---
title: "Droit à déduction, Holding · Cour d&#x27;appel de Gand, 1er février 2022"
description: "Droit à déduction, Holding, Gestion des actions, Opération exemptée, Prestation de services de gestion. Cour d'appel de Gand (Belgique), 1er février 2022."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-holding-gestion-actions-cour-appel-gand-2022-02-01-7d8f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction, Holding, Gestion des actions, Opération exemptée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

1er février 2022

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

149 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 01.02.2022

WF 714-15-18/016431

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée - Droit à déduction - Holding - Gestion des actions - Opération exemptée - - Prestation de services de gestion – Prestation de management*

## Dispositions légales

Articles [44, §3, 10°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) et [45 §1, 1°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) du Code de la TVA

## Résumé

*1) Les faits et le jugement rendu en première instance*

Depuis le 1er mars 1997, l'assujettie est assujettie à la TVA en tant que société holding. L'appelante est une assujettie mixte à la TVA. Elle exerce des activités de gestion sur lesquelles la TVA est appliquée mais également des activités exemptées telles que la location de biens immobiliers, l'achat et la vente d'actions et l'octroi de crédits. Par le biais d’une convention datée du 14 juillet 2009, l’assujettie a cédé ses actions à deux sociétés dont elle était à la fois actionnaire et directrice déléguée. Suite à la cession de ces actions, un litige judiciaire est survenu concernant une action relative au paiement d'une partie du prix de la cession et une action reconventionnelle en demande de dommages et intérêts. L’assujettie a eu recours aux services d’un cabinet d'avocats et d’un cabinet de comptables et de réviseurs d'entreprise pour l'expertise effectuée dans le cadre de cette procédure. La TVA payée sur les factures entrantes de ces prestataires de services a été déduite.

Suite à un contrôle effectué, l'administration a considéré que les factures susmentionnées émises par les prestataires de services ne concernaient pas des services prestés pour effectuer des opérations visées à l'[article 45, § 1er, du code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45). Selon l'administration, l‘assujettie avait déduit à tort la TVA. L’assujettie n’a pas été d’accord avec la position de l'administration et a finalement introduit un recours devant le tribunal de première instance de Bruges. La demande a été déclarée recevable par le tribunal mais non fondée. C'est contre ce jugement que le recours a été formé.

*2) L’arrêt de la cour d’appel de Gand*

Conformément à l'[article 44, § 3, 10°, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44), la cession d'actions est en principe une opération exemptée. La TVA sur les services entrants liés à cette cession n'est pas déductible.

Selon la jurisprudence de la Cour de justice et de la Cour de cassation, un droit à déduction est cependant également admis en faveur de l’assujetti, même en l’absence de lien direct et immédiat entre une opération particulière en amont et une ou plusieurs opérations en aval ouvrant droit à déduction, lorsque les coûts des services en cause font partie des frais généraux de ce dernier et sont, en tant que tels, des éléments constitutifs du prix des biens ou des services qu’il fournit. L’assujettie invoque qu'elle est une société holding active et que son activité économique qui est soumise à la TVA consiste à exercer des activités d'administration et de gestion (management). Les frais engagés afin de percevoir le prix de la cession des actions sont, selon l’assujettie, indéniablement engagés dans le cadre de l'activité économique de l’assujettie d'administration et de gestion soumise à la TVA.

Il n'est pas contesté que la cession des actions elle-même ne peut pas été considérée comme faisant partie de son activité économique (imposable). Il n'est pas logique de considérer ensuite les coûts liés à un litige concernant cette cession (et sur la valeur des actions) comme des "frais généraux" qui seraient inclus dans le prix des services d'administration et de gestion prestés aux sociétés auxquelles elle participe.

La cour juge qu’il existe un lien direct et immédiat entre les prestations de service de l'avocat, du comptable et du réviseur et l'opération de cession d'actions exemptée. Le lien consiste ici, entre autres, dans le fait que les coûts réclamés sont la conséquence ou résultent directement de la cession d'actions exemptées. La cession d'actions est une opération exemptée de sorte qu'aucun droit à déduction ne peut être exercé pour les services entrants qui y sont directement liés.

En outre, il ressort des éléments de cette affaire que l'on ne peut pas supposer que les actions ont été cédées pour l'usage exclusif de (ou destinées à) l'activité soumise à la TVA, mais qu'au contraire elles ont été principalement cédées pour l’usage de l’activité non soumise à la TVA (crédits, loyers, placements).

L’assujettie a acquiescé à l’arrêt.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer**

Arrest van 01.02.2022

Rol: 2020/AR/1973

In de zaak van:

**IS. N.V.,** ON 046...32, met maatschappelijke zetel te …, appellante, hebbende als raadsman mr. …, advocaat te …

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/ FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**. ON 0308.357.159, Centrumdirecteur Centrum KMO Kortrijk, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. …, advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

## 1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 18 december 2020 heef de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 4 mei 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 18/3285/A.

De partijen hebben hun middelen. en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 4 januari 2022, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in' gerechtszaken.

## 2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is sinds 1 maart 1997· geregistreerd als btw belastingplichtige voor de economische activiteit van holding. De appellante is een . gemengde btw belastingplichtige (met gedeeltelijk recht op aftrek). Ze oefent managementactiviteiten uit waarvoor btw wordt aangerekend, en daarnaast de vrijgestelde activiteiten van het verhuren van onroerende goederen, de aan- en verkoop van aandelen en het toestaan van leningen.

Bij overeenkomst van 14 juli 2009 heeft de appellante haar aandelen in CB. nv overgedragen aan DGT bvba. De appellante was zowel aandeelhouder als gedelegeerd bestuurder van CB. nv. Na de overdracht van de aandelen is een betwisting ontstaan tussen de appellante en DGT bvba, enerzijds met betrekking tot de betaling van een deel van de ,overnameprijs (500.000 EUR) en anderzijds in verband met een tegenvordering ingesteld door DGT bvba tot het bekomen van schadevergoedingen. Voor het voeren van de procedures heeft de appellante beroep gedaan op een advocatenkantoor en .ook beroep gedaan op de tussenkomst van een accountants- en revisorenkantoor voor een expertise die verband houdt met deze procedures. De appellante heeft de betaalde btw op de inkomende facturen van deze dienstverrichters in aftrek genomen.

Op 20 juni 2017 controleerde de administratie op de zetel van de appellante de naleving van de btw-wetgeving over de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015. Naar aanleiding van deze controle oordeelde de administratie dat de voormelde facturen van de dienstverrichters (12 facturen) in het kader van de procedure met DGT bvba door de appellante niet werden gebruikt voor het verrichten van in artikel 45, § 1 W.btw bedoelde handelingen. De appellante zou volgens de administratie ten onrechte de btw geheven over deze diensten hebben afgetrokken. De appellante verklaarde zich op 5 oktober 2017 niet akkoord met dit standpunt van de administratie en lichtte haar visie toe in een e-mail van 17 oktober 2017.

Op 12 december 2017 stelde de administratie een proces-verbaal op waarin ze het volgende stelde: "Vermits de diensten die het voorwerp uitmaken van ondervermelde facturen een rechtstreeks gevolg zijn van een verrichte handeling die niet is bedoeld in [artikel 45, §1 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) (met name de verkoop van aan delen )kan de geheven btw op deze diensten niet in aftrek worden gebracht."

Volgens de administratie is de appellante een bedrag van 7.424,02 EUR btw in hoofdsom verschuldigd, samen met een proportionele boete van 740 EUR interesten vanaf 21 januari 2016.

Op 14 maart 2018 diende de appellante een (willig) bezwaarschrift in tegen deze navordering van btw. Bij beslissing van 13 september 2018 van de Adviseur Teamchef van KMO Kortrijk Expertise 2 werd het bezwaar van de appellante afgewezen.

Met een verzoekschrift van 29 november 2018 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 4 mei 2020 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3 De vorderingen van de partijen

### *3.1 De vordering van de appellante*

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

> "Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op tegenspraak gewezen op 4 mei 2020 (A.R. 18/3285/A), teniet te doen.
>
> Opnieuw wijzende, de vordering in rechte van concluante gegrond te verklaren en voor recht te zeggen dat concluante recht heeft op aftrek van de btw geheven over de diensten die haar werden verstrekt in het kader van de procedures tegen de BVBA DGT en de heren D.B. en G.D.en vervolgens de in het proces-verbaal d.d. 12 december 2017 opgenomen vordering van btw, boete en interesten ongegrond te verklaren.
>
> Vervolgens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 van het Ger. W. vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan in totaal 2.250 EUR {1.080 in eerste aanleg en 1.170 EUR in beroep) en, voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van [artikel 91, § 4 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), alsook van eventueel aan concluante aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten."

### *3.2 De vordering van de geïntimeerde*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

> "Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 4 mei 2020 te bevestigen;
>
> Appellante tevens te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 1.170,00 euro in hoger beroep.
>
> Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding."

## 4 De betwistingen en hun beoordeling

Krachtens artikel 45, § 1, 1° W.btw mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de- belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Overeenkomstig artikel 44, § 3, 10° W.btw, zijn van de belasting vrijgesteld, handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitsluiting van documenten die goederen vertegenwoordigen.

De verkoop van aandelen betreft in beginsel een vrijgestelde handeling.

Ingevolge artikel 45, § 1, 1° W.btw, verleent een vrijgestelde handeling geen recht op aftrek van de btw.

De appellante verzet zich tegen de stelling van de administratie dat er een rechtstreeks verband is tussen enerzijds de vrijgestelde handeling van de verkoop van de aandelen enerzijds en anderzijds de dienstverrichtingen in het kader van de procedure nadien tussen de appellante en de koper van de aandelen.

De appellante beroept zich op een arrest van 14 september 2017 van het Hof van Justitie, waarin onder meer als volgt werd geoordeeld:

> "Opdat de belastingplichtige voorbelasting in aftrek kan brengen en om de omvang van dat recht te kunnen bepalen, dient er volgens vaste rechtspraak in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen of diensten vooronderstelt dat de voor de verwerving ervan gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (arresten van 29 oktober 2009, SKF, [C-29/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret), EU:C:2009:665, punt 57, en 18 juli 2013, AES-3C Maritza East 1, [C- 124/12](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-124-12-arret), EU:C:2013:488, punt 27).
>
> De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium die recht geven op aftrek, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van de algemene kosten van deze laatste en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten.
>
> Dergelijke kosten houden immers rechtstreeks en onmiddellijk verband met de gehele economische activiteit van de belastingplichtige (zie onder meer arresten van 29 oktober 2009, SKF, [C-29/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret), EU:C:2009: 665, punt 58, en 18 juli 2013, AES-3C Maritza East 1, [C-124/12](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-124-12-arret), EU:C:2013:488, punt 28).
>
> Wanneer evenwel door een belastingplichtige verworven goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen, kan er geen sprake zijn van belastingheffing in een later stadium of van aftrek van voorbelasting (zie in die zin onder meer arrest van 29 oktober 2009, SKF, [C-29/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret), EU:C:2009:665, punt 59)."

De appellante wijst erop dat deze rechtspraak gevolgd werd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 26 februari 2010 (Cass. 26 februari 2010, T.F.R. 2011, afl. 401, 413, noot L. AGACHE).

Er bestaat volgens de appellante geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de geviseerde diensten en de verkoop van de aandelen omdat de kosten van die diensten niet werden opgenomen in de prijs van de verkochte aandelen en evenmin werden voorzien in de overeenkomst.

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de btw kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband moet bestaan tussen de inkomende handelingen waarop de btw drukt en een welbepaalde uitgaande handeling die onderworpen is aan de btw.

De appellante benadrukt dat deze rechtspraak van het Hof van Justitie ook vereist dat de prijs van de diensten opgenomen moet zijn in de verkoopprijs van de aandelen. In die rechtspraak betrof het concrete situaties over een bepaalde inkomende handeling in een eerder stadium en een of meer uitgaande handelingen in een later stadium. Indien (voorafgaande) inkomende handelingen zijn opgenomen in de prijs van de (latere) uitgaande handeling kan het rechtstreeks en onmiddellijk verband (tenzij uitzonderingen) niet worden ontkend.

Die situatie doet zich hier niet voor. Het betreffen hier inkomende handelingen van ontvangen diensten in een later stadium met betrekking tot de voordien uitgaande handeling van de (vrijgestelde) verkoop van de aandelen. De kosten met betrekking tot de procedure achteraf waren inderdaad niet opgenomen in de prijsbepaling en overeenkomst omdat deze kosten pas na de verkoop zijn ontstaan. Die kosten zijn op het moment van de verkoop niet gekend. De redenering van de appellante houdt in dat enkel sprake kan zijn van een rechtstreeks verband indien de koper van de aandelen vooraf bereid zou zijn zich ertoe te verbinden om (potentiële, supplementaire, reële of forfaitaire) procedurekosten te betalen. Die redenering kan hier niet gevolgd worden.

Ook in het arrest van het hof van beroep Brussel van 18 januari 2017, waarnaar de appellante verwijst, betrof het kosten van inkomende handelingen gemaakt in een eerder stadium voor het realiseren van uitgaande handelingen in een later stadium.

Het is geen geschilpunt tussen de partijen dat de verkoop van de aandelen door de appellante (zelf) een vrijgestelde handeling betrof. Het moet worden opgemerkt dat waar de appellante in haar feitenrelaas opmerkt dat ze zelf ook bestuurder was van de vennootschap waarvan de aandelen verkocht werden, ze de verkoop van de aandelen niet kadert in een ruimer geheel van de aan btw onderworpen economische activiteit van het beheer van (de) vennootschappen. Ook op dit punt onderscheiden de voorliggende feiten zich van deze die het voorwerp uitmaakten van het arrest van het Hof van Justitie waarnaar de appellante verwijst (HvJ 29 oktober 2009, SKF, [C-29/08](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret), randnrs. 31-33)..

Volgens de appellante bestaat er wel een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kosten voor de geviseerde diensten en haar belastingplichtige economische activiteit. De kosten maken volgens de appellante deel uit van haar algemene kosten van de onderneming met betrekking tot haar bestuurs- en managementactiviteiten, waardoor een 'overhead' aftrek kan worden geclaimd.

Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie en het Hof van Cassatie heeft een belastingplichtige recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium die recht geven op aftrek, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van de algemene kosten van deze laatste en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten.

De appellante wijst erop dat ze een actieve holding is en haar belastingplichtige economische activiteit bestaat uit het uitoefenen van bestuurs- en managementactiviteiten. De kosten gemaakt om het resterende bedrag van de verkoopprijs van de aandelen te ontvangen (500.000 EUR), zijn volgens de appellante onmiskenbaar gemaakt in het kader van de belastingplichtige economische activiteit van bestuur en management.

Hoger werd er reeds op gewezen dat er geen betwisting over bestaat dat de verkoop zelf van de aandelen door de appellante niet werd aangemerkt als deel uitmakend van haar (belaste) economische activiteit. Het is niet logisch om vervolgens de kosten met betrekking tot een geschil over die verkoop (en de waarde van de aandelen) nadien wel aan te merken als 'overhead kosten' die mee opgenomen zouden zijn in de prijs van geleverde diensten van het bestuur en management van de vennootschappen waarin zij participeert.

De appellante maakt die bewering niet concreet aan de hand van cijfers. Het is niet duidelijk hoeveel managementvergoedingen de appellante van welke vennootschappen ontvangt en hoe die inkomsten gealloceerd worden. Die vaststelling doet zich hier voor in de concrete context dat de appellante enerzijds belaste managementactiviteiten uitoefent, maar ook onbelaste holdingactiviteiten en onbelaste verhuuractiviteiten verricht van onroerende goederen. De impact en marges van die activiteiten worden niet nader toegelicht.

Daarentegen is het duidelijk dat de appellante de procedure- en expertisekosten maakte specifiek met het oog op de inning van het nog openstaande saldo van de aandelentransactie. Het is aannemelijk dat de appellante vooraf een opportuniteitsbeoordeling, balans en analyse maakte voor het instellen van een dergelijke procedure. Een risicoanalyse zou inhouden dat de appellante vooraf een inschatting en afweging maakt van de kosten en potentiële opbrengsten van die procedure. Daarbij kan ermee rekening worden gehouden dat de kosten van de technische bijstand verhaald kunnen worden op de tegenpartij. Redelijkerwijze worden in een dergelijke analyse de kosten afgewogen tegenover de potentiële opbrengsten.

Waar de appellante nog stelt dat de koper van de aandelen specifiek een tegenvordering stelde met betrekking tot de managementprestaties van de appellante in de vennootschap waarvan de aandelen verkocht werden, toont ze die stelling niet aan.

Met betrekking tot deze procedure legt de appellante echter geen stuk voor zodat één en ander niet kan worden vastgesteld. Ze bewijst niet dat de geviseerde kosten met betrekking tot die procedure als overheadkosten of algemene kosten kunnen worden aangemerkt.

Naar het oordeel van het hof is er een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de prestaties van de advocaat, accountant en revisor (inkomende handelingen waarop btw drukt) en vrijgestelde handeling van de verkoop van de aandelen (uitgaande handeling niet onderworpen aan btw). Het verband bestaat er hier onder meer in dat de geviseerde kosten het gevolg zijn van of direct voortvloeien uit de vrijgestelde aandelentransactie. De procedure had betrekking op de vrijgestelde handeling van de verkoop van de aandelen, waarvan een deel van de verkoopprijs onbetaald was gebleven en waarover de koper een tegenvordering stelde. De aandelenoverdracht is een vrijgestelde handeling die niet bedoeld is in artikel 45, §1, 1°-5°, waardoor er geen recht op aftrek kan worden uitgeoefend met betrekking tot de hier geviseerde inkomende diensten die er rechtstreeks mee verband houden.

Daarenboven blijkt dat niet kan worden aangenomen dat de aandelen werden verkocht voor het exclusieve gebruik van (of bestemd voor) de belaste activiteit, maar daarentegen in hoofdzaak werden aangewend voor niet belaste handelingen (leningen, huurgelden, beleggingen).

## 5 De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het geïndexeerde basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 5.000,01 tot 10.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 1.170,00 euro toepasselijk.

### Dispositif

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.170,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 1 februari 2022.

Aanwezig: …

Ondertekeningen

### Décision jointe par le SPF

## Jugement du tribunal de première instance

***Le jugement est publié uniquement dans la langue originale***

### Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling ·Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 4 mei 2020

Rol: 18/3285/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak: 18/3285/A

**IS. nv,** met zetel te …, EISENDE PARTIJ, voor wie optreedt Meester …, advocaat te … GENT,

**tegen:**

**FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**. Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector·BTW, vertegenwoordigd door mevrouw X, Centrumdirecteur van het Centrum KMO Kortrijk, met kantoren te 8.500 Kortrijk, Hoveniersstraat 3, VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreedt Y, attaché bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, ·sector BTW, in die hoedanigheid verbonden aan KMO Expertise 2 te 8800 Roeselare, Rondekomsstraat 30.

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 29 november 2018.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen neerlegde stukken. Partijen zijn akkoord met een schriftelijke behandeling·en de debatten werden gesloten op de zitting van 30 maart 2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE046...32, voor de activiteit van holding. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving\_en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Een controle werd aangevat bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015.

Tijdens de fiscale controle werd, volgens de administratie, een inbreuk vastgesteld op de aftrekregeling t.a.v. handelingen die de belastingplichtige ·niet gebruikt voor het verrichten van de in artikel 45 §1 W.BTW bedoelde handelingen. Er·werd een correctieopgave opgesteld op 15 september 2017. Eiseres ging gedeeltelijk niet akkoord. Op 12 december 2017 werd een proces-verbaal opgesteld. Verschuldigd is als BTW 7.424,02 EUR; als proportionele geldboete 740,00 EUR en nalatigheidsintresten vanaf 21.· januari 2016. Op 14 maart 2018 tekent eiseres bezwaar aan. Bij beslissing d.d. 13 september 2018 wordt het bezwaar afgewezen.

Door eiseres wordt een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, op·29 november 2018.

2\. Eiseres vraagt dat:

\- ·de eis ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- voor recht wordt.gezegd dat de àftrek van de BTW terecht was en de vordering van BTW, boete en. intresten zoals opgeno.men ih het PV van i2 december 2017 ongegrond is;

\- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle onterecht betaalde sommen, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

\- verweerder . wordt veroordeeld tot de kosten van. het geding met 'inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.\\(. 1.080 EUR.

3\. Verweerder vraagt dat:

\- de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;

\- ondergeschikt het recht op aftrek slechts gedeeltelijk wordt toegestaan en een tussenvonnis wordt verleend om toe te laten dit gedeeltelijk recht op aftrek te bepalen;

\- eiseres wordt veroordeeld. tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### *A.* *Betreffende de toelaatbaarheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, dié zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar;

### *B.* *Betreffende de grond*

Conform artikel 45 §1 W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige (o.a.) het recht om de belasting in aftrek te brengen van. de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen (1°), handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 (2°) en handelingen bedoeld in artikel 44 §3, 4° tot 10° telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen volgens de door of vanwege de minister van financiën te bepalen voorwaarde, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap (4°).

De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 W.BTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.. 9P 14 juli 2009 verkoopt eiseres aandelen in de NV CB. aan de BV (voorheen BVBA) DGT. De verkoop van aandelen is vrij van BTW op basis van artikel 44 §3, 10° W.BTW. Bij ondertekening van de overeenkomst wordt door de koper 2.750.000 EUR betaald. De koper laat na het resterende deel van de koopprijs (500.000 EUR) te betalen. Door eiseres . wordt een gerechtelijke procedure gestart tegen de BV BGT om het resterende saldo te vorderen. Door de BV DGT wordt een tegenvordering ingesteld tot het bekomen van een schadevergoeding wegens inbreuken op de verklaringen en waarborgen opgenomen in de verkoopovereenkomst. Voor het voeren van deze·

procedure heeft eiseres beroep gedaan op advocaten. De door de advocaten aangerekende BTW werd door eiseres volledig in aftrek gebracht.

De rechtbank stelt vast dat de diensten waarop eiseres beroep heeft gedaan (en waarvan zij de BTW in aftrek heeft genomen) niet werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De diensten van de advocaten hielden rechtstreeks verband met de aandelenoverdracht van eiseres aan de BV DGT, zijnde een vrijgestelde handeling.

De diensten van de advocaten werden later Verricht dan de verkoop van de aandelen. De gerechtelijke procedure 1Nas niet voorzien bij ·de verkoop en de kosten van de diensten zijn pas ontstaan na de verkoop ván de aandelen. Het verdisconteringsprincipe waar door eiseres·wordt náar verwezen, is dan ook niet van toepassing. Het ·verdisconteringsprincipe is enkel van toepassing voor kosten die de uitgaande handeling voorafgaan en deze voorafgaande kosten zijn opgenomen· in de prijs van de uitgaande handeling.

Een belastingplichtige heeft ook recht op aftrek wanneer de kosten voor de diensten deeluitmaken van de algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in \_de prijs Van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten (HvJ 29 oktober 2009, SKF, C 29/08, EU:C:200:665; HvJ 18 juli 2013, AES-3C Maritza East 1, C 124/12, [EU:C:2013:488](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-124-12-arret)). Dit betekent dat indfen de belastingplichtige gegevens kan voorleggen die aantonen dat de aangekochte diensten uitsluitend hun oorzaak vinden in haar economische activiteit, er een recht op aftrek ontstaat (Brussel, 18 januari 2017, Fisc.Koer. 2017, \_afl. 6, 584).

-Eiseres bewijst evenwel niet dat de diensten van de advocaten uitsluitend hun oorzaak vinden in de economische activiteit van eiseres. Eiseres bewijst niet dat het verkopen van de aandelen tot doel had haar marktpositie te verstevigen of dit te bewerkstelligen·. Het grootste deel van de ontvangen gelden werd gebruikt door eiseres voor activiteiten die niet aan BTW onderworpen zijn. Eiseres toont niet aan dat het de bedoeling was om de aandelen te verkopen en te herinvesteren in de ontplooiing van haar. activiteit als belastingplichtige.

Verweerder heeft derhalve terecht de aftrek van de BTW verworpen.

### *C.* *Betreffende de kosten*

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij \_overeenkomstig artikel 1017, 1°, lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

**OM DEZE REDENEN,**

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op vier mei tweeduizend twintig.

Ondertekeningen

## Textes cités

5

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 4 occurrences

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 3 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[C-124/12, arrêt du 18 juillet 2013](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-124-12-arret) 3 occurrences

[C-29/08, arrêt du 29 octobre 2009](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-29-08-arret) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Droit de déduction, Révision, Participation à une unité TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-participation-unite-tribunal-hasselt-2026-03-11-110c) 3 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 3 dispositions communes

[Notion de construction neuve, révision, période de révision](https://juriel.be/fr/jurisprudence/notion-construction-neuve-revision-periode-cour-appel-gand-2022-11-22-34cd) 3 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Révisions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revisions-tva-amont-tribunal-hasselt-2025-08-14-83ee) 3 dispositions communes

[TVA historique, Droit à déduction, Amende, Intérêts](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-historique-droit-deduction-amende-tribunal-bruxelles-2021-05-03-8427) 3 dispositions communes

[Holding passif ou actif, Prestations externes (conseils de gestion)](https://juriel.be/fr/jurisprudence/holding-passif-actif-prestations-externes-tribunal-nivelles-2022-07-01-bd8c) 3 dispositions communes

[Club de football, Assujetti mixte, Usage réel](https://juriel.be/fr/jurisprudence/club-football-assujetti-mixte-usage-cour-appel-anvers-2021-09-21-eb59) 3 dispositions communes
