---
title: "4 mai 2004 · Droit à déduction de l’impôt · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Droit à déduction de l’impôt. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 4 mai 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruges-2004-05-04-53ed"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

4 mai 2004

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

199 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 04.05.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :**

## In de zaak AR nr. 01/1924/A

**van**

**de CV "I. S. voor A. en K.**" (afgekort "l.S.A.K."), met maatschappelijke zetel te …, …, en ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **J. S.**, advocaat te ….

**tegen :**

**1.** **de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer e.a. Inspecteur van het 2de BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,

**2.** **de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer e.a. Inspecteur van het 2de BTW-Ontvangkantoor lzegem, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8870 Izegem, Kasteelstraat nr. 19,

**verweerders, hiernagenoemd "verweerder"**

vertegenwoordigd door meester **J. V. d. P.**, advocaat te ….

## En in de zaak : AR nr. 03/834/A

**de CV "I. S. voor A. en K."** (afgekort "I.S.A.K."), met maatschappelijke zetel te …, …, en ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **J. S.**, advocaat te ….

**tegen :**

**1. de heer D. C.**, boekhouder, wonende te …, …,

eerste verweerder,

**2.** **de BVBA A., F., D. & P.**, burgerlijke vennootschap die de vorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, ingeschreven in het register der burgerlijke vennootschappen te Kortrijk onder nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …, thans in vereffening gesteld, en met vereffenaar, meester **L. A.**, advocaat te ….

**tweede verweerster,**

**3.** **de BVBA D. I.**, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …,

**derde verweerster,**

allen vertegenwoordigd door meester **R. C.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 april 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

**In de zaak 01/1924/A**

1\. de gedinginleidende dagvaarding van 18 juni 2001;

2\. de conclusie voor verweerder van 28 september;

3\. het tussenvonnis van de rechtbank van 11 december 2001 waarin toepassing gemaakt werd van artikel 877 Ger. W.

4\. de gerechtsbrieven artikel 878 Ger. W. van 14 december 2001 gericht aan de verweerders in de zaak 03/0834/A;

5\. het antwoord van tweede en derde verweersters in de zaak 03/0834/A van 15 januari 2001;

6\. de conclusie voor eiseres van 28 mei 2002;

7\. de conclusie voor eiseres van 18 december 2003;

8\. de conclusie voor verweerder van 20 januari 2004 en

9\. de conclusie voor eiseres van 24 februari 2004.

**In de zaak 03/0834/A**

1\. de gedinginleidende dagvaarding voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 6 juni 2002;

2\. de conclusie voor eiseres van 9 september 2002;

3\. de conclusie voor verweerders van 4 november 2002;

4\. het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Kortrijk van 4 maart 2003 dat de zaak verwijst naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge;

5\. de conclusie voor verweerders van 26 september 2003;

6\. de conclusie voor eiseres van 10 november 2003;

7\. de conclusie voor verweerders van 22 december 2003 en

8\. de conclusie voor eiseres van 3 februari 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## ll. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. Voorafgaande bemerkingen*

Nu in de twee zaken die hieronder behandeld worden, de CV I.S.A.K. telkens eisende partij is, duiden wij haar aan met de term 'eiseres'. De verweerder in de zaak 01/1924/A zullen wij aanduiden met de term 'de BTW-administratie' en de verweerders in de zaak 03/0834/A zullen wij bij naam noemen.

De BVBA **A. F. D. & P.** is kennelijk in vereffening gesteld. In het *dictum* kan daarmee rekening gehouden worden. In de historiek en de overwegingen is dat niet relevant. Ook voor de procedure volstaat het vast te stellen dat de vereffenaar het geding verder zet en dit namens de BVBA **A. F. D. & P.** **in vereffening**. Er is geen overlijden en geen wijziging van hoedanigheid (zijnde vermeende aansprakelijke wegens niet-neerlegging van stukken die zij onder zich zou gehouden hebben) zodat er geen hervatting van het geding nodig is.

*2. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Met betrekking tot de gegevens voor de zaak 01/1924/A kan verwezen worden naar het tussenvonnis van 11 december 2001.

De nadere uitwerking van de feiten zal aan bod komen bij de bespreking van de discussie in rechte.

Voor de zaak 03/0834/A is van belang te weten dat de heer **C. D.** de zaakvoerder is van zowel de BVBA **A. F. D. & P.** als de BVBA **D. I.**. Wel hebben de zaakvoerster van eiseres en de heer **C. D.** elk 50 procent van de aandelen van de BVBA **D. I.** in eigendom.

De zaakvoerster van eiseres en **D. C.** waren (of zijn nog) met elkaar gehuwd en hun vennootschappen waren tijdens het samenzijn alle gevestigd op het adres waar zij woonden : de kantoren waren op de bovenverdieping en moesten bereikt worden via de privé-vertrekken. De boekhouding van eiseres bevond zich tijdens het samenwonen van de zaakvoerders van de partijen op dat adres.

Eiseres was een administratiekantoor dat de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** als voornaamste klanten had. Anderzijds leverden zowel de BVBA **A. F. D. & P.** als de BVBA **D. I.** ook prestaties aan eiseres. Zij reikten daartoe facturen uit aan elkaar.

In 1997 waren er ernstige echtelijke moeilijkheden tussen de betreffende zaakvoerders. Waar zij aanvankelijk nog onder hetzelfde dak woonden, was er kennelijk een afspraak dat de zaakvoerster van eiseres niet meer in de kantoorruimte kwam waar de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** hun activiteiten uitvoerden : de kantoorruimte werd afgesloten of minstens werd de zaakvoerster van eiseres geacht daar niet meer te komen.

In de nacht van 11 op 12 december 1997 heeft de zaakvoerster van eiseres zich evenwel toegang verschaft tot de kantoorruimte en met een sleutel waarvan de heer **C. D.** het bestaan niet kende, een kast opengemaakt waaruit zij een fax van de heer **C. D.** en zijn agenda nam om er een kopie van te maken en daarna terug te leggen. De heer **C. D.** heeft dat onmiddellijk gemerkt en 's morgens op 12 december 1997 de politie ter plaatse geroepen. In de aanwezigheid van de politie werden de fotokopies onder het bed van de zaakvoerster van eiseres teruggevonden. Eén en ander hield kennelijk verband met de procedure van voorlopige maatregelen in echtscheiding die toen voor de voorzitter in kort geding te pleiten stond. Van die feiten werd proces-verbaal opgesteld.

Op 12 december 1997 's avonds was de zaakvoerster van eiseres - die kennelijk bezig was met elders haar intrek te nemen - om haar persoonlijke goederen gegaan naar de echtelijke woning. Omdat ze vaststelde dat de deursloten vervangen waren, nam ze contact op met de politie die haar zou aangeraden hebben ofwel een ruit kapot te slaan, dan wel op een slotenmaker beroep te doen. Met behulp van een slotenmaker heeft de zaakvoerster van eiseres zich dan toegang tot de woning verschaft. Bij zijn thuiskomt na middernacht, heeft de heer **C. D.** die feiten vastgesteld en de politie verwittigd. Hij maakte melding van de diefstal van 150.000 frank van de BVBA **A. F. D. & P.** en nog andere stukken waarvan hij later nog meer gegevens zou bezorgen. Daarnaast stelde hij vast dat de persoonlijke kledij van zijn echtgenote weg was alsook een tapijt, verschillende schilderijen en andere zaken.

Op 13 februari 1998 werd de zetel van eiseres officieel overgebracht naar de actuele plaats.

Op 3 april 1998 rechtstreeks en daarop volgend in diverse brieven via IDAC werden de heer **C. D.** en de BVBA **A. F. D. & P.** aangemaand de boekhouding van eiseres te overhandigen. Dat leidde niet tot resultaat. In de loop van de maand augustus 1998 heeft de (toenmalige) advocaat van eiseres kennelijk herhaaldelijk de BVBA **A. F. D. & P.** schriftelijk aangemaand om de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1998 (balans op 31 maart 1998) te doen. Op 31 december 1998 moet de BVBA **A. F. D. & P.** geantwoord hebben dat *"voor de aangifte zal gezorgd worden, waarvan bewijs nog zal worden overgemaakt”*. Toen eiseres van de belastingadministratie een bericht ontving dat haar aangifte nog niet was ingediend en een aanmaning op 22 december 1998 geen resultaat opleverde, liet eiseres op 11 januari 1999 een dagvaarding in kort geding betekenen aan de BVBA **A. F. D. & P.** om afgifte van de boekhoudkundige stukken van eiseres te bekomen. In die procedure stelde de BVBA **A. F. D. & P.** o.a. dat zij op 31 augustus 1998 nog dacht in het bezit te zijn van de boekhoudkundige documenten van eiseres, maar dat zij pas later tot de vaststelling is gekomen dat ze die documenten niet meer had, terwijl zij niet wist wanneer eiseres die documenten zou komen weghalen zijn.

Na een persoonlijke verschijning, achtte de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk de uitleg van de heer **C. D.** geloofwaardig vermits bepaalde privé-vertrekken slechts via de kantoren konden worden bereikt waardoor het hoogst twijfelachtig zou zijn dat de zaakvoerster van eiseres alleen persoonlijke bezittingen zou hebben meegenomen. Gelet verder op het feit dat hij vond dat eiseres nog onvoldoende inspanning gedaan had om bij derden gegevens te bekomen en haar dossier op die manier opnieuw samen te stellen, wees de Voorzitter op 22 april 1999 de vordering af.

Eiseres tekende geen beroep aan tegen die beschikking. Zij kreeg uiteindelijk toch op 22 december 1999 controle vanwege de BTW-administratie voor de periode van 1 april 1995 tot 31 maart 1998, waarvan proces-verbaal werd opgesteld op 9 juni 2000 (zie tussenvonnis van 11 december 2001).

Het bedrag van 1.122.021 frank (27.814,17 euro) dat als BTW werd verschuldigd verklaard was voor een bedrag van 563.001 frank (13.956,43 euro) afkomstig van het verwerpen van het recht op aftrek wegens het feit dat geen inkomende facturen konden worden voorgelegd. Voor het overige (559.020 frank of 13.857,74 euro) betrof het BTW op een meeromzet die was afgeleid uit de aangifte en aanslag in de vennootschapsbelasting.

Op 19 april 2001 kreeg de heer **C. D.** bezoek van dieven die onder andere zijn TV-toestel, zijn wagen, GSM, brieventas, draagbare computer en een boektas meenamen. Er wordt in de meer gedetailleerde lijst van gestolen goederen geen melding gemaakt van boekhoudkundige documenten die in deze zaak aan de orde zijn.

Na betekening van het dwangbevel dat op basis van dat proces-verbaal volgde en na een akte inhouding vroeg en bekwam eiseres eerst nog begrip van de Administratie die bij de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** een controle deed en navraag deed naar hun boekhoudkundige stukken die verband hielden met eiseres. De BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** hebben toen, wat de BVBA **A. F. D. & P.** al eerder, namelijk begin februari 2000, aan haar eigen controledienst had laten weten, gesteld dat ook hun eigen boekhouding gestolen was.

Uiteindelijk heeft eiseres dan op 18 juni 2001 met een dagvaarding de zaak 01/1924/A ingeleid (zie het tussenvonnis van 11 december 2001).

In het tussenvonnis van 11 december 2001 werd aan de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** een maand de tijd gegeven om de concreet opgesomde stukken neer te leggen ter griffie. Alleen de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** reageerden met een brief waarin ze beiden stelden dat ze de boekhoudkundige stukken van eiseres niet konden neerleggen omdat ze niet meer in hun bezit waren *"gezien de verdwijning uit de woning sedert er in december 1997 werd ingebroken"*. Daaraan werd telkens toegevoegd : *"Voor het overige willen wij de Rechtbank verzoeken om uitstel te verlenen, waarvoor dank, ten einde ons toe te laten na te gaan in welke mate aan de opsomming der gevraagde stukken kan voldaan worden, gezien binnen het tijdsbestek van één maand hieraan niet kan worden voldaan."* De rechtbank stelde op 29 januari 2002 de zaak uit naar de zitting van 26 maart 2002. Op 30 januari 2002 stuurde de griffie een brief aan de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** waarin van het uitstel melding werd gemaakt. Daarin werd de volgende passus opgenomen : *De artikelen 877 tot 882 van het Gerechtelijk Wetboek blijven onverminderd toepasselijk. Dat houdt in dat u tot een schadevergoeding kan worden veroordeeld mocht u nalaten op het verzoek in te gaan* (stuk 12 van het dossier van de rechtspleging in de zaak 01/1924/A). Er volgden geen stukken of berichten meer van de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**. De heer **C. D.** antwoordde in het geheel niet al was hij wel de ondertekenaar van de antwoorden van BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**.

Op 6 juni 2002 liet eiseres de dagvaarding betekenen waarmee ze haar vordering in de zaak 03/0834/A instelde.

Bij vonnis van 1 december 2003 werd de BVBA **A. F. D. & P.** door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen in vereffening gesteld. Mr. **L. A.**, advocaat te …, werd als vereffenaar aangesteld. Zij zet als zodanig het geding verder (zie hoger).

*2. De vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert in de zaak 01/1924/A nu nog dat de rechtbank het dwangbevel met RCIV nr. … van 29 augustus 2000 zou nietig verklaren en zou zeggen voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, minstens dat ontheffing moet verleend worden van een gedeelte van de gevorderde bedragen.

Ze vordert ook dat de rechtbank de teruggave zou bevelen van alle op grond van het aldus te vernietigen dwangbevel betaalde of ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire interest.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Eiseres vordert in de zaak 03/0834/A dat ze zou worden samengevoegd met de zaak 01/1924/A.

Zij vordert ten gronde dat de rechtbank de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** hoofdelijk en solidair zou veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 882 van het Gerechtelijk Wetboek, ter vergoeding van de schade die ze leidt door de schending van haar rechten van verdediging in de zaak 01/1924/A, begroot op 1 euro provisioneel.

Eiseres vraagt bovendien dat de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** zouden veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

**De BTW-administratie** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

**De heer C. D., de BVBA A. F. D. & P. en de BVBA D. I.** vorderen dat de rechtbank de vordering zou afwijzen als onontvankelijk, minstens als ongegrond. Minstens vorderden zij dat geen hoofdelijke veroordeling zou worden toegekend.

Zij stellen een tegenvordering en vorderen dat de rechtbank aan elk van hen ten laste van eiseres een schadevergoeding van 7.000 euro zou toekennen, te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf 2 november 2002. Daarnaast vorderen de heer **C. D.** en de BVBA **A. F. D. & P.** ten laste van eiseres elk een schadevergoeding van 3.750 euro wegens het besmeuren van hun goede naam, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2002.

## III. BEOORDELING

*1. De voeging van de zaken*

De hoofdvordering in de zaak 03/0348/A is geënt op het feit dat de rechtbank in zijn tussenvonnis van 11 december 2001 in de zaak 01/1924/A de neerlegging van stukken gevraagd heeft aan de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**. De beoordeling van die hoofdvordering veronderstelt een oordeel in de zaak 01/1924/A. In die zin zijn de beide zaken minstens samenhangend zoals bedoeld in artikel 30 Ger. W. Het is dan ook raadzaam om ze te voegen.

*2. De ontvankelijkheid van de vordering*

De BTW-administratie voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering tegen haar kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering in de zaak 01/1934/A ontvankelijk.

Volgens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** is de vordering jegens hen onontvankelijk omdat het niet aan eiseres zou toekomen om een schadevergoeding te vorderen; eiseres zou ook geen belang of hoedanigheid hebben. Volgens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** bepaalt artikel 882 Ger. W. slechts dat de rechtbank een schadevergoeding kan opleggen aan zij die nalaten zonder wettige reden de gevraagde stukken neer te leggen; het initiatief daartoe zou van de rechter moeten uitgaan. Er zou onderscheid moeten gemaakt worden met het zogenaamde schade verwekkend feit dat erin zou bestaan dat de heer **C. D.**. de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** stukken achterhouden enerzijds en het beweerde niet neerleggen van de gevraagde stukken anderzijds. Die niet-neerlegging zou niet de oorzaak van de beweerde schade van eiseres zijn. Die schade zou alleen veroorzaakt kunnen zijn door een schending van de contractuele plicht die de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** eventueel zouden hebben jegens eiseres. Die plicht is volgens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** te onderscheiden van de plicht krachtens de artikelen 877 e.v. Ger. W. of de algemene zorgvuldigheidsplicht geviseerd door artikel 1382 B.W.

Deze stelling van de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** kan niet worden gevolgd.

Eiseres heeft wel degelijk belang en hoedanigheid om een vordering tot schadevergoeding te stellen op grond van artikel 882 Ger. W. wegens een (vermeende) nalatigheid van de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** om de gevraagde stukken neer te leggen zonder daarvoor een wettige reden te hebben. De schadevergoeding waarover artikel 882 Ger. W. het heeft, is noodzakelijk deze die een compensatie moet bieden voor een schade van een partij, in onderhavig geval eiseres die immers de bewijslast draagt jegens de BTW-administratie.

Het is evident dat een schadevergoeding alleen kan worden opgelegd wanneer de schadelijdende partij daartoe initiatief neemt. Dat gebeurt op incidentele wijze (Fettweis, A., *Manuel de procédure Civile*, Fac.Dr. Liège, 1987, nr. 482, p. 359), zijnde bij tussenvordering zoals voorzien in artikel 13 Ger. W. (hetzij bij tegenvordering, hetzij bij uitbreiding van de vordering tussen partijen, of door de nalatige derde in de zaak te betrekken). Dat is wat eiseres gedaan heeft.

Uit de stukken blijkt dat het contract dat bestond tussen eiseres en de BVBA **A. F. D. & P.** door eiseres al in 1998 werd opgezegd. In die zin komt het voor dat er geen reden is om van contractuele aansprakelijkheid te gewagen. Het onterecht ontstaan van een belastingschuld door het niet-naleven van een contractuele verplichting van een boekhouder is hier niet aan de orde. De belastingschuld zou volgens eiseres ontstaan zijn als gevolg dat de BVBA **A. F. D. & P.** na (de beëindiging van) het contract stukken niet ter beschikking stelt. Zelfs mocht daar nog een contractueel aspect aan verbonden zijn, dan gaat het in wezen om de schending van een verplichting die op iedere burger rust, namelijk om goederen die eigendom zijn van een ander, aan die ander terug te bezorgen. Aldus zouden hoe dan ook de voorwaarden voor de samenloop van contractuele en extracontractuele aansprakelijkheid vervuld zijn.

Deze exceptie van onontvankelijkheid is dan ook ongegrond.

Verder roepen de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** ten onrechte in dat de vordering van eiseres niet duidelijk zou zijn (*exceptio obscuri libelli*). Het is immers onmiskenbaar dat de vermelding in de dagvaarding als zou het gaan om de zaak met betrekking tot een dwangbevel dat door 'eerste gedaagde' is uitgevaardigd, een materiële vergissing is, die ontstaan is door de formulering uit de zaak 01/1924/A blindelings over te nemen. Terecht laat eiseres gelden dat dit de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** niet weerhouden heeft om hun verweer op te stellen zodat zij de ware toedracht van de vordering van meet af aan goed begrepen hebben.

Ook die exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond.

Bij gebrek aan andere gronden van onontvankelijkheid die de rechtbank ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering van eiseres jegens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** ontvankelijk.

*3. De grond van de vorderingen*

3.1. Algemeen : beoordeling over de feitelijke toedracht met betrekking tot de verdwijning van de stukken.

Vermits dit nuttig is voor de beoordeling van de diverse vorderingen in de beide (gevoegde) zaken, past het voorafgaandelijk te onderzoeken wat feitelijk met de betreffende stukken kan gebeurd zijn.

3.1.1. De stelling van eiseres

Volgens eiseres is haar boekhouding steeds op haar vroeger adres blijven staan. Zij ontkent dat haar zaakvoerster ook maar iets zou ontvreemd hebben van de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**. Volgens haar zijn de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** nog steeds in het bezit van de documenten waarvan de rechtbank hen in zijn tussenvonnis van 11 december 2001 de neerlegging heeft gevraagd maar weigeren zij die stukken voor te brengen om eiseres schade toe te brengen. Zij wijst erop dat zij geen enkele reden heeft om zelf die stukken te verbergen, gelet op de schade die ze ondergaat door de vordering van de BTW-administratie. De diefstallen waarnaar de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** verwijzen, hebben volgens eiseres geen betrekking op de documenten die in het huidig geschil gevraagd worden en de bewering door de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** van het tegendeel zou door hen niet hard gemaakt worden. Het feit dat de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** aan de rechtbank uitstel vroegen om na te gaan welke van de gevraagde documenten (andere dan de boekhoudkundige stukken van eiseres zelf) konden worden overgemaakt, is volgens eiseres het bewijs dat zij nog over de documenten beschikken en dat deze dus niet weggenomen zijn.

3.1.2. De stelling van de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**

De heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** van hun kant, roepen in dat ze over de gevraagde stukken niet meer beschikken omdat ze uit de woning van de heer **C. D.** ontvreemd werden. Ze wijzen erop dat de BVBA **A. F. D. & P.** dat al aan haar eigen controleur had laten weten nog vóór de BTW-administratie bij hen controle kwam doen. Zij beroepen zich op de processen-verbaal waarin aangifte gedaan werd van inbraak en diefstal in de woning van de heer **C. D.** en op het feit dat de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk de vordering tot afgifte eerder al afwees. Volgens hen heeft eiseres er geen nadeel van dat zij de stukken niet voorlegt, precies omdat ze erop rekent dat ze haar schade zal kunnen recupereren door deze procedure.

3.1.3. Beoordeling

De rechtbank is niet gebonden door het oordeel van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk die in zijn beschikking van 22 april 1999 de vordering tot afgifte jegens de BVBA **A. F. D. & P.** afwees. Niet alleen raakt zijn vordering de grond van de zaak niet, maar overigens is het voorwerp van de vorderingen verschillend.

Daarenboven is duidelijk dat ondertussen meer gegevens ter beschikking worden gesteld en dat eiseres inmiddels stappen ondernomen heeft om de stukken te bemachtigen die zouden toelaten haar dossier te reconstrueren. Doordat de inkomende en uitgaande facturen van eiseres vrijwel uitsluitend van de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** afkomstig zijn, heeft zij ook bij die poging geen resultaat geboekt.

De vaststaande feiten laten toe om - met vermoedens - bewezen te achten dat de boekhoudkundige stukken van eiseres in handen gebleven zijn van de BVBA **A. F. D. & P.**, minstens van de heer **C. D.**.

Vooreerst komt het totaal ongeloofwaardig voor als zou de zaakvoerster van eiseres haar boekhouding op 11 en/of 12 december 1997 of in de periode daarop volgend meegenomen hebben, zelfs al had dat de normale gang van zaken kunnen zijn.

Het is immers anders niet te verklaren dat door de BVBA **A. F. D. & P.** en de heer **C. D.** pas in december 1998 voor het eerst aanvoeren dat zij over de boekhouding van eiseres niet zouden beschikken. Ten eerste had eiseres zelf eerst rechtstreeks op 3 april 1998 met een aangetekende zending aan de BVBA **A. F. D. & P.** dringend verzocht om alle boekhoudkundige stukken en documenten van eiseres terug te bezorgen. De zaakvoerster van eiseres heeft diezelfde dag ook IDAC met een kopie ingelicht. Op 14 april 1998 heeft IDAC geantwoord dat de heer **C. D.**, als lid van IDAC, aangespoord zou worden om de nodige stukken binnen de kortst mogelijke termijn ter beschikking te stellen. Omdat er na vier weken nog altijd geen reactie was gekomen, herhaalde de zaakvoerster van eiseres op 11 mei 1998 haar klacht bij IDAC. IDAC antwoordde op 19 mei 1998 dat de heer **C. D.** nogmaals zou aangespoord worden. Op 25 mei 1998 schreef de zaakvoerster van eiseres alweer naar IDAC omdat ze via haar broer had vernomen dat de heer **C. D.** zou beweren dat hij evenveel recht had op de boekhouding van eiseres als de zaakvoerster. Er volgde op 13 augustus 1998 nogmaals een brief van de zaakvoerster van eiseres aan IDAC waarin ze een laatste maal vraagt het nodige te doen, verwijzend naar diverse fiscale verplichtingen die ze niet kon nakomen.

Toen de (toenmalige) advocaat van eiseres een aanmaning stuurde tot afgifte van de stukken, heeft de heer **C. D.** niet geantwoord dat hij de documenten niet had. Hij heeft daarentegen in augustus 1998 beloofd dat het nodige zou worden gedaan voor de aangifte.

Ten eerste is dat het bewijs dat het niet zo verwonderlijk was dat de zaakvoerster van eiseres de boekhouding NIET meenam toen ze zelf verhuisde (december 1997) of ten laatste wanneer ze de zetel van eiseres veranderde (13 februari 1998).

Ten tweede : wanneer iemand bij herhaling en vooral door zijn deontologisch controleorganisme (IDAC) wordt aangeschreven om een boekhouding af te geven, dan is het totaal onwaarschijnlijk dat het de betrokkene zou ontgaan dat hij over die documenten niet meer zou beschikken. Dat is des te meer en vooral het geval omdat de heer **C. D.** voordien, namelijk kort na elkaar op 12 en 13 december 1997 aangifte gedaan had van diefstal in zijn kantoorruimte waarbij hij de zaakvoerster van eiseres als verdachte aanduidde. In die processen-verbaal wordt nergens met een woord van boekhoudkundige stukken melding gemaakt, maar vooral wordt vermeld dat de heer **C. D.** zo snel mogelijk een volledige lijst van de ontbrekende zaken zal overmaken aan de politie. Die lijst wordt niet gevoegd bij de stukken van de heer **C. D.**, de BVBA. **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**. Latere diefstal is niet alleen niet bewezen maar ook weinig waarschijnlijk vermits dat (ook voor de zaakvoerster van eiseres) alleen met sporen had kunnen gebeuren aangezien de sloten al sinds 12 december 1997 veranderd waren. Uit alles blijkt trouwens dat de heer **C. D.** steeds op zijn hoede was en elke diefstal aangaf. De latere diefstal in april 2001 had al evenmin betrekking op boekhoudkundige stukken die hier aan de orde zijn.

Dat de heer **C. D.** tijdens een controle van de vennootschapsbelastingen voor zijn twee vennootschappen inriep dat hun boekhouding gestolen was, heeft geen bijzondere betekenis om reden dat dit voor het onderzoek door de BTW-Administratie gebeurde. Die controle vond immers plaats na de diverse ingebrekestellingen in 1998. De polemiek tussen de partijen was toen al volledig aan de gang.

Het minste wat daaruit moet afgeleid worden is dat het bewijs niet geleverd wordt van het feit dat de zaakvoerster van eiseres, noch iemand anders. de documenten van eiseres en deze van de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** zou ontvreemd hebben. Maar voor de rechtbank staat het ook vast dat de boekhoudkundige documenten van eiseres al die tijd in handen gebleven zijn van de BVBA **A. F. D. & P.** en/of de heer **C. D.**.

3.2. De vordering van eiseres jegens de BTW-administratie

3.2.1. M.b.t. de niet-proportionele boete van 100.000 frank (2.478,94 euro) wegens niet voorlegging van de boekhouding.

Eiseres stelt dat de boekhouding niet kon worden voorgelegd doordat ze achtergehouden wordt door de heer **C. D.** of doordat ze bij hem gestolen is. In elk geval acht zij dat een geval van overmacht.

De BTW-administratie stelt dat er geen sprake is van overmacht, minstens omdat de fouten van een volmacht drager toegerekend moeten worden aan de opdrachtgever.

Eiseres stelt zelf dat er niet is aangetoond dat haar boekhouding bij de BVBA **A. F. D. & P.** en/of de heer **C. D.** gestolen werd. De rechtbank treedt die stelling bij : de gegevens in het dossier die betrekking hebben op diefstal verwijzen in niets naar diefstal van boekhoudkundige documenten.

Hiervoor werd al aangetoond dat moet aangenomen worden dat de boekhouding nochtans bij de BVBA **A. F. D. & P.** en/of de heer **C. D.** gebleven is toen de zaakvoerster van eiseres haar echtelijke woning verliet en later de zetel van eiseres naar een ander adres is overgebracht.

Overmacht veronderstelt dat de debiteur zich geplaatst ziet voor een onvoorzienbare, onafwendbare gebeurtenis die buiten zijn wil is ontstaan. Dat impliceert dat eiseres de nodige zorgvuldigheid in acht zou genomen hebben om eventuele, redelijk te verwachten schade te beperken. Vooreerst was het niet zorgvuldig van eiseres om haar eigen boekhouding niet mee te nemen op het moment dat ze feitelijk haar activiteiten stopzette in de echtelijke woning van haar zaakvoerster vermits op dat moment de verstandhouding met de heer **C. D.** al slecht was. De zaakvoerster van eiseres is zelf boekhoudster en zou dan ook niet totaal ontredderd zijn; bovendien had zij kennelijk ook hulp van een zekere **D. B.**.

Afgezien daarvan blijft gelden dat de tekortkoming in hoofde van de BVBA **A. F. D. & P.**. die mandataris was van eiseres voor het voeren van de boekhouding, geacht wordt een tekortkoming van eiseres zelf te zijn.

Er is dus niet voldaan aan de voorwaarde van overmacht zodat er niet kan worden ingegaan op de vordering tot kwijtschelding van de boete wegens niet voorlegging van de boekhouding.

3.2.2. De BTW die verschuldigd is wegens het onvoldoende bewijs van het recht op aftrek door het niet-voorleggen van facturen

Eiseres vraagt in eerste orde om, zelfs al zijn er geen facturen, het recht op aftrek te mogen genieten op basis van de BTW-listings van de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** waarin voor een bedrag van 7.575,38 euro BTW vermeld staat die door die vennootschappen aan eiseres werd aangerekend op hun facturen. Volgens eiseres levert dat voldoende het bewijs dat zij die BTW (via haar leveranciers) heeft afgedragen aan de Belgische Staat.

Ondergeschikt beroept eiseres zich op overmacht.

De BTW-administratie is niet bereid om de BTW-listings als bewijs te aanvaarden. Volgens haar zijn de BTW-listings slechts een controle-instrument en geen bewijsmiddel.

Zij aanvaardt ook geen overmacht.

Artikel 45, § 1 W.BTW voorziet het recht op aftrek van (o.a.) *de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten*.

In artikel 49 W.BTW wordt voorzien dat de Koning de toepassing regelt van de artikelen 45 tot 48. In het KB nr. 3 van 10 december 1969 voorziet artikel 3, § 1, 1° het volgende :

*Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige :*

*1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten,* ***in het bezit zijn van een factuur*** *opgemaakt overeenkomstig* [*artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) *van 29 december 1992; (...).*

Dit is een dwingende bepaling. De factuur, die diverse bepalingen moet bevatten (om onder andere de waarachtigheid van de levering of dienstverlening te kunnen controleren, alsook de maatstaf van heffing, het tarief enz.) kan niet vervangen worden door een BTW-listing van de leverancier.

Zonder de boekhouding van eiseres had het bewijs kunnen geleverd worden door de voorlegging van de (uitgaande facturen) van de leveranciers van eiseres (voornamelijk de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**) maar ook dat gebeurt niet.

Hoger is al uiteengezet waarom er geen overmacht is voor de boekhouding van eiseres (en dus voor het niet-voorleggen van de inkomende facturen).

Een onderzoek naar de overmacht voor het bekomen van de facturen bij de leveranciers, is evenwel niet opportuun. Anders oordelen zou betekenen dat eiseres zich zou kunnen veroorloven om een eigen onzorgvuldigheid te begaan (die ertoe leidt dat ze haar boekhouding niet kan voorleggen) en voorts beroep te doen op een toestand waarover zij geen enkele controle heeft, namelijk de medewerking van derden.

Ook op dat punt is de vordering van eiseres ongegrond.

3.2.3. De BTW die verschuldigd is op basis van de gegevens uit de aangifte van eiseres in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1997.

Eiseres stelt dat de BTW-administratie beroep doet op een opeenstapeling van vermoedens. Volgens haar zou het feit dat er geen bezwaar werd aangetekend tegen de aanslag die op basis van de aangifte in de vennootschapsbelasting werd gevestigd, nog niet betekenen dat de gegevens in de aangifte correct zijn. Eiseres voert aan dat er ook nog andere redenen kunnen zijn die aan de grondslag liggen voor het feit dat er geen bezwaarschrift werd ingediend (bijv. het laattijdig opmerken van een materiële vergissing in de jaarrekening). Aldus zou de omzet die uit de aangifte in de vennootschapsbelasting blijkt, geen vaststaand feit zijn, waarop een vermoeden kan worden gevestigd.

Minstens zou niet vaststaan dat de omzet die uit die aangifte blijkt, volledig afkomstig is van activiteiten die aan de BTW onderworpen is.

De BTW-administratie stelt dat een niet-betwiste aanslag in de directe belastingen als een vermoeden mag aangewend worden door de BTW­administratie om aan te tonen dat de aangegeven BTW-omzet onvoldoende is. De belastingplichtige kan wel aantonen dat de hogere taxatie bij de directe belastingen niet voortvloeit uit aan de BTW onderworpen handelingen. Eiseres laat volgens de BTW-administratie na om het bewijs te leveren dat eiseres een andere, niet in het BTW-wetboek bedoelde activiteit, zou hebben uitgeoefend.

De rechtbank stelt geen opeenstapeling van vermoedens vast. De betreffende naheffing van BTW (559.020 frank of 13.857,74 euro) stemt overeen met een verschil in omzet van 2.662.000 frank (65.989,26 euro) tussen de aangifte in de vennootschapsbelasting en de BTW-aangiften in de betreffende periode. Een groot deel van het verschil (1.920.000 frank of 47.595,56 euro) hield volgens het proces-verbaal van 9 juni 2000 verband met geboekte creditnota's die evenwel niet konden worden overgelegd bij gebrek aan boekhouding.

De gegevens van de aangifte in de vennootschapsbelasting op grond waarvan een aanslag werd gevestigd die niet betwist werd, kunnen als vermoeden worden gebruikt. De eenvoudige vergelijking met de omzet aangegeven voor de BTW (een vaststaand feit), laat toe de meeromzet voor de BTW af te leiden. Meer heeft de BTW-administratie niet gedaan.

Terecht laat de BTW-administratie ook gelden dat het aan eiseres toekomt om te bewijzen dat een deel van de omzet die uit haar aangifte in de vennootschapsbelasting blijkt, afkomstig zou zijn van niet aan de BTW onderhevige activiteiten. Eiseres levert daarvan geen bewijs. Zoals hoger al aangegeven, kan zij zich in dat verband niet beroepen op overmacht.

3.2.4. De verminderde proportionele boete (168.000 frank of 4.164,61 euro)

Eiseres vraagt kwijtschelding of vermindering van de proportionele boete, op basis van onze volle rechtsmacht op dat punt.

De BTW-administratie stelt dat de boete verschuldigd is wegens de overtreding op zich, ongeacht goede trouw, kwade trouw, feitelijke vergissing of rechtsdwaling van de belastingplichtige. Verder stelt zij dat uit het laatste lid van artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 juni 1987 af te leiden valt dat de door haar toegepaste boete (overeenkomstig tabel G) geen betrekking heeft op overtredingen die begaan zijn met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking er van mogelijk te maken. Aldus zou dat al een afwijking zijn van het wettelijk principe (art. 70 W.BTW) dat als boete het dubbele geldt van de ontdoken of niet tijdige belasting of ton onrechte afgetrokken belasting en is geen verdere vermindering meer mogelijk.

Verder zou geen vermindering kunnen toegestaan worden op grond van loutere opportuniteit.

De volle rechtsmacht waarover de rechtbank beschikt om een administratieve boete te beoordelen, laat wel toe om elementen van opportuniteit in aanmerking te nemen.

De rechtbank is in die zin niet gebonden aan de schalen van het KB nr. 41 van 30 juni 1987.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen kwade trouw kan verweten worden en al het nodige heeft gedaan om te trachten haar boekhouding te bemachtigen nadat ze niet meer in staat was ze zelf voor te leggen (waarvoor ze al een boete moet betalen). In het totaal van de omstandigheden van de zaak die hierboven werden geschetst, acht de rechtbank het niet opportuun om voor het feit dat eiseres enerzijds BTW heeft afgetrokken waarvoor zij geen facturen kan overleggen en anderzijds meer BTW moet betalen omdat de omzet in de aangifte van de directe belastingen hoger is (voornamelijk doordat geen creditnota's kunnen worden voorgelegd), een boete op te leggen. De verminderde proportionele boete ton bedrage van 168.000 frank (4.164,61 euro) wordt daarom kwijtgescholden. In die mate moet het bestreden dwangbevel zonder gevolg blijven en is de vordering van eiseres jegens de BTW-administratie gegrond.

3.3. De vordering van eiseres jegens de heer **C. D.**. de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**

3.3.1. De afgifteplicht van de heer **C. D.**

Ten onrechte voert de heer **C. D.** aan dat hij met betrekking tot de stukken die zijn opgesomd in de het tussenvonnis van 11 december 2001 niet kon gevraagd worden ze af te geven omdat hij moet onderscheiden worden van zijn vennootschappen waarvan hij slechts de zaakvoerder is.

Het bevel tot afgifte van stukken overeenkomstig artikel 877 e.v. Ger. W. heeft uitwerking ongeacht op welke rechtsgrond de betrokkene de stukken "**onder zich heeft**”. De feitelijke macht over de stukken volstaat om tot afgifte te moeten overgaan (behoudens eventuele gevallen van geheimhoudingsplicht waarover dan opmerkingen kunnen gemaakt worden overeenkomstig het tweede lid van artikel 878 Ger. W.). Vermits de heer **C. D.** niet ontkent de (enige) zaakvoerder van zowel de BVBA **A. F. D. & P.** als de BVBA **D. I.** te zijn, valt de feitelijke macht van die vennootschappen over de stukken perfect samen met de feitelijke macht van de heer **C. D.** over diezelfde stukken.

3.3.2. De grond tot schadevergoeding

Hoger is uiteengezet dat bewezen is dat de boekhouding van eiseres bij de BVBA **A. F. D. & P.** gebleven is. Zowel de BVBA **A. F. D. & P.** als de heer **C. D.** (zie punt 3.3.1.) hadden dus de stukken 'onder zich'.

Zowel met betrekking tot de boekhouding van eiseres als met betrekking tot de uitgaande facturen van de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** aan eiseres gericht, is de beweerde diefstal niet bewezen en zelfs niet aannemelijk gemaakt.

Het staat in die omstandigheden vast dat zowel de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** als de BVBA **D. I.** zonder wettige reden nagelaten hebben de in het vonnis van 11 december 2001 gevraagde stukken binnen de gestelde termijn over te leggen. Ook nu worden die stukken nog steeds niet overgelegd. Dat geeft eiseres recht op schadevergoeding jegens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.**. Dat eiseres haar schade had kunnen voorkomen door haar boekhouding bij de verhuis van haar zaakvoerster mee te nemen, is binnen de context van artikel 882 Ger. W. niet van belang. Overigens is hoger al aangegeven dat het zelfs voor de heer **C. D.** en de BVBA **A. F. D. & P.** niet zo onlogisch was dat de boekhouding van eiseres bij hen bleef, gelet op het feit dat zij het niet abnormaal vonden om zelfs aan de hand van die stukken nog de aangifte van eiseres in de vennootschapsbelasting te verzorgen (antwoord van 30 augustus 1998). Een totaal verlies van vertrouwen moest eiseres kennelijk niet hebben.

3.3.3. De schadecijfers

De schade die het gevolg is van de nalatigheid door de BVBA **D. I.** is nochtans beperkter dan deze die het gevolg is van de nalatigheid door de BVBA **A. F. D. & P.**. Voor de BVBA **A. F. D. & P.** geldt enerzijds dat zij stukken onder zich had van eiseres als boekhouder en anderzijds haar eigen stukken die kunnen dienen als reconstructie voor het dossier van eiseres. De BVBA **D. I.** daarentegen had alleen eigen stukken onder zich die voor de reconstructie van het dossier van eiseres nuttig zijn.

Vermits de heer **C. D.** alle gevraagde stukken feitelijk onder zich had die in het vonnis van 11 december 2001 vermeld werden, is hij telkens samen met die vennootschappen tot de schadevergoeding gehouden. Het betreft geen hoofdelijke (of solidaire) aansprakelijkheid, maar een aansprakelijkheid *in solidum* : de niet-overlegging van de boekhouding van eiseres zowel door de heer **C. D.** als de BVBA **A. F. D. & P.** (die ze beiden 'onder zich' hadden) is oorzaak van de totaliteit van de schade. Het mag eiseres niet tot nadeel strekken dat de heer **C. D.** en de BVBA **A. F. D. & P.** eventueel onder elkaar tot verdeling van die schade zouden kunnen overgaan op basis van onderlinge regelingen of overeenkomsten.

Hoewel eiseres in het verzoekend deel van haar conclusies nog steeds één euro provisioneel vordert, blijkt dat zij in wezen veroordeling vraagt tot de bedragen waartoe zij jegens de BTW-administratie gehouden is. De heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** hebben zich overigens verdedigd op de cijfers. In het bijzonder laten de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** terecht gelden dat in de schadevergoeding slechts mag rekening gehouden worden met de BTW die verschuldigd is doordat de boekhoudkundige stukken niet kunnen worden voorgelegd.

Aldus kan geen rekening worden gehouden met de BTW die eiseres aan de BTW-administratie verschuldigd is en die gebaseerd is op een verschil in omzet aangegeven voor de directe belastingen en aangegeven voor de BTW. Dat gaat om een bedrag van 2.662.000 frank (65.989,26 euro). Nochtans blijkt dat daarvan een bedrag van 1.920.000 frank (47.595,56 euro) betrekking heeft op omzet die geneutraliseerd werd door geboekte creditnota's die evenwel wegens gebrek aan boekhouding niet konden worden voorgelegd. Bijgevolg is het bedrag van de BTW dat op die 1.920.000 frank slaat ook veroorzaakt door de nalatigheid van de heer **C. D.** en de BVBA **A. F. D. & P.**. Wij kunnen niet uitmaken of de BVBA **D. I.** daarin betrokken is zodat zij niet tot die schadevergoeding kan gehouden zijn.

Van de totale schuld van eiseres aan de BTW-administratie (zijnde de bedragen verschuldigd overeenkomstig het dwangbevel met RCIV nr. … van 29 augustus 2000, met uitzondering van de proportionele boete van 168.000 frank (4.164,61 euro)) moet dus de BTW worden afgetrokken die overeenstemt met het verschil tussen 2.662.000 frank (65.989,26 euro) en 1.920.000 frank (47.595,56 euro), zijnde 21 procent (het BTW-tarief) van 742.000 frank (18.393,70 euro), namelijk 155.820 frank of 3.862,68 euro. Bijgevolg bedraagt de totale schade van eiseres (1.122.021 frank BTW - 155.820 frank BTW -) 966.201 frank of 23.951,50 euro BTW, meer 100.000 frank of 2.478,94 euro niet-proportionele boete, meer de wettelijke interest van 0,80 procent per maand vertraging vanaf 21 april 1998 op 23.951,50 euro en de moratoire interest aan de rentevoet in burgerlijke zaken vanaf de betekening op 4 september 2000 op 2.478,94 euro.

De BVBA **A. F. D. & P.** in vereffening is tot het volledig bedrag van die schadevergoeding gehouden : **26.430,44 euro in hoofdsom, meer** de genoemde **interest**.

De BVBA **D. I.** is slechts tot schadevergoeding gehouden voor zover de totale schadevergoeding verband houdt met de facturen die ze aan eiseres in de betrokken periode uitgereikt heeft en waarvan is aangetoond dat de BVBA **D. I.** ze had kunnen voorleggen. In dat verband geldt de BTW-listing van de BVBA **D. I.** voor het jaar 1996 als bewijs. Dat is een stuk dat uitgaat van de BVBA **D. I.** zelf; het feit dat het niet volstaat om het recht van aftrek jegens de BTW-administratie te bewijzen, neemt niet weg dat het een bewijs vormt tussen eiseres en de BVBA **D. I.** van de uitgereikte facturen door de BVBA **D. I.** aan eiseres. Uit die BTW-listing blijkt dat er door de BVBA **D. I.** voor een bedrag aan omzet van 1.200.000 frank (29.747,22 euro) gefactureerd werd meer 252.000 frank of 6.246,92 euro BTW. Vermits dat gedeelte van de schade veroorzaakt is door een nalatigheid van de BVBA **D. I.** die een geheel uitmaakt met de nalatigheden van de BVBA **A. F. D. & P.** en de heer **C. D.** (de bewijzen die de BVBA **D. I.** kon leveren konden ook door de voorlegging van de boekhouding van eiseres worden geleverd), is er sprake van een aansprakelijkheid van de BVBA **D. I.** *in solidum* met de BVBA **A. F. D. & P.** in vereffening en de heer **C. D.** voor het bedrag van 6.246,92 euro, vermeerderd met de wettelijke interest op dat bedrag aan 0,80 procent per maand vanaf 21 april 1998.

3.4. De tegenvorderingen van de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** jegens eiseres.

Uit het bovenstaande is gebleken dat de vorderingen van eiseres jegens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** niet ongegrond zijn zodat er geen sprake kan zijn van tergend en roekeloos geding en evenmin van het besmeuren van hun goede naam.

De tegenvorderingen zijn in die omstandigheden ongegrond.

*4. De gerechtskosten*

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld jegens de BTW-administratie. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten van de BTW-administratie dragen.

De heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** in vereffening en de BVBA **D. I.** worden in het ongelijk gesteld jegens eiseres. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moeten zij de gerechtskosten van eiseres dragen.

*5.* *Uitvoerbaarheid bij voorraad (in de zaak van eiseres jegens de heer* ***C. D.****, de BVBA* ***A. F. D. & P.*** *en de BVBA* ***D. I.****)*

De heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** nemen hierover geen standpunt in. Zij beroepen zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).

### Dispositif

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**De rechtbank voegt de zaken met nummer 01/1924/A en 03/834/A.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank alle vorderingen ontvankelijk, verklaart de rechtbank de vordering van eiseres jegens de BTW-administratie (gesteld in de zaak 01/1924/A) en de vordering van eiseres jegens de heer C. D., de BVBA A. F. D. & P. in vereffening en de BVBA D. I. gedeeltelijk gegrond en wijst hij de tegenvorderingen van de heer C. D., de BVBA A. F. D. & P. in vereffening en de BVBA D. I. jegens eiseres af als ongegrond.**

**De rechtbank vernietigt het dwangbevel met RCIV nr. … van 29 augustus 2000 in zoverre daarin een proportionele boete van 168.000 frank (thans 4.164,61 euro) verschuldigd werd verklaard en zegt voor recht dat die boete integraal onverschuldigd is.**

**De rechtbank veroordeelt daarom op grond van artikel 882 Ger. W. de heer C. D. en de BVBA A. F. D. & P. in vereffening** ***in solidum*** **tot het betalen aan eiseres van een schadevergoeding gelijk aan zesentwintigduizend vierhonderd dertig euro en vierenveertig cent (26.430,44 euro), meer de wettelijke interest van 0,80 procent per maand vertraging vanaf 21 april 1998 op 23.951,50 euro en de moratoire interest aan de rentevoet in burgerlijke zaken vanaf 4 september 2000 op 2.478,94 euro en dit tot aan de dag van betaling.**

**De rechtbank zegt voor recht dat de BVBA D. I.** ***in solidum*** **met de heer C. D. en de BVBA A. F. D. & P. in vereffening tot betaling van die schadevergoeding gehouden is tot beloop van een bedrag van zesduizend tweehonderd en zesenveertig euro en tweeënnegentig cent (6.246,92 euro), vermeerderd met de wettelijke interest op dat bedrag aan 0,80 procent per maand vanaf 21 april 1998.**

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van de gerechtskosten van deze procedure die aan de zijde van de BTW-administratie gemaakt zijn en stelt die kosten als volgt vast :

\- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro.

De rechtbank veroordeelt de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** in vereffening en de BVBA **D. I.** samen tot betaling van de gerechtskosten van deze procedure die aan de zijde van eiseres gemaakt zijn en stelt die kosten als volgt vast :

\- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro,

terwijl de kosten aan de zijde van de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** in vereffening en de BVBA **D. I.** niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hen zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis in de mate het uitspraak doet over de vordering tot betaling van schadevergoeding van eiseres jegens de heer **C. D.**, de BVBA **A. F. D. & P.** en de BVBA **D. I.** uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **vier mei tweeduizend en vier**.

Zijn aanwezig :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter,

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**

## Textes cités

1

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 1 dispositions communes

[Principe de neutralité, Amende proportionnelle, Intérêts, Notification préalable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/principe-neutralite-amende-proportionnelle-interets-cour-appel-anvers-2026-01-20-1005) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-amende-tva-amont-cour-appel-anvers-2021-01-19-2323) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance imprécises et irrégulières](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-bruxelles-2023-06-09-23dd) 1 dispositions communes

[Nouveau bâtiment, Rénovation, Travail immobilier, Taux de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nouveau-batiment-renovation-travail-immobilier-cour-appel-gand-2019-01-08-2f4a) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Dépenses sans caractère professionnel, Immeuble](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-depenses-caractere-professionnel-cour-appel-liege-2020-09-04-3c80) 1 dispositions communes
