---
title: "20 octobre 2010 · Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale · Tribunal de première instance de Hasselt"
description: "Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, poursuite, amende administrative. Tribunal de première instance de Hasselt (Belgique), 20 octobre 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-disposition-penale-tribunal-hasselt-2010-10-20-2447"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt, disposition pénale, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Hasselt

**Date**

20 octobre 2010

## Parcours procédural

2 étapes · 1 an 5 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance de Hasselt 20.10.2010
2. [Décision sur appel Cour d'appel d'Anvers 20.03.2012](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2012-03-20-2157)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

93 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 20.10.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER C, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

IN ZAKE AR nr. **98/395/A**

**D. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door mr. **L. P.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 40 bus 47.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door mr. **D. D.** loco mr. **R. F.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het exploot van dagvaarding van 20.02.1998 van gerechtsdeurwaarder **P. W.** te …;

\- de besluiten, de aanvullende conclusies, de syntheseconclusies en stukken van eiseres;

\- de conclusies, de aanvullende conclusies, de syntheseconclusies en stukken van verweerder.

---

## I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN

De vordering van eiseres betreft het verzet tegen het dwangbevel (RCIV-nr. …) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 16.01.1998 door de heer **J. S.**, eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **R. C.**, gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 20.01.1998.

Bij kennisgeving van dwangbevel van 21.01.1998 werd overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW een voor eensluidend verklaard afschrift van het dwangbevel verzonden aan eiseres.

Bij voormeld dwangbevel wordt door verweerder van eiseres gevorderd :

\- BTW (hoofdsom) : 5.163.565 BEF (128.001,43euro);

\- Boete : 10.327.000 BEF (255.999,64 euro).

Meer de intresten en kosten

Ter inning van deze vordering werden twee betalingen van de rekening-courant van eiseres overgemaakt voor een bedrag van 1.925.461 BEF (47.730,93 euro). Deze betalingen werden toegerekend op de verschuldigde intresten voor een bedrag van 413.040 BEF (10.238,99 euro) en op de verschuldigde geldboeten voor een bedrag van 1.512.421 BEF (37.491,94 euro). Er werd een bevel tot betaling gegeven van

\- BTW (hoofdsom) : 5.163.565 BEF (128.001,43euro);

\- Boete : 8.814.579 BEF (218.507,70 euro).

Meer de intresten en kosten.

Bij schrijven van 28.11.1996 werd er door de Procureur-generaal toelating verleend tot inzage en afschrift van het strafdossier notitienummer TO.75/112/96 van het parket van de procureur des Konings te Tongeren.

Op 24.01.1997 werd er bij eiseres een controle uitgevoerd met betrekking tot de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan gegeven besluiten voor de periode van 01.01.1993 tot 31.12.1996.

Op 17.03.1997 werd er een vraag om inlichtingen gesteld aan eiseres, waarbij verzocht werd om met betrekking tot de in de vraag opgestelde facturen, de nodige bewijsstukken bij te brengen waaruit de waarachtigheid van de gefactureerde leveringen en/of handelingen bleek.

Op 16.04.1997 antwoordde eiseres op voormelde vraag om inlichtingen.

Door verweerder werden inbreuken op de aftrekregeling en inbreuken op de bepalingen in verband met het opnemen in de BTW-aangifte van de verschuldigde BTW ter zake van intracommunautaire verwervingen.

Van deze vaststellingen werd op 20.06.1997 proces-verbaal opgesteld.

Ter zitting van 15.05.2002 van deze rechtbank werd op verzoek van partijen de zaak in afwachting van de uitspraak over de strafzaak notienummer TO.75/112/96, naar de bijzondere rol verzonden.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 26.06.2003 werd de strafvordering inzake notitienummer TO.75/112/96 onontvankelijk verklaard.

Bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 08.12.2004 werd er inzake notitienummer TO.75/112/96 uitspraak gedaan op straf gebied en op burgerlijk gebied.

Bij arrest van het Hof van Cassatie van 03.05.2005 werden de cassatieberoepen verworpen.

## II. IN RECHTE

### *1. De ontvankelijkheid*

Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

### *2. Gegrondheid*

1\. Eiseres houdt voor dat de vordering van de fiscus verjaard is op grond van art. 81 (oud) W.BTW.

Krachtens dit artikel verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete door verloop van vijf jaren te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Art. 83 W.BTW, zoals van toepassing op huidig geschil, bepaalt : *"Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboete, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring indien geen rechtsgeding hangende is. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in art. 85, § 1 W.BTW, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting."*

Volgens eiseres heeft de term 'indien geen rechtsgeding hangend is" zoals vermeld in art. 83 W.BTW betrekking op een procedure met betrekking tot de invordering van de belasting en niet op een procedure met betrekking tot de grond van de vordering.

Een rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de BTW dat wordt ingesteld door de schuldenaar van de BTW schorst de verjaring. In art. 83 (oud) W.BTW wordt immers vermeld "indien geen rechtsgeding hangende is". Ten deze is het dwangbevel de eerste daad van uitvoering waartegen de belastingplichtige enkel kan opkomen door het instellen van een vordering voor de rechtbank. Een rechtsgeding in de zin van artikel 83 W.BTW kan zijn het verzet van de belastingplichtige dat ertoe strekt de uitvoerbare kracht van het dwangbevel te schorsen waaruit volgt dat de verjaring tijdens de hele duur ervan niet tegen de Staat is verkregen ([Cass. 16 oktober 2008](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-opposition-instance-justice-cassation-bruxelles-2008-10-16-e223), *T.F.R.*, 2009, 282 en Vanermen, B., "Verzet tegen dwangbevel schorst de verjaring ook voor oude BTW-schulden." *T.F.R*. 2009, 286).

Deze rechtsvordering, eenmaal de verjaring door de betekening van het dwangbevel werd gestuit, schorst in principe zolang het rechtsgeding loopt.

Eiseres stelt verder dat de verjaring in eerste instantie ook ongeldig werd gestuit omdat op het ogenblik dat het eerste dwangbevel werd betekend, verweerder op de hoogte was van het lopende straf onderzoek en dit strafonderzoek nog diende uit te wijzen dat er sprake zou zijn van facturen die niet overeenstemden met de werkelijkheid. Volgens eiseres is het dwangbevel gesteund op gegevens die niet zeker en vaststaand zijn.

In het raam van de belasting over de toegevoegde waarde, is het dwangbevel enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebreke aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belasting (Cass.9 maart 2006, *F.J.F.*, 2007, afl. 10, 911). Bijgevolg stuit in geval van betwisting het dwangbevel de verjaring. Het dwangbevel inzake BTW heeft immers een andere functie dan in de inkomstenbelasting.

Rekening houdende met het voorgaande is de rechtbank: dan ook van oordeel dat de vordering van verweerder niet verjaard is.

2\. Eiseres stelt dat verweerder nalaat alle stukken waarop haar vordering gesteund is voor te leggen. Zij stelt dat bij gebreke aan het voorleggen van alle gegevens met betrekking tot het gerechtelijk dossier en de strafzaken, zij niet in de gelegenheid is met kennis van zaken haar rechten te vrijwaren met als gevolg dat haar rechten van verdediging werden geschonden.

De rechtbank is van oordeel dat door het niet volledig voorleggen van het strafdossier waaruit zij gegevens heeft geput, het recht van verdediging niet geschonden is. Niet alleen heeft eiseres geen recht op inzage in het strafdossier waarin zij niet betrokken was. De voor eiseres relevante gegevens uit het strafdossier werden toegevoegd aan het administratief dossier waarvan eiseres kennis kon krijgen. De wettigheid van het dwangbevel wordt alleen beoordeeld op grond van de stukken van het administratief dossier.

3\. Eiseres stelt dat verweerder aan haar op 17.03.1997 een uitgebreide vraag om inlichtingen heeft gericht, waarin zij dreigde met boetes van 1.000 tot 100.000 BEF per overtreding en met strafrechtelijke sancties indien niet zou worden geantwoord. Volgens eiseres heeft verweerder haar zwijgrecht geschonden door een vraag om inlichtingen te stellen, daarbij dreigende met strafsancties, en dit op een ogenblik dat de administratie wist dat over diezelfde gegevens reeds een strafonderzoek bezig was.

Het recht op een eerlijk proces, overeenkomstig art. 6 EVRM, houdt onder meer in dat een verdachte niet verplicht kan worden om zichzelf te beschuldigen en dat iedere verdachte over een zwijgrecht beschikt.

De rechtbank is van oordeel dat in fiscale zaken het zwijgrecht aan belastingplichtigen slechts in bepaalde gevallen het recht geeft om niet in te gaan op de verzoeken tot medewerking die uit gaan van de fiscale administratie.

Op het ogenblik dat te dezen de vraag om inlichtingen gesteld werd namelijk op 17.3.1997 maakten de bedrijfsleiders van eiseres voorwerp uit van een strafonderzoek in het kader van valsheid. De belastingplichtigen die het voorwerp uitmaken van een strafonderzoek zijn nog steeds verplicht in te gaan op vragen die louter betrekking hebben op de belastingheffing (vgl. Antwerpen, 24 februari 2009, *Fisc. Koer.*, 2009/407 en rb. Hasselt, 1 april 2010, *T.F.R.*, 2010, 704). De stukken waarvan verweerder te dezen de voorlegging vroeg waren niet meer dan gegevens die iedere belastingplichtige geacht wordt bij te houden en die eiseres niet kan weigeren op basis van het zwijgrecht voor te leggen.

4\. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte de aftrek van de BTW heeft verworpen.

Eiseres die gebruik wil maken van het recht op aftrek draagt de bewijslast.

Verweerder lost zijn aanvoeringspIicht in door de vaststellingen die betreffende de onderscheiden facturen werden gedaan en vermeld werden in het proces-verbaal. Uit het geheel van deze vaststeIIingen, die vaststaand, gewichtig en precies en overeenstemmend zijn kon de administratie terecht afleiden dat de kwestieuze facturen fictief zijn.

Met betrekking tot de onder rubriek I.1, I.2, I.3, I.7, I.8 en I.9 van het proces-verbaal opgenomen facturen oordeelde de strafrechter dat het in casu om valse facturen ging (zie arrest Antwerpen van 08.12.2004). Wat de strafrechter heeft beslist, wordt geacht waarheid te zijn erga omnes, dus ook ten aanzien van de burgerlijke rechtscolleges.

Het principe van het strafrechtelijk gewijsde heeft wel geen absoluut karakter, aangezien het erga omnes-gezag in samenhang dient te worden gelezen met het algemeen beginsel van het recht van verdediging en artikel 6.1 van het E.V.R.M., nl. het recht op een eerlijk proces. Het gezag van gewijsde staat er m.a.w. niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden. De fiscale rechter is ingevolge het gezag van strafrechtelijk gewijsde door de beslissing van de strafrechter gebonden. Het gezag van het rechterlijk gewijsde is beperkt tot wat de rechter over een punt in betwisting heeft beslist en wat, wegens de voor hem gebrachte betwisting waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, ook impliciet, van zijn beslissing vormt.

Ten deze is de rechtbank van oordeel dat eiseres er niet in slaagt de echtheid van de aan haar geleverde prestaties zoals omschreven op de desbetreffende facturen aan te tonen. Door verweerder wordt tevens met betrekking tot de facturen uitgaande van VZW **P.** (rubriek I.10) onvoldoende aangetoond dat deze facturen beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties. Door eiseres worden wel publiciteitsovereenkomsten overgelegd doch de er aan ten grondslag liggende besprekingen, ontvangstbewijzen, overschrijvingen, worden niet overgelegd. Het strafrechtelijk gewijsde van een vrijspraak bij vervolging wegens valsheid in geschriften, laat bovendien het recht van de fiscus onverkort om aan te tonen dat deze facturen niet beantwoorden aan de werkelijkheid.

Met betrekking tot de facturen opgenomen onder rubriek I.4, I.5, I.6, I.11, I.12, I.13 en I.14 van het proces-verbaal werd er geen uitspraak gedaan door de strafrechter doch faalt eiseres tevens in de op haar berustende bewijslast.

In die omstandigheden heeft de Administratie met reden geoordeeld dat het recht op aftrek van de BTW op de betreffende facturen moest worden verworpen.

Met betrekking rubriek II van het proces-verbaal zijn partijen het eens dat er geen rekening werd gehouden met de beperking van 50 % van de aftrekbaarheid van de BTW op grond van [artikel 45, § 2 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45).

5\. Eiseres stelt dat ten onrechte toepassing gemaakt werd van de boete van 200 % en verzoekt tot kwijtschelding minstens vermindering van de boete.

Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

De rechtbank heeft volle rechtsmacht om de wetsconformiteit van de boete te beoordelen en heeft evenzeer rechtsmacht om na te gaan of de toegepast boete aangepast is aan de realiteit van de feiten en de handelswijze van de belastingplichtige zonder echter te mogen overgaan tot een opportuniteitsoordeel.

In het proces-verbaal van 20.06.1997 werd met betrekking tot de opgelegde boete uitdrukkelijk het volgende gesteld : *"als boeten op grond van artikel 70, § 1, artikel 70, § 1bis en* [*artikel 70, § 2 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70)*, een som gelijk aan het dubbel van de ontdoken rechten of 5.163.565 F x 2 = 10.327.130 F.*

*Gelet op het aantal valse facturen en het bedrag ervan, is bij toepassing van artikel, laatste lid, van het Koninklijk Besluit nr. 41 de in de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal voor vermindering van de proportionele geldboeten niet van toepassing ten aangezien de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Bij toepassing van* [*artikel 4*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art4) *van hetzelfde besluit wordt de boete afgerond op het lager duizendtal of 10.327.000 F*.

Het dwangbevel verwijst naar voormeld proces-verbaal, dat samen met het dwangbevel werd betekend. Het dwangbevel is te dezen te beschouwen als een bestuurshandeling zoals omschreven in de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nl. een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur.

Zodoende dient dit dwangbevel krachtens artikel 2 van de wet van 29.7.1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd.

Te dezen zijn op afdoende wijze zowel de juridische als de feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de geldboete aangegeven in het proces-verbaal van 20.06.1997, waarop het dwangbevel uitdrukkelijk gegrond wordt en dat in bijlage bij het dwangbevel werd gevoegd. Het dwangbevel is naar eis van de wet van 29.7.1991 gemotiveerd. Eiseres kon zich met kennis van zaken dan ook verdedigen.

Gelet op voormelde is er ten deze geen schending van de motiveringsverplichting.

Uit de concrete gegevens van het dossier en meer in het bijzonder het strafdossier blijkt dat er door de zaakvoerders van eiseres bewust valsheid in geschriften werd gepleegd met het oogmerk om lonen in het zwart uit te betalen en tevens blijkt dat er ten onrechte BTW in aftrek gebracht waardoor belasting ontdoken werd. Eiseres verkreeg een concurrentieel voordeel op andere firma’s. Een strafsanctie opleggen aan de bestuurders van een vennootschap en de vennootschap zelf is geen cumulatie van strafsancties en derhalve niet strijdig met het non bis in idem-beginsel. Gelet op de ernst en de omvang van de feiten enerzijds en het gegeven dat eiseres, als rechtspersoon, nog geen andere sanctie werd opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de toegepaste boete aangepast is aan de aard van de feiten en dat er geen reden is om de administratieve boete te verminderen. De administratieve boete dient te worden behouden zoals ze werd toegepast.

6\. Eiseres stelt dat het past te zeggen voor recht dat de intresten op de hoofdsom en de boetes niet verschuldigd zijn voor de duur dat gewacht diende te worden op de uitkomst van de strafprocedure.

De verschuldigdheid van de nalatigheidsintresten vloeit voort uit de wet zelf. Het betreft een loutere schadeloosstelling wegens de vertraging in de betaling en heeft dan ook geen strafrechtelijk karakter. Eiseres had zelf het nodige kunnen doen teneinde de procedure te activeren. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om te zeggen voor recht dat de intresten niet verschuldigd zijn voor de duur dat gewacht diende te worden op de uitkomst van de strafprocedure. Eiseres heeft bovendien geen subjectief recht om te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen.

De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.

7\. Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen hebben terzake standpunt ingenomen.

Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

---

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN:

**DE RECHTBANK**, rechtdoende op **tegenspraak**.

Verklaart het verzet van eiseres tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding. Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op een rechtsplegingvergoeding van 10.000 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de **elfde kamer C**, op het gerechtshof te Hasselt op **20.10.2010**, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **C. P.**, enige rechter, en

De Heer **L. P.**, griffier.

**L. P.** **C. P.**

## Textes cités

3

[AR no 41 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 1 occurrence

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Immobilier, Syndicat, Taux de TVA, Transfert de charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immobilier-syndicat-taux-tva-transfert-tribunal-bruges-2025-06-16-0226) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 2 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 2 dispositions communes

[Remise ou réduction d’une amende TVA, Principe de proportionnalité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/remise-reduction-amende-tva-principe-cour-appel-anvers-2025-06-10-0b8a) 2 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision, Participation à une unité TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-participation-unite-tribunal-hasselt-2026-03-11-110c) 2 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 2 dispositions communes
