---
title: "27 février 2007 · Droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 27 février 2007."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2007-02-27-85c2"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

27 février 2007

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

85 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 27.02.2007

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **04/841/A** Rep. nr. 2007/3045

**de NV A. P.**, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **A. V.** (balie Kortrijk) loco Meester **J. S.** en Meester **S. H.**, beiden advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

\- de heer directeur van het AOIF-controlecentrum te KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoverniersstraat 31,

\- mevrouw de e.a. inspecteur van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoverniersstraat 31,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **F. W.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 12 maart 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 30 januari 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE …, voor de activiteit van personeelsselectie - en plaatsingsbureau. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW­wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 27 mei, 11 juni en 1 oktober 2003 werd door **E. M.**, e.a. inspecteur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Op 2 december 2003 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar.

Op 4 december 2003 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 11 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **R. L.**, gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

Tegen dit dwangbevel werd op 12 maart 2004 verzet aangetekend door eiseres.

**2.** Eiseres vraagt dat :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het dwangbevel wordt vernietigd, minstens ongegrond wordt verklaard;

\- minstens kwijtschelding of substantiële vermindering van de boete en intresten wordt bevolen;

\- dienvolgens opheffing wordt bevolen van het beslag op roerend goed d.d. 9 maart 2004;

\- teruggave wordt bevolen van de ten onrechte ingehouden of ingevorderde bedragen, te vermeerderen met de intresten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

\- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, spijts elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

**3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### B. Betreffende de grond

#### 1. motivering van het dwangbevel

**1.1.** Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot daadwerkelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, en éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 op de motivering van bestuurshandelingen.

De wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn". M.a.w. de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld.

**1.2.** Het proces-verbaal van 2 december 2003, opgemaakt door **E. M.**, dient als motivering van het betwiste dwangbevel.

Volgens eiseres is het dwangbevel niet afdoende gemotiveerd wat betreft de verwerping van de BTW voor kledij en meubilair en inrichting van het pand in de ….

De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van 2 december 2003 verwezen wordt naar artikel 45, § 1 W.BTW en naar [artikel 1 van het KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art1). Verder wordt gemeld dat in strijd met die bepalingen BTW geheven van bepaalde leveringen van goederen ten onrechte is afgetrokken omdat die goederen volledig of gedeeltelijk bestemd waren voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige. Dan wordt verwezen naar 3 facturen betreffende kleding, waarbij telkens verwezen wordt naar het merk van de kleding en wordt vermeld "betreft geen specifieke beroepskledij die eveneens inzake inkomstenbelasting aftrekbaar is". Wat betreft het meubilair en de inrichting wordt verwezen naar 5 facturen met vermelding van leverancier en goed en wordt vermeld dat deze goederen niet aanwezig waren tijdens de controles en de beloofde stukken om het bedrijfsmatig karakter aan te tonen nooit meegedeeld zijn.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing worden vermeld zodoende dat het dwangbevel afdoende gemotiveerd is.

Er is geen betwisting omtrent de afdoende motivering betreffende het verwerpen van de BTW op de helikoptervluchten.

#### 2. kosten voor kledij

**2.1.** Eiseres heeft de BTW m.b.t. 3 facturen voor aankoop van kledij afgetrokken voor een totaal bedrag van 38.234 BEF (947,80 EUR).

**2.2.** Terecht verwerpt verweerder deze aftrek nu eiseres die inzake de bewijslast heeft, niet aantoont dat deze goederen gebruikt worden voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1 W.BTW. Gezien op basis van het merk van de kledij (**A.** en **P. P.**) kan afgeleid worden dat het geen specifieke beroepskledij betreft, kan geen recht op aftrek worden verleend nu eiseres niet aantoont dat deze goederen gebruikt worden voor de belastbare handelingen gesteld in het kader van haar economische activiteit.

#### 3. kosten van meubilair en inrichting van het pand in de …

**3.1.** Eiseres heeft de BTW m.b.t. 5 facturen voor aankoop van meubilair en raamdecoratie afgetrokken voor een totaal bedrag van 365.368 BEF (9.057,24 EUR).

**3.2.** Terecht verwerpt verweerder deze aftrek nu eiseres die inzake de bewijslast heeft, niet aantoont dat deze goederen gebruikt worden voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1 W.BTW.

Uit de data van de facturen is af te leiden dat de betreffende goederen werden geleverd in de periode september tot november 2001 en reeds in mei 2003 zijn deze goederen niet meer aanwezig bij eiseres, terwijl het toch geen goederen betreft met een korte gebruiksduur. Bovendien hangt eiseres bij de controles een verhaal op (de goederen zijn meegenomen door de ex-echtgenote van de gedelegeerd bestuurder en er is een rechtszaak ingespannen om de goederen terug te vorderen) waarvan zij tot op vandaag geen enkel bewijs van voorlegt.

Er kan dan ook geen recht op aftrek verleend worden nu eiseres niet aantoont dat de betreffende goederen gebruikt worden voor de belastbare handelingen gesteld in het kader van haar economische activiteit.

#### 4. kosten van onthaal

**4.1.** Eiseres heeft de BTW m.b.t. 2 facturen voor helikoptervluchten afgetrokken voor een totaal bedrag van 39.267 BEF (973,40 EUR).

Volgens verweerder betreft het kosten van onthaal en is de BTW conform artikel 45, § 3, 4° W.BTW niet aftrekbaar. Volgens eiseres betreft het publiciteitskosten.

**4.2.** De discussie m.b.t. de vraag of de betreffende facturen betrekking hebben op kosten van onthaal of op publiciteitskosten, kan slechts beoordeeld worden op basis van de concrete, feitelijke achtergrond.

De vraag is dus waarvoor die gefactureerde helikoptervluchten werkelijk hebben gediend.

Kosten van onthaal kunnen omschreven worden als kosten gemaakt voor klanten of gasten zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten opzichte van de onderneming.

Nu eiseres gebruik wil maken van haar recht op aftrek van voorbelasting, draagt zij de aanvoerings- en bewijslast betreffende de feiten.

Zij voert aan dat het om vluchten gaat die als publiciteit aangeboden worden aan goede klanten, om hen vanuit de lucht het bedrijf van eiseres en de omgeving er rond te laten zien. Deze kosten zijn volgens haar dus gericht op het binnenhalen van nieuwe opdrachten van deze klanten, want deze klanten weten dat deze vluchten alleen worden aangeboden aan goede klanten. Op die manier worden volgens eiseres de klanten aangezet om regelmatig een beroep te doen op de diensten van eiseres.

Op zich is dat een valabele uitleg die zou kunnen verantwoorden dat daartoe gebruik gemaakt wordt van een helikopter. Daarmee lost eiseres nochtans slechts haar aanvoeringsplicht in. Daarnaast moet zij de aangevoerde feiten nog bewijzen.

De rechtbank stelt evenwel vast dat eiseres zelfs de betreffende facturen niet voorlegt. Eiseres bewijst ook niet (bijvoorbeeld door uitnodigingen) welke 'goede' klanten een helikoptervlucht boven haar bedrijf hebben mogen maken. Eiseres bewijst ook niet dat de kosten gemaakt werden ter gelegenheid van een evenement op haar bedrijf of ter promotie van een bepaald product of dienst.

Gezien helikoptervluchten op zich niets te maken hebben met de economische activiteit van eiseres en zij nalaat te bewijzen in welke concrete omstandigheden de kosten werden gemaakt, mag verweerder er terecht van uit gaan dat het kosten van onthaal betreft, namelijk kosten zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten opzichte van de onderneming.

#### 5. kwijtschelding of vermindering van boete en intresten

**5.1.** Eiseres brengt geen argumenten aan om een kwijtschelding of vermindering van de boete en intresten toe te staan.

**5.2.** Gezien de ernst van de overtredingen meent de rechtbank dat een boete van 10 % in verhouding billijk is.

De wettelijke intrest is een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Intresten op een BTW-schuld is een schuld die de belastingplichtige moet dragen.

Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks deze schuld kwijt te schelden.

### C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **dinsdag zevenentwintig februari tweeduizend en zeven**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N.L.** **L. D. P.**

## Textes cités

1

[AR no 3 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence
