---
title: "17 septembre 2020 · Droit à déduction, Restitution · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Droit à déduction, Restitution, Paiement de la TVA, droit à déduction de la TVA en amont. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 17 septembre 2020."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-restitution-paiement-tva-tribunal-gand-2020-09-17-0ea0"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction, Restitution, Paiement de la TVA

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

17 septembre 2020

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

112 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Flandre-Orientale, division Gand du 17.09.2020

WF 710-15-18/011874

\[Jugement mixte\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Restitution – Paiement de la TVA*

## Dispositions légales

Article 45, § 1er, § 1er et § 2, article 51, § 1er, 3°, et [article 77 du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77).

Article 1330 et 2248 du Code civil

## Résumé

## 1) les Faits et les antécédents de procédure

La demanderesse est identifiée à la TVA pour son activité dans le secteur informatique et des techniques d'information et de communication. Elle a fait l’objet d’un contrôle à la suite duquel un procès-verbal consignant différentes infractions a été rédigé. La demanderesse contestait un certain nombre d’infractions consignées dans le procès-verbal et a dès lors déposé une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance.

## 2) le jugement rendu en première instance

Les infractions consignées dans le procès-verbal sont relatives à des déductions erronées de TVA payée, à une non-régularisation d’une TVA qui a été enregistrée dans la comptabilité - TVA mentionnée sur une facture de vente qui n'a pas été payée - et d’une restitution indue de TVA. Le tribunal n'a jugé qu’une partie seulement des factures dont l'administration a contesté le droit à déduction satisfaisaient aux conditions formelles et matérielles du droit à déduction.

Le tribunal déclare dès lors la demande de l’assujettie recevable et fondée en ce qui concerne les factures pour lesquelles il juge que les conditions formelles et matérielles du droit à déduction sont satisfaites.

**Texte du jugement**

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

Rol: 19/169/A

IN DE ZAAK VAN:

**C. BVBA**, met ondernemingsnummer 0467.... en met maatschappelijke zetel voorheen te ..., eisende partij, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat met kantoor te ...;

**TEGEN:**

**BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert Il­ laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit: KMO GENT EXPERTISE 2, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 304, verwerende parti;, voor wie optreedt mevrouw Kristien DE POTTER, fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

## 1. DE PROCEDURE VOOR DE RECHTBANK

Ter buitengewone openbare terechtzitting van 11 augustus 2020 werden de partijen gehoord in hun middelen, waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien.

De rechtbank heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

## ll. RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN

De eiseres oefent de economische activiteit uit van niet-gespecialiseerde groothandel, overige detailhandel in nieuwe artikelen in gespecialiseerde winkels en dienstverlening op het gebied van informatietechnologie en computer. Zij is voor haar economische activiteit gehouden tot het indienen van periodieke btw-aangiften, meer bepaald kwartaalaangiften.

Er werd bij eiseres een btw-controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015. Daaropvolgend werd een correctieopgave met inbreuken op de btw wetgeving voor het jaar 2015 opgesteld.

Er werd een proces-verbaal opgesteld met vermelding van de volgende verschuldigde bedragen: 66.307,06 euro aan btw en een boete van 9.220,00 euro. (Schuldnummer RCIV: 500.1911....).

De eiseres is hier niet mee akkoord waardoor huidige procedure werd ingesteld.

## III. VORDERINGEN VAN DE PARTIJEN

De eiseres vordert: "Het beroep van de verzoeker tegen de BTW heffing in belasting, boetes en intresten, ontvankelijk en gegrond te verklaren,

De ontheffing te bevelen van alle bij de bestreden beslissingen geheven BTW, op een bedrag van 6.872,53 euro (onder voorbehoud van vermindering) en 853,32 euro na,

De gerekwestreerde te verwijzen in alle kosten van het geding, inbegrepen het terecht begroot op 20,00 euro, en de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van de verzoekster begroot op 3.000,00 euro."

De verweerder vraagt: "Het verzet van verzoeker ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

Verzoeker in al zijn eisen af te wijzen;

Verzoeker te veroordelen tot alle kosten van het geding."

Ter zitting stelt zij zich te richten naar de wijsheid van de rechtbank, behalve wat de facturen New Tête à Tête betreft.

## IV. BEOORDELING

### *Ten gronde*

*1.1.*

*Over de btw op "contante verkopen"*

De eiseres stelt dat zij voor een totaal bedrag van hetzij 54.418,57, hetzij 44.974,02 euro aan kasontvangsten heeft teruggevonden in de boekhouding. Zij legt desbetreffend echter geen stukken voor zodat de vordering op dat punt niet gegrond is.

Met betrekking tot de Kiala-betalingen en de geldafhalingen die klanten deden via bancontact, dient de rechtbank vast te stellen dat in die betalingen geen btw is vervat. Ze kan derhalve ook geen btw aftrekken met betrekking tot die sommen.

*1.2*

*Over de factuur gericht aan Danimo Group bvba*

1.2.1

Deze betwisting betreft het feit dat de btw op de verkoopfactuur nr. 15011269 van 31 december 2015 aan de bvba Danimo Group niet werd opgenomen in het rooster 54 van de btw aangifte.

De eiseres stelt dat zij geen btw diende aan te rekenen op die factuur aangezien de factuur betrekking had op bekabelingswerken en dat voor dergelijke werken de btw voor deze factuur dient te worden verlegd overeenkomstig [artikel 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) van 29.

1.2.2

Indien de "verkopen en dienstprestaties", zoals de omschrijving op de factuur vermeldt, betrekking zouden hebben op werken in onroerende staat, dan dient op de factuur volgende vermelding te worden aangebracht, "Btw te voldoen door de medecontractant, toepassing artikel 20 van KB 1 ".

Dit is ter zake niet gebeurd: de omschrijving op de factuur is "Verkopen en dienstprestaties" ; aantal 1; prijs 40.454,55 euro; Btw 21%, 8.495,45 euro".

Sowieso bewijst de eiseres op vandaag niet dat de factuur betrekking heeft op bekabelingswerken.

Uit het voorgaande volgt dat de eiseres wel degelijk de btw is verschuldigd op deze factuur en dat haar vordering in zoverre niet gegrond is.

*1.3*

*Over de facturen gericht aan Lightspeed Retail Ine.*

De eiseres gaat er verkeerdelijk van uit dat de "administratie btw heeft geheven" voor een bedrag van 22.915,37 euro op de openstaande vordering van 132.036,20 euro van Lightspeed Retail Ine.

De verweerder heft geen btw; hij is enkel - terecht- niet akkoord met het feit dat de eiseres dit bedrag aan btw heeft afgetrokken/teruggevorderd niettegenstaande op de transacties verricht voor Lightspeed Retail Ine. geen btw verschuldigd is (zoals de eiseres zelf ook aangeeft).

De vordering is in zoverre niet gegrond.

*1.4*

*Over de aankopen voor personeelsleden*

Wat betreft de kosten die zijn betaald door de eiseres met betrekking tot het onderhoud en de herstelling van de voertuigen van het personeel en de rijschool van een personeelslid, bewijst de eiseres niet dat deze handelingen zijn verricht met het oog op het verrichten van belastbare handelingen.

Met betrekking tot de beweerde geschonken bedden aan de personeelsleden, zelfs als dit zo zou zijn, dan nog zijn dit sociale voordelen die een privatief karakter hebben. Er is geen fiche voor opgesteld.

De vordering is in zoverre niet gegrond. 1.5

Over de facturen uitgaande van New Tête à Tête

1.5.1

Op grond van [artikel 45, §1, btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45), heeft een btw-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.

De bewijslast dat aan de voorwaarden van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) is voldaan, rust bij de belastingplichtige.

[Artikel 45, § 1, btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45), vormt de omzetting naar Belgisch recht van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van btw: uniforme grondslag. De Zesde Richtlijn 77/388 is vervangen door Richtlijn 2006/112 van

28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van btw.

Artikel 4.3 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie {hierna: VWEU) bepaalt dat krachtens het beginsel van loyale samenwerking, de Unie en de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De rechter is binnen zijn bevoegdheden verplicht al het mogelijke te doen om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren. {Zie HvJ 24 november 2011, Commission/ltalie, C-379/10 en noot H. Pauliat, "Arrêt "Commission c. ltalie": responsabilité des Etats membres pour les décisions rendues par leurs magistrats et charge de la preuve", JTE 2012, 83)

Daaruit vloeit de verplichting voor de nationale rechter voort tot "richtlijnconforme interpretatie". De rechter dient tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de in de richtlijn nagestreefde doelstelling (HvJ 10 maart 2010, Deutsche Lufthansa, C-109/09). Bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van het interne recht dient verwezen te worden naar de inhoud van een richtlijn en, in voorkomend geval, de uitlegging van de bepalingen van deze richtlijn door het Hof van Justitie van de EU.

1.5.2

Het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, is een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde btw-stelsel.

Het recht op btw-aftrek waarin de artikelen 167 ev. van richtlijn 2006/112 voorzien, vormt een integrerend deel van de btw-regeling en kan, in beginsel, niet worden beperkt. Het wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belastingen die op in eerdere stadia verrichte handelingen heeft gedrukt. De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het btw-stelsel van de Unie waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen.

Met betrekking tot de materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het recht op btw-aftrek ontstaat, blijkt uit artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/211 dat de goederen of diensten waarvoor op dat recht aanspraak wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium moeten zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige moeten zijn geleverd of verricht.

Wat de formele voorwaarden voor de uitoefening van dit recht betreft, volgt uit [artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-178) dat de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een overeenkomstig [artikel 226](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) van deze richtlijn opgestelde factuur.

[Artikel 226 van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) bepaalt dat, onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn, op de overeenkomstig [artikel 220](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-220) van deze richtlijn uitgereikte facturen voor btw-doeleinden alleen de in dit artikel 226 genoemde vermeldingen verplicht zijn.

Hieruit volgt dat de lidstaten de uitoefening van het recht op btw-aftrek niet afhankelijk kunnen stellen van voorwaarden inzake de inhoud van de facturen waarin richtlijn 2006/112 niet uitdrukkelijk voorziet. De verweerder betwist dit niet.

In de eerste plaats vereist [artikel 226, punt 6, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) dat de factuur de omvang en de aard van de verrichte diensten vermeldt.

Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat het verplicht is de omvang en de aard van de verrichte diensten te preciseren, zonder dat in deze bepaling evenwel specifiek wordt voorgeschreven dat de specifieke diensten op uitputtende wijze worden omschreven. De verplichte vermeldingen op een factuur hebben tot doel de administratie in staat te stellen te controleren of de verschuldigde btw is betaald en, in voorkomend geval, of recht op btw-aftrek bestaat. Het is dus in het licht van deze doelstelling dat moet worden uitgemaakt of facturen ter zake in overeenstemming zijn met de voorwaarden van [artikel 226, punt 6, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226).

In de tweede plaats vereist [artikel 226, punt 7, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) dat de factuur moet vermelden op welke datum de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is.

Ook deze voorwaarde moet worden uitgelegd in het licht van de doelstelling die wordt beoogd met de verplichte vermeldingen op de factuur, zoals opgelegd in [artikel 226 van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226), die erin bestaat de administratie in staat te stellen te controleren of de verschuldigde btw is betaald en, in voorkomend geval, of recht op btw-aftrek bestaat. Dankzij de datum van de dienst waarvoor de factuur is opgesteld, kan worden gecontroleerd wanneer het belastbare feit heeft plaatsgevonden en kan dus worden bepaald welke fiscale bepalingen ratione temporis moeten worden toegepast op de handeling waarop dit document betrekking heeft. [Artikel 64 van Richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-64) bepaalt diensten die aanleiding hebben gegeven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van de periode waarop deze afrekeningen of betalingen betrekking hebben. Bijgevolg kan slechts aan de voorwaarden van [artikel 226, punt 7, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) zijn voldaan wanneer van deze perioden melding is gemaakt op de facturen betreffende deze diensten.

De rechtbank dient evenwel na te gaan, indien hij vaststelt dat de betrokken facturen niet voldoen aan de uit [artikel 226, punten 6 en 7, van Richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) voortvloeiende voorwaarden, of de door belastingplichtige overgelegde aanvullende stukken een meer gedetailleerde omschrijving van de betrokken juridische diensten bevatten en krachtens [artikel 219](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-219) van deze richtlijn met een factuur kunnen worden gelijkgesteld als documenten die wijzigingen aanbrengen in en specifiek en ondubbelzinnig verwijzen naar de oorspronkelijke factuur. (HvJ EU 15 september 2016, Barlis, [C-516/14](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-516-14-arret))

1.5.3

De verweerder is van mening dat de btw op de facturen afkomstig van New Tête à Tête niet aantonen dat de gefactureerde bedragen het gevolg zijn van werkelijk aan de eiseres geleverde diensten die aangewend zijn voor het verrichten van de in artikel 45,

§1, btw-wetboek bedoelde handelingen. Het bedrag aan btw vermeld op deze facturen kan dus volgens de verweerder niet worden afgetrokken.

1.5.4

De rechtbank stelt vast dat de facturen uitgaand van New Tête à Tête - behalve die neergelegd als stukken 9/1, 9/2, 10/1, 10/2, 10/3 en 11 - geen datum of periode vermelden waarin de door de bvba C. geleverde diensten zijn geleverd. Deze facturen maken het dus niet mogelijk te bepalen op welke periode de betrokken afrekeningen betrekking hebben. Zij voldoen dus niet aan de voorwaarden van [artikel 226, punt 7, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) om het bedrag aan btw af te trekken.

Waar de facturen neergelegd als stukken 9/1 en 9/2 van de verweerder verwijzen naar "intern maand" juni respectievelijk juli, is de rechtbank van oordeel dat deze vermelding in die mate algemeen is dat daaruit de omvang of de aard van de verrichte diensten niet duidelijk blijkt. Deze vermelding voldoet niet aan de voorwaarden van [artikel 226, punt 6, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226).

Niettegenstaande de verweerder in conclusie aanstuurde op het neerleggen van aanvullende stukken om de vaagheid van bepaalde facturen te detailleren/aan te vullen en aldus de rechtbank toe te laten na te gaan of de materiële voorwaarden zijn vervuld om de btw over de facturen ter zake af te trekken, heeft de eiseres nagelaten enig bijkomend stuk neer te leggen.

Uit het voorgaande volgt dat het btw-bedrag zoals vermeld op de facturen neergelegd als stukken 9 (/1 t.e.m./8), 12/1 en 12/2 door de verweerder, niet kon worden afgetrokken.

1.5.5

Met betrekking tot de facturen 10/1, 10/2 en 10/3 die de algemene kosten betreffen voor de marketingdiensten over de periode juli tot en met september 2015, is de rechtbank van oordeel dat zij aan de formele en materiële voorwaarden voldoen om het bedrag aan btw te kunnen aftrekken. Hetzelfde oordeel betreft de factuur neergelegd door de verweerder als stuk 11. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verweerder niet voorhoudt dat de facturen vals zijn en de uitleg van de eiseres ter zitting dat de bvba New Tête à Tête marketingdiensten heeft geleverd voor eiseres met betrekking tot de door eiseres geleverde kassasystemen en aanwezig was op de horecabeurs 2015 om die goederen te promoten, niet betwist.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de eiseres in die mate gegrond is dat over deze facturen een totaal bedrag aan btw van 4.168,50 euro kon worden afgetrokken.

*1.6*

*Over de facturen uitgaande van Connessence en Adrem*

Deze facturen werden dubbel geboekt en de btw over deze facturen werd twee maal afgetrokken. Dit wordt door de eiseres niet betwist.

Zoals de verweerder terecht opmerkt, kan het zijn dat deze dubbele boeking boekhoudkundig is rechtgezet, doch is er volgens hem geen rechtzetting gebeurd desbetreffend in een btw aangifte. Eiseres bewijst het tegendeel niet.

Bijgevolg is een bedrag van 1.086,75 euro aan btw teveel afgetrokken. De vordering van de eiseres is in zoverre niet gegrond.

***2.*** ***Over de gerechtskosten***

De eiseres, als hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, moet in de regel conform de artikelen 1022 juncto 1018, 6° en 8° van het Gerechtelijk Wetboek, naast haar eigen kosten de rechtsplegingsvergoeding dragen van de verwerende partij die vertegenwoordigd wordt door een advocaat, alsook de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 euro.

Zij is geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de verweerder aangezien deze niet door een raadsman is bijgestaan.

### Dispositif

## V. BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank oordeelt het volgende op tegenspraak:

De vordering van de eiseres is ontvankelijk en gegrond als volgt:

De btw gevorderd in het proces-verbaal van 28 september 2018 met betrekking tot het jaar 2015 lastens eiseres dient te worden verminderd met een bedrag van 4.168,50 euro.

De boete dient overeenkomstig herberekend te worden.

De bijdrage bedoeld in artikel 4, §2 en 5, §§ 1 en 2, van de wet van 19 maart 2017, tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 euro wordt ten laste van de eiseres gelegd.

Er zijn voor het overige geen kosten te begroten.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 17 september 2020, waar aanwezig waren: ...

Ondertekeningen

## Textes cités

10

[directive TVA 2006/112 art. 226](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-226) 10 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 3 occurrences

[CTVA art. 77](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-77) 2 occurrences

[AR no 1 art. 20](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-20-0588) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 178](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-178) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 219](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-219) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 220](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-220) 1 occurrence

[directive TVA 2006/112 art. 64](https://juriel.be/fr/droit-union/directive-tva-2006-112/article-64) 1 occurrence

directive 2006/211 art. 168 1 occurrence

[C-516/14, arrêt du 15 septembre 2016](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-516-14-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, facture](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-facture-tva-amont-cassation-bruxelles-2022-11-25-9d9e) 4 dispositions communes

[Échange intracommunautaire, amende TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-intracommunautaire-amende-tva-tribunal-bruxelles-2025-11-14-8277) 3 dispositions communes

[Déduction, Fausse facture, Prestations de services fictives, Amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-fausse-facture-prestations-services-tribunal-mons-2020-06-09-e701) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, facture régulière, opération financière exemptée](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-facture-reguliere-operation-cour-appel-anvers-2016-12-06-0027) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Rejet de déductions opérées](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-rejet-deductions-operees-cassation-bruxelles-2020-05-22-1815) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Frais de nourriture et de boissons](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-frais-nourriture-boissons-cour-appel-liege-2020-09-07-73e3) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Exercice du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-exercice-conditions-formelles-cour-appel-anvers-2018-04-17-7c85) 3 dispositions communes

[Restitution, Prescription de l’action en restitution, procédure](https://juriel.be/fr/jurisprudence/restitution-prescription-action-procedure-cour-appel-mons-2012-11-23-c324) 3 dispositions communes
