---
title: "Droit à déduction, Travaux de rénovation · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 26 septembre 2023"
description: "Droit à déduction, Travaux de rénovation, Taux réduit de TVA, Compensation. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 26 septembre 2023."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-travaux-renovation-taux-cour-appel-anvers-2023-09-26-6c5f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction, Travaux de rénovation

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

26 septembre 2023

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

269 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 26.09.2023

WF 713-15-20/007365

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Droit à déduction - Travaux de rénovation - Taux réduit de TVA - Compensation*

## Dispositions légales

[Article 45, § 1, Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)

Article 1 et rubrique XXXI du tableau A à l'annexe de l’A.R. n° 20 du 20 juillet 1970

Article 334 de la Loi-programme du 27 décembre 2004

## Résumé

## 1) Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie est une association sans but lucratif qui exerce quatre activités différentes. En premier, elle s'occupe de la conservation, de la réparation et de l'entretien d'un château. Elle organise également la représentation de pièces de théâtre et de spectacles. Elle vend de la nourriture et des boissons dans le cadre de ces événements. Enfin, elle s'occupe également de la location de biens immobiliers. La première activité n'entre pas dans le champ d'application de la législation en matière de TVA. Seules les deuxième et troisième activités entrent dans le champ d'application de la législation en matière de TVA. La quatrième et dernière activité est quant à elle exemptée de la TVA.

Le château en question n'appartient pas à l’assujettie et est utilisé pour au moins à 75 % à des fins privées (habitation) par le propriétaire.

De l’année 2015 à l’année 2017, le château a fait l'objet de travaux de rénovation. L’assujettie a déduit la TVA grevant ces travaux. Selon l’assujettie, ces déductions ont été opérée sur la base d’un prorata général de déduction. L'administration a toutefois estimé que la TVA déduite n'était pas déductible. Les deux parties ayant maintenu leur position, l'administration a dressé un procès-verbal. Le recours administratif contre ce procès-verbal a été rejeté.

Par la suite, le tribunal de première instance d'Anvers a déclaré la demande de l’assujettie recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement.

## 2) L'arrêt de la cour d'appel

## En ce qui concerne le droit à déduction

En ce qui concerne le droit à déduction de la TVA grevant les coûts de la rénovation, la cour constate qu'il n'est pas démontré que ces dépenses ont un lien direct et immédiat avec l'organisation d'événements ou avec la vente de nourriture et de boissons effectuée dans le cadre de ces événements.

L’assujettie ne dispose également pas d'un droit réel sur le château. Le bail ne porte à chaque fois que sur des périodes très courtes et uniquement sur les parties nécessaires à l’organisation de ses activités événementielles. Dans ce bail, rien n’est mentionné concernant les travaux de rénovation effectués. De plus, eu égard à la réalité économique et commerciale, il s'agit de coûts qui devraient normalement être supportés par le propriétaire.

## En ce qui concerne le taux de TVA applicable

L’assujettie a fait valoir que s'il ne peut pas déduire la TVA grevant coûts de la rénovation, le taux réduit de TVA de 6 % relatif aux travaux immobiliers effectués dans les habitations privées serait d’application. Par conséquent, selon elle, la TVA due en raison du rejet de son droit à déduction devrait être compensée par la TVA qui devrait lui être restituée en raison d’une application incorrecte du taux de TVA.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken**

Arrest van 26/09/2023

Rol:2022/AR/652

**V. V. H. K. V. W.-A. D. C. D. W**., ON 087...90, met adres te ...,

**Eiseres in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. B. J., advocaat te ...

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 januari 2022, gekend onder rolnummer 20/4325/A

**tegen**

**BELGISCHE STAAT- FOD Financiën**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR TE KMO CENTRUM MECHELEN 767, met diensten te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer X, fiscaal ambtenaar (kenmerk: ...)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 januari 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 9 april 2022, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting heeft betrekking op het BTW innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500...70, uitgevaardigd d.d. 17/12/2019 en uitvoerbaar verklaard d.d. 18/12/2019, alsmede het proces-verbaal van 13/11/2019.

1.2. Voorgaande feiten.

Eiseres in hoger beroep is een vereniging zonder winstoogmerk en is als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van verhuur en exploitatie van terreinen.

Eiseres in hoger beroep voert vier activiteiten uit: 1. het behoud, herstellen/onderhoud van het kasteel gelegen te Westerlo, 2. het organiseren van toneelstukken en spektakelstukken, 3. de verkoop van eten en drank en 4. onroerende verhuur. Niet ter discussie staat dat de eerste activiteit buiten het toepassingsgebied van de BTW valt. De tweede en derde activiteit valt onder het BTW-toepassingsgebied en eiseres in hoger beroep genereert recht op aftrek voor de kosten die ermee samenhangen. De vierde activiteit is vrijgesteld van BTW en doet geen recht op aftrek ontstaan.

Het kasteel is geen eigendom van eiseres in hoger beroep. Het wordt voor minstens 75% voor privédoeleinden aangewend (bewoning door de eigenaar).

In 2018 vond een fiscale controle plaats voor de periode 2015, 2016 en 2017 en er werd door de belastingadministratie vastgesteld dat eiseres in hoger beroep kosten had gemaakt voor renovatie en onderhoud van het kasteel. In de periode 2015-2017 werden renovatiekosten uitgevoerd voor een bedrag van 493.755,69 euro vermeerderd met 103.688,69 euro BTW (21%). Eiseres in hoger beroep stelt dat zij deze BTW in aftrek had genomen rekening houdende met het algemeen verhoudingsgetal. Uit de tabel opgenomen in het proces-verbaal van 13/11/2019 blijken de volgende verhoudingsgetallen: 64% voor 2015, 98% voor 2016 en 100% voor 2017. Eiseres in hoger beroep heeft aldus een totaal bedrag aan BTW t.b.v. 96.856,85 euro op deze renovatiekosten in aftrek genomen .

Volgens verweerder in hoger beroep is deze BTW niet aftrekbaar. Er vonden verschillende besprekingen tussen partijen plaats en op 14/11/2018 werd er namens eiseres in hoger beroep een verklaring tot afstand van verjaring voor de periode 2015 ondertekend.

Op 13/11/2019 wordt een proces-verbaal opgesteld waarbij de volgende bedragen van

eiseres in hoger beroep worden gevorderd:

\- 98.856,85 euro aan BTW

9.680 euro aan geldboete (10%)

\- te vermeerderen met interesten en kosten.

De BTW-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Eiseres in hoger beroep diende een bezwaarschrift in en in de beslissing van 17/09/2020 werd het bezwaarschrift afgewezen.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 08/10/2020 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

\- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

\- in hoofdorde, voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de BTW op de renovatiekosten met betrekking tot het kasteel gedeeltelijk kan aftrekken overeenkomstig het toegepaste verhoudingsgetal en dienvolgens het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd d.d. 17/12/2019 en uitvoerbaar verklaard d.d. 18/12/2019, evenals het proces-verbaal en de beslissing te vernietigen en voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de daarin vermelde BTW, geldboeten en interesten niet is verschuldigd, en dat in de mate deze reeds zou zijn betaald, de Belgische Staat deze dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke interesten;

\- in ondergeschikte orde, verweerder in hoger beroep te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding op basis van art. 1382 BW ten belope van het bedrag aan misgelopen subsidies ingevolge de wijziging in standpunt van de administratie provisioneel begroot op 39.547,36 euro, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten;

\- in meer ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat het BTW-tarief van 6% in plaats van 21% van toepassing was op de renovatiekosten waardoor eiseres in hoger beroep slechts een bedrag van 22.203,1 euro verschuldigd is en

\- in meest ondergeschikte orde, verweerder in hoger beroep te veroordelen tot kwijtschelding van de geldboete;

\- in ieder geval verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de gebeurlijk te indexeren rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26/10/2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W. betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 9 november 2007) en de rechtspleging (basisbedrag — 6.000 euro).

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Wat betreft het recht op BTW-aftrek m.b.t. de renovatiekosten oordeelde de rechtbank dat de Belgische Staat terecht de aftrek van de BTW had verworpen. Eiseres in hoger beroep kon geen enkele toelichting geven welk bedrag dan gedeeltelijk in aftrek zou dienen genomen te worden, zij gaf geen toelichting omtrent de berekening van het algemeen verhoudingsgetal dat volgens haar van toepassing zou zijn. De rechtbank oordeelde dat enkel en alleen al om die reden de vordering van eiseres in hoger beroep ongegrond was. Naar het oordeel van de eerste rechter waren de percentages ook niet te rijmen met het privématig gebruik van 75%, hetgeen wel degelijk van belang was voor het bepalen van het recht op aftrek van de BTW. De rechtbank oordeelde dat de aanvoering dat de werken in essentie betrekking zouden hebben op niet-privatieve gedeeltes van het kasteel een loutere bewering was.

De rechtbank oordeelde verder dat eiseres in hoger beroep enkel huurovereenkomsten voor zeer beperkte periodes kon voorleggen en op basis hiervan werd het domein enkel ter beschikking gesteld voor het organiseren van 3 evenementen (kerstmagie 2015, historalia 2016 en kerstmagie 2016). Gelet op deze zeer beperkte (minder dan 25% van het kasteel) terbeschikkingstelling gedurende een zeer beperkte periode, waarbij eiseres in hoger beroep gehouden was tot betaling van een aanzienlijke huurprijs en blijkbaar nog gehouden was tot betaling van de renovatie van het volledige kasteel, was de rechtbank van oordeel dat het voordeel zich uitsluitend of minstens hoofdzakelijk bevond bij de eigenaar van het kasteel. De eerste rechter besliste dat de aftrek van de BTW op de renovatiekosten terecht verworpen werd.

Verder oordeelde de rechtbank dat er geen schending was van het rechtszekerheidsbeginsel. Er was naar het oordeel van de eerste rechter niet aangetoond dat de administratie voordien enig standpunt had ingenomen over de aftrek van de BTW op de renovatiewerken gefactureerd in 2015, 2016 en 2017. De rechtbank oordeelde dat eiseres in hoger beroep niet aantoonde dat er sprake was van een fundamentele wijziging van de eerdere positie van de administratie met betrekking tot het recht op aftrek en bijgevolg was de in ondergeschikte orde gestelde vordering tot betaling van een schadevergoeding ongegrond bij gebreke aan fout in hoofde van verweerder in hoger beroep.

Wat betreft het BTW-tarief oordeelde rechtbank dat eiseres in hoger beroep niet aantoonde dat de handeling verstrekt en gefactureerd waren aan eiseres in hoger beroep als eindverbruiker van een privéwoning zodat alleen al om die reden de vordering ongegrond was. Verder oordeelde de rechtbank dat niet bewezen was dat aan alle voorwaarden van rubriek XXXI waren voldaan of dat zij toepassing kon maken van een compensatie met de verschuldigde BTW zoals opgenomen in het betwiste innings- en invorderingsbericht.

Betreffende de geldboete van 10% oordeelde de rechtbank dat er geen reden was om deze nog verder te herleiden of kwijt te schelden. De rechtbank oordeelde dat de opgelegde boete in redelijke verhouding stond met de gepleegde inbreuk en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 09/04/2022, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiseres in hoger beroep vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen in al zijn geledingen, behalve in zoverre het de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk heeft verklaard;

\- en opnieuw rechtdoende:

\- 1. in hoofdorde, voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de BTW op de renovatiekosten met betrekking tot het kasteel gedeeltelijk kan aftrekken overeenkomstig het toegepaste verhoudingsgetal en dienvolgens het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd d.d. 17/12/2019 en uitvoerbaar verklaard d.d. 18/12/2019, evenals het proces-verbaal en de beslissing te vernietigen en voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de daarin vermelde BTW, geldboeten en interesten niet is verschuldigd, en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van deze bedragen, vermeerderd met moratoriuminteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de betaling door eiseres in hoger beroep tot het tijdstip van volledige terugbetaling;

2.in ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de BTW op de renovatiekosten met betrekking tot het kasteel minstens gedeeltelijk kan aftrekken overeenkomstig een verhoudingsgetal waarbij rekening wordt gehouden met de subsidies en giften t.w. ten belope van 60.142,88 euro en voor recht te zeggen dat toepassing kan worden gemaakt van een compensatie met de verschuldigde BTW, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsbericht, dat de nalatigheidsinteresten en geldboete worden herberekend rekening houdende met de gedeeltelijke aftrek van de BTW, en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de niet-verschuldigde bedragen, vermeerderd met moratoriuminteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de betaling door eiseres in hoger beroep tot het tijdstip van volledige terugbetaling;

3\. in meer ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat het BTW-tarief van 6% in plaats van 21% van toepassing was op de renovatiekosten waardoor eiseres in hoger beroep slechts een bedrag van 22.203,1 euro aan BTW was verschuldigd, en dienvolgens voor recht te zeggen dat toepassing kan worden gemaakt van een compensatie met de verschuldigde BTW, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsbericht, dat de nalatigheidsinteresten en geldboete worden herberekend rekening houdende met het voorgaande, en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de niet-verschuldigde bedragen, vermeerderd met moratoriuminteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de betaling door eiseres in hoger beroep tot het tijdstip van volledige terugbetaling, en

4\. in meest ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat de geldboete wordt kwijtgescholden en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van het reeds betaalde bedrag van de geldboete, vermeerderd met de moratoriuminteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de betaling door eiseres in hoger beroep tot het tijdstip van volledige terugbetaling en;

\- in ieder geval verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de gebeurlijk te indexeren rechtsplegingsvergoeding per aanleg overeenkomstig het KB van 26/10/2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W. betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 9 november 2007) en de rechtspleging (basisbedrag — 7.000 euro).

Ter zitting van 27/06/2023 preciseert de raadsman van eiseres in hoger beroep dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient begroot te worden op 6.500 euro en in hoger beroep op 7.500 euro. De Belgische Staat gaat louter defensief akkoord met voormelde begroting.

**Verweerder** in hoger beroep vordert:

\- in hoofdorde;

\- het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

\- de vordering van eiseres in hoger beroep, waarbij zij vraagt voor recht te zeggen dat het BTW-tarief van 6% van toepassing is, onontvankelijk (zoals toegelicht ter zitting van 27/06/2023: incidenteel beroep ingesteld bij eerste conclusie in hoger beroep) en ongegrond te verklaren;

\- bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

\- eiser in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen; het houden van het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd op 18/12/2019 en ter kennis gebracht per brief van 18/12/2019 alsook het proces-verbaal van 13/11/2019 en de beslissing van 17/09/2020 van de ambtenaar gedelegeerd door de Adviseur-generaal te KMO Centrum Mechelen, waarin het bezwaarschrift van eiser in hoger beroep werd afgewezen te behouden;

\- in ondergeschikte orde;

\- het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

\- de vordering van eiseres in hoger beroep, waarbij zij vraagt voor recht te zeggen dat het BTW-tarief van 6% van toepassing is, gedeeltelijk onontvankelijk (zoals toegelicht ter zitting van 27/06/2023: incidenteel beroep van de Belgische Staat ingesteld bij eerste conclusie in hoger beroep) en ongegrond te verklaren;

\- bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen

\- eiseres in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen;

\- het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd op 18/12/2019 en ter kennis gebracht per brief van 18/12/2019 alsook het proces-verbaal van 13/11/2019 en de beslissing van 17/09/2020 van de ambtenaar gedelegeerd door de Adviseur-generaal te KMO Centrum Mechelen, waarin het bezwaarschrift van eiser in hoger beroep werd afgewezen te behouden; in meest ondergeschikte orde

-het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

\- bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen.

\- eiseres in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen

\- het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd op 18/12/2019 en ter kennis gebracht per brief van 18/12/2019 alsook het proces-verbaal van 13/11/2019 en de beslissing van 17/09/2020 van de ambtenaar gedelegeerd door de Adviseur-generaal te KMO Centrum Mechelen, waarin het bezwaarschrift van eiser in hoger beroep werd afgewezen te behouden.

## 2. Bespreking

### 2.1 Het recht op aftrek

Eiseres in hoger beroep stelt dat de BTW op de renovatiekosten aftrekbaar zijn volgens het toegepaste verhoudingsgetal. Zij meent recht te hebben op aftrek van de BTW op de renovatiekosten omdat deze rechtstreeks en onmiddellijk verband zouden houden met belaste handelingen of met de economische activiteit van eiseres in hoger beroep.

De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Het is derhalve eiseres in hoger beroep die moet bewijzen dat zij in de wettelijke omstandigheden verkeert om dit recht op aftrek te mogen uitoefenen. In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep tracht voor te houden steunt de belastingadministratie niet op "veinzing of misbruik". De belastingadministratie stelt enkel dat eiseres in hoger beroep faalt in haar bewijslast omdat zij niet aantoont dat voldaan is aan het bestemmingsprincipe inzake BTW.

Krachtens artikel 45, § 1, 1° Wetboek-BTW, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Het recht op aftrek wordt uitgeoefend op basis van het bestemmingsbeginsel ([art. 45, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)/[art. 45, § 1quinquies WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)). Dit houdt in dat de belastingplichtige de BTW op goederen of diensten slechts mag recupereren indien hij deze goederen of diensten daadwerkelijk bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit.

Wanneer een BTW-plichtige zowel economische — belaste of vrijgestelde — activiteiten verricht als niet-economische activiteiten, die buiten de werkingssfeer vallen van de BTW-Richtlijn, is de BTW over de kosten slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de BTW-plichtige (vgl. Hvi 13 maart 2008, zaak C-437/07, S. G. I. und V. A.).

In principe moeten de kosten dus uitgesplitst worden volgens hun bestemming, een BTW-activiteit of een andere activiteit.

Het recht op aftrek is een fundamenteel beginsel inzake BTW en maakt integrerend deel uit van de BTW-regeling en kan in principe niet worden beperkt.

Het gemeenschappelijke BTW-stelsel waarborgt een perfect neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten zelf in beginsel aan de BTW zijn onderworpen.

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de BTW kan hebben, moet er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de BTW over in een eerder stadium verworven goederen en diensten vooronderstelt dat de uitgaven voor de verwerving zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (HvJ 29 oktober 2009, [C-29/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret),S., 57). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (Nv.) 29 oktober 2009, [C-29/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret), S., 58; HvJ 14 september 2017, [C-132/16](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-132-16-arret),l., 27-29; HvJ 22 oktober 2015, C-124/14, S., 27-29; HvJ 18 juli 2013,[C-124/12](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-124-12-arret), AES-3C M. E., 27¬28; HvJ 21 februari 2013, [C-104/12](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-104-12-arret), B.,19-20; HvJ 8 februari 2007, [C-435/05](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-435-05-arret), I., 23-24).

Als het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de aan de belastingplichtige verleende diensten en zijn economische activiteit vaststaat, kan de omstandigheid dat die diensten ook ten goede komen aan een derde niet rechtvaardigen dat het op die diensten betrekking hebbende recht op aftrek aan de belastingplichtige wordt ontzegd, op voorwaarde evenwel dat het voordeel dat de derde uit die dienstverrichting put, ondergeschikt is aan de behoeften van de belastingplichtige (vgl Cass. (l e k.) AR [F.18.0046.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-prorata-tva-amont-cassation-bruxelles-2021-05-21-1ead), 21 mei 2021 (V. A. bv / BELGISCHE STAAT) en HvJ (ge k.) nr. [C-405/19](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-405-19-arret), 1 oktober 2020, http://curia.europa.eu (1 oktober 2020)).

Eiseres in hoger beroep voert vier activiteiten uit: 1. het behoud, herstellen/onderhoud van het kasteel gelegen te Westerlo, 2. het organiseren van toneelstukken en spektakelstukken, 3. de verkoop van eten en drank en 4. onroerende verhuur.

Niet ter discussie staat dat de eerste activiteit buiten het toepassingsgebied van de BTW valt. De tweede en derde activiteit valt onder het BTW-toepassingsgebied en eiseres in hoger beroep genereert recht op aftrek voor de kosten die ermee samenhangen. De vierde activiteit is vrijgesteld van BTW en doet geen recht op aftrek ontstaan.

Eiseres in hoger beroep is dan ook een gedeeltelijke belastingplichtige. Eiseres in hoger beroep combineert een activiteit waarvoor zij als BTW-plichtige wordt aangemerkt met een activiteit waarvoor zij geen BTW-plichtige is (P. WILLE, M. GOVERS, BTW-praktijkboek 2013, Antwerpen, Kluwer, 2013, 555). Voor een gedeeltelijke BTW-plichtige gebeurt de aftrek van voorbelasting volgens het bestemmingsbeginsel, desgevallend in combinatie met een bijzonder verhoudingsgetal (P. WILLE, M. GO-VERS, o.c., 556).

Bij een gedeeltelijke belastingplichtige, die zowel economische activiteiten als niet-economische activiteiten verricht, is de belasting over de toegevoegde waarde verbonden aan zijn activiteiten slechts aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige. ([art. 45, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45); [art. 1 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1), 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).

De ontvangen belaste goederen en diensten kunnen te dezen duidelijk toegewezen worden aan de activiteit van eiseres in hoger beroep bestaande uit het behoud, herstellen/onderhoud van het kasteel gelegen te W., zijnde een activiteit die buiten het toepassingsveld van de BTW valt. Het betreft hier immers renovatiekosten (zie proces-verbaal 13/11/2019) die betrekking hebben op de instandhouding en bescherming van het kasteel.

In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert is de renovatie van het kasteel niet essentieel voor de uitoefening van al haar activiteiten. De uitgaven voor de renovatie van het kasteel vertonen geen rechtstreeks en onmiddellijk verband met het organiseren van evenementen noch met de verkoop van eten en dranken in het kader van de organisatie van evenementen.

De betrokken uitgaven zijn er niet daadwerkelijk en volledig op gericht om het de belastingplichtige mogelijk te maken voormelde belastbare handelingen te stellen. Zij zijn er juist op gericht om het kasteel in stand te houden en te onderhouden (zijnde de eerste activiteit van eiseres in hoger beroep, vallende buiten het toepassingsgebied van de BTW: behoud, herstellen/onderhoud van het kasteel).

Uit de voorgelegde stukken blijkt dan ook niet dat deze kosten kaderen binnen de BTW-activiteiten van eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep bewijst niet dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de kwestieuze uitgaven en haar economische activiteit, noch blijkt te dezen dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de kwestieuze uitgaven en het geheel van de activiteiten van eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de gedane uitgaven deel zouden uitmaken van de bestanddelen van de prijs van de handelingen die tot die activiteiten behoren. Het bewijs wordt ook niet geleverd dat de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van de algemene kosten en als zodanig opgenomen zouden zijn in de prijs van de door eiseres in hoger beroep geleverde goederen of verrichte diensten. De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep desbetreffend overstijgen de loutere bewering niet.

Eiseres in hoger beroep heeft verder ook geen zakelijk recht op het onroerende goed (het kasteel). Zij bezit slechts een zeer beperkt persoonlijk recht op het kasteel (zie voorgelegde huurovereenkomst). Uit de huurovereenkomst blijkt dat dit enkel is voor de volgende periodes namelijk Kerstmagie 2015 van 30/11/2015 tot 19/12/2015, Historalia 2016 van 27/06/2016 tot 11/09/2016 en Kerstmagie 2016 van 21/11/2016 tot 23/12/2016. Eiseres in hoger beroep betaalt hiervoor 348.612 euro. In de huurovereenkomst wordt er niets bepaald betreffende uit te voeren renovatiewerken en de tenlasteneming hiervan.

Wel wordt in de huurovereenkomst bepaald dat de terbeschikkingstelling aan eiseres in hoger beroep beperkt is tot gedeelten die nodig zijn voor deze evenementen. Eiseres in hoger beroep geeft toe dat het overgrote gedeelte van het kasteel gebruikt wordt voor privébewoning door de eigenaar.

Het hof dient rekening te houden met voormelde economische en commerciële realiteit.

De eigenaar haalt voordeel uit het ten laste nemen van de renovatiekosten door eiseres in hoger beroep. Het gaat om kosten die normaal door de eigenaar van het kasteel zouden moeten gedragen worden.

De tenlasteneming van deze kosten door eiseres in hoger beroep reiken verder dan wat noodzakelijk is om haar in staat te stellen om belaste handelingen in een later stadium te verrichten en het blijkt niet dat de kosten ervan inbegrepen zijn in de prijs van die handelingen.

De wijze van financiering van de renovatiewerken toont nog niet aan dat deze renovatiewerken gemaakt zijn om belaste handelingen te stellen noch dat er sprake zou zijn van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de renovatieweken en de belaste handelingen van eiseres in hoger beroep.

Dat er mogelijke ook in andere periodes dan voormelde nog geleide bezoeken, concerten of diners worden georganiseerd door eiseres in hoger beroep in beperkte delen van het kasteel toont evenmin een rechtstreeks en onmiddellijk verband aan met de belangrijke renovatiekosten en zeker niet in de mate zoals weerhouden door eiseres in hoger beroep. Dit geldt des te meer rekening houdende met de mate van privégebruik van het kasteel door de eigenaar, zoals zelf aangehaald door eiseres in hoger beroep in haar conclusies.

Uit de voorgelegde stukken blijkt bovendien geenszins de mate van het beweerdelijk gebruik van de uitgaven voor de economische activiteit. Eiseres in hoger beroep komt desbetreffend niet verder dan loutere beweringen. De voorgelegde facturen zijn meestal zeer algemeen opgesteld. Eiseres in hoger beroep komt wat betreft de specifieke plaats waar de werken werden uitgevoerd en het aangevoerde gebruik van deze ruimtes niet verder dan loutere beweringen. De bijgebrachte foto's van de evenementen zijn op zich niet te koppelen aan de inkomende facturen, noch brengen deze iets bij over de verhouding tussen het beweerdelijk gebruik voor de economische activiteit en het privégebruik. Eiseres in hoger beroep toont het werkelijk gebruik voor de economische activiteit en de mate waarin de kwestieuze facturen daarop betrekking hebben niet aan.

Rekening houdend met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden is het hof van oordeel dat er geen rechtstreeks en noodzakelijk verband bestaat met de economische activiteiten van eiseres in hoger beroep die wel aan de BTW-wetgeving onderworpen zijn.

Het blijkt niet dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband zou bestaan tussen de

uitgaven voor renovatie en het organiseren van toneelstukken en spektakelstukken en/of de verkoop van eten en drank, laat staan in de mate zoals voorgehouden door eiseres in hoger beroep.

Eiseres in hoger beroep vult derhalve haar bewijslast in het kader van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) niet in.

De eerste rechter besliste verder terecht dat er geen schending is van het rechtszekerheidsbeginsel. Het desbetreffende stuk voorgelegd door eiseres in hoger beroep betrof een antwoord op een vraag van eiseres in hoger beroep met betrekking tot het ontvangen van giften en vermeldt enkel dat 'giften' niet dienen opgenomen te worden in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal. Deze mail zegt niets over de al of niet aftrekbaarheid van de BTW op de renovatiekosten. Het hof merkt hierbij ook op dat de vraag zelf uitgaande van eiseres in hoger beroep niet aan het hof wordt voorgelegd. Evenmin toont de 'punctuele controle' naar aanleiding van een terugbetaling voor de periode van 01/01/ 2014 tot en met 31/12/2014 aan dat de administratie enig standpunt zou hebben ingenomen over de BTW-aftrek op de renovatiekosten gefactureerd in 2015, 2016 of 2017. Het schrijven uitgaande van de belastingadministratie d.d. 25/03/2015 vermeldt bovendien uitdrukkelijk: "De Administratie herinnert eraan dat ze niet gebonden is door de niet onderzochte elementen.". Er is geen sprake van een wijziging van een eerdere positie van de administratie met betrekking tot het recht op aftrek voor de periode voorwerp van onderhavig geschil. Het is eiseres in hoger beroep die telkens dient aan te tonen dat zij recht heeft op aftrek met betrekking tot bepaalde diensten of leveringen. Er is geen sprake van

een schending van het vertrouwensbeginsel/rechtszekerheidsbeginsel door de belastingadministratie. Eiseres in hoger beroep bewijst ook geen fout in hoofde van de belastingadministratie.

De vordering van eiseres in hoger beroep betreffende de aftrek van voorbelasting is dan ook ongegrond.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen desbetreffende af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### 2.2 BTW-tarief

Eiseres in hoger beroep stelt dat indien het hof van oordeel zou zijn dat zij niet gerechtigd zou zijn op aftrek van BTW op de renovatiekosten, dat er dan logischerwijze moet besloten worden dat het verlaagd BTW-tarief van 6% had moeten worden toegepast op basis van rubriek XXXI, tabel A, bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20, zijnde de werken in onroerende staat onderworpen aan het tarief van 6 %.

Het hof merkt vooreerst op dat de vordering die thans door eiseres in hoger beroep desbetreffend wordt gesteld verder gaat dan louter te horen zeggen dat het verlaagd tarief van 6% in plaats van 21 % van toepassing is, aangezien haar vordering erop neer komt om te zeggen voor recht dat toepassing kan worden gemaakt van een compensatie tussen de terug te betalen BTW ingevolge een verkeerd toegepast tarief met de verschuldigde BTW ingevolge weigering van het recht op aftrek (enkel dit laatste maakt het voorwerp uit van het thans betwiste innings- en invorderingsregister).

Schuldvergelijking vereist het bestaan van ‘te verrekenen vorderingen'. In de vordering van eiseres in hoger beroep is dan ook wel degelijk een vordering tot teruggave van een onverschuldigde betaling begrepen.

Eiseres in hoger beroep houdt voor dat er een verkeerd BTW-tarief werd toegepast op de kwestieuze inkomende facturen, namelijk 21% in plaats van 6%.

In de mate eiseres in hoger beroep te veel aan verschuldigde BTW heeft opgenomen in haar aangifte heeft zij belang bij onderhavige vordering en is de vordering ontvankelijk. Het al dan niet voldaan zijn aan de formaliteiten teneinde terugvordering te bekomen betreft de gegrondheid van de vordering en niet de ontvankelijkheid.

BTW wordt alleen teruggegeven in de gevallen waarin het WBTW voorziet {[art. 75 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-75)). Deze gevallen worden opgesomd in [artikel 76](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76), [77](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77) en [77 bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77bis) WBTW. KB nr. 4 bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten.

[Art. 77 §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77) bepaalt dat er een recht is op teruggave wanneer de betaalde BTW het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is. Het gaat hier om teruggaaf van de 'verschuldigde' BTW die reeds aan de fiscus werd afgedragen. De BTW wordt teruggegeven indien de betaalde BTW de wettelijk verschuldigde BTW overtreft ([art. 77 §1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77)). Dit is het geval wanneer een verkeerd BTW-tarief werd toegepast, zoals door eiseres in hoger beroep voorgehouden.

De rechthebbende op de teruggaaf van het belastingoverschot (art [76 §1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76) WBTW) is de belastingplichtige die periodiek een BTW-aangifte moet indienen en die door bewijskrachtige stukken kan aantonen dat de aftrekbare BTW meer bedraagt dan de verschuldigde BTW.

De rechthebbende op teruggaaf is degene die de BTW aan de staat heeft voldaan ([art. 1 KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art1)). In de regel is dit dus de leverancier of dienstverrichter die de BTW afdraagt.

In de mate eiseres in hoger beroep als afnemer de op de kwestieuze facturen verschuldigde BTW niet zelf heeft betaald aan de Belgische Staat (dus niet heeft opgenomen in haar BTW-aangifte) is zij niet de rechthebbende op teruggaaf en is haar vordering om die redenen ongegrond.

In de mate er sprake is van een verlegging van de heffing naar de medecontractant, diende eiseres in hoger beroep de verschuldigde BTW te voldoen als medecontractant van de leverancier of dienstverrichter. Eiseres in hoger beroep heeft in dat geval de verschuldigde BTW opgenomen in haar BTW-aangifte en de verschuldigde BTW ook meteen in aftrek gebracht.

De BTW wordt in dat geval teruggegeven indien de betaalde BTW de wettelijk verschuldigde BTW overtreft ([art. 77, § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77)). Dit is het geval wanneer een verkeerd BTW-tarief werd toegepast.

Een vordering tot teruggave verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgende op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van de belasting, interesten en administratieve geldboete zich heeft voorgedaan ([art. 82bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82bis)).

De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet (art [3, lid 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art3) KB nr. 4).

De vordering tot teruggaaf (verlegging van heffing) ontstaat aldus op de datum van betaling.

In de mate de vordering van eiseres in hoger beroep betrekking heeft op de BTW betaald in de jaren 2015 en 2016 (met verlegging van heffing) is de vordering verjaard (vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd bij de rechtbank van eerste aanleg op 08/10/2020 en het blijkt niet dat er nuttige daden van stuiting of schorsing zijn).

In de mate de vordering van eiseres in hoger beroep (tot terugbetaling van de BTW betaald in toepassing van de verlegging van de heffing) niet verjaard is toont eiseres in hoger beroep niet aan dat het verlaagd tarief van 6 % van toepassing is (Rubriek XXXI tabel A, bijlage KB nr. 20). Terecht oordeelde de eerste rechter dat eiseres in hoger beroep immers geenszins aantoont dat de handelingen verstrekt en gefactureerd zijn aan eiseres in hoger beroep als eindverbruiker van een privéwoning. Onder eindverbruiker moet immers verstaan worden de persoon die een zakelijk recht (eigendom, vruchtgebruik enz.) of een recht van genot (inzonderheid als huurder) bezit op de woning die hij geheel of gedeeltelijk ais privéwoning gebruikt, zonder van die woning een specifieke exploitatie of een bijhorigheid van een beroepswerkzaamheid te maken. Het staat vast dat eiseres in hoger beroep geen zakelijk recht heeft. Zij bezit weliswaar een recht van genot doch dit is louter en alleen voor zeer beperkte periodes en het domein wordt enkel ter beschikking gesteld voor het organiseren van een aantal evenementen. De huur heeft derhalve slechts betrekking op gedeeltes van het domein die noodzakelijk zijn voor het organiseren van een paar evenementen. Eiseres in hoger beroep is dus geen huurder die de woning privé gebruikt, noch verhuurt zijzelf de woning aan iemand die het hoofdzakelijk privé gebruikt.

Bovendien toont eiseres in hoger beroep ook niet aan dat zij toepassing kan maken van een compensatie met de verschuldigde BTW ingevolge weigering van het recht op aftrek zoals opgenomen in het betwiste innings- en invorderingsbericht. De gemeenrechtelijke regeling inzake schuldvergelijking vindt immers niet onverkort toepassing in fiscale zaken. In tegenstelling tot de gemeenrechtelijke schuldvergelijking, werkt de fiscale schuldvergelijking op basis van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 niet automatisch. Zij treedt maar in op het ogenblik dat de fiscus erop een beroep doet. Het gaat dus over een facultatieve schuldvergelijking voor de fiscus.

De vordering tot compensatie dient derhalve om de diverse hoger aangehaalde redenen te worden afgewezen als deels verjaard, minstens ongegrond.

### 2.3 De geldboete

Eiseres in hoger beroep vordert kwijtschelding van de geldboete van 10%. Zij stelt dat er sprake zou zijn van een positiewijziging van de administratie die voor haar schade meebrengt en stelt dat zij in casu te goeder trouw is en gehandeld heeft ais een bonus pater familias.

Het blijkt niet dat er sprake is van een wijziging van positie van de belastingadministratie noch dat er concrete schade zou zijn in hoofde van eiseres in hoger beroep (zie ook hoger onder 2.1).

Gelet op hetgeen hoger reeds werd geoordeeld liggen de inbreuken te dezen geenszins buiten de wil van eiseres in hoger beroep.

Te dezen heeft eiseres in hoger beroep haar wettelijke fiscale verplichtingen niet nageleefd, meer bepaald de regels vastgelegd in verband met de aftrek van de voorbelasting.

Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboete van 10% te dezen wettelijk, voldoende gemotiveerd is en in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

### 2.4 De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.5.31.05.2007).

Gelet op het procesresultaat wordt eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd en veroordeeld tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding (bij gebreke aan vertegenwoordiging/bijstand door een advocaat),

De bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) blijft ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1\*, juncto 162, 4° W.Reg..

### Dispositif

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van verweerder in hoger beroep ontvankelijk en in volgende mate gegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis doch deels op basis van een andere eigen motivering.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer B. P. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 26 september 2023,

C. P. Raadsheer d.d. voorzitter

E. D. B. Raadsheer

E. C. Griffier

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi1

Vonnis van 14/01/2022

Rol: 20/4325/ A

Inzake:

**V. V. H. K. V. W.-A. D. C. D. W.** vereniging zonder winstoogmerk, met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 087...90

**eiseres**

\- vertegenwoordigd ter zitting door meester J. B. loco meester P. D. en

loco meester P. C., advocaten, beiden met kantoor te ...,

**TEGEN**:

**DE BELGISCHE STAAT**,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoren gevestigd te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24 bus 17, KBO : 0308.357.159

**verweerder**

\- vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

\- vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 8 oktober 2020, ingeschreven op 8 oktober

2020,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 4 december 2020,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 10 december 2021.

### 1. Procedurele voorgaanden, relevante feiten en vorderingen van partijen

De betwisting heeft betrekking op het btw innings- en invorderingsbericht met schuldnummer 500...70.

Eiseres is een vereniging zonder winstoogmerk en is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van verhuur en exploitatie van terreinen. Partijen bevestigen dat eiseres vier activiteiten uitoefent: (1) het behoud, herstellen/onderhoud van het kasteel gelegen te Westerlo, (2) het organiseren van toneelstukken en spektakelstukken, (3) de verkoop van eten en drank en (4) onroerende verhuur. Partijen bevestigen dat de eerste activiteit buiten het btw-toepassingsgebied valt, dat de tweede en derde activiteit onder het btw-toepassingsgebied vallen en recht op aftrek genereren voor de kosten die ermee samenhangen en dat de vierde activiteit een van btw vrijgestelde activiteit betreft en geen recht op aftrek doet ontstaan.

Het kasteel is geen eigendom van eiseres en eiseres bevestigt dat het kasteel voor minstens 75% voor privédoeleinden wordt aangewend (bewoning — stuk 11 van eiseres).

In 2018 vond een fiscale controle plaats voor de periode 2015, 2016 en 2017 en werd vastgesteld dat eiseres kosten had gemaakt voor renovatie en onderhoud van het kasteel. In de periode 2015-2017 werden renovatiekosten uitgevoerd voor een bedrag van 493.755,69 euro vermeerderd met 103.688,69 euro btw (21%). Eiseres stelt dat zij deze btw in aftrek heeft genomen rekening houdende met het algemeen verhoudingsgetal. Uit de tabel opgenomen in het proces-verbaal d.d. 13 november 2019 blijken de volgende verhoudingsgetallen: 64% voor 2015, 98% voor 2016 en 100% voor 2017. Eiseres heeft aldus een totaal bedrag aan btw t.b.v. 96.856,85 euro op deze renovatiekosten in aftrek genomen (stuk 1 van verweerder).

Volgens verweerder is deze btw niet aftrekbaar. Er vonden verschillende besprekingen tussen partijen plaats en op 14 november 2018 werd namens eiseres een verklaring tot afstand van verjaring voor de periode 2015 ondertekend (stuk 7 van verweerder).

Op 13 november 2019 werd een proces-verbaal opgesteld waarbij de volgende bedragen van eiseres worden gevorderd:

\- 96.856,85 euro btw

\- 9.680,00 euro geldboete (10%)

\- te vermeerderen met interesten.

De btw-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Eiseres diende een bezwaarschrift in en in de beslissing d.d. 17 september 2020 werd het bezwaarschrift afgewezen.

In het fiscaal verzoekschrift neergelegd namens eiseres ter griffie op 8 oktober 2020 betwist zij de btw-vordering.

De vordering van **eiseres** luidt als volgt:

De vordering van Eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

\- in hoofdorde, voor recht te zeggen dat Eiseres de BTW op de renovatiekosten met betrekking tot het Kasteel gedeeltelijk kan aftrekken overeenkomstig het toegepaste verhoudingsgetal en dienvolgens het innings-en vorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd dd. 17 december 2019 en uitvoerbaar verklaard dd. 18 december 2019, evenals het Proces-Verbaal en de Beslissing te vernietigen en voor recht te zeggen dat Eiseres de daarin vermelde BTW, geldboeten en interest niet is verschuldigd en dat, in de mate deze reeds zou zijn betaald, de Belgische Staat deze dient terug te betalen, vermeerderd met wettelijke interesten;

in ondergeschikte orde, Verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding op basis van art. 1382 BW ten belope van het bedrag aan misgelopen subsidies ingevolge de wijziging in standpunt van de administratie, provisioneel begroot op 39.547.36 EUR, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke interesten;

\- in meer ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat het btw-tarief van 6%, i.p.v. 21%, van toepassing was op de renovatiekosten waardoor Eiseres nog slechts een bedrag van 22.203,9 EUR is verschuldigd; en

\- in meest ondergeschikte orde, Verweerder te veroordelen tot kwijtschelding van de geldboete; en

• in ieder geval, Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de gebeurlijk te indexeren rechtsplegingvergoeding overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007) en de rechtspleging (basisbedrag - EUR 6.000).

De vordering van de Belgische Staat luidt als volgt:

> "In hoofdorde
>
> De vordering van Eiseres, waarbij zij vraagt om voor recht te zeggen dat Eiseres de BTW op de renovatiekosten met betrekking tot het Kasteel gedeeltelijk kan aftrekken overeenkomstig het toegepaste verhoudingsgetal, ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
>
> De vordering van Eiseres, waarbij zij vraagt om Verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding op basis van art. 1382 BW, ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
>
> De vordering van Eiseres, waarbij zij vraagt voor recht te zeggen dat het btw-tarief van 6% van toepassing is, onontvankelijk en ongegrond te verklaren;
>
> De vordering van Eiseres, waarbij zij de kwijtschelding van de geldboete vraagt, ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
>
> In ondergeschikte orde de vordering van Eiseres, waarbij zij vraagt voor recht te zeggen dat het btw-tarief van 6% van toepassing is, gedeeltelijk onontvankelijk en ongegrond te verklaren;
>
> In meest ondergeschikte orde de vordering van Eiseres, waarbij zij vraagt voor recht te zeggen dat het btw-tarief van 6% van toepassing is, ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
>
> Eiseres te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70;
>
> Het behouden van het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 500...70, uitgevaardigd op 18-12-2019 en ter kennis gebracht per brief van 18-12-2019 alsook het proces-verbaal van 13-11-2019 en de beslissing van 17-09-2020 van de ambtenaar gedelegeerd door de Adviseur-Generaal te KMO Centrum Mechelen, waarin het bezwaarschrift van Verzoekster werd afgewezen te behouden;
>
> Louter defensief verklaart verweerder zich akkoord met het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
>
> Vermits verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat, heeft hij, in de huidige stand van de wetgeving, geen recht op een rechtsplegingsvergoeding zodat deze in zijnen hoofde tot op heden begroot dient te worden op 0,00 EUR.
>
> Verweerder is van oordeel dat eiseres dient te worden veroordeeld tot de gedingkosten."

### 2. Ontvankelijkheid

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering in hoofdorde van eiseres niet. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiseres ontvankelijk is.

### 3. Beoordeling

#### 3.1. Betreffende het recht op btw-aftrek (eerste en tweede middel van eiseres)

De betwisting tussen partijen betreft het recht op aftrek van de btw m.b.t. de renovatiekosten van het kasteel.

De rechtbank oordeelt dat de bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek bij de belastingplichtige ligt en partijen bevestigen dat het recht op aftrek een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang veronderstelt tussen de gemaakte kosten en de belaste handelingen door de belastingplichtige gesteld (bestemmingsprincipe).

Ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen de relevante facturen niet aan de rechtbank voorleggen en dat partijen verwijzen naar het overzicht zoals opgenomen in de tabel in het proces-verbaal (stuk 1 van verweerder). De partijen hebben dienaangaande standpunt ingenomen.

Volgens eiseres heeft zij, als gedeeltelijke belastingplichtige, recht op gedeeltelijke aftrek van de btw op de renovatiekosten omdat deze renovatiekosten nauw verband houden met belaste activiteiten. Volgens eiseres hebben de renovatiekosten essentieel betrekking op niet-privatieve delen van het kasteel. Volgens eiseres wordt het kasteel door eiseres bestemd voor en is het verbonden met zowel aan btw onderworpen economische activiteiten als niet aan btw onderworpen activiteiten. Volgens eiseres is er zonder (gerenoveerd) kasteel geen fondsenwerving, geen spektakelstukken, geen betaalde kasteelbezoeken en dergelijke. Het feit dat het kasteel gedeeltelijk bewoond werd en wordt, is niet relevant volgens eiseres. Ter terechtzitting verklaart eiseres dat de werken betrekking hebben op het in stand houden van het kasteel en dit ongeacht het privématig gebruik van het kasteel. Eiseres verwijst tenslotte naar het rechtzekerheidsbeginsel en stelt dat verweerder in 2013 bevestigd zou hebben dat eiseres recht had op een beperkt recht op aftrek van btw en dat dit ook blijkt uit een controle in 2015 waarbij de geldigheid van de omvang van het recht op aftrek zou zijn bevestigd.

Verweerder stelt dat de btw op de renovatiekosten niet aftrekbaar is omdat:

het kasteel geen eigendom is van eiseres;

\- er een huurovereenkomst wordt voorgelegd waarbij eiseres gedurende drie beperkte periodes mocht gebruik maken van het domein (21.11.2015 - 19.12.2015, 27.06.2016-11.09.2016 en 21.11.2016-23.12.2016), voor 2017 is er geen huurovereenkomst;

\- er is geen rechtstreeks en onmiddellijk verband met btw-belaste handelingen; eiseres houdt geen rekening met het privématig gebruik van het kasteel dat 75% bedraagt;

eiseres beweert dat ze recht heeft op gedeeltelijke aftrek waarbij eiseres vervolgens een aftrek toepast t.b.v. 98%.

Volgens verweerder is er geen schending van het rechtzekerheidsbeginsel aangezien in de e-mail d.d. 28 oktober 2013 algemene informatie wordt gegeven aangaande de berekening van het verhoudingsgetal en er geen standpunt wordt ingenomen aangaande de aftrekbaarheid van btw op renovatiekosten en betrof de controle in 2015 een punctuele controle op een terugbetaling van een btw-tegoed en had deze controle betrekking op een beperkt aantal facturen.

Vooreerst merkt de rechtbank op dat eiseres stelt dat zij recht heeft op een gedeeltelijke aftrek van btw op de renovatiekosten, maar wordt voor 2016 maar liefst 98% van de btw in aftrek genomen en voor 2017 zelfs 100%, zoals blijkt uit het proces-verbaal d.d. 13 november 2019 (in het bijzonder de tabel, stuk 1 van verweerder en hetgeen niet betwist wordt door eiseres). Deze percentages worden door eiseres op geen enkele manier verantwoord en zijn bovendien in strijd met haar eigen beweringen. Eiseres erkent immers dat zij zowel belastbare als vrijgestelde btw-handelingen stelt én handelingen die buiten het btw-toepassingsgebied vallen. Eiseres geeft geen enkele toelichting over welk bedrag dan zou gedeeltelijk in aftrek dienen genomen te worden, eiseres geeft geen toelichting omtrent de berekening van het algemeen verhoudingsgetal dat volgens haar van toepassing zou zijn. Enkel en al alleen om deze reden is de vordering van eiseres ongegrond.

Bovendien vallen deze percentages geenszins te rijmen met het privématig gebruik van het kasteel t.b.v. 75%. Het feit dat het kasteel privématig wordt aangewend, is wel degelijk relevant voor het bepalen van het recht op aftrek van btw. Dat de werken in essentie betrekking zouden hebben op niet-privatieve gedeeltes van het kasteel betreft bovendien een loutere bewering aan de zijde van eiseres. De facturen worden door eiseres niet voorgelegd en het overzicht van de facturen zoals opgenomen in de tabel in het proces-verbaal (stuk 1 van verweerder) vermeldt als prestatie louter algemeenheden zonder enig detail, o.a. : 'renovatiewerken kasteel', 'renovatie en plaatsing ramen', 'aankoop stoelen',...

Opdat er een recht op aftrek ontstaat, geldt geen eigendomsvereiste maar te dezen stelt de rechtbank vast dat het enige wat door eiseres wordt voorgelegd een huurovereenkomst betreft, louter en alleen voor zeer beperkte periodes (30.11.2015 -19.12.2015, 27.06.2016-11.09.2016 en 21.11.2016-23.12.2016, stuk 5 van verweerder), én dat het domein enkel ter beschikking wordt gesteld voor het organiseren van drie vermelde evenementen (kerstmagie 2015, historalia 2016 en kerstmagie 2016). Eiseres bevestigt in conclusie dat deze huurovereenkomst enkel betrekking heeft op de erin vermelde spektakelstukken. Voor de terbeschikkingstelling tijdens deze korte periode (minder dan vijf maanden) wordt bovendien een huurprijs bepaald van 348.612,00 euro. Dat er mogelijks in andere periodes nog geleide bezoeken, concerten of diners worden georganiseerd door eiseres in beperkte delen van het kasteel is mogelijk, maar toont geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met de belangrijke renovatiekosten aan en zeker niet in die mate als door eiseres weerhouden.

Gelet op deze zeer beperkte terbeschikkingstelling (minder dan 25% van het kasteel) gedurende een zeer beperkte periode, waarbij eiseres gehouden is tot betaling van een aanzienlijke huurprijs én eiseres blijkbaar ook nog zou gehouden zijn tot betaling van de renovatie van het volledig kasteel, stelt verweerder terecht dat het voordeel zich uitsluitend of minstens hoofdzakelijk bevindt bij de eigenaar van het kasteel.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de aftrek van de btw op de renovatiekosten heeft verworpen.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van enige schending van het rechtzekerheidsbeginsel. Stuk 2 dat eiseres voorlegt, betreft de loutere vermelding dat 'giften' niet dienen opgenomen te worden in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal. Deze e-mail zegt niets over de al dan niet aftrekbaarheid van btw op renovatiekosten.

Dat er een punctuele controle is geweest voor de periode 2014 (stuk 3 van eiseres) toont niet aan dat de administratie enig standpunt zou hebben ingenomen over de btw-aftrek op renovatiekosten gefactureerd in 2015, 2016 of 2017. Bovendien is het aan eiseres om het bewijs te leveren dat zij recht op aftrek heeft m.b.t. bepaalde diensten of leveringen.

Zodoende toont eiseres geenszins aan dat er sprake is van een fundamentele wijziging van de eerdere positie van de administratie m.b.t. het recht op aftrek en is de vordering in ondergeschikte orde van eiseres tot betaling van een schadevergoeding ongegrond. Van enige fout in hoofde van verweerder is geen sprake.

#### 3.2. Betreffende het btw-tarief (derde middel van eiseres)

Eiseres stelt in ondergeschikte orde dat het tarief van 6% van toepassing was op de werken in onroerende staat in plaats van 21% overeenkomstig rubriek XXXI, tabel A, bijlage KB nr. 20 en stelt dat zij dan slechts een bedrag van 22.203,90 euro aan btw zou verschuldigd zijn.

Rubriek XXXI verwijst naar werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen waarbij de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan de eindverbruiker. Te dezen toont eiseres geenszins aan dat de handelingen verstrekt en gefactureerd zijn aan eiseres als eindverbruiker van een privé-woning. Enkel en al alleen om deze reden is de vordering van eiseres ongegrond. Bovendien bewijst eiseres geenszins dat aan alle voorwaarden van rubriek XXXI zou zijn voldaan of dat zij toepassing kan maken van een compensatie met de verschuldigde btw zoals opgenomen in het betwiste innings- en invorderingsbericht.

#### 3.3. Betreffende de geldboete t.b.v. 10% (vierde middel van eiseres)

Verweerder heeft een btw-boete t.b.v. 10% opgelegd met verwijzing naar artikel 70, §1bis W.BTW en tabel H van de bijlage bij het KB nr. 41.

Volgens eiseres is de btw-vordering het gevolg van een gewijzigd standpunt van de administratie zodoende dat zij niet gehouden kan zijn tot enige geldboete.

Zoals hoger geoordeeld, toont eiseres niet aan dat er sprake zou zijn van een gewijzigd standpunt van de administratie.

Er ligt dan ook geen reden voor om, de alreeds tevoren substantieel herleide administratieve boete, nog verder te herleiden of kwijt te schelden. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op **veertien januari tweeduizend tweeëntwintig** in openbare

zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

A. B., rechter

N. D., griffier

## Textes cités

15

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 6 occurrences

[CTVA art. 77](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77) 4 occurrences

[CTVA art. 76](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76) 2 occurrences

[AR no 3 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence

[AR no 4 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 1 occurrence

[AR no 4 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 1 occurrence

[CTVA art. 75](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-75) 1 occurrence

[CTVA art. 77bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77bis) 1 occurrence

[CTVA art. 82bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-82bis) 1 occurrence

[C-29/08, arrêt du 29 octobre 2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret) 2 occurrences

[C-104/12, arrêt du 21 février 2013](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-104-12-arret) 1 occurrence

[C-124/12, arrêt du 18 juillet 2013](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-124-12-arret) 1 occurrence

[C-132/16, arrêt du 14 septembre 2017](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-132-16-arret) 1 occurrence

[C-405/19, arrêt du 1er octobre 2020](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-405-19-arret) 1 occurrence

[C-435/05, arrêt du 8 février 2007](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-435-05-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-tribunal-bruxelles-2026-03-04-10c6) 5 dispositions communes

[Location, Contrôle, Régularisation](https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-controle-regularisation-tribunal-bruxelles-2026-03-04-64ac) 5 dispositions communes

[Droit à restitution, Paiement indu](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-restitution-paiement-indu-prescription-cour-appel-anvers-2021-03-30-7167) 5 dispositions communes

[Déclaration périodique à la TVA, Restitution de la taxe](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-periodique-tva-restitution-taxe-cassation-bruxelles-2022-06-17-8a14) 5 dispositions communes

[Ventes à distance, Droit à restitution, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/ventes-distance-droit-restitution-prescription-tribunal-gand-2021-11-24-e57e) 5 dispositions communes

[Vente à distance, Droit de restitution, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/vente-distance-droit-restitution-prescription-cour-appel-gand-2023-05-02-fc39) 5 dispositions communes

[Restitutions, Compte courant, Compte spécial, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/restitutions-compte-courant-special-prescription-cour-appel-liege-2019-06-28-705a) 4 dispositions communes

[Droit à restitution, Assujettis non établis en Belgique, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-restitution-assujettis-non-etablis-cour-appel-bruxelles-2019-12-03-d595) 4 dispositions communes
