---
title: "12 février 2007 · Droit à déduction de l’impôt, poursuite · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Droit à déduction de l’impôt, poursuite, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 12 février 2007."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-poursuite-droits-tribunal-bruges-2007-02-12-912e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

12 février 2007

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

60 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 12.02.2007

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **04/977/A** Rep. nr. 2007/2211

**de NV R. V. M.**, (H.R. Kortrijk nr. …, BTW-nr. BE …), met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **A. V.** (balie …) loco Meester **L. D. B.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**1.** **de BELGlSCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

**2.** **de BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, AOIF, Controlecentrum Kortrijk, in de persoon van de heer **A. V. L.**, e.a. verificateur, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

**3.** **de BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Administratie van de Invordering, sector BTW, in de persoon van mevrouw **A. B.**, e.a. inspecteur het 1 e Ontvangkantoor te KORTRIJK, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

**verweerders, hierna genoemd 'verweerder',**

voor wie is opgetreden Meester **F. H.** (balie …) loco Meester **F. W.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 23.03.2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 18 december 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik eer talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit als adviesbureau op het gebied van studie, organisatie en raadgevend bureau, boekhoudkantoor en kantoor van mecanografische werken. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 18 december 2002 werd door een ambtenaar bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een controle aangevat over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001.

Bij gebrek aan akkoordverklaring werd op 22 juli 2003 door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd. Op grond van voormeld proces-verbaal was eiseres 61.830,42 EUR BTW, 6.180,00 EUR boete en interest verschuldigd.

Deze verschuldigde sommen werden onder voorbehoud van alle rechten betaald door eiseres.

**2.2.** Eiseres vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot teruggave van het totale bedrag van 79.889,62 EUR aan BTW, nalatigheidsinteresten en boete, dit verhoogd met de moratoire rente. In subsidiaire orde vraagt zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de teruggave van het bedrag van de administratieve geldboete ten bedrage van 6.180,00 EUR, meer de moratoire rente. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, aan haar zijde begroot op 342,10 EUR rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding.

## lll. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

**3.2.1.** Verweerder stelt dat de BTW van de in het proces-verbaal van 22 juli 2003 opgenomen facturen door eiseres ten onrechte in aftrek werd genomen daar deze BTW niet in aanmerking komt voor aftrek op grond van artikel 45, § 3, 4° W.BTW.

Artikel 45, § 3, 4° W.BTW luidt als volgt : "Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van : kosten van onthaal".

**3.2.2.** De discussie tussen partijen behelst de interpretatie van de door e:seres gemaakte kosten van circusvoorstellingen die ze als aanvullend entertainment heeft aangeboden bij de organisatie van handelsbeurzen in diverse Belgische steden.

Eiseres is van oordeel dat de betwiste facturen geen betrekking hebben op onthaalactiviteiten doch wel op publiciteitskosten.

**3.2.3.** Eiseres heeft een aantal verkoopsdagen georganiseerd ter promotie van de verkoop van sanitair. De klanten werden ontvangen in twee tenten. In een eerste tent werden de artikelen van de groep voorgesteld en in een tweede tent werd een circusvoorstelling gegeven.

Verweerder heeft voor de eerste tent waar de producten van de NV **V. M.** werden aangeprezen en verkocht het recht op aftrek van voorbelasting toegestaan.

Voor de facturen die betrekking hebben op de circusvoorstellingen heeft verweerder het recht op aftrek van voorbelasting evenwel terecht geweigerd aangezien de kosten van de circusvoorstelling kosten zijn die gedaan zijn voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van de zakelijke relaties. Tijdens de circusvoorstelling die niets te maken heeft met de handelsbedrijvigheid van eiseres werden er geen boodschappen verspreid die de consument informeert over de producten van de NV **V. M.**. De betrokken activiteit had dus niet rechtstreeks en hoofdzakelijk tot doel de consument in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen. Voormelde kosten kunnen dan ook onmogelijk als aftrekbare reclame- of publiciteitskosten gecatalogeerd worden.

**3.2.4.** Een boete van 10 % op het verschuldigd BTW-bedrag en voor een bedrag van 6.180,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (*Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99*).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Uit het proces-verbaal de dato 22 juli 2003 blijkt immers dat eiseres voor een aantal facturen uitgereikt door **C. R.** de BTW op de circusvoorstellingen ten onrechte in aftrek heeft gebracht. Deze vermeldingen in het proces-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel. Er is geen tegenbewijs geleverd.

Een boete van 10 % en voor een bedrag van 6.180,00 EUR acht de rechtbank evenwel buiten verhouding tot de feiten en het onderzoekswerk dat erdoor aan verweerder werd berokkend. Aan de hand van de feiten die in dat verband staan, acht de rechtbank een boete van 5 % op het verschuldigd BTW-bedrag gepast. De opgelegde administratieve boete wordt derhalve verminderd tot 3.090,00 EUR. Van het gedeelte van de boete dat de 5 % overtreft, is de vordering gegrond.

De interest is verschuldigd overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.

### 3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt voor de eigenlijke betwisting in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

### 3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB '92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV **D.**.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat het proces-verbaal dat door verweerder ten nadele van eiseres op 22 juli 2003 werd opgemaakt ongegrond is voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag van 3.090,00 EUR overtreft.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte van het genoemde proces-verbaal dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag twaalf februari tweeduizend en zeven**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**
