---
title: "12 juin 2001 · Droit à déduction de l’impôt, remboursement de la taxe · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Droit à déduction de l’impôt, remboursement de la taxe, poursuite, instance. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 12 juin 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-remboursement-taxe-tribunal-gand-2001-06-12-90ed"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt, remboursement de la taxe · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

12 juin 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

135 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 12.06.2001

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## BESLAGRECHTER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 12 JUNI 2001

Algemene rol nr. : **01/221/A**

**NV E.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het H.R. te Brussel onder nr. … en BTW adres te …, ….

**eiseres,**

voor wie optreedt Mter. **J.-M. V.**, advocaat te …, …;

**1.** **BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en Domeinen, in de persoon van de met de invordering belaste ambtenaar van het BTW-kantoor van Gent 1, met burelen te 9000 Gent, Martelaarslaan 17;

**verweerster sub 1;**

voor wie optreedt Mter. **W. D. V.**, advocaat te …, …;

**2.** **BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en Domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor van Gent 2, met burelen te 9000 Gent, Ramen 1.

**verweerster sub 2;**

Voor wie optreedt Mter. **W. D. V.**, advocaat te …, …;

werden partijen gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 29 mei 2001, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

De stukken werden ingezien, in het bijzonder de dagvaarding betekend op 11 januari 2001, de conclusies voor de verweerster neergelegd op 28 februari 2001, de conclusie voor de eiseres neergelegd op 20 april 2001, de conclusie voor de verweerster neergelegd ter zitting op 29 mei 2001 en de bundels voor beide partijen;

De dagvaarding op verzoek van NV **E.** strekt ertoe vast te stellen dat de beslaglegger zichzelf een titel van schuldvordering heeft verschaft met referte …, zodoende de reeds terugbetaalde BTW terugvordert en door middel van derdenbeslag overgaat tot compensatie met niet-betwiste terug te betalen BTW.

Door deze compensatie zou het beslag zijn bewarend karakter hebben verloren, hetgeen in strijd is met artikel 1420 e.v. Ger.W.

De eiseres vordert dat de eerste verweerster zou worden veroordeeld tot de vrijgave van alle ten onrechte in beslag genomen en/of ingehouden sommen terzake van BTW.

## *Feiten en voorgaanden*

**1.** Op 17 mei 2000 ging de eerstaanwezend inspecteur van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Gent I, over tot een controle van de boekhouding van de eiseres voor de periode van 1 juli 1995 tot 31 december 1998.

Bij deze controle werden volgens de eerste verweerder inbreuken vastgesteld op het BTW-wetboek en de BTW-reglementering, in hoofdzaak inbreuken op de aftrekregeling bepaald in [artikel 45, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45).

Deze inbreuken werden opgenomen in een voorlopige correctie-opgave, als volgt :

\- 1.667.813 BEF : verschuldigde BTW

\- 166.000 BEF boeten

\- interesten als bedoeld in [artikel 91, § 1 van het BTW­wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) (stuk 1 bundel eerste verweerster)

**2.** Nadat de correctie-opgave op 25 september 2000 aan de eiseres was overgemaakt, liet deze op 20 oktober 2000 aan de verweerster weten dat zij akkoord was met een deel van de vordering (t.b.v. 45.432 BEF boeten en interesten), terwijl het overige -grootste- gedeelte werd betwist (stuk 2 bundel eerste verweerster).

Op dat ogenblik - 31 oktober 2000 - vertoonde de rekening-courant van de eiseres een saldo in haar voordeel van 216.563 BEF.

Gelet op de betwisting van de schuld, werd het tegoed op grond van artikel 8, § 3, 4 de lid van het KB nr. 4 van 29 december 1969, zoals gewijzigd door het KB van 29 december 1992 en het KB van 14 april 1993, ingehouden.

Deze inhouding, die geldt als bewarend beslag onder derden, werd op 21 december 2000 aan de eiseres ter kennis gebracht.

Tegen deze inhouding doet de eiseres thans verzet.

## *Beoordeling*

1\. Inhouding zoals geregeld bij [artikel 8, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) : wettelijke grondslag, toets aan het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en het Europees Gemeenschapsrecht, beoordelingsmacht van de beslagrechter

**1.** De eiseres verzet zich op grond van artikel 1420 Ger.W.tegen dt.: inhouding door ck eerste verweerder verricht op grond van de over"\\veging dat de verweerder zichzelf een titel verschaft, een reeds terugbetaalde BT\\V-terugvordert en middels derdenbeslag overgaat tot compensatie met niet bet\\viste terug te betalen BTW.

Het ten gunste van de eiseres bestaande B.T. W.- tegoed werd door de Administratie ingd10uden bij toepassing van artikel 8, §3 van het K.8. nr. 4 van 19 december 1969 met betrekking tot de teruggave van de belasting over de toegevoegde waarde.

Deze bepaling luidt als volgt:

> *"Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in* [*artikel 85*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) *van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gestuit door het verzet bedoeld in* [*artikel 89*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) *van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden.* *Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden* *tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 Ger. W geacht te zijn vervuld."*

De in artikel 8, § 3 neergelegde regeling van de inhouding van BTW­tegoeden vormt de uitvoering van artikel 76, § 1, 3 e lid van het Wetboek van de BTW, luidens hetwelk de Koning ten voordele van de administratie een inhouding kan voorzien die geldt als een bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wanneer de aftrekbare BTW de verschuldigde BTW overtreft, dan geeft dit saldo aanleiding tot teruggave aan de belastingplichtige (belastingkrediet). Dit recht op teruggave onderstelt dat de belastingplichtige zijn fiscale verplichtingen is nagekomen. Is dit niet het geval dan kan het bestuur overgaan tot een “inhouding” van de BTW-tegoeden.

In artikel 76, § 1, derde lid Wet BTW, zoals gewijzigd door art. 85 van de wet 28 december 1992 werd aan de Koning bevoegdheid verleend om een dergelijke inhouding te voorzien die geldt als een bewarend derdenbeslag. De Koning heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en aan de "inhouding'' van BTW-tegoeden nader gestalte gegeven in het voornoemd [art. 8/1, § 3, 4° KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) van 29 december 1969 (zoals gewijzigd hij KB 14 april 1993, BS, 30 april 1993 en door artikel 11 van het KB van 22 november 1993).

Wanneer het bestuur beschikt over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering, dan wordt het belastingkrediet aangewend tot “aanzuivering'' van de belastingschuld. Worden de aanspraken van het bestuur - zoals in casu- betwist of werd er tegen het dwangbevel verzet gedaan, dan kan het bestuur overgaan tot inhouding van het belastingkrediet tot het beloop van haar schuldvordering. Eenzelfde bevoegdheid komt het bestuur toe wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de aangifte of de vroegere aangiften onjuist zijn.

**2.** De verweerder stelt dat de voorwaarden voor het verrichten van de inhoudingsmaatregel in casu vervuld zijn.

Hij beweert te beschikken over een schuldvordering lastens de eiseres, die weliswaar wordt betwist en derhalve niet kan beschouwd worden als een zekere schuldvordering in de zin van artikel 1415 Ger.W., doch dit belet niet dat hij een inhouding kan doen overeenkomstig artikel 8, § 3, 4 de lid KB nr. 4

De verweerder merkt op dat de argumentatie van de eiseres reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie en dat dit Hof in haar arrest van 18 december 1997 heeft beslist dat [artikel 18, lid 4, van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) niet in de weg staat aan maatregelen zoals de inhouding, mits het evenredigheidsbeginsel wordt gerespecteerd.

Ten slotte stelt de verweerder dat er geen sprake is van een wettelijke compensatie tussen de schuldvordering gesteld door de administratie en het tegoed in hoofde van de beslaglegger, nu de voorwaarden hiertoe - gelet op de betwisting van de schuldvordering- niet voorhanden zijn.

**3.** De eiseres repliceert dat de schuldvordering van de eiseres is ontstaan door een "voorlopige correctie-opgave" en dat de verweerder tot op heden nagelaten heeft een dwangbevel te betekenen ter inning van zijn schuldvordering.

Door in eigen handen beslag te leggen op grond van een onzekere, onvast staande en niet-opeisbare schuldvordering, heeft de verweerder volgens dc eiseres op flagrante wijze de fundamentele beginselen van het bewarend beslag genegeerd.

Zij beroept zich tevens op [artikel 18 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) en op het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 1997 (F.J.F., 1998/5), waarin het Hof besliste dat, wanneer een procedure van bewarend beslag het karakter heeft van een procedure die afwijkt van het gemene recht inzake bewarend beslag, door een onweerlegbaar vermoeden van noodzaak en spoedeisendheid, twijfel gerechtvaardigd is, of zij wel noodzakelijk is om de invordering van de verschuldigde bedragen te verzekeren

De eiseres stelt dat de verweerder op geen enkel ogenblik zelf geen begin van vermoeden van noodzaak en spoedeisendheid naar voren heen gebracht om de inhouding te verrechtvaardigen.

**4.** In zijn antwoordconclusie werpt de verweerder op dat zij niet de betekening van een dwangbevel diende af te wachten om de betwisting voor de bevoegde bodemrechter te brengen en dat zij inmiddels op 6 april 2001 een definitief proces-verbaal heeft opgesteld, dat op 10 april 2001 een dwangbevel werd uitgevaardigd dat op 11 april werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Hij wijst erop dat de termen “vaststaand, zeker en opeisbaar" in het kader van de artikelen 1445 e.v. Ger.W., overeenkomstig doctrinale en jurisprudentiële evolutie, eerder soepen moeten worden geïnterpreteerd.

**5.** Over de reeds voor de wet van 28 december 1992 bestaande praktijk van de inhoudingen was grote onzekerheid gerezen na het arrest van het Hof van Cassatie van 12 maart 1993. In dit arrest werd beslist dat het bestuur de belasting die op andere gronden verschuldigd is of die betrekking heeft op eerdere aangiften, slechts kan "toerekenen" op de navordering op voorwaarde dat zij ter zake over een uitvoerbare titel beschikt (Cass. 12 maart 1993, Arr.Cass., 1993, nr. 143; R.W. 1993-94, 270; Rec.Cass., 1993, 116, noot Tournicourt, R., “De teruggave van BTW-credit-saldi").

Artikel 76 Wet BTW werd gewijzigd om aan de praktijk van de inhoudingen een wettelijke grondslag te geven. Aan artikel 76, § 1 Wet BTW werd een derde lid toegevoegd door artikel 85 van de Wet van 28 december 1992, volgens hetwelk de Koning een inhouding kan voorzien ten voordele van de BTW-administratie, die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van art. 1445 Ger.W.

Ook na de invoering van de nieuwe bepalingen blijft de rechtsgeldigheid van de inhouding voorwerp van controverse (DIRIX, L., "De inhouding in het raam van de BTW”, noot onder Antwerpen, 27 juni 1994, R.W., 1994-95, 990; VANDENBERGHE, 1…, '"De inhouding van de BTW-tegoeden", A.F.T., 1994, 171-175; AESSELOOS, K., “Het derdenbeslag in de BTW'', Jura Falc., 1995-96, 321 e.v.). Het grootste bezwaar is dat de inhoudingen in strijd zijn met de bepalingen inzake het bewarend beslag en dat voor zo een derogatie een uitdrukkelijke wettelijke machtiging ontbreekt (Beslagr. Luik, 23 maart 1994, J.L.M.B., 1994, 706, noot de LEVAL, G., « Règles spéciales de saisies conservatoires en matière de TVA").

**6.** Inmiddels heeft het Arbitragehof in drie arresten van 7 juli 1998 en 18 november 1998 en 26 mei 1999 geoordeeld dat artikel 76, § 1 W.BTW, gewijzigd bij wet van 28 december 1992, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in die zin geïnterpreteerd dat het de Koning toestaat een inhouding van de belastingkredieten geldend als bewarend beslag onder derden voor te schrijven, waarbij de voorwaarde vereist door artikel 1413 Ger.W. wordt geacht vervuld te zijn, in zoverre het ertoe leidt dat de personen die het voorwerp van een inhouding uitmaken, iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding wordt ontzegd (Arb. Hof, 7 juli 1998, BS, 29 september 1998, 31.779; J.T., 1998, 618; R.W., 1998-99, 875, noot VANDENBERGHE, L.; Arb. Hof, 18 november 1998, Act.Dr., 1999, 336, noot PIROTTE, N.; Arb. Hof, 26 mei 1999, BS, 15 september 1999, 34440).

Het Arbitragehof voegt er echter aan toe dat art.76, § 1, lid 3 ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de Koning niet toestaat dermate van het gemeen recht inzake bewarend beslag onder derden af te wijken dat hij de personen die het voorwerp uitmaken van een inhouding ieder daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht op de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding zou ontzeggen. In die interpretatie schendt art. 76, § 1 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Inmiddels heeft ook het Europese Hof van Justitie in zijn arrest van 18 december 1997 beslist dat die aspecten van de BTW-inhoudingsregeling de toets aan het communautair evenredigheidsbeginsel niet kunnen doortaan, die verder gaan dan nodig is om de rechten van de Schatkist doelmatig te beschermen (R.W., 1997-98, 1253).

De bewarende maatregelen zoals de Belgische BTW-inhoudingen mogen niet op een zodanige wijze worden aangewend, dat zij een systematische belemmering vormen voor het door [artikel 18, lid 4 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) aan de belastingplichtige toegekende recht op teruggaaf van zijn BTW-tegoeden.

**7.** Artikel 76, § 1, lid 3, BTW mag derhalve niet in die zin geïnterpreteerd worden dat het de Koning toestaat een inhouding van de belastingkredieten geldend als bewarend beslag onder derden voor te schrijven, waarbij de voorwaarde vereist door artikel 1413 Ger.W. wordt geacht vervuld te zijn, in zoverre het ertoe leidt dat de personen die het voorwerp van een inhouding uitmaken, iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding wordt ontzegd.

De afwijkingen die [artikel 76, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76) aan het gemene beslagrecht aanbrengt, mogen niet tot gevolg hebben dat de belastingplichtige de essentiële waarborg wordt ontzegd die bestaat in de daadwerkelijke jurisdictionele controle betreffende de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding van een belastingschuld.

Op grond van art.159 G. W. moet worden besloten dat de in het BTW­KB nr. 4 vervatte regelen betreffende de BTW-inhoudingen niet mogen worden toegepast in de mate waarin ze, in strijd met het grondwettelijk non-discriminatiebeginsel, afbreuk doen aan de in het Gerechtelijk Wetboek opgenomen fundamentele waarborgen voor de rechtsbescherming van elke beslagene.

**8.** De controletaak van de beslagrechter inzake de inhouding van de BTW-tegoeden, als bedoeld in het KB nr. 4, is gelijklopend aan zijn rechtsmacht bij de beoordeling van betwistingen die betrekking hebben op de gemeenrechtelijke bewarende beslagen en betreft derhalve zowel de rechtmatigheid als de regelmatigheid van de inhouding.

Het komt de beslagrechter, die moet oordelen over een verzet tegen de inhouding die geldt als een bewarend beslag. toe te onderzoeken of daadwerkelijk voldaan is aan de gemeenrechtelijke vereisten voor het leggen van een bewarend beslag, met name of er sprake is van een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering en of er urgentie is.

Het is hem echter niet toegelaten te oordelen over de materieel­rechtelijke positie van de partijen, noch over het al dan niet verschuldigd zijn van de belastingen (Cass., 28 september 1990, Pas., 1990, 1, 93; DIRlX, E. en BROECKX, K., A.P.R., tw. Beslag, Antwerpen, Kluwer, 1992, 50, nr.72).

**9.** De rechtbank is van oordeel dat artikel 76, § 1, lid 3 BTW-wet een voldoende wettelijke grondslag vormt voor de in [artikel 8, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) uitgewerkte regeling inzake de inhouding van BTW­tegoeden en dat met andere woorden de stelling van de eiseres, als zou de uitvoerende macht, zonder daartoe door de wetgever gemachtigd te zijn, een regeling hebben uitgewerkt die op bepaalde punten afwijkt van het gemeen beslagrecht, geenszins kan worden bijgetreden.

Artikel 76, § 1, 3° lid BTW-Wetboek draagt aan de Koning op om ten gunste van de Administratie een inhouding te voorzien die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit de parlementaire voorbereiding van het gewijzigde artikel 76, § 1, 3 e lid BTW-Wetboek blijkt dat de wetgever een aan eigen regelen beantwoordende wijze van inhouding heeft willen voorzien die mogelijks kon afwijken van de regelen inzake het bewarend beslag onder derden, zoals voorzien in het Gerechtelijk Wetboek, maar die wel hetzelfde rechtsgevolg zou hebben als een bewarend beslag onder derden, met name voornamelijk de onbeschikbaarheid van de vordering van de belastingplichtige.

De Koning diende derhalve niet uitdrukkelijk te worden gemachtigd om af te wijken van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de grondvoorwaarden voor het leggen van bewarend derdenbeslag. De machtiging om een daarvan deels afwijkende regeling uit te werken, lag vervat in de opdracht aan de Koning “om een inhouding ten gunste van de administratie te voorzien”.

**10.** Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de aangehaalde arresten van het Arbitragehof niet kan worden afgeleid dat de gehele regeling van de inhouding van de BTW-tegoeden zoals uitgewerkt in het KB nr. 4 strijdig zou zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

In deze arresten heen het Arbitragehof overwogen :

\- dat aangezien de opbrengst van de belasting enkel mag worden aangewend voor de behartiging van het algemeen belang en voor de inwerkingstelling door de overheid van haar verbintenissen ten aanzien van de collectiviteit, moet worden aangenomen dat de bewarende maatregelen ten gunste van de Staat mogen afwijken van sommige regelen van het gemeen recht; dat bijgevolg de fiscale wetgever mocht afwijken van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zonder daarom noodzakelijkerwijze de regelen van gelijkheid en niet-discriminatie te miskennen.

\- Dat de fiscale wetgever ervoor dient te zorgen dat de van het gemeen recht afwijkende regelen niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is en dat zij met name niet tot gevolg mogen hebben dat aan de belastingplichtige de essentiële waarborgen worden ontzegd die bestaan in een *daadwerkelijk jurisdictionele controle* betreffende de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding van de belastingschuld in een beslagprocedure (overwegingen B.9 en B.10 arrest 07.07.1998).

\- Dat uit de bepaling vervat in art. 8, § 1, 10 e lid van het KB nr. 4 - luidens hetwelk de beslagrechter de opheffing van het beslag niet kan gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de lidstaten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek, van het parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter - voortvloeit dat de beslagrechter zich enkel kan uitspreken over de formele regelmatigheid van de inhoudingsprocedure en niet over de grondvoorwaarden ervan; dat aangezien de beoordelingsbevoegdheid van de beslagrechter ten aanzien van het zeker, vaststaand en opeishaar karakter van de vordering van de belastingsadministratie uitgesloten is en bovendien, volgens het vierde lid van art. 8. § 3 van het KB nr. 4 de gevolgen van de inhouding blijven bestaan zolang er geen in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is gewezen, de door de maatregel beoogde personen op een onevenredige wijze worden geraakt in hun recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht (overweging B.10 arrest 07.07.1998).

Het Arbitragehof - dat uiteraard enkel de grondwettigheid van de wet, m.a.w. van art.[76, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76) BTW-Wetboek vermocht te toetsen- besluit dat art.[76, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76), BTW-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het ertoe lijdt dat de personen die het voorwerp van een inhouding uitmaken iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding wordt ontzegd.

Het Hof voegt daar echter aan toe dat art.76, § 1, lid 3 ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de Koning niet toestaat dermate van het gemeen recht inzake bewarend beslag onder derden af te wijken dat hij de personen die het voorwerp uitmaken van een inhouding ieder daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht op de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding zou ontzeggen. In die interpretatie schendt art.76, § 1 volgens het Hof de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Hoewel het Arbitragehof niet rechtstreeks de al dan niet strijdigheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel kon beoordelen van de regeling vervat in het KB nr. 4, heeft het arrest middels de omweg van de controle van het [artikel 76, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76), duidelijk gemaakt dat bepaalde aspecten van deze regeling - met name de bepaling van [art. 8, § 3, lid 10 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b). gekoppeld aan het bepaalde in lid 4 van hetzelfde artikel - de toets aan het gelijkheidsbeginsel niet kunnen doorstaan omdat zij een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht op de inhoudingsmaatregel in de weg staan.

Alleen deze aspecten van de inhoudingsregeling dienen door de gewone hoven en rechtbanken - indien zij zich aansluiten bij de arresten van het Arbitragehof zoniet dienen zij een nieuwe prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen - als strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, buiten toepassing te worden gelaten.

Uit de arresten van het Arbitragehof kan niet worden afgeleid dat de gehele regeling van de inhouding van de BTW-tegoeden ongrondwettelijk zou zijn : het Hof stelt dat art.[76, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76), BTW-Wetboek het gelijkheidsbeginsel niet schendt als het zo wordt geïnterpreteerd dat het de Koning niet machtigt om de belastingplichtige een daadwerkelijke rechterlijke controle te ontzeggen. Dit resultaat kan worden bereikt door de aspecten van de regeling. vervat in [art. 8, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b), die een daadwerkelijk toezicht in de weg staan, niet toe te passen.

**11.** De eiseres stelt tevens dat de regeling van de inhouding van de BTW­tegoeden strijdig zou zijn met het Europees Gemeenschapsrecht. Zij verwijst daarvoor naar het arrest van het Europees Hof van Justitie van 18 december 1997.

In dit arrest besliste het Hof van Justitie :

\- dat [artikel 18 van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) geen betrekking heeft op maatregelen zoals de inhouding van belastingkredieten, zodat art. 18, vierde lid - luidens hetwelk BTW-tegoeden ofwel moeten worden terugbetaald, ofwel moeten worden overgedragen naar een volgende aangifteperiode- aan ene dergelijke maatregel niet in de weg staat (overweging 44-45)

\- dat op dergelijke maatregelen die door een lidstaat in de uitoefening van zijn bevoegdheid op het gebied van de BTW worden genomen, echter wel het evenredigheidsbeginsel van toepassing is; dat, ofschoon het geoorloofd is dat de maatregel van de lidstaten de rechten van de Schatkist zo doelmatig mogelijk proberen te beschermen, zij niet verder mogen gaan dan wat voor dit doel noodzakelijk is; zij mogen niet op zodanige wijze worden aangewend dat zij een systematische belemmering van het recht op BTW-aftrek opleveren (overwegingen 47-48)

Het Hof overweegt verder dat het aan de nationale rechter toekomt om de nationale maatregelen op hun verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht te toetsen en dat het zelfs slechts de nodige uitleggingsgegevens betreffende het gemeenschapsrecht kan geven die de nationale rechter in staat moet stellen om deze toets door te voeren.

Het Hof geeft daarbij de volgende richtlijnen :

\- wanneer een procedure van bewarend beslag wordt in gesteld die afwijkt van het gemene recht inzake bewarend beslag in die zin dat zij een *onweerlegvaar vermoeden van noodzaak en spoedeisendheid* invoert, gaat zulks verder dan nodig is om een doelmatige invordering van de verschuldigde bedragen te waarborgen en schendt een dergelijke regeling het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij de belastingplichtige niet in staat stelt het tegenbewijs te leveren onder rechterlijk toezicht van de beslagrechter (overweging 51-52)

\- de aantasting van het recht op aftrek kan slechts op haar evenredigheid worden getoetst, indien er een doelmatige rechterlijke toetsing bestaat in het kader zowel van de rechtsmiddelen in de zaak ten gronde, als de rechtsmiddelen voor de beslagrechter. Wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die de beslagrechter beletten de inhouding volledig of gedeeltelijk op te heffen terwijl hij over alle bewijzen beschikt dat de vaststellingen in de processen-verhaal van de Administratie op het eerste gezicht onjuist zijn, moeten worden geacht verder te gaan dan nodig is om en doelmatige invordering te garanderen en het recht op aftrek onevenredig aan te tasten (overweging 55-56)

\- indien de inhoudingsregeling niet de mogelijkheid voorziet om een rechter te verzoeken de inhouding te vervangen door en andere zekerheid die de belangen van de Schatkist afdoende beschermt maar voor de belastingplichtige minder bezwarend is (zoals een waarborg of een bankgarantie), gaat zulks eveneens verder dan nodig is om de invordering van de verschuldigde bedragen te waarborgen (overweging 58-59)

Ook hier blijkt dat het Hof van Justitie geenszins de gehele inhoudingsregeling als strijdig met het Europees Gemeenschapsrecht verwerpt, doch slechts die aspecten ervan die de toets aan het communautair evenredigheidsbeginsel niet kunnen doorstaan omdat zij verder gaan dan nodig is om de rechten van de Schatkist doelmatig te beschermen en zij aldus het recht op aftrek op een onevenredige wijze aantasten.

Op grond van de richtlijnen die het Hof heeft gegeven, kan worden besloten dat de volgende aspecten van de inhoudingsregeling zoals uitgewerkt in [art. 8, § 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b), in het bijzonder m.b.t. de inhouding in geval van ernstige vermoedens of bewijzen van fraude, strijdig zijn met het communautair evenredigheidsbeginsel :

\- de bepaling vervat in het tiende lid (en ook het zevende lid, eerste zin), luidens hetwelk de beslagrechter de inhouding niet kan opheffen zolang het door de processen-verbaal geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures voor het uitwisselen van inlichtingen niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het parket of een gerechtelijk onderzoek van de beslagrechter;

\- de bepaling vervat in fine van het zevende lid, luidens hetwelk voor de toepassing van de inhouding de voorwaarde vereist door artikel 1413 Ger. W. (spoedeisendheid) geacht wordt te zijn vervuld, indien deze bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat zij een onweerlegbaar vermoeden van spoedeisendheid bevat (hetgeen echter niet woordelijk uit deze bepaling blijkt)

\- het niet voorzien zijn van de mogelijkheid om aan de beslagrechter te vragen om de inhouding door een andere zekerheid te vervangen.

**12.** Uiteindelijk komen de arresten zowel van het Arbitragehof als van het Europees Hof van Justitie erop neer dat de belastingplichtige de inhouding moet kunnen onderwerpen aan een daadwerkelijk rechterlijk toezicht, niet alleen van de regelmatigheid, maar ook van de geldigheid van de inhouding.

Specifiek voor het geval een inhouding op grond van het vierde lid van art. 8, § 4, de inhouding van een belastingkrediet voor een belastingschuld die geen schuldvordering vormt die geheel of ten dele zeker, vaststaand en opeisbaar is. omdat zij door de belastingplichtige wordt betwist, houdt dit in dat de beslagrechter de waarde van de door de Administratie aangebrachte elementen, moet kunnen beoordelen.

Dit komt neer op een beoordeling van het *zeker en vaststaand karakter* van de schuldvordering van de beslaglegger, beoordeling waartoe de beslagrechter ook in het kader van een gemeenrechtelijk bewarend beslag moet overgaan. Indien de aanspraken van de Administratie een voldoende schijn van gegrondheid hebben, kan de invordering van de Administratie als voldoende zeker worden beschouwd. De in hel vooruitzicht gestelde vordering van de Administratie zal tevens, zoniet vaststaand, dan toch voor een voorlopige raming vatbaar moeten zijn.

Wat de voorwaarde van de urgentie betreft, blijkt uil het voornoemd arrest van het Hof van .Justitie dat ook de noodzaak en de spoedeisendheid van de inhouding ter beoordeling aan de beslagrechter moet kunnen worden voorgelegd.

Noch het communautair evenredigheidsbeginsel, noch het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, verzetten zich tegen een weerlegbaar vermoeden van urgentie, dat een effectief rechterlijk toezicht op de inhouding niet in de weg staat. Het betekent enkel dat, wanneer twijfel blijft bestaan omrent de financiële positie van de belastingplichtige, deze twijfel in het voordeel van de Administratie dient te spelen.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat zijn onderneming financieel gezond is en dal er geen enkel gevaar bestaat dat de uit te betalen BTW-tegoeden niet zouden kunnen worden gerecupereerd.

**13.** De rechtbank is van oordeel dat. nu de inhouding door cis: verweerder het gevolg is van de vaststelling dat de eiseres in de gecontroleerde periode geen handelingen heeft verricht zoals bedoeld in [artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) en ook niet de bedoeling had dergelijke handelingen te verstrekken, de beoordeling van het door de belastingplichtige aan te brengen bewijs dat er geen urgentie tot inhouding bestaat, met de nodige soepelheid dient te worden beoordeeld.

Hoewel het niet ondenkbaar is dat een financieel gezonde onderneming middels het creëren van fictieve BTW-tegoeden, zich een onrechtmatig voordeel zou pogen toe te eigenen, houdt dit feit op zich niet de vereiste urgentie in.

Samenvattend kan worden gesteld dat de beslagrechter in het kader van een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht op de inhouding van de BTW-tegoeden, moet onderzoeken :

\- wat de waarde is van de door de Administratie aangevoerde vermoedens/bewijzen en of deze aan de aanspraken van de Administratie een voldoende schijn van gegrondheid geven;

\- of de belastingplichtige aantoont dat er geen noodzaak/spoedeisendheid bestaat om tot inhouding over te gaan;

## 2. Toepassing van de voormelde regels op voorliggend geval

**1.** De formele regelmatigheid van de verrichte inhouding wordt door de eiseres betwist, nu de inhouding enkel gebeurde op grond van een voorlopige correctie-opgave en niet op basis van een dwangbevel.

De opeisbaarheid van een BTW-schuld is niet afhankelijk van het al dan niet uitvaardigen van een dwangbevel.

De eerste verweerder deed de BTW-inhouding op basis van vermoedens/bewijzen vervat in een voorlopige regularisatie-opgave d.d. 25 september 2000, die ter kennis werd gebracht van de eiseres en waarin aan de eiseres gevraagd werd om ingeval van akkoord met de voorgestelde regularisatie, het toegestuurde exemplaar te ondertekenen en terug te zenden.

De eiseres ging echter niet akkoord met de voorlopige correctie-opgave en meldde dit aan de verweerder bij brief d.d. 21 oktober 2000 (stukken 1 en 2 bundel eiseres).

Desondanks ging de eerste verweerder over tot inhouding op 21 december 2000 van het belastingkrediet uit rekening courant.

De rechtbank is van oordeel dat de gegevens vervat in de voorlopige correctie-opgave wel degelijk ernstige vermoedens/aanwijzingen vormen dat de eiseres tegenover het BTW-kantoor gehouden is tot betaling van een belastingschuld voor een totaal bedrag van 2.094.645 BEF (interesten gerekend tot 20.12.2000).

Het bestaan en de omvang van de schuldvordering van de administratie vloeit voort uit de regularisatie-opgave opgesteld door de eerstaanwezend inspecteur bij het fiscaal bestuur van de verweerder waarin gesteld wordt dat uit de facturaties uitgaande van de eiseres duidelijk blijkt dat minstens een deel betrekking heeft op de vrijgestelde activiteit, zodat de BTW-aftrek hierop uitgesloten is.

**3.** Wat betreft de voorwaarde van de urgentie, stelt de eiseres dat de verweerder geen fraude inroept en evenmin beweert dat de belangen van de Schatkist in gevaar zouden zijn.

Zij verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 1998, waarin werd geoordeeld dat wanneer een procedure van bewarend beslag afwijkt van het gemeen recht door een onweerlegbaar vermoeden van noodzaak en spoedeisendheid, twijfel gerechtvaardigd is of de kwestieuze maatregel wel noodzakelijk is om de invordering van de verschuldigde bedragen te verzekeren.

De verweerder beroept zich een weerlegbaar vermoeden van hoogdringendheid, die zou voortvloeien uit het feit dat de Administratie, rekening houdend met de relatief korte ordonnanceringstermijn, onmogelijk kan overgaan tot een adequate controle van de waarachtigheid van de BTW-kredieten ten voordele van de belastingplichtigen.

Dit weerlegbaar vermoeden van hoogdringendheid kan weerlegd worden door de belastingplichtige onder het toezicht van de beslagrechter.

Terecht werpt de eiseres op dat er slechts bewarend beslag kan worden gelegd, wanneer er sprake is van urgentie. Het beslag kan niet worden aangewend als drukkingsmiddel. Vereist is dat de insolvabiliteit in het gedrang komt zodat de latere uitwinning gevaar loopt. Het bewarend beslag is slechts gewettigd, wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de schuldenaar in het gedrang komt.

Het Arbitragehof heeft in zijn arresten van 7 juli 1998 en 18 november 1998 (A.F.T., 1998, 395) aanvaard dat de inhoudingsmaatregel mag afwijken van regels van het gemeen recht inzake beslag, in die zin dat het vermoeden van hoogdringendheid ingeschreven in [artikel 8, § 3, van het KB nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) te beschouwen is als een weerlegbaar vermoeden, hetgeen inhoudt dat de bewijslast wordt omgekeerd.

Het komt toe aan de eiseres, om het weerlegbare vermoeden van urgentie te weerleggen, door het voorleggen van bewijsmateriaal dat aantoont dat haar financiële toestand niet in het gedrang is.

Eiseres brengt evenwel geen enkel concreet clement voor in verband met haar solvabiliteit, zodat het weerlegbaar vermoeden van hoogdringendheid gehandhaafd blijft.

De rechtbank neemt akte van de bereidheid van de verweerder om een alternatieve waarborg te aanvaarden, op voorwaarde en in de mate dat de rechten van de Schatkist op voldoende wijze op een alternatieve manier gewaarborgd blijven.

### Dispositif

## OP DIE GRONDEN

## BFSCHIKKENDE OP TEGENSPRAAK

Met inachtneming van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het verzet toelaatbaar doch ongegrond;

Verkent akte van de bereidheid van de eerste verweerder om een alternatieve waarborg te aanvaarden, op voorwaarde en in de mate dat de rechten van de Schatkist op voldoende wijze op een alternatieve manier gewaarborgd blijven.

Legt de kosten van de procedure, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de eiseres, en begroot deze kosten als volgt :

• aan de zijde van de eiseres

\- dagvaarding in verzet : 7.028 BEF

\- rechtsplegingsvergoeding : 8.800 BEF

• aan de zijde van de verweerders

\- rechtsplegingsvergoeding : 8.800 BEF

Aldus gewezen en uitgesproken op **dinsdag 12 juni 2001** in openbare terechtzitting door de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, waar aanwezig zijn :

**K. B.**, beslagrechter, hiertoe aangewezen bij beslissing van de Voorzitter d.d. 26.6.2000 bijgestaan door **A. V. W.**, griffier

**A. V. W.** **K. B.**

## Textes cités

8

[AR no 4 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 6 occurrences

[CTVA art. 76](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-76) 5 occurrences

[6e directive 77/388 art. 18](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-18) 4 occurrences

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 2 occurrences

[AR no 4 art. 8/1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-86c6) 1 occurrence

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

[CTVA art. 89](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Recouvrement, Contrainte, Dette certaine et liquide](https://juriel.be/fr/jurisprudence/recouvrement-contrainte-dette-certaine-liquide-cassation-bruxelles-2006-03-09-952a) 5 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 4 dispositions communes

[Formation professionnelle continue, droits et privilèges du Trésor, exonération](https://juriel.be/fr/jurisprudence/formation-professionnelle-continue-droits-privileges-cour-appel-gand-2007-09-11-4e2e) 4 dispositions communes

[Cour d'appel de Gand, 28 mars 2002](https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2002-03-28-5e4c) 4 dispositions communes

[Crédit de TVA, Retenue](https://juriel.be/fr/jurisprudence/credit-tva-retenue-pouvoir-appreciation-cassation-bruxelles-2003-01-03-a51f) 4 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 3 dispositions communes
