---
title: "6 juin 2003 · Droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 6 juin 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruxelles-2003-06-cf0d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

6 juin 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

157 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 06.06.2003

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSMENT TE BRUSSEL

AR : **99/4131/A**

## Fiscaal geschil

## Op tegenspraak

**Eindvonnis**

In zake van :

**De BVBA S.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer …

## Eisende partij op hoofdvordering

## Eisende partij in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring

vertegenwoordigd door Mter **V. K.** loco Mter **B. V.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1. De BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer ontvanger van de BTW, met kantoor gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat, 32

**verwerende partij op hoofdvordering**

Vertegenwoordigd door Mter. **A. D.**, advocaat te …, …

**2. De BELGISCHE STAAT**, (vertegenwoordigd door de Minister van Verkeerswezen, met kabinet gevestigd te 1040 Brussel, Wetstraat, 63

**eerste verwerende partij in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring,**

vertegenwoordigd door Mter. **K. S.** loco Mter. **T.**, advocaat te …, …

**3. De NV D. Belgium Luxemburg**, met zetel gevestigd te …, …

**tweede verwerende partij in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring,**

vertegenwoordigd door Mter. **P. V.** loco Mter. **A. L.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 9 mei 2003, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid ·

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van **A. V. d. D.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder **J. V.** te …, betekend op 12 april 1999 op verzoek van de BVDA **S.** aan de Belgische Staat (Minister van Financiën), waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- het exploot van dagvaarding in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring van **J. D. H.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder **A. V.** te …, betekend op 12 december 2001 op verzoek van de BVBA **S.** aan de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) en aan de NV **D.** Belgium Luxemburg;

\- de beschikking ex art. 747, § 2 Ger. W. van deze rechtbank van 21 juni 2002;

\- de besluiten, aanvullende besluiten, tweede aanvullende besluiten en synthesebesluiten van de Belgische Staat (Minister van Financiën). neergelegd ter griffie respectievelijk op 30 september 1999, op 26 september 2001, op 13 november 2002 en op 13 maart 2003;

\- de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), neergelegd ter griffie respectievelijk op 31 juli 2002, op 12 december 2002 en op 17 maart 2003,

\- de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van de NV **D.** Belgium Luxembourg, neergelegd ter griffie respectievelijk op 12 september 2002, op 13 januari 2003 en op 13 maart 2003,

\- de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van de BVBA **S.**, neergelegd ter griffie respectievelijk op 16 januari 2002, op 14 oktober 2002 en op 13 februari 2003.

De wering van de volgens de beschikking ex art. 747, § 2 Ger. W. van deze rechtbank van 21 juni 2002 laattijdig neergelegde synthesebesluiten van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) wordt niet gevraagd.

Partijen verklaren zich te beperken tot hun wederzijdse synthesebesluiten.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 9 mei 2003, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 17 augustus 1994 ging de BVBA **S.**, die uit hoofde van baar beroepswerkzaamheid de hoedanigheid van belastingplichtige voor de toepassing van de BTW heeft, over tot aankoop van een bedrijfswagen van het type Chrysler Grand Voyager Crew Cab (nummerplaat … – chassisnummer …, en op 24 augustus 1991 ging zij over tot leasing van een bedrijfswagen van hetzelfde type (nummerplaat … - chassisnummer …).

Beide wagens waren bij proces-verbaal van goedkeuring 92/1049 door het Ministerie van Verkeerswezen als *“lichte vrachtwagen”* of *“camionette”* erkend en waren dus als bedrijfswagens in de categorie *“lichte vracht”* ingeschreven.

De BVBA **S.** had de BTW op de leveringen van goederen en diensten met betrekking tot deze twee bedrijfswagens integraal afgetrokken.

Op 3 april en 25 juni 1996 kreeg de BVBA **S.** een controle op de juiste toepassing van wetgeving en reglementering inzake de BTW tijdens de periode van 1 januari 1993 tot 31 december 1994. Ter gelegenheid van deze controle stelde de BTW­administratie dat de BTW-aftrek met betrekking tot deze bedrijfswagens beperkt was tot 50 %. Gelet op de vastgestelde overtredingen werd de gecontroleerde periode uitgebreid tot 31 mei 1996, enkel voor wat de aftrekregeling in verband met de betreffende voertuigen betrof.

Op 9 september 1996 werd aan de BVBA **S.** gevraagd om, naar aanleiding van de vastgestelde inbreuken opgenomen in een proces-verbaal van 6 september 1996, de volgens de BTW-administratie teveel afgetrokken BTW ten bedrage van 5.228,89 euro (210.933 BEF) in hoofdsom te betalen, evenals een boete van 520,58 euro (21.000 BEF) en de interesten begroot op 166,58 euro (6.720 BEF).

Op 24 september 1996 liet de BVBA **S.** aan de gewestelijke directeur van de BTW te Mechelen weten dat zij niet akkoord ging met de aangekondigde regularisatie.

Op 3 februari 1997 antwoordde de gewestelijke directeur dat de invordering van de verworpen aftrek met betrekking tot de voormelde voertuigen werd opgeschort en dat de hoofdcontroleur werd opgedragen een correctieopgave te verzenden, waarbij aan de BVBA **S.** een nieuwe betalingstermijn zou worden toegestaan.

De betrokken correctieopgave werd aan de BVBA **S.** overgemaakt met aanvraag deze voor akkoord te tekenen.

Op 20 februari 1997 liet de BVBA **S.** via haar raadsman aan de controleur weten dat zij ernstige bezwaren had tegen de door hem voorgestelde regularisatie.

Op 25 maart 1997 zegde de administratie een *“akte van inhouding”* aan de BVBA **S.**, waarmee zij voor een bedrag van 6.082,64 euro (245.373 BEF) bewarend beslag legde in handen van de Belgische Staat op het saldo van de BTW-rekening­courant van de BVBA **S.**.

Op 15 december 1997 liet de BTW-controle van Halle 2 *“het proces-verbaal waarin hel definitieve standpunt van de administratie wordt opgenomen”* aan de BVBA **S.** geworden.

Dit proces-verbaal stemde volledig overeen met de vroeger meegedeelde *“correctieopgave”*, evenals met het oorspronkelijke proces-verbaal van 6 september 1996.

Op 9 maart 1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 11 maart 1999 door het BTW-ontvangkantoor te Halle aan de BVBA **S.** werd toegezonden met de melding dat er ingevolge deze kennisgeving kon worden overgegaan tot compensatie van het ingehouden belastingkrediet ten belope van 6.082,64 euro (245.373 BEF) op de rekening-courant van de BVBA **S.**, waarvoor haar op 25 maart 1997 een akte van inhouding betekend was geworden.

Uit voormeld dwangbevel en proces-verbaal blijkt dat de BVBA **S.** aan de Belgische Staat (Minister van Financiën) de volgende bedragen verschuldigd is :

\- als BTW : 5.229,89 euro (210.933 BEF);

\- als geldboete : 520,58 euro (21.000 BEF) en

\- als interesten : 166,58 euro (6.720 BEF) berekend tot 20 oktober 1996.

Op 12 april 1999 ging de BVBA **S.** over tot betekening aan de Belgische Staat (Minister van Financiën) van een exploot houdende verzet tegen dit dwangbevel.

Op 12 december 2001 ging de BVBA **S.** over tot dagvaarding in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) en van de NV **D.** Belgium Luxembourg.

## III. IN RECHTE

### A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De BVBA **S.** vraagt haar hoofdvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- te zeggen voor recht dat zij gerechtigd was en is de BTW integraal af te trekken op de aankoopprijs en alle goederen en diensten met betrekking tot twee voertuigen Chrysler Grand Voyager die als lichte vracht auto/camionette werden geïmmatriculeerd, met als respectieve chassisnummers … en …;

\- de Belgische Staat (Minister van Financiën) te veroordelen tot betaling aan haar van :

\- 6.082,64 euro (245.373 BEF), te vermeerderen met de wettelijke interesten a rato van 0,8 % per maand vanaf 25 maart 1997;

\- het bedrag van de BTW door haar sinds 1 juli 1996 met betrekking tot voormelde voertuigen gedragen, onder aftrek van de reeds door haar afgetrokken BTW (50 %), het saldo zijnde te vermeerderen met de wettelijke interesten a rato van 0,8 % per maand sinds de respectievelijke data van aftrekbaarheid.

Verder vraagt zij haar **vorderingen in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring** ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- *in hoofdorde* - ten aanzien van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) het tussen te komen vonnis gemeen te verklaren, en de Belgische Staat (Minister van Financiën) en de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) in solidum te horen veroordelen tot het terugbetalen aan haar van de ten onrechte ingehouden BTW op leveringen en diensten met betrekking tot de twee voertuigen, meer de op de betrokken som inmiddels vervallen, interesten en al de gedingkosten;

\- *ondergeschikt* - voor zover de rechtbank haar verzet ten aanzien van de Belgische Staat (Minister van Financiën) ongegrond zou verklaren, de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) te veroordelen tot het terugbetalen aan haar van de ten onrechte ingehouden BTW op levering en diensten met betrekking tot de twee voertuigen, te vermeerderen met de inmiddels vervallen interesten op deze sommen en al de gedingkosten;

\- *uiterst ondergeschikt* - voor zover de rechtbank haar verzet ten aanzien van de Belgische Staat (Minister van Financiën), alsook de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring ten aanzien van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) ongegrond zou verklaren. de NV **D.** Belgium Luxembourg te veroordelen tot vrijwaring van haar en tot terugbetaling aan haar van de ingehouden BTW op leveringen en diensten met betrekking tot de twee voertuigen, meer de inmiddels vervallen interesten op deze sommen en al de gedingkosten.

Ten slotte vraagt zij het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande elk verhaal en zonder, borg of kantonnement.

De Belgische Staat (Minister van Financiën) vraagt het verzet van de BVBA **S.** ontvankelijk, doch in de hierna bepaalde mate ongegrond te verklaren, d.i. haar in haar eis zoals geformuleerd in de hoofdvordering af te wijzen.

De Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) vraagt de vordering in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring van de BVBA **S.** lastens haar onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

De NV **D.** Belgium Luxembourg vraagt :

\- *in hoofdorde* - voor recht te zeggen dat de vordering van de BVBA **S.** in zoverre gericht tegen de Belgische Staat (Minister van Financiën) en/of tegen de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) gegrond is; dientengevolge te stellen dat de vordering in tussenkomst en vrijwaring gericht tegen haar zonder voorwerp is;

\- *in ondergeschikte orde* - in het geval waarin de rechtbank van oordeel zou zijn dat de vordering van de BVBA **S.** gericht tegen de Belgische Staat (Minister van Financiën) en/of tegen de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) ongegrond is, de vordering in tussenkomst en vrijwaring gericht tegen haar ongegrond te verklaren en de BVBA **S.** in haar eis af te wijzen.

### B. BEOORDELING

#### 1) Wat de hoofdvordering van de BVBA S. lastens de Belgische Staat (Minister van Financiën) betreft :

#### a) Wat de beweerde procedurefouten en de ingeroepen schending van het beginsel van behoorlijke bestuur betreft :

**a.1.** De BVBA **S.** werpt op dat zij op 9 september 1996 werd gevraagd een BTW van 5.228,89 euro (210.933 BEF) in hoofdsom, evenals een boete en interesten te betalen, terwijl deze aanvraag haar werd gericht zonder dat het proces-verbaal van de vaststellingen van de administratie van 6 september 1996 haar werd overgemaakt. Bovendien werd het proces-verbaal van 6 september 1996 haar op 15 december 1997 toegestuurd, als antwoord op de door haar geuite grieven en zonder dat er op deze grieven op één of andere wijze werd geantwoord. Het proces-verbaal dateert trouwens van 6 september 1996, d.w.z. voor zij haar bezwaren liet gelden.

De BVBA **S.** meent dat zulke werkwijze het beginsel van behoorlijk bestuur schendt, nu de belastingplichtige kan vrezen dat zijn lot reeds op voorhand werd geregeld zonder mogelijkheid zijn standpunt te laten gelden, vermits al de door hem toegestuurde documenten steeds dezelfde inhoud hebben zonder dat de administratie gedacht heeft haar middelen te moeten ontmoeten.

**a.2.** Met reden doet de Belgische Staat (Minister van Financiën) gelden dat hij op het eerste verzoek van de BVBA **S.** onverwijld het proces-verbaal van 6 september 1996 heeft meegedeeld. Na schriftelijk bezwaar gericht aan de BTW-directie te Mechelen werd alsnog een correctieopgave verzonden aan de BVBA **S.**, waarbij haar een redelijke termijn werd gelaten om de zaak desgevallend te regulariseren.

Verder treedt de rechtbank de Belgische Staat (Minister van Financiën) bij, wanneer hij stelt dat de uitlatingen van de BVBA **S.** omtrent de vermeende vooringenomenheid niet kunnen worden bijgetreden. Uit de chronologie der feiten blijkt inderdaad, zoals Belgische Staat (Minister van Financiën) voorhoudt, dat de BTW-administratie afdoende heeft geantwoord op de door de BVBA **S.** geformuleerde bezwaren. Dat de BTW-administratie in deze steeds bij haar standpunt is gebleven, maakt nog geen schending van het beginsel van behoorlijke bestuur uit.

#### b) Wat de beweerde schending van de communautaire bepalingen inzake het recht op aftrek betreft :

**b.1.** De NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, stelt dat aftrekbeperking van art. 45, § 2 W.BTW op minstens twee punten strijdig is met het EG-recht.

*In de eerste plaats* stelt de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, dat de geldigheidsduur van de aftrekbeperking is verstreken.

Zij wijst erop dat art. 45, § 2 W.BTW in samenhang moet worden gelezen met [art. 17, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting (77/388/EEG). Volgens de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, verliep de in deze laatste bepaling voorkomende termijn van 4 jaar uiterlijk op 31 december 1982. Dit verstrijken van deze termijn heeft tot gevolg gehad dat de algemene bestaande regels inzake de aftrek van BTW, en meer bepaald [art. 17, § 2 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17), van rechtswege toepassing vinden zolang de Raad geen andere Richtlijn in deze materie aanneemt.

Bij gebreke aan een communautaire bepaling die een forfaitaire beperking toestaat van het recht op aftrek, meent de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, dat dit recht onmiddellijk kan worden uitgeoefend op het totale bedrag van de BTW geheven over de inkomende handelingen. De door de Lidstaten ingevoerde forfaitaire aftrekbepalingen hebben immers hun rechtskracht verloren bij het verstrijken van de vooropgestelde termijn.

*In de tweede plaats* meent de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, dat, indien wordt geoordeeld dat de nationale beperkingen op de BTW-aftrek nog steeds geldig zijn niettegenstaande de oorspronkelijke opgelegde termijn voor het nemen van een communautaire regeling reeds lang verstreken is, dan nog moet worden vastgesteld dat de aftrekbeperking van art. 45, § 2 W.BTW in casu in strijd is met het EG-recht, nu vaststaat dat de BVBA **S.** de Chrysler Voyager heeft aangekocht en gebruikt voor strikt beroepsmatige doeleinden.

Het basisbeginsel is dat de belastingplichtigen steeds recht hebben op aftrek van de voorbelasting, zoals bepaald in [art. 17, § 2 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17).

Ter zake verwijst de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, naar de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer bepaald naar het arrest van 19 september 2000 inzake **A.** SA (gevoegde zaken 177/99 en [C-181/99](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-177-99-arret)) en het arrest van 8 januari 2002 inzake Metropol Treuhand (zaak [C-409/99](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-99-arret)).

In het arrest **A.** SA heeft het Hof van Justitie duidelijk en ondubbelzinnig gesteld dat de daarin beoogde uitsluiting of beperking van de BTW-aftrek (op de uitgaven voor verblijf, spijzen of dranken, onthaal en ontspanning) ongeldig is, want in strijd met het basisbeginsel van de Zesde BTW-Richtlijn. Volgens de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, kan ingevolge dit arrest de beperking van de aftrek van de BTW op autokosten niet worden gehandhaafd.

In het arrest Metropol Treuhand besliste het Hof van Justitie dat [art. 17, § 6, lid 2 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) zich ertegen verzet dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van deze Richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op aftrek van BTW uitsluit, wanneer voor deze ten tijde van de inwerkingtreding van deze Richtlijn recht op aftrek van de BTW bestond.

Volgens de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, staat het vast dat de weigering van de Belgische Staat (Ministerie van Financiën) om de Chrysler Voyager niet langer te erkennen als lichte vrachtwagen het gevolg is van een wijziging in 1990 van de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987.

**b.2.** *Wat de eerste beweerde schending van de communautaire bepalingen inzake het recht op aftrek betreft*, stelt de rechtbank vast dat het aangehaalde [art. 17, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) letterlijk als volgt luidt :

*"Uiterlijk binnen 4 jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten.*

*Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag''*.

Terecht doet de Belgische Staat (Minister van Financiën) in dat verband opmerken dat de Lidstaten de uitsluitingen van het recht op aftrek van BTW mogen handhaven, zelfs al heeft de Raad voor het verstrijken van de in art. 17, § 6, eerste lid genoemde termijn van 4 jaar niet bepaald voor welke uitgaven geen recht op aftrek bestaat (zie : H.v.J., 5 oktober 1999, nr. [C-305/97](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-305-97-arret), inzake Royscot Leasing ltd. e.a. t/ Commissioners of Customs and Excise, FJ.F., 2000, 352; Jurispr. 1999, I, 6671; T.F.R., 2000, 364). Als de gemeenschapswetgever niet binnen de gestelde termijn optreedt, blijven de overgangsbepalingen van kracht, en blijft in casu de aftrekbeperking van art. 45, § 2 W.BTW, die reeds dateert van voor 1 januari 1979, van kracht.

**b.3.** Nu de rechtbank van oordeel is dat de nationale beperkingen op de BTW-aftrek nog steeds geldig zijn niettegenstaande de oorspronkelijk opgelegde termijn voor het nemen van een communautaire regeling reeds lang verstreken is, dient zij ook *de tweede beweerde schending van de communautaire bepalingen inzake het recht op aftrek te onderzoeken*.

Met reden doet de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, gelden dat het basisbeginsel is dat de belastingplichtigen steeds recht hebben op aftrek van de voorbelasting, zoals bepaald in [art. 17, § 2 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) en dat de mogelijke uitsluitingen en beperkingen van een basisregel van het gemeenschappelijke BTW-stelsel, nl. het recht op aftrek strikt dienen te worden geïnterpreteerd.

Het hiervoor aangehaalde arrest **A.** betrof de vraag van de geldigheid van een beschikking 89/487 van de Raad van 28 juli 1989 waarbij aan Frankrijk, op grond van [art. 27 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-27) dat toelaat om van art. 17 af te wijken, de toelating werd verleend om de uitsluiting van het recht op aftrek, die reeds gold voor representatiekosten uit te breiden tot een algemene uitsluiting van de aftrek van de BTW op de uitgaven voor verblijf, spijzen of dranken, onthaal en ontspanning.

In zijn arrest heeft het Hof van Justitie voormelde beschikking 89/487 ongeldig verklaard omdat zij in strijd is met het basisbeginsel van de Zesde BTW-Richtlijn, zijnde het recht op BTW-aftrek.

De NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, stelt dat de situatie in casu identiek is : het wordt niet betwist dat de uitgaven die de BVBA **S.** heeft gedaan met betrekking tot de Chrysler Voyager een beroepsmatig karakter hebben, maar het recht op BTW-aftrek wordt ten belope van 50 % uitgesloten.

Met reden verwijst de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, naar de rechtsleer, die reeds duidelijk heeft gesteld dat ingevolge het arrest **A.** de beperking van de aftrek van de BTW op autokosten niet kan worden gehandhaafd (zie : AMAND, C., "Cour de Justice et TVA - Limitations forfaitaires de déduction jusqu'à preuve contraire ?", Actualités Fiscales, 4 oktober 2000, 34/1 e.v.).

Het hiervoor aangehaalde arrest Metropol Treuhand betrof de BTW-aftrekbeperking voor uitgaven betreffende bepaalde voertuigen. Zo had de Oostenrijkse overheid begin 1996 de door haar gehanteerde criteria ter classificatie van de voertuigen gewijzigd, zodat bepaalde modellen van mono-volumewagens niet langer een volledig, recht op BTW-aftrek genoten.

Het Hof van Justitie oordeelde evenwel dat [art. 17, § 6, tweede lid van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) zich ertegen verzet dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op aftrek van BTW uitsluit, wanneer voor deze uitgaven ten tijde van de inwerkingtreding van deze Richtlijn recht op aftrek van de BTW bestond.

Terecht meent de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, dat wat de Belgische bestuurspraktijk betreft, uit dit arrest kan worden afgeleid dat het bestuur niet gerechtigd is om een voertuig als een wagen voor personenvervoer of voor dubbel gebruik, en dus niet als een lichte vrachtwagen te beschouwen, louter wegens het niet vervuld zijn van een voorwaarde die wel in de momenteel toegepaste aanschrijving is opgenomen, maar die nog niet gold voor de datum van inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn (in dezelfde zin, zie : VANDENBERGHE, L., "Betreffende de waarde van de BTW-aanschrijvingen inzake de classificatie van de voertuigen", noot onder Rb. Brugge, 2 april 2001 en Rb. Antwerpen, 7 november 2001, RW., 2002-2003, 513).

Met reden doet de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, gelden dat in casu vaststaat, en door de Belgische Staat (Minister van Financiën) zelfs uitdrukkelijk wordt erkend, dat het ongedaan maken van de erkenning van de Chrysler Voyager als lichte vrachtwagen het gevolg is van een wijziging in 1990 (meer bepaald door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990) van de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987.

Het staat bijgevolg vast, zoals terecht wordt gesteld door de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**, dat de beslissing van de overheid om de erkenning van de Chrysler Voyager als lichte vrachtwagen in te trekken, is gesteund op nieuwe en strengere voorwaarden die eind 1990 werden uitgevaardigd.

Welnu, de uitbreiding van de beperking van de BTW-aftrek via verstrenging en aanpassing van de voorwaarden waaraan voertuigen moeten voldoen om te worden erkend als lichte vrachtwagen is in strijd met de leer van het arrest Metropol Treuhand, zoals met reden wordt voorgehouden door de NV **D.** Belgium Luxembourg, daarin gevolgd door de BVBA **S.**.

Derhalve dient de hoofdvordering van de BVBA **S.** te worden ingewilligd.

Wel bedraagt de rentevoet van de wettelijke interesten inzake BTW sedert 1 januari 1999 7 % per jaar.

**2)** **Wat de vorderingen in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring van de BVBA S. lastens de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) en de NV D. Belgium Luxembourg betreft :**

#### a) Wat de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring lastens de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) betreft :

**a.1.** Wat de ontvankelijkheid van deze vordering betreft

De Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) stelt dat hij niet in tussenkomst kan worden gedagvaard, nu de Belgische Staat één en ondeelbaar is, en (weliswaar vertegenwoordigd door een andere Minister) reeds in de zaak betrokken is, zodat de BVBA **S.** bijgevolg geen belang meer heeft om hem in deze zaak te betrekken.

Met reden doet de BVBA **S.** evenwel gelden dat, hoewel de Belgische Staat inderdaad één en ondeelbaar is met slechts één patrimonium, hij in zijn buitengerechtelijke en gerechtelijke verhoudingen met derden rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door de Minister van het departement waarop die verhoudingen betrekking hebben, en zover die van belang zijn voor de begroting van dat departement. Ondanks de eenheid en de ondeelbaarheid van de Staat kunnen dus tegelijk twee of meer Ministeriële departementen aansprakelijk zijn zonder dat de aansprakelijkheid van het ene departement enige invloed heeft op de aansprakelijkheid van het andere (zie : Cass., 21 april 1989, Arr. Cass., 1988-89, 977 De Verz., 1990, 552; Pas., 1989, I, 874; R.W., 1989-90, 120). Bovendien komt het aan elke Minister toe om afzonderlijk de zaken van zijn departement te behandelen, de desbetreffende uitgaven te regelen en zich tegen eventuele daarmee verband houdende vorderingen te verweren.

In casu betreft de vordering, zoals ingesteld in de oorspronkelijke dagvaarding, een betwisting met betrekking tot de BTW-schuld, en betreft deze de verantwoordelijkheid van het departement Financiën. Echter het departement Financiën stelt dat het Ministerie van Verkeerswezen verantwoordelijk is voor de betwiste kwalificatie van de kwestieuze voertuigen.

Om de hiervoor aangehaalde redenen dient de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring van de BVBA **S.** lastens de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) ontvankelijk te worden verklaard.

**a.2.** Wat de gegrondheid van deze vordering betreft

Indien wordt geoordeeld dat de door de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) opgestelde documenten het resultaat zijn van een administratieve misslag en dat de BTW-administratie niet gebonden is door een foutieve kwalificatie door het Ministerie van Verkeerswezen, staat volgens de BVBA **S.** onbetwistbaar vast dat de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) door deze misslag haar vertrouwen heeft geschonden.

Door het schenden van het beginsel van behoorlijk bestuur, wat in hoofde van de administratie een fout uitmaakt, heeft de BVBA **S.** naar eigen zeggen schade geleden.

Haar beslissing om kwestieuze voertuigen aan te schaffen werd immers wel degelijk geïnspireerd door de erkenning van het bewuste model door de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) als lichte vrachtwagen, zodat zij mocht vertrouwen dat voor deze voertuigen de BTW voor 100 % aftrekbaar was. Waren deze voertuigen door de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) niet als lichte vrachtwagens erkend, dan zou zij twee andere bedrijfswagens hebben aangekocht, waarvoor de BTW wel volledig aftrekbaar was.

Indien thans wordt geoordeeld dat de Belgische Staat (Minister van Financiën) niet gebonden is door de foutieve kwalificatie van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), dan kan de BVBA **S.** de BTW op de leveringen en diensten met betrekking tot de kwestieuze voertuigen slechts ten belope van de helft aftrekken in plaats van voer de volle 100 %, hetgeen gevolgen heeft voor haar bedrijfsresultaat (daling van haar winst).

De BVBA **S.** meent dat de fout van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), de schade en het oorzakelijk verband in casu dan ook onbetwistbaar vaststaan.

De rechtbank is van oordeel dat de Belgische Staat (Minister van Financiën) niet gebonden is door de foutieve kwalificatie van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), en dat door de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) een fout werd begaan door haar erkenning van het bewuste model als lichte vrachtwagen.

Wel gaat de rechtbank met de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) akkoord dat er geen causaal verband bestaat tussen de fout van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), nl. de inschrijving van het voertuig als lichte vrachtwagen, en de door de BVBA **S.** ingeroepen schade, nl. de aan de Belgische Staat (Minister van Financiën) verschuldigde BTW.

Dit vloeit duidelijk voort uit het feit dat de Belgische Staat (Minister van Financiën), zoals gezegd, niet gebonden is door de foutieve kwalificatie van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen).

Verder treedt de rechtbank de stelling van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) bij dat niet is aangetoond dat de BVBA **S.** de wagens niet zou hebben aangekocht of geleased indien zij had geweten dat de BTW slechts voor de helft aftrekbaar was.

Nu de BVBA **S.** niet aantoont dat de fout van de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) met zekerheid haar beweerde schade heeft veroorzaakt, dient haar vordering in tussenkomst, vrijwaring een gemeenverklaring lastens de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), zoals geformuleerd in hoofdorde, te worden afgewezen.

Aangezien de rechtbank het verzet van de BVBA **S.** ten aanzien van de Belgische Staat (Minister van Financiën) niet ongegrond heeft verklaard, dient zij niet in te gaan op de vordering in tussenkomst, vrijwaring een gemeenverklaring lastens de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen), zoals geformuleerd in ondergeschikte orde.

#### b) Wat de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring lastens de NV D. Belgium Luxembourg betreft :

Nu de rechtbank het verzet van de BVBA **S.** ten aanzien van de Belgische Staat (Minister van Financiën) gegrond heeft verklaard, dient haar vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring lastens de NV **D.** Belgium Luxembourg zonder voorwerp te worden verklaard,

**3) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het te vellen vonnis betreft, niettegenstaande elk verhaal en zonder borg of kantonnement :**

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van de BVBA **S.** om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borg.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, *J.T.*, 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K, Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat de BVBA **S.** haar vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door de BVBA **S.** gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, **na tegenspraak**.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de hoofdvordering van de BVBA **S.** ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt voor recht dat de BVBHA **S.** gerechtigd was en is de BTW integraal af te trekken op de aankoopprijs en alle goederen en diensten met betrekking tot twee voertuigen Chrysler Grand Voyager die als lichte vracht auto/camionette werden geïmmatriculeerd, met als respectieve chassisnummers … en ….

Veroordeelt de Belgische Staat (Minister van Financiën) tot betaling aan de BVBA **S.** van :

\- 6.082,64 euro (245.373 BEF), te vermeerderen met de wettelijke interesten a rato van 0,8 % per maand vanaf 25 maart 1997 tot 1 januari 1999 en a rato van 7 % per jaar sedertdien;

\- het bedrag van de BTW door haar sinds 1 juli 1996 met betrekking tot voormelde voertuigen gedragen, onder aftrek van de reeds door haar afgetrokken BTW (50 %), het saldo zijnde te vermeerderen met de wettelijke interesten a rato van 0,8 % per maand sinds de respectievelijke data van aftrekbaarheid tot 1 januari 1999 en a rato van 7 % per jaar sedertdien.

Verklaart de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring van de BVBA **S.** lastens de Belgische Staat (Minister van Verkeerswezen) ontvankelijk, doch ongegrond.

Verklaart de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring van de BVBA **S.** lastens de NV **D.** Belgium Luxembourg zonder voorwerp.

Veroordeelt de Belgische Staat (Minister van Financiën) tot de kosten van het geding, begroot op 76,38 euro (dagvaarding) + 334.66 euro (RPV) in hoofde van de BVBA **S.**;

Veroordeelt de BVBA **S.** tot de kosten in tussenkomst begroot op 241,03 euro (dagvaarding in tussenkomst) voor haarzelf, in hoofde van de Belgische Staat (Minister van Mobiliteit), op 334,66 euro (RPV) en in hoofde van de NV **D.** Belgium Luxembourg op 334,66 euro (RPV)

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borg.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van : **6 juni 2003**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **J. V.**, alleenrechtsprekend rechter, en

mevrouw **R. B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**R. B.** **J. V.**

## Textes cités

5

[6e directive 77/388 art. 17](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) 7 occurrences

[6e directive 77/388 art. 27](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-27) 1 occurrence

[C-177/99 et C-181/99, arrêt du 19 septembre 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-177-99-arret) 1 occurrence

[C-305/97, arrêt du 5 octobre 1999](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-305-97-arret) 1 occurrence

[C-409/99, arrêt du 8 janvier 2002](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-99-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Vol;tabacs manufacturés;produits soumis à accises;restitution de la taxe;directives européennes, conventions et ordonnances](https://juriel.be/fr/jurisprudence/vol-tabacs-manufactures-produits-soumis-tribunal-bruxelles-2006-02-06-02a7) 2 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-bruxelles-2009-09-10-345e) 2 dispositions communes

[Droit à déduction de l’impôt, régime particulier](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-regime-particulier-tribunal-bruxelles-2006-02-06-6d0b) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Étendue du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-etendue-services-courtage-tribunal-bruxelles-2024-06-24-02f4) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 1 dispositions communes

[Amende fiscale, Proportionnalité de l’amende fiscale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-reduction-diminution-cassation-bruxelles-2022-09-23-1884) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Prorata de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-prorata-tva-amont-cassation-bruxelles-2021-05-21-1ead) 1 dispositions communes
