.be/JUPORTAwork/ECLl:BE:CASS:2018:CONC.20180118.4 NL.pdf).

De appellant heeft recht op een beoordeling van de boete, administratieve sanctie die wegens haar aard en de zwaarte onbetwistbaar een strafrechtelijk karakter heeft, met volle rechtsmacht.

Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuk - waarvan het frauduleus karakter vaststaat - is alleen een effectieve sanctie zinvol. Een belastingverhoging met uitstel zou ingaan tegen het doel van de sanctie; ze moet immers zowel vergoeden (een compensatie bieden voor het verloren gaan van menselijke energie en van financiële middelen die door de belastingoverheid ten gunste van de gemeenschap besteed wordt aan controles en verificaties om fraude en onjuiste aangiften op te sporen), straffen, als afschrikken om herhaling in de toekomst te herhalen. Alleen met een effectieve straf kan dit doel bereikt worden.

De toetsing met volle rechtsmacht is er in essentie op gericht om de sanctie in redelijke verhouding af te stemmen op de aard en de ernst van de begane inbreuk tegen het licht van de bedoeling om met die sanctie te vergoeden (zoals hierboven verduidelijkt), te straffen en af te schrikken om herhaling in de toekomst te vermijden.

Er zijn geen gegevens beschikbaar die toelaten in te schatten wat het vermogen van de appellant is en hoe de omvang van de opgelegde boete hem concreet kan treffen.

Rekening houdend met het bovenstaande en met de gegevens die (slechts) ter beschikking zijn om in te schatten wat het vermogen van de appellant is en dus met de impact van de sanctie op zijn vermogen en om de sanctie aan de hoger genoemde doelstellingen te laten beantwoorden, ziet het hof net zo min als de eerste rechter een reden om de opgelegde boete te verminderen

Met die omvang bereikt de belastingverhoging geen omvang die een onevenredige inbreuk inhoudt op het recht op ongestoord genot van eigendom zoals gewaarborgd door artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Overigens heeft het EHRM in zijn arrest van 11 september 2012 in de zaak O. & l. tegen België (volgnr. ..., (http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-113464) de grief afgewezen die was afgeleid uit artikel 1 van het eerste aanvullend protocol. Het EHRM laat opmerken dat op die bepaling slechts beroep kan worden gedaan om bescherming van goederen, waaronder ook 'patrimoniale waarden' kunnen gerekend worden, af te dwingen; schuldvorderingen die voldoende zeker en opeisbaar zijn, maar ook 'het recht om van zijn schuld bevrijd te worden', op voorwaarde dat het naar intern recht beantwoordt aan een rechtmatige verwachting op een concrete, werkelijke, cijfermatig vastgestelde schuld, kunnen met 'patrimoniale waarden' en dus met goederen gelijk gesteld worden. Waar het EHRM aanvaardt dat de verzoekers een rechtmatige verwachting hadden, stelt het evenwel vast dat de bestreden belasting niet beschouwd kan worden als een 'opeisbare en vaste schuld' waardoor ze niet doormiddel van uitvoeringsmaatregelen kan worden ingevorderd. In dat geval, zo oordeelt het EHRM, kan de fiscale schuld niet als werkelijk (bestaand) worden beschouwd, en is ze evenmin cijfermatig vastgesteld (wat in het Frans uitgedrukt wordt in de volgende passage van het arrest: ... *l'imposition litigieuse ne peut être considérée comme une « dette liquide et certaine » et ne peut être recouvrée par voies d'exécution. Dans un tel cas de figure, la dettefiscale n'est étab/ie ni dans sa réa/ité nidans son montant tant qu'il n'a pas été définitivement statué sur Ie litige*). In dat verband wordt verwezen naar het feit dat het geschil ten gronde nog hangende is voor de fiscale rechtbank. Het hof concludeert dat de vraag niet onder haar materiële bevoegdheid valt.

In de lijn van die rechtspraak, is er dus geen sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het 1ste aanvullende protocol bij het EVRM zolang de rechter, zoals hier, nog met volle rechtsmacht kan oordelen over de omvang van de boete en daartoe in het bijzonder een proportionaliteitstoets doet. Het is in dat debat dat het aan de belastingplichtige toekomt elementen aan te reiken die het hof toelaten uit te maken hoe groot de boete kan zijn om geen inbreuk in te houden op het recht op ongestoord genot door de belastingplichtige van zijn eigendom, dit in afweging met het algemeen belang, de wet en de algemene beginselen van het internationaal belang en het recht van de Belgische Staat om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren. Met al deze belangen is hierboven bij de evenredigheidstoets om de uiteindelijke sanctie vast te stellen, rekening gehouden.

Ook deze grieven zijn ongegrond.

### 5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

#### 5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

#### 5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich· in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.000,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.000,00 euro.

### Dispositif

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.000,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te **Gent, VIJFDE KAMER**, recht doende in fiscale zaken, op **6 september 2022**.

### Décision jointe par le SPF

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 01.02.2021

Rol: 19/2482/A

In de zaak :

**L. K.** (RRN: 680…23 - KBO-nr. 067…79), met vestigingsplaats …,

eisende partij,

voor wie optreedt meester Z. M., advocaat te …

tegen:

**de BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verwerende partij,

voor wie optreedt de heer X, attaché,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 25 september 2019.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

De zaak werd met akkoord van partijen zonder pleidooien in beraad genomen op de zitting van 4 januari 2021.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE 067...79, voor de activiteit van bouwrijp maken van terreinen. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Na een controle bij eiseres werden door X, fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, op 21 september 2018 de overtredingen en vaststellingen voor het jaar 2016 in hoofde van eiser opgenomen in een proces-verbaal. Volgens de administratie is er sprake van misbruik in de zin van [artikel 1 §10 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) en dient eiser de afgetrokken BTW terug te storten. Volgens de administratie is eiser verschuldigd als BTW 33.915,00 EUR, als geldboete 67.830,00 EUR en intresten vanaf 21 juli 2017.

Een dwangbevel werd uitgevaardigd op 16 oktober 2018. Het dwangbevel werd aan eiser aangetekend verzonden op 16 oktober 2018.

Door eiser werd een bezwaarschrift ingediend op 4 december 2018. Het bezwaarschrift werd afgewezen bij beslissing d.d. 26 juni 2019.

Door eiser werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift d.d. 25 september 2019.

**2.** Eiser vraagt dat:

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het dwangbevel d.d. 16 oktober 2018 nietig wordt verklaard, minstens wordt vastgesteld dat de vermeende belastingschuld niet bewezen is;

\- ondergeschikt de sanctie wordt vernietigd en ontheven of aan eiser een uitstel van de sanctie wordt toegekend;

\- voor recht wordt gezegd dat alle sommen die mochten zijn of worden geïnd, door verweerder dienen te worden terugbetaald te vermeerderen met moratoriumintresten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000,00 EUR.

**3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### B. Betreffende de grond

#### 1. Opschorting

In besluiten stelt eiser de stukken van verweerder niet te hebben ontvangen.

Verweerder heeft de stukken neergelegd bij de rechtbank. De stukken betreffen allen stukken die bekend zijn bij eiser (proces-verbaal, beslissing d.d. 26 juni 2019, beslissing kwijtschelding boete 3 januari 2020, verzoekschrift in staatstelling 10 januari 2020 en rekening-courant).

De rechten van verdediging van eiser werden derhalve niet geschonden. Er is geen reden om de rechtspleging op te schorten.

#### 2. [Artikel 79 §2, lid 2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79)

Conform [artikel 79 §2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) dient in geval van misbruik degene die de belasting op de betreffende handelingen in aftrek heeft gebracht, de aldus als BTW afgetrokken bedragen aan de Staat terug te betalen. De persoon die de belasting in aftrek heeft gebracht geheven van goederen en diensten die hem worden geleverd, is er toe gehouden de aldus afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten als hij, op het tijdstip waarop hij deze handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken.

In het proces-verbaal d.d. 21 september 2018 werd opgenomen dat:

\- eiser de enige zaakvoerder is van de BVBA K. R.;

\- eiser de financiële situatie van de vennootschap voldoende kon inschatten;

\- op 29 november 2016 koopt eiser van de vennootschap een betoncentrale, een trommelzeefmachine en een torenkraan voor de prijs van 161.500 EUR plus 33.915,00 EUR BTW; alsdan werd een factuur opgesteld door de vennootschap;

\- eiser had zicht op de volledige ketting van handelingen, als klant en als enige zaakvoerder van de vennootschap;

\- eiser heeft de factuur niet (tijdig) betaald, waardoor hij de moeilijke financiële situatie van de vennootschap in de hand heeft gewerkt;

\- eiser had baat bij het onttrekken van goederen aan de vennootschap, die op het punt stond failliet te gaan;

\- de BTW op de factuur werd door eiser in aftrek gebracht in de aangifte van het vierde kwartaal 2016;

\- de BTW op de factuur werd door de vennootschap opgenomen in de aangifte van het vierde kwartaal 2016, met als resultaat een te betalen saldo van 35.404,60 EUR; de BTW rekening courant werd afgesloten op 28 februari 2017 wegens niet-betaling.

Uit dit alles blijkt ontegensprekelijk dat eiser op het moment dat hij de BTW in aftrek bracht (zijnde op januari 2017) wist of moest weten dat de verschuldigde BTW, in de ketting van handelingen, niet zou worden gestort door de vennootschap aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken.

Pas op 4 juni 2019 (ondanks herhaaldelijke voorafgaande vragen van verweerder) bewijst eiser dat hij de factuur op 31 december 2017 heeft betaald via zijn rekening-courant. Verder blijkt uit deze bewijsstukken dat de rekening-courant op 29 november 2016 (datum van de factuur) een krediet vertoonde van 20.943,60 EUR. Het was op dat moment dus niet mogelijk om de factuur te betalen via de rekening-courant. Pas op 31 maart 2017 werd via diverse boekingen (waardering eigen middelen) op de rekening­ courant een krediet bereikt van 496.232,59 EUR. Pas op 31 december 2017 werd de factuur betaald (meer dan 1 jaar na de factuurdatum en ondanks het feit dat de betaling al langer mogelijk was). Op 18 januari 2018 (zijnde 18 dagen na betaling van de factuur) werd de BVBA K. R. failliet verklaard.

Dit alles bevestigt de vaststellingen en de conclusie opgenomen in het proces-verbaal. Eiser heeft zich bewust een onrechtmatig voordeel verschaft ten nadele van de Belgische Staat.

#### 3. Geldboete

De administratieve boete van 200% werd afdoende gemotiveerd in het proces-verbaal van 21 september 2018. Er werd niet enkel verwezen naar de betreffende wetsbepalingen maar ook de inbreuken en vaststellingen vormen een motivering voor de toepassing van de administratieve geldboete.

Een administratieve boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99}.

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit het proces-verbaal d.d. 21 september 2018 blijkt dat eiser op het moment dat hij de BTW in aftrek bracht (zijnde op januari 2017} wist of moest weten dat de verschuldigde BTW, in de ketting van handelingen, niet zou worden gestort door de vennootschap aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken. Dit wordt bevestigd door de boekingen op de rekening-courant die later aan verweerder werd meegedeeld. Uit de vaststaande gegevens en de omstandigheden blijkt dat eiser gehandeld heeft met het oogmerk de BTW te ontduiken.

De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 200 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Zelfs indien de wet zou voorzien in de mogelijkheid om de boete met uitstel op te leggen, dan nog zijn er volgens de rechtbank geen redenen om dit uitstel te verlenen.

De rechtbank ziet ook geen reden om de boete te herleiden. De inbreuken zijn uitermate ernstig en brengen het algemeen belang ernstige schade toe.

Eiser heeft voldoende mogelijkheden gehad om de BTW en de opgelegde geldboete te betwisten en dit ook vóór het inleiden van de gerechtelijke procedure. Eiser heeft ook de mogelijkheid gehad en gebruikt om het dwangbevel te betwisten bij de rechtbank. Niet bewezen wordt dat verweerder het betwiste dwangbevel reeds definitief heeft ingevorderd of dat eiser door bewarende beslagen onherstelbaar nadeel heeft geleden.

De geldboete werd opgelegd bij toepassing van artikelen [70 §1bis en 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) WBTW, zijnde grondwetsconforme bepalingen die door de Belgische Staat overeenkomstig zijn soevereine belastingbevoegdheid werden uitgevaardigd. De bepalingen zijn onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, berusten op uitzonderlijke omstandigheden en beantwoorden aan dwingende motieven van algemeen belang. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen sprake is van een onevenredige geldboete. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol van het E.V.R.M"

### C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

**OM DEZE REDENEN**,

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op **MAANDAG EEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EENENTWINTIG**

## Textes cités

6

[CTVA art. 79](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-79) 13 occurrences

[CTVA art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1) 6 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 5 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 2 occurrences

[CTVA art. 1bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-1bis) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 21](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-21) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Holding, Location immobilière, Caractère essentiel, société de portefeuille](https://juriel.be/fr/jurisprudence/holding-location-immobiliere-caractere-essentiel-cour-appel-2026-04-20-9b42) 4 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 3 dispositions communes

[Conseil, Intention frauduleuse, Lieu de prestation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/conseil-intention-frauduleuse-lieu-prestation-cour-appel-bruxelles-2025-03-19-39e9) 3 dispositions communes

[Constitution d’un droit d’emphytéose, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/constitution-droit-emphyteose-deduction-revision-cour-appel-anvers-2019-06-04-4949) 3 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 3 dispositions communes

[Disposition anti-abus](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-anti-abus-cassation-bruxelles-2020-05-14-501a) 3 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-883d) 3 dispositions communes

[Anticipation des facturations d’honoraires et des dates de prestations](https://juriel.be/fr/jurisprudence/anticipation-facturations-honoraires-dates-prestations-tribunal-liege-2022-03-31-8fc2) 3 dispositions communes
