---
title: "27 novembre 2003 · Droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 27 novembre 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-gand-2003-11-27-af74"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

27 novembre 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

67 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 27.11.2003

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 NOVEMBER 2003

**02/484/A** - In de zaak :

**BVBA R. L.**, met zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt mr. **A. D. R.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van e.a. inspecteur a.i. van het 2de BTW-ontvangkantoor van Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 Gent, Martelaarslaan 23,

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **M. P.**, advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. PROCEDURE

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 29.10.2003, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 8.2.2002, de onderscheiden conclusies van partijen, evenals hun dossiers.

## 2. DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt ertoe “te zeggen voor recht dat het proces-verbaal van 12.11.2001 voor het niet-akkoord gaan van de verwerping van de aftrek van de BTW op de gefactureerde kosten van de Mercedes Vito, ongegrond is”; meer bepaalt verzet eiseres zich tegen de verwerping van de aftrek van de BTW ten belope van 50 % op de aankoop en de kosten van de Mercedes Vito.

## 3. FEITEN EN GESCHIL

Eiseres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor haar activiteit van het uitbaten van een restaurant.

Op 20.2.1998 kocht eiseres een voertuig aan voor de prijs van … frank + … frank BTW. Het betrof een Mercedes Vito, die initieel was ontworpen als minibus maar reeds ten tijde van de aankoop door de vorige eigenaar, de garage NV **V. B.** zelf, was omgebouwd tot een, volgens eiseres, lichte vrachtwagen.

Volgens het inschrijvingsbewijs bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) betreft het een "omvorming van een minibus tot lichte vrachtauto".

De BTW werd door eiseres volledig in aftrek gebracht, evenals de BTW m.b.t. de kosten van het desbetreffende voertuig (zijnde onderhoud, herstelling, brandstoffen).

Naar aanleiding van een BTW-controle op 19.6.2001 stelde de BTW-administratie dat het voertuig zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen, zodat op grond van art. 45, § 2 W.BTW de aftrek van de betaalde BTW diende te worden beperkt tot 50 % en dat aldus verschuldigd was :

\- … frank BTW;

\- … frank boete;

\- intresten vanaf 21.1.2000.

Bij schrijven d.d. 11.7.2001 verklaarde eiseres zich hiermede niet akkoord.

Op 12.11.2001 stelde de BTW-administratie een proces­verbaal op, waarin werd vastgesteld dat het voertuig Mercedes Vito met dubbele cabine werd ingeschreven als lichte vrachtwagen, terwijl niet alle daartoe gestelde voorwaarden vervuld waren.

Eiseres kan zich hiermee niet verzoenen en maakt de zaak aanhangig voor deze rechtbank.

Eiseres laat in hoofdzaak gelden dat de reglementering dient te worden geïnterpreteerd naar de geest van de wet; dat het voertuig van bij de aankoop reeds was aangepast voor enkel goederentransport en voor personentransport (in de laadruimte) onbruikbaar was.

Eiseres stelt dat de beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, aangezien door de overige overheidsdiensten het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen werd beschouwd.

Bovendien laat eiseres gelden dat zij ter goeder trouw was.

## 4. BESPREKING

### M.b.t. de toepassing van art. 45, § 2 W.BTW

Art. 45, § 2 W.BTW stelt :

> "Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 %".

De administratie verwijst naar de aanschrijvingen nr. 10/87 d.d. 11.9.1987 en nr. 25/90 d.d. 11.12.1990.

Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties en richtlijnen verplichtend te stellen aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van "een lichte vrachtwagen" en van "een auto voor dubbel gebruik".

Het onderscheid tussen een voertuig, dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen, en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW conform art. 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie, die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen, die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen, zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

In casu wordt niet betwist dat de passagiersruimte 2 rijen zetels bevat, dat de laadruimte in de zijwanden uitgerust is met ruiten welke niet afgedekt zijn en dat het voertuig door verbouwing afgeleid is van een minibus.

Op grond van deze feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft, dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig is uitgerust met 2 rijen zetels, zodat de oppervlakte van de passagiersruimte vrij aanzienlijk is. Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen. Het kwestieuze voertuig is dienstig voor de activiteiten van eiseres, hetgeen impliceert dat men zowel goederen vervoert als het vereiste personeel ter plaatse brengt.

Op grond van art. 45, § 2 W.BTW is de aftrek van BTW beperkt tot 50 %.

### M.b.t. het vertrouwensbeginsel

De goedkeuring van het voertuig als lichte vrachtwagen door DIV kon niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen in hoofde van eiseres dat de BTW administratie deze kwalificatie zou overnemen en dus de volledige aftrek van BTW zou aanvaarden.

In casu heeft de BTW-administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting gegeven, geen uitdrukkelijke andersluidend standpunt ingenomen en geen interpretatie gegeven, die bij eisereis het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.

Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur werd dan. ook niet geschonden.

### M.b.t. de goede trouw

Enkel de materiële toestand van het voertuig op het ogenblik van de vaststelling der feiten door de BTW-administratie is hier aan de orde.

Het al dan niet ter goeder trouw zijn van eiseres is hier irrelevant.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**De rechtbank,** rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

\* aan de zijde van eiseres :

\- rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

\* aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op **27 NOVEMBER 2003**, waar aanwezig waren :

**J. D. B.**, alleenzetelend rechter,

**R. D.**, griffier.

**R. D.** **J. D. B.**
