---
title: "11 février 2005 · Droit à déduction de l’impôt, poursuite · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 11 février 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-poursuite-instance-tribunal-bruxelles-2005-02-11-63ce"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

11 février 2005

## Parcours procédural

2 étapes · 5 ans 11 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance de Bruxelles 11.02.2005
2. [Décision sur appel Cour d'appel de Bruxelles 13.01.2011](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-cour-appel-bruxelles-2011-01-13-4970)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

140 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 11.0.2005

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer**

## In zake van : AR 02/13113/A

**De NV E. F. S.**, met maatschappelijke zetel te …, ….

**eisende partij,**

Vertegenwoordigd door Mter. **V. A.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32.

**verwerende partij,**

Vertegenwoordigd door Mter. **B.** loco Mter. **H. J.**, advocaat te …, ….

---

Na beraad op 24 januari 2005 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

---

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel en aanmaning en in teruggaaf van BTW van gerechtsdeurwaarder **P. V.** te …, betekend op 31 oktober 2002, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 16 september 2003, op 10 september 2004 en op 7 december 2004 (en een tweede maal op 8 januari 2005);

\- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 14 juni 2004 en op 5 november 2004.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 24 januari 2005, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

De NV **E. F. S.**, huidige eiseres, heeft sinds haar oprichting onder haar maatschappelijk doel de gewone verhuur van roerende goederen, alsook de leasing van roerende goederen, waarvoor zij een erkenning verkreeg.

Deze laatste activiteit betreft de leasing van elektrische apparaten en de leasing van voertuigen.

Tussen 1 juli 1996 en 31 december 2000 verhuurde de NV **E. F. S.** 145 voertuigen op basis van lange termijn leasingcontracten.

Volgens de NV **E. F. S.** werd het merendeel van deze voertuigen verhuurd aan groepsvennootschappen in de ruime zin van het woord tegen normale voorwaarden en prijzen.

Nadien droeg de NV **E. F. S.** haar gehele wagenpark over aan de NV **L. P.**.

Op 6 februari 2001 vond een BTW-controle plaats over de periode van 1 juli 1996 tot en met 31 december 2000.

Bij die gelegenheid werd een ontwerp van proces-verbaal opgesteld, waarin werd gesteld dat de recuperatiebeperking van 50 % op de BTW geheven op personenwagens moest worden toegepast op de vloot van de NV **E. F. S.**, omdat zij geen specifieke economische activiteit als verhuurder van voertuigen uitoefende.

Op 25 mei 2001 ondertekende de NV **E. F. S.** een verklaring van afstand van de reeds gelopen verjaringstermijn.

Op 15 maart 2002 werd een proces-verbaal opgesteld, waarin volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, de vastgestelde overtredingen werden opgenomen, en waaruit bleek dat de NV **E. F. S.** de volgende sommen verschuldigd was :

\- BTW : … euro

\- wettelijke boeten : … euro

\- interest krachtens art. 91, § 1 W.BTW te berekenen aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2001 tot 20 januari 2002, over de verschuldigde BTW uitgedrukt in BEF afgerond naar het lager duizendtal en vanaf 21 januari 2002 over de verschuldigde BTW uitgedrukt in euro afgerond naar het lagere tiental euro: p.m.

Op 20 maart 2002 ging de administratie over tot het uitvaardigen van een dwangbevel.

Op 26 maart 2002 werd dit dwangbevel aan de NV **E. F. S.** betekend per aangetekende brief.

Op 27 maart 2002 vroeg de NV **E. F. S.** de administratie - zonder enige nadelige erkenning en met behoud van alle rechten - om het bestaande tegoed op de bijzondere rekening courant voor het tijdvak 30 april 1999 - 31 juli 1999 te compenseren met het verschuldigde bedrag zoals vermeld in het dwangbevel van 26 maart 2002.

Op 31 oktober 2002 ging de NV **E. F. S.** over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel en aanmaning en in teruggaaf van BTW.

## II. IN RECHTE

### A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar vordering, zoals aangepast ter zitting van 24 januari 2005, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren; dienvolgens :

\- *in hoofdorde -*

\- het dwangbevel van 26 maart 2002 te vernietigen in de mate dat het betrekking heeft op de problematiek van de leasingactiviteit van voertuigen;

\- te zeggen voor recht dat de daarmee verband houdende sommen niet verschuldigd zijn wegens de strijdigheid van de door verweerder gestelde bijkomende voorwaarde van verhuur aan derden met het Europese recht en/of het Belgische interne recht;

\- en dienvolgens verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van het door hem geïnde bedrag van … euro, te verhogen met wettelijke interesten, te rekenen vanaf de inhouding tot de dagvaarding en met gerechtelijke interesten, te rekenen vanaf de dagvaarding, berekend overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW;

\- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement;

*-* *in subsidiaire orde -*

\- zelfs indien de rechtbank zou oordelen dat de door verweerder aan de wet toegevoegde voorwaarde van verhuur aan derden niet strijdig is met het Europese recht, noch met het Belgische interne recht, dan nog het dwangbevel van 26 maart 2002 te vernietigen in de mate dat het betrekking heeft op de problematiek van de leasingactiviteit van voertuigen en te zeggen voor recht dat de daarmee verband houdende sommen niet verschuldigd zijn, wegens het feitelijk vervuld zijn van deze voorwaarde in het voorliggende geval;

\- en dienvolgens verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van het door hem geïnde bedrag van … euro, te verhogen met wettelijke interesten, te rekenen vanaf de inhouding tot de dagvaarding en met gerechtelijke interesten, te rekenen vanaf de dagvaarding, berekend overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW;

\- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement;

*-* *ten slotte -*

\- voor zover de rechtbank het nodig acht, over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof en/of het Hof van Justitie.

Verweerder vraagt :

\- het verzet tegen dwangbevel ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

\- de eis tot terugstorting van de geïnde bedragen af te wijzen.

### B. BEOORDELING

#### 1) Wat de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel betreft

1.1. Eiseres wijst erop dat de BTW-administratie het karakter van gespecialiseerde leasingonderneming niet alleen niet heeft betwist bij de aanvang van haar leasingactiviteit in 1996, maar tevens haar zienswijze gedurende 5 jaar impliciet heeft aanvaard.

Eisers stelt dat naar aanleiding van een controle door de BTW-administratie met betrekking tot het jaar 1998 de volledige aftrek van de BTW op voertuigen werd aanvaard (zie het proces-verbaal van 8 november 1999 met betrekking tot de controle van 19 oktober 1999).

Zij meent dat het retroactief terugkomen door de administratie op haar vroegere houding een schending van het vertrouwensbeginsel uitmaakt.

Eiseres meent ten slotte dat het legaliteitsbeginsel in casu geenszins in het gedrang komt omdat art. 45, § 2 W.BTW niet bepaalt dat er enkel dient te worden verhuurd aan vennootschappen die niet tot de groep behoren en de administratie aldus een voorwaarde toevoegt aan een duidelijke wettekst.

1.2. Verweerder stelt dat het legaliteitsbeginsel niet toelaat dat een in het verleden toegepaste, maar met de wet strijdige regeling wordt voorgehouden als een rechtmatige regeling waaruit de belastingplichtige zou mogen begrijpen dat ze in de toekomst ook zou worden aanvaard.

1.3. Er wordt algemeen aangenomen dat (stilzwijgende of uitdrukkelijke) akkoorden rechtsgeldig kunnen worden gesloten tussen de belastingplichtige en de fiscale administratie over feitenkwesties (zie : VANDEBERGH, H., "Grenzen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel", T.F.R., 2003, 216 met de aldaar geciteerde referenties).

Verder dient te worden aangenomen dat het door verweerder ingeroepen legaliteitsbeginsel niet in het gedrang komt wanneer de administratie een vaste gedragsregel volgt in verband met een feitenkwestie (zie : Cass., 3 juni 2002, F.J.F., 2003, N° 2003/1).

Indien dergelijke akkoorden werden afgesloten, dient te worden verwezen naar de administratieve commentaar W.I.B. 1992, die onder nr. 50/7 bepaalt dat enkel in de volgende gevallen een bestaand akkoord met terugwerkende kracht kan worden herzien (zie ook: Bergen, 17 april 1998, F.J.F., 1998, 618) :

• wanneer de belastingplichtige een akkoord heeft bekomen op basis van valse of vrijwillig onjuiste gegevens, en

• wanneer de gegevens betreffende de kosten waarover een akkoord tot stand kwam later zodanig anders liggen, o.a. ten gevolge van wijzigingen in de omstandigheden waarin het beroep wordt uitgeoefend, dat de administratie zich gerechtigd voelt het akkoord te herzien.

Wat de gevallen betreft waarin een akkoord met terugwerkende kracht kan worden herzien, meent de rechtbank dat deze in casu niet voorhanden zijn.

Zo is de situatie van eiseres niet gewijzigd en haalt verweerder ook geen elementen aan waaruit blijkt dat de omstandigheden gewijzigd zouden zijn.

Evenmin werd het akkoord door eisers bekomen op basis van valse of vrijwillig onjuiste gegevens.

Alleen rijst de vraag of het hier wel om een feitenkwestie gaat. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval wat de door verweerder vereiste specifieke economische activiteit als verhuurder van voertuigen in het kader van art. 45, § 2 W.BTW betreft. Het betreft hier integendeel een rechtskwestie.

Het legaliteitsbeginsel verzet er zich tegen dat akkoorden worden gesloten over rechtskwesties. Derhalve beroept eiseres zich ter zake ten onrechte op een schending van het vertrouwensbeginsel.

De kwestie van een mogelijke schending van het vertrouwensbeginsel kan wel van belang zijn in het kader van het bewijs van verhuringen aan derden, nu het hier naar het oordeel van de rechtbank wel om een feitenkwestie gaat.

Op deze kwestie wordt hierna onder 3) nader ingegaan.

**2) Wat de beweerde strijdigheid van de zienswijze van verweerder met** [**art. 17, 6° van de Zesde Richtlijn**](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) **en met de algemene rechtsbeginselen uit het Belgische interne recht betreft**

2.1. Eiseres wijst erop dat volgens de huidige tekst van art. 45, § 2 W.BTW, waarin een beperking van de BTW-recuperatie tot 50 % voor voertuigen wordt bepaald, deze beperking niet geldt voor voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht of verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen. Volgens de administratie oefent eiseres geen specifieke economische activiteit uit bestaande uit de verkoop of verhuur van voertuigen, nu zij hoofdzakelijk voertuigen leasde aan

(ex)-groepsvennootschappen, zodat de aftrekbeperking van 50 % dient te worden toegepast.

*Op de eerste plaats* meent eiseres dat dit administratief standpunt strijdig is met de Zesde BTW-Richtlijn, en meer bepaald met de daarin in art. 17, § 6 opgenomen zg. *'stand still'*-bepaling (d.w.z. het verbod om bijkomende aftrekbeperkingen in te voeren of bestaande beperkingen uit te breiden sinds de inwerkingtreding van deze Richtlijn, hetgeen voor België op 1 januari 1978 was).

In 1978 was er volgens eiseres nog geen sprake van de vereiste dat de verhuur van automobielen een *'specifieke economische activiteit'* moest vormen, en volstond het volgens haar dat de verhuur een beroepswerkzaamheid vormde opdat de aftrekbeperking niet van toepassing was. Eiseres stelt dat deze bijkomende voorwaarde, die volgens haar een ongeoorloofde uitbreiding van een aftrekbeperking uitmaakt, werd ingevoerd door art. 51 van de Wet van 28 december 1992 (in werking op 1 januari 1993).

*Op de tweede plaats* meent eiseres dat voormeld administratief standpunt strijdig is met het nationale recht.

Eiseres stelt in dat verband vooreerst dat de uitzonderingen op een algemene regel strikt diende te worden geïnterpreteerd en dat, bij twijfel over de correcte invulling van een bepaling, deze steeds moet worden geïnterpreteerd in het voordeel van de belastingplichtige.

Verder stelt eiseres dat de administratie voorwaarden toevoegt aan art. 45 W.BTW, die daarin niet staan ingeschreven, noch in overeenstemming zijn met de ratio legis van het W.BTW of meer in het bijzonder van art. 45 W.BTW.

Derhalve dient naar haar oordeel geen rekening te worden gehouden met deze door de administratie gestelde bijkomende voorwaarden en dient enkel te worden nagegaan of zijzelf de karakteristieken vertoont van een professionele huuronderneming, hetgeen naar haar oordeel het geval is.

2.2. Verweerder wijst erop dat reeds in de aanschrijving nr. 73 van 11 juli 1972 inzake de aftrek van voorbelasting voor automobielen was bepaald dat de uitzondering op de beperking van het recht op aftrek enkel de ondernemingen betreft die een specifieke activiteit uitoefenen die bestaat in de verkoop of verhuur van automobielen.

Verder sluit verweerder zich aan bij de rechtspraak, met name van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 28 november 2002 (Fisc. Koer., 2003, 255), volgens de welke de tekst van art. 45, § 2, lid 2, a) W.BTW aldus moet worden gelezen dat de zinsnede *'bestemd om te worden verhuurd'* samen moet worden gelezen met de zinsnede *'door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van automobielen'*.

Door het gebrek aan verhuringen aan derden en het niet voeren van reclame aan derden oefent eiseres, naar het oordeel van verweerder, geen specifieke economische activiteit uit die de verhuur van auto's tot voorwerp heeft en kan zij bijgevolg, naar zijn oordeel, geen aanspraak maken op de toepassing van art. 45, § 2, lid 2, a) W.BTW.

2.3. De rechtbank stelt vast dat het door eiseres aangehaalde [art. 17, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17), dat de zg. *'stand still'*-bepaling bevat, letterlijk als volgt luidt :

> *"Uiterlijk binnen 4 jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten.*
>
> *Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag"*.

Nu tot op heden in de Raad geen consensus werd bereikt over de gelijkschakeling van de aftrekbeperkingen, blijft de zg. *'stand still'*-bepaling (d.w.z. het verbod om bijkomende aftrekbeperkingen in te voeren of bestaande beperkingen uit te breiden) onverminderd van kracht.

Met reden doet eiseres in dat verband gelden dat het beperken van een afwijking op een aftrekbeperking moet worden beschouwd als een uitbreiding van die aftrekbeperking (in dezelfde zin, zie : DE RAEDT, S., noot onder H.v.J., 8 januari 2002, zaak [C-409/99](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-99-arret), A.F.T., 2002, 143).

Op 1 januari 1978 (datum van inwerkingtreding in België van de Zesde BTW­Richtlijn) luidde de tekst van art. 45, § 2 W.BTW als volgt :

> *"Ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.*
>
> *Deze bepaling is evenwel niet van toepassing :*
>
> *op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een beroepswerkzaamheid uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen ..."*.

In zijn huidige versie luidt art. 45, § 2, lid 1 en lid 2, a) W.BTW als volgt :

> *"Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.*
>
> *Deze bepaling is evenwel niet van toepassing :*
>
> *a) op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen"*.

Onder punt 4 van de door verweerder aangehaalde aanschrijving nr. 73 van 11 juli 1972 inzake de aftrek van voorbelasting voor automobielen staat letterlijk het volgende te lezen :

> *"De nieuwe bepaling is niet van toepassing op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een onderneming van wie de beroepswerkzaamheid bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen.*
>
> *Deze uitzondering beoogt enkel die ondernemingen van wie de specifieke beroepswerkzaamheid bestaat in de verkoop van automobielen (invoerders, concessionarissen, garagehouders, verdelers van automobielen, handelaars in tweedehandse wagens) of de verhuur van automobielen (leasing daaronder begrepen). Ze kan niet worden ingeroepen door ondernemingen die, zonder er hun beroep van te maken, af en toe automobielen verkopen (b.v. automobielen die ze in hun bedrijf gebruikt hebben) of af en toe automobielen verhuren (b.v. automobielen die ze ter beschikking van hun personeel stellen voor privé-reizen)"*.

Dit betekent dat de beperking van het toepassingsgebied van de uitzondering op de beperking van het recht van aftrek opgenomen in art. 45, § 2, lid 1 en lid 2, a) W.BTW reeds bestond en door de administratie reeds werd toegepast voor de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn (zoals gezegd voor België op 1 januari 1978).

Derhalve houdt eiseres ten onrechte voor dat het administratief standpunt strijdig is met de Zesde BTW-Richtlijn, en meer bepaald met de daarin in art. 17, § 6 opgenomen zg. *'stand still'*-bepaling.

Heel anders is de vraag of de administratie met dit administratief standpunt geen voorwaarde toevoegt aan de wet.

Met reden verwijst eiseres naar de rechtsleer, die opmerkt dat de wet terzake geen bijzondere voorwaarden stelt, zodat dient te worden aanvaard dat er een beroepswerkzaamheid is zodra zij wordt uitgeoefend, ongeacht tegenover wie men deze uitoefent. Men mag geen hogere eisen stellen dan de wet doet, anders bezondigt men zich aan extensieve interpretatie van de wet.

Volgens deze rechtsleer doet het feit slechts auto's te verhuren aan gelieerde personen of bedrijven geen afbreuk aan het bestaan van de beroepswerkzaamheid, zijnde het enige criterium dat moet worden gerespecteerd (zie : MASSIN, I., "Ter beschikking gestelde volgwagens : volledige aftrek", Fiscoloog, nr. 836, pp. 7 - 8; VANDEBERGH, H., Het BTW-Handboek, Gent, Mys en Breesch, 1995, 327; VAN DEN EECKHAUT, R., noot onder Rb. Turnhout, 24 december 1993, Fisc. Koer., 1994, 518; WILLE, P. en BORGER, F., Handboek BTW, 2000-2001, Antwerpen, Intersentia rechtswetenschappen, 2001, 262).

Derhalve voegt de administratie inderdaad een voorwaarde toe aan de wet en dient er met deze bijkomende voorwaarde geen rekening te worden gehouden.

Ten slotte doet eiseres terecht gelden dat zij voldoet aan de door de rechtspraak gestelde intrinsieke voorwaarden om te kwalificeren als een verhuuronderneming. Ter zake verwijst zij met reden naar de door haar gehanteerde regelmaat, specialisatie, organisatie en methode, die gewoonlijk door vakmensen wordt aangewend (zie ter zake : Brussel, 24 november 1987, BTW-Revue, nr. 87, p. 300; F.J.F., 1988, N° 88/106, p. 192; Gent, 18 maart 1998, A.J.T., 1998-99, 534).

Derhalve dient de vordering van eiseres te worden ingewilligd.

Daarbij meent de rechtbank dat het voor haar uitspraak niet noodzakelijk is de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie te Luxemburg te stellen. Nu haar uitspraak nog vatbaar is voor hoger beroep, is zij overigens niet verplicht deze vraag aa11 het Hof van Justitie te stellen (zie art. 234 van het E.G.-Verdrag).

De rechtbank acht het evenmin noodzakelijk de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen.

#### 3) Wat het beweerd vervuld zijn van de voorwaarde inzake verhuur aan derden betreft

Ten overvloede meent de rechtbank dat eiseres zich in dat verband terecht op het vertrouwensbeginsel beroept, nu het hier om een feitenkwestie gaat.

Met reden verwijst eiseres vooreerst naar de controle door de BTW-administratie met betrekking tot het jaar 1998, waarbij de volledige aftrek van de BTW op voertuigen werd aanvaard. Verder stelt zij terecht dat de BTW-administratie zich voor de periode 1996 - 2000 impliciet akkoord heeft verklaard met haar zienswijze.

Een controle moet worden geacht steeds volledig te zijn, omdat bij elke controle telkens toch inzage wordt genomen van de ganse boekhouding en andere stukken. De controle wordt overigens in de regel ook zo aangekondigd (in dezelfde zin, zie : VANDEBERGH, H., "Grenzen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel", op. cit., p. 213, voetnoot 9). Verweerder beweert wel dat deze controle een nazicht naar aanleiding van een bijzondere rekening betreft, maar brengt daarvan niet het minste bewijs bij.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten genoege van recht aangetoond dat er inzake de volledige aftrek van de BTW op voertuigen een vaste gedragslijn van de fiscus bestond.

Nu verweerder ten onrechte is teruggekomen op zijn vaste gedragslijn, waarop eiseres kon vertrouwen, heeft hij het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden.

Ook om die reden dient de vordering van eiseres te worden ingewilligd.

**4) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement**

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

### Dispositif

**0M DEZE REDENEN,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het

gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend op tegenspraak;

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de NV **E. F. S.** ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt het dwangbevel van 26 maart 2002, in de mate dat het betrekking heeft op de problematiek van de leasingactiviteit van voertuigen.

Zegt voor recht dat de daarmee verband houdende sommen niet verschuldigd zijn wegens de strijdigheid van de door de Belgische Staat gestelde bijkomende voorwaarde van verhuur aan derden met het Belgische interne recht.

Veroordeelt dienvolgens de Belgische Staat tot terugbetaling van het door hem ten onrechte geïnde bedrag, te verhogen met wettelijke interesten, te rekenen vanaf de inhouding tot de dagvaarding en met gerechtelijke interesten, te rekenen vanaf de dagvaarding, berekend overeenkomstig art. 91, § 4 W.BTW.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de NV **E. F. S.** op … euro, en ten aanzien van hemzelf op … euro.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **11 februari 2005**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mijnheer **J. V.** : alleenrechtsprekend rechter

Mevrouw **V. V. D. S.** : beambte bij de griffie van deze zetel door de hoofdgriffier tijdelijk opdracht gegeven het ambt van griffier uit te oefenen overeenkomstig artikel 328, § 6 van het gerechtelijk Wetboek.

**V. V. D. S.** **J. V.**

## Textes cités

2

[6e directive 77/388 art. 17](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-17) 2 occurrences

[C-409/99, arrêt du 8 janvier 2002](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-409-99-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à déduction, Étendue du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-etendue-services-courtage-tribunal-bruxelles-2024-06-24-02f4) 1 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Prorata de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-prorata-tva-amont-cassation-bruxelles-2021-05-21-1ead) 1 dispositions communes

[Assujetti ¬- Qualification de holding passif ou actif](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-qualification-holding-passif-actif-tribunal-2024-02-05-26ef) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Déduction de la TVA historique, Assujettissement](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-tva-historique-assujettissement-cassation-bruxelles-2024-01-11-33d5) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Affectation professionnelle du bâtiment](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-affectation-professionnelle-batiment-tribunal-mons-2020-10-15-4451) 1 dispositions communes

[Assujetti mixte, Déduction, Affectation réelle, Calcul du prorata spécial](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-mixte-deduction-affectation-reelle-tribunal-luxembourg-2022-05-11-5ace) 1 dispositions communes
