---
title: "Droit à déduction de l’impôt · Cour d&#x27;appel de Gand, 7 décembre 1994"
description: "Droit à déduction de l’impôt. Cour d'appel de Gand (Belgique), 7 décembre 1994."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-cour-appel-gand-1994-12-07-1e9a"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction de l’impôt · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

7 décembre 1994

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

142 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 07.12.1994

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF VAN BEROEP GENT, 13****e** **Kamer - terechtzitting van 7/12/94**

Nr. **AR/40591/90**

In de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-kantoor te Brugge, gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat

**appellant,**

hebbende als raadsvrouw Meester **P. M.**, advocate te …, …

**tegen :**

**D. G.**, wonende te …, …

**geïntimeerde,**

hebbende als raadsman Meester **D. P.** advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder aan de geïntimeerde betekend op 8 mei 1990 en ter griffie van het Hof neergelegd op 14 mei 1990 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 28 februari 1990 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer. Er wordt geen betekening van dit vonnis voorgelegd. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De betwisting heeft betrekking op een verzet tegen een dwangbevel inzake BTW.

## De feiten en retroacta

Het wordt niet betwist dat de geïntimeerde tot 1 januari 1974 de hoedanigheid van BTW-plichtige bezat.

Met ingang op 1 januari 1974 heeft de geïntimeerde zijn eenmanszaak ingebracht in de NV **F.**.

Tijdens een BTW-controle uitgevoerd op 13 november 1975 werd vastgesteld dat de bedrijfsgebouwen, welke voorheen behoorden bij de uitbating van de eenmanszaak, niet werden ingebracht in de NV, maar slechts ter beschikking werden gesteld van deze vennootschap. Het niet-inbrengen van dit patrimonium had tot gevolg dat een gedeelte van de BTW, geheven bij de verwerving en/of vernieuwing of verbetering van deze gebouwen - en die door de geïntimeerde in aftrek was gebracht - werd herzien in toepassing van de artikelen [48, § 2 en 49](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) van het BTW-wetboek en 6 tot 11 van het KB nr. 3 van 10 december 1969.

Het bedrag van de verschuldigde BTW werd berekend in een proces-verbaal d.d. 4 mei 1976.

Inmiddels had de geïntimeerde op 21 november 1975, d.i. enkele dagen na de controle, opnieuw een verklaring van BTW-plichtige ingediend.

Daar de geïntimeerde niet bereid was vrijwillig het gevorderde bedrag te betalen, werd op 25 augustus 1976 door de Gewestelijke directeur een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd aan de geïntimeerde betekend op 7 september 1976.

Er werd aan de geïntimeerde kwijtschelding verleend van de boeten en er werd hem gemak van betaling toegestaan, met dien verstande dat hij vanaf september 1977 tot en met november 1978 maandelijks … fr. betaalde en een zelfde bedrag in de maanden januari, maart en mei 1979; einde mei 1979 en in de maand juni 1979 werd telkens … fr. betaald, en in de maand juli eerst … fr. en later … fr. Al deze betalingen gebeurden onder voorbehoud en zonder schulderkentenis vanwege de geïntimeerde.

Bij verzet-dagvaarding vorderde de geïntimeerde de betaalde sommen ten bedrage van … fr. terug, meer de interesten vanaf het ogenblik van de betaling.

In een latere conclusie werd gesteld dat de vordering van de Staat verjaard was op 7 september 1978, zodat minstens de bedragen welke werden betaald na deze datum, hetzij … fr., konden teruggeëist worden.

Als voornaamste argument werd door de geïntimeerde ingeroepen dat het proces-verbaal van vaststelling (dat samen met het dwangbevel werd betekend) niet ondertekend was door de verbalisanten, zodat het nietig is, en dat de nietigheid van het proces-verbaal de nietigheid van het dwangbevel meebrengt, zodat de ganse procedure nietig is.

De eerste rechter heeft deze redenering gevolgd, het dwangbevel nietig verklaard en de teruggave van de betaalde sommen bevolen, evenwel slechts met interesten vanaf de datum van het verzet-dagvaarding.

Tegen deze beslissing werd hoger beroep ingesteld door de Belgische Staat.

## De procedure

De appellant vorderde voor het Hof dat de conclusies, door de geïntimeerde neergelegd op 21 oktober 1994, d.i. enkele dagen voor de terechtzitting, uit de debatten zouden geweerd worden wegens laattijdigheid.

Gezien de rechtsdagbepaling geschiedde in toepassing van de vroegere tekst van art. 750 Ger. W., d.i. op eenzijdig verzoek van de appellant, kunnen de conclusies niet ambtshalve uit de debatten geweerd. Er zijn ten deze ook geen andere redenen om de conclusies te weren.

## Beoordeling

1\. De beweerde nietigheid van het dwangbevel :

De geïntimeerde, die inroept dat het hem betekende dwangbevel nietig is, moet zulks bewijzen.

De geïntimeerde werd door de appellant uitgenodigd het origineel hem betekende stuk voor te leggen. Daarop heeft werd in de laatste conclusie geantwoord : "Het voorgelegd afschrift is inderdaad een fotokopie ervan, gemaakt door de geïntimeerde. De raadsman heeft nooit over een ander stuk beschikt, en hij heeft cliënt verzocht bedoeld origineel op te sturen. Het antwoord was, dat het stuk onvindbaar was geworden na al. die jaren".

Het onderzoek van het Hof kan echter niet gaan omtrent wat voorkomt op de fotokopie welke door de geïntimeerde aan zijn raadsman werd overgemaakt, maar wel omtrent wat voorkomt op het aan de geïntimeerde betekende stuk. Een door de geïntimeerde gemaakte fotokopie kan niet gelden als bewijs van het ontbreken van ( de vermelding van) de handtekeningen op het betekende stuk; een vrije fotokopie heeft immers geen bewijskracht.

Uit de betekeningsakte van de gerechtsdeurwaarder blijkt dat hij aan de geïntimeerde afschrift heeft gelaten van o.m. "een proces-verbaal opgemaakt te … op 4 mei·1976 ondertekend door de heer **D. L.** en **V. N.** ... " , en de geïntimeerde bewijst niet dat deze vermelding onjuist is.

Uit dit alles volgt dat de geïntimeerde niet het bewijs levert dat het hem betekende afschrift van proces-verbaal niet was ondertekend door de verbalisanten.

Al wat in conclusies wordt gesteld omtrent de beweerde nietigheid van het dwangbevel wegens het ontbreken van de ondertekening van het proces-verbaal, is dan ook ten deze niet dienend.

Het bestreden vonnis, dat het dwangbevel nietig verklaarde wegens het ontbreken van deze ondertekening, moet dan ook worden teniet gedaan.

2\. Omtrent de rechtmatigheid van de herziening :

Het wordt niet betwist dat :

\- de geïntimeerde op 9 oktober 1974 een aangifte heeft ingediend van stopzetting van zijn werkzaamheid, waarin hij mededeelde dat de eenmanszaak - ter uitzondering van de gebouwen - met ingang op 1 januari 1971, volledig werd overgedragen aan de NV **F.**;

\- deze overdracht werd bevestigd in de boekhouding van de vennootschap;

\- hij op 21 november 1975 een aangifte heeft ingediend met de kennisgeving dat hij vanaf 1 november 1975 opnieuw BTW-plichtig was.

Het wordt evenmin betwist dat de bedrijfsmiddelen ook in werkelijkheid op 1 januari 1974 ter beschikking werden gesteld van de NV **F.**.

Voor het jaar 1974 (tot op het ogenblik van de kennisgeving van stopzetting) heeft de geïntimeerde nihil-aangiften ingediend en daarna diende hij geen aangifte meer in. Het is pas na de controle dat hij aangifte heeft gedaan van het opnieuw opstarten van een zelfstandige activiteit.

Thans beweert de geïntimeerde dat hij steeds BTW­plichtige is gebleven en dat de aangifte van stopzetting gebeurde op grond van een feitelijke dwaling. Een bewijs dat hij tussen 1 januari 1974 en 1 november 1975 een zelfstandige en aan de BTW onderworpen activiteit uitoefende, wordt echter door de geïntimeerde niet geleverd, en een bewijs van de ingeroepen dwaling evenmin. De door niets gestaafde beweringen - welke bovendien strijdig zijn met de ingediende aangiften - kunnen niet gelden als bewijs.

Nu de geïntimeerde geen BTW-plichtige activiteit meer uitoefende - minstens niet het bewijs levert van de uitoefening van een dergelijke activiteit - is de administratie terecht overgegaan tot de (vijfjarige) herziening van de aftrek op de investeringen welke de geïntimeerde had toegepast.

3\. Omtrent de vordering tot teruggave van het volledig bedrag, steunend op het feit dat slechts werd betaald onder voorbehoud :

Daar de invordering rechtsgeldig was kan de geïntimeerde zijn vordering tot teruggave van het volledig bedrag niet steunen op het feit dat hij voorbehoud heeft gemaakt bij het verrichten van de betalingen.

4\. Omtrent de vordering tot teruggave van wat betaald werd na het verstrijken van de verjaringstermijn :

De geïntimeerde stelt dat minstens … fr. dient te worden terugbetaald, omdat de betaling ervan gebeurde onder voorbehoud en nadat de vordering van de Belgische Staat verjaard was.

De Belgische Staat ontkent niet dat door de geïntimeerde geen akte van schulderkenning werd ondertekend. Wel stelt hij dat het ten deze niet gaat om onverschuldigde betalingen, en dat dan ook geen terugvordering ervan kan worden gevraagd.

De geïntimeerde houdt voor dat hij slechts betaalde onder dwang, te weten om de toepassing van hoge boeten te vermijden.

Op het ogenblik waarop de vordering van de Staat verjaarde, verviel echter ook de mogelijke toepassing van dwangmaatregelen zodat op dat ogenblik niet meer werd betaald onder druk van het opleggen van boeten. De geïntimeerde toont derhalve niet aan dat hij na het bereiken van de verjaring, heeft verder betaald onder dwang, zodat dan ook moet worden aanvaard dat hij vrijwillig - al ware het uit onwetendheid - heeft betaald.

Dat de betaling niet onverschuldigd was, blijkt uit wat hiervoor reeds werd gesteld.

Er zijn derhalve geen redenen om de terugbetaling van deze bedragen te bevelen.

5\. Omtrent de stelling van de geïntimeerde dat minstens een nieuwe herziening had dienen te gebeuren in functie van het hernemen van een zelfstandige activiteit op 1 november 1975 :

Aan dit middel werd verzaakt in de laatste conclusie, zodat hieromtrent niet dient beslist te worden.

6\. Omtrent de - ondergeschikte - bewering dat het recht van aftrek is overgegaan op de NV **F.** wanneer deze de beschikking kreeg over de goederen :

De gegrondheid van deze bewering kan door het Hof niet onderzocht worden daar het niet is gevat van een vordering uitgaande van deze vennootschap.

**OP DE GRONDEN,**

### Dispositif

**HET HOF**,

Gelet op artikel 21 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende :

ontvangt het verzet tegen het dwangbevel, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt de geïntimeerde tot alle kosten, deze in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de appellant voorlopig begroot op … fr. rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, nu zij wegens onvolledige opgave slechts ten dele kunnen begroot worden.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **dertiende kamer**, rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden **ZEVEN DECEMBER NEGENTIENHONDERD VIERENNEGENTIG**, door

alleenrechtsprekend Raadsheer **L. G.**,

bijgestaan door Griffier **M. O.**

**O.** **G.**

### Décision jointe par le SPF

**De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

In de zaak A.R. nr. **21546**

**D. G.**, textielfabrikant, wonende te …, …;

**eiser,**

voor wie is opgetreden meester **P.H. D.**, advocaat te …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, in de persoon van de Heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te Brugge, Lange·Rei nr. 52, voorheen en thans Vincke-Dujardinstraat, 4;

**verweerder,**

voor wie is opgetreden de heer **J. L.**, destijds advocaat te ….

## I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding op 27 september 1979 aan verweerder betekend.

Partijen werden gehoord bij monde van hun raadsman in openbare terechtzitting.

Gehoord het Openbaar Ministerie in de lezing van zijn schriftelijk advies in openbare terechtzitting.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door de partijen overgelegde bundels.

De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

## II. TEN GRONDE

II.1. De bijzonderste gegevens der zaak

De vordering van eiser strekt ertoe terugbetaling te bekomen op basis van het principe van de onverschuldigde betaling van een som van … frank, meer de rente toepasselijk inzake BTW vanaf het ogenblik der betaling tot op het ogenblik der terugbetaling, meer de kosten van het geding.

De terugbetaling wordt gevorderd van een gespreide betaling verricht door eiser aan verweerder nadat verweerder aan eiser op 7 september 1976 een dwangbevel betekende met een mede betekend proces-verbaal, weliswaar niet ondertekend noch door de opsteller noch door de hoofdcontroleur.

Dit dwangbevel werd betekend ingevolge een controle door verweerder d.d. 13 november 1976, waarbij werd vastgesteld dat eiser op 1 januari 1974 zijn éénmanszaak had ingebracht in een vennootschap, de NV **F.**, zonder de bedrijfsgebouwen in te brengen.

Verweerder oordeelde in zijn controle dat een herziening noodzakelijk was omwille van het feit dat eiser eigenaar was gebleven van zijn gebouwen en deze gratis ter beschikking had gesteld van de NV **F.**, de vennotschap waarin zijn éénmanszaak was ingebracht.

Daar eiser voordien BTW in verband met deze gebouwen had afgetrokken, vorderde verweerder bij toepassing van artikel 48 en 49 van het Wetboek van BTW gedeeltelijke terugbetaling van deze bedragen.

II.2. Bespreking

II.2.1. De door eiseres ingeroepen nietigheid van het dwangbevel

Uit het dossier blijkt dat het afschrift van het proces-verbaal d.d. 4 mei 1976, waarna het dwangbevel d.d. 7 september 1976 bij wijze van motivering verwijst, geen melding maakt van de handtekening van de opstellers van het proces-verbaal op het origineel.

Conform het advies van het Openbaar Ministerie dient beschouwd dat, indien in het dwangbevel voor de motivering verwezen wordt naar een proces-verbaal dat er samen mee betekend werd, het proces-verbaal de enige wettelijke basis vormt voor de vervolging door de Staat.

Het proces-verbaal en het dwangbevel vormen dan een onafscheidelijk geheel en de nietigheid van het proces-verbaal brengt de nietigheid van het dwangbevel mee.

Er dient derhalve te worden besloten tot de nietigheid van het betekend dwangbevel.

Deze nietigheid werd reeds opgeworpen in de inleidende verzetsakte dagvaarding van eiser en met name in de tweede paragraaf van het dispositief en daarenboven kan deze nietigheid niet gedekt worden bij toepassing van artikel 864, 2 e lid van het Gerechtelijk Wetboek, daar het om een absolute nietigheid gaat die enkel en alleen zou kunnen gedekt worden door artikel 864, 1 e lid van het Gerechtelijk Wetboek, hetgeen in casu niet het geval is.

II.2.2. Gevolgen van deze nietigheid

De vraag dient gesteld in welke mate de nietigheid van het dwangbevel een impact heeft op de vordering in terugbetaling zoals gevraagd door eiser.

In casu dient te worden nagegaan hoe eiser ertoe kwam spontaan te betalen.

Zoals blijkt uit de overtuigingsstukken van eiser, werd hem door verweerder een schuldbekentenis voorgeschoteld. Hierop antwoordde de raadsman van eiser, met het voorstel dat hij geen schulderkenning zou ondertekenen, maar dat er gewoon wordt betaald onder voorbehoud van .alle rechten en zonder enige nadelige bekentenis (brief 20 juli 1977 eiser aan Administratie, waarbij uitstel wordt gevraagd door de raadsman van eiser om de zaak nader te· onderzoeken).

Bij brief van 16 augustus 1977 verduidelijkt de raadsman van eiser zijn standpunt.

Hierbij vraagt de raadsman van eiser het bedrag af te lossen, mits maandelijkse aflossing van … frank per maand.

Er wordt daar verder het volgende aan toegevoegd :

> “Dit alles wordt evenwel gedaan zonder enige nadelige bekentenis en onder voorbehoud van al zijn rechten. Inderdaad ik heb nog niet kunnen onderzoeken of zijn zaak juridisch anders op te lossen is, dan door de administratie is voorgehouden…”.

> “Teneinde echter onze goede wil te tonen, en duidelijk te maken dat het er ons niet om te doen is steeds maar de zaak uit te stellen, zonder dat wij zelf een inspanning ter oplossing doen, zou mijn cliënt alvast met de maandelijkse afbetalingen aanvangen, echter steeds onder het gemaakte voorbehoud en zonder te bekennen dat de belasting verschuldigd is.
>
> Mocht dan blijken dat wij een ander standpunt moeten innemen dan de administratie, dan zou het reeds betaalde worden terug gevorderd…”.

Bij brief van 12 september 1977 aanvaardt de administratie de maandelijkse afkortingen van … frank, maar vraagt de ondertekening van een schuldbekentenis.

In casu kan niet getwijfeld worden aan het feit dat verweerder bij de opeising van de betaling ter goeder trouw was.

Artikel 1378 dient derhalve a contrario te worden toegepast (DE PAGE, o.c. blz. 25, nr. 20).

Er kunnen dus slechts intresten verschuldigd zijn vanaf de datum waarop op rechtsgeldige wijze wordt aangemaand (artikel 1153 Burgerlijk Wetboek).

Ten onrechte verklaart eiser dat de brieven, gericht aan de administratie in 1977, waarbij gewag wordt gemaakt van een eventuele terugvordering, als rechtsgeldige aanmaning kan weerhouden worden.

De eerste rechtsgeldige aanmaning is dan ook de betekende dagvaarding op 27 september 1979, zodat enkel gerechtelijke intresten vanaf die datum verschuldigd zijn.

**OM D.EZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende in Eerste Aanleg en op tegenspraak.

Alle meeromvattende besluiten verwerpend als niet dienend, onontvankelijk en ongegrond.

Gezien het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in hiernavolgende mate gegrond.

Verklaart het oorspronkelijk door verweerder betekend dwangbevel d.d. zeven september negentienhonderd zesenzeventig, nietig.

Veroordeelt verweerder tot het betalen van … (…) frank, meer de gerechtelijke intresten vanaf zevenentwintig september negentienhonderd negenenzeventig.

Veroordeelt verweerder eveneens tot de terugbetaling van de door eiser aangezuiverde kosten, zijnde :

\- betekening 7 september 1976 : … frank;

\- hypothecaire inschrijving 14 september 1976 : … frank;

\- hypothecaire inschrijving 15 september 1976 … frank;

Veroordeelt verweerder tenslotte tot de kosten van het geding, welke niet worden begroot in hoofde van verweerder, daar deze ze zelf moet dragen en begroot deze kosten in hoofde van eiser op :

\- daavaarding : … frank;

\- rechtsplegingsvergoeding : … frank;

Totaal : … frank.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting, in het gerechtsgebouw te Brugge, op **achtentwintig februari negentienhonderd negentig**.

Aanwezig zijn :

**P. D. K.**, alleenrechtsprekend plaatsvervangend rechter;

**G. V. W.**, griffier.

**G. V. W.** **P. D. K.**

## Textes cités

1

[CTVA art. 48](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-48) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 1 dispositions communes

[Frais de véhicule, Usage professionnel, Déductibilité, voiture](https://juriel.be/fr/jurisprudence/frais-vehicule-usage-professionnel-deductibilite-tribunal-anvers-2025-10-21-23d8) 1 dispositions communes

[Assujetti ¬- Qualification de holding passif ou actif](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-qualification-holding-passif-actif-tribunal-2024-02-05-26ef) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Pourcentage d’affectation professionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-pourcentage-affectation-professionnelle-cour-appel-mons-2023-05-31-31b4) 1 dispositions communes

[Notion de construction neuve, révision, période de révision](https://juriel.be/fr/jurisprudence/notion-construction-neuve-revision-periode-cour-appel-gand-2022-11-22-34cd) 1 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 1 dispositions communes

[Aménagements, Déduction, Cession du fonds de commerce, Location immobilière](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amenagements-deduction-cession-fonds-commerce-tribunal-liege-2021-02-15-3d2b) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision du droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-biens-investissement-cour-appel-anvers-2026-02-17-4725) 1 dispositions communes
