---
title: "20 novembre 2018 · Droit à déduction, Exercice du droit à déduction · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Droit à déduction, Exercice du droit à déduction, Rejet du droit à déduction, Procès-verbal. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 20 novembre 2018."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-exercice-rejet-proces-cour-appel-anvers-2018-11-20-0601"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Droit à déduction, Exercice du droit à déduction

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

20 novembre 2018

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

81 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 20.11.2018

WF 707-15-15/059243

\[Favorable à l’Etat belge\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Exercice du droit à déduction – Rejet du droit à déduction – Procès-verbal – Nullité du procès-verbal*

## Dispositions légales

[Article 45, § 1 et § 2, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)

[Article 59, § 1, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59)

Article 2 de l’arrêté du 17 juin 2015 du Président du comité de direction portant création de services à l'Administration Grandes Entreprises de l'Administration générale de la fiscalité (GE)

Article 11 de l’arrêté du 9 décembre du Président du Comité de direction portant création des Centres PME et du Centre Etranger au sein de l'Administration Petites et Moyennes Entreprises de l'Administration générale de la Fiscalité(PME)

## Résumé

## 1) Les faits et la procédure devant le tribunal de première instance

L’assujettie est identifiée à la TVA pour l’exercice d’une activité « de bureau de conseils dans le domaine de la gestion et le management d’une entreprise ». Le litige concerne une contrainte dans laquelle un montant de TVA, des intérêts moratoires et des amendes fiscales sont réclamées en raison d’un rejet partiel ,que l’assujettie conteste, du droit à déduction de la TVA ayant grevé l’achat et les frais d’entretien d’un ancêtre automobile (oldtimer) et la construction du siège social de l’assujettie ainsi que des frais annexes.

Dans sa requête contradictoire, l’assujettie soutenait que la contrainte litigieuse devait être déclarée nulle ou à tout le moins illégale. Le juge siégeant en première instance a déclaré la demande recevable mais non fondée. L’assujettie a déposé un recours en degré d’appel contre ce jugement.

## 2) Procédure devant la Cour d’appel

### *a) La nullité de la contrainte*

L’assujettie soutient que la contrainte litigieuse devrait être annulée car le procès-verbal motivant cette contrainte litigieuse a été établie par un fonctionnaire qui au moment de la rédaction de ce procès-verbal était un agent attaché à l’Administration des Grandes Entreprises alors qu’elle estime qu’elle ne peut pas être qualifiée de grande entreprise.

L’article 2 de l’arrêté du 17 juin 2015 du Président du comité de direction portant création de services à l'Administration Grandes Entreprises de l'Administration générale de la fiscalité (GE) détermine que les services des GE sont compétents, par priorité mais non exclusivement à l'égard des sociétés et des personnes morales qualifiées de « grandes entreprises » ce qui implique implicitement qu’ils sont aussi compétents pour des administrations autre que celle des grandes entreprises et dès lors également pour l’administration des petites et moyennes entreprises.

Cela s’applique particulièrement en l’espèce car l’administration des petites et moyennes entreprises a été créée par un arrêté du 9 décembre 2015 soit après la rédaction du procès-verbal litigieux

L’article 11 de cet arrêté édicte que jusqu'à une date à déterminer par le Président du Comité de direction, les services, qui étaient opérationnels la veille de l'entrée en vigueur du présent arrêté, conservent leurs compétences matérielles et territoriales, sans porter préjudice à la possibilité que ces compétences puissent également être exercées par les services créés par le présent arrêté. Il en découle que la compétence de l’administration des grandes entreprises doit également être confirmée pour les petites et moyennes entreprises. Dès lors, ni le procès-verbal ni la contrainte litigieuse ne doivent être annulés.

#### *b) Rejet du droit à déduction*

La Cour constate que l’assujettie n’apporte pas la preuve que les biens achetés et les prestations de services reçues l’ont été en vue d’un usage professionnel. Aucune pièce prouvant un usage pour les besoins de l’entreprise n’est présentée. De pures allégations ne suffisent évidemment pas. De plus, la déduction de la TVA ayant grevé l’achat de l’oldtimer doit également être rejetée. L’assujettie prétendait qu’elle avait acheté cet ancêtre automobile dans le but de disposer d’un moyen de transport original afin d’en user comme un moyen de publicité sans pourtant appuyer cette affirmation par la production de pièces objectives et contrôlables. En effet, aucune publicité n’est présente sur ce véhicule. Aucun usage professionnel n’est démontré de sorte que la déduction de TVA limitée en application de l’[article 45, § 2, du CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) ne peut pas être opérée.

L’appel est recevable mais non fondé.

**Texte de l’arrêt**

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

**Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 20.11.2018**

Rol: 2017/AR/632

**V. W. & P. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het ondernemingsnummer …

-eiseres in hoger beroep

-vertegenwoordigd door **mr. K. H.**, advocaat te …, …

tegen het vonnis van kamer AFi4 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 18 januari 2017, aldaar gekend onder rolnummer …

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoek van de adviseur-generaal-directeur van het centrum KMO Antwerpen, met kantoor te …, …

-verweerder in hoger beroep

-vertegenwoordigd door **mr. A. V. L. d. J.**, advocaat te …, … (referte: BTW 2200)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 januari 2017 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 30 maart 2017, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1.Feitelijke en· procedurele retroacta

1.1.Huidige betwisting heeft betrekking op. het dwangbevel nr. … uitgevaardigd op 26 oktober 2015 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 oktober 2015 waarbij een bedrag van … EUR als B.T.W., geldboeten en intresten wordt nagevorderd voor de periode van 1 januari 2012 tot 31 december 2013. In het bijzonder betreft de betwisting de gedeeltelijke verwerping van het recht op aftrek ten aanzien van onder meer aankoop- en onderhoudskosten van een oldtimer en inrichtings- en andere kosten met betrekking tot de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep.

Lastens eiseres in hoger beroep werd een B.T.W.-controle aangevat over de periode van 1 januari 2012 tot 30 juni 2014. Op 6 augustus 2015 gebeurde een plaatsbezoek op de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep, waarvan een proces-verbaal van vaststelling werd opgesteld op 4 september 2015. Naar aanleiding van de vaststelling van enkele inbreuken op de aftrekregeling werd op dezelfde datum een correctieopgave verzonden. Eiseres in hoger beroep verklaarde zich bij brief d.d. 25 september 2015 van haar gevolmachtigde gedeeltelijk akkoord met de vooropgestelde wijzigingen.

Een aangepaste correctieopgave, die enkel betrekking had op de wijzigingen waarmee akkoord was gegaan, werd verzonden bij brief van 7 oktober 2015. Deze werd voor een bedrag van … EUR voor akkoord ondertekend op 13 oktober 2015.

Voor de wijzigingen waarvoor geen akkoord was bereikt, werd op. 21 oktober 2015 een proces-verbaal opgesteld, ingevolge waarvan een bedrag van … EUR als B.T.W. verschuldigd zou zijn. Op 16 november 2015 werd eiseres in hoger beroep kennisgegeven van het bestreden dwangbevel nr...

1.2.Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 23 november 2015, vorderde eiseres in hoger beroep het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden dwangbevel te vernietigen, minstens onwettig te verklaren, voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, derhalve de uitvoering van het dwangbevel te verbieden en de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, meer moratoriumintresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, niet begroot en niet vereffend.

De eerste rechter stelde vast dat het proces-verbaal van 21 oktober 2015 werd opgesteld door een ambtenaar verbonden aan een administratie, bevoegd inzake B.T.W. en dat deze toepassing heeft gemaakt van de controle- en onderzoeksbevoegdheden voorzien in de B.T.W.-wetgeving. Het proces-verbaal dient niet nietig te worden verklaard.

Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat voor geen van de goederen waarvoor het recht op aftrek was verworpen, is aangetoond dat deze effectief werden gebruikt voor het stellen van belaste handelingen of andere handelingen die op basis van artikel 45, §1 W.B.T.W. recht geven op B.T.W.-aftrek.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op30 maart 2017, hoger beroep ingesteld.

## 2.De vorderingen en standpunten in hoger beroep

2.1.Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden dwangbevel te vernietigen, minstens onwettig te verklaren, voor recht te zeggen dat eiseres in hoger beroep de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, derhalve de uitvoering van het dwangbevel. te verbieden en de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, meer moratoriumintresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Eiseres in hoger beroep stelt dat het proces-verbaal werd opgesteld door een onbevoegd ambtenaar en derhalve onwettig is.

Ten gronde wordt de gedeeltelijke verwerping van het recht op aftrek betwist ten aanzien van onder meer de B.T.W. op de aankoop en het onderhoud. van een oldtimer en diverse inrichtingswerken en kosten met betrekking tot de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis en de bestreden aanslagen te bevestigen en eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten.

De Belgische Staat stelt dat de heer **M.** bevoegd was tot het opstellen van het proces-verbaal lastens eiseres in hoger beroep.

Het is de belastingplichtige die gebruik wenst te maken van het recht op aftrek die de bewijslast ter zake draagt. Eiseres in hoger beroep haalt echter niets aan dat het recht op aftrek kan bewijzen.

## 3.Bespreking

3.1.Eiseres in hoger beroep stelt dat het bestreden dwangbevel nietig zou zijn omdat het proces-verbaal, dat ter motivering aan het bestreden dwangbevel is gehecht, werd opgesteld door de heer **M.**, die tijdens de redactie ervan was verbonden aan de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Administratie Grote Ondernemingen, Centrum Grote Ondernemingen Antwerpen, terwijl eiseres in hoger beroep niet als een grote onderneming kan worden gekwalificeerd.

De Belgische Staat besluit tot de bevoegdheid van de heer **M.** voor de opstelling van het proces-verbaal op grond van artikel 59 W.B.T.W. en artikel 2 van het besluit van 17 juni 2015 van de Voorzitter van het directiecomité houdende de oprichting van de diensten van de Administratie Grote Ondernemingen·(BS. 26juni. 2015).

Het hof stelt vast dat artikel 59; §1 W.B.T.W. bepaalt dat *"iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de. belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, (...) door de administratie· (kunnen) worden bewezen volgens .de regelen en door alle middelen. van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën”*.

Partijen betwisten niet dat de heer **M.** op het moment van de redactie van het proces-verbaal deel uitmaakte van de Federale Overheidsdienst Financiën en bevoegd was inzake B.T.W. Eiseres in hoger beroep betwist de bevoegdheid van de heer **M.**, als adviseur eerstaanwezend inspecteur verbonden aan de Administratie Grote Ondernemingen, om vaststellingen te doen en processen-verbaal op te stellen inzake B.T.W. in hoofde van kleine en middelgrote ondernemingen zoals eiseres in hoger beroep.

Ingevolge artikel 5 van het K.B. van 19 juli 2013 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het statutair personeel (B.S. 2 augustus 2013) bevat de Algemene Administratie van de Fiscaliteit de Administratie Particulieren, de Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen en de Administratie Grote Ondernemingen.

De Administratie Grote Ondernemingen werd opgericht bij Besluit d.d. 17 juni 2015 van de Voorzitter van het directiecomité houdende de oprichting van de diensten van de Administratie Grote Ondernemingen van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en tot vaststelling van de zetel en de materiële en territoriale bevoegdheid van deze diensten. De Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen werd opgericht bij Besluit d.d. 9 december 2015 van de Voorzitter van het Directiecomité tot oprichting van de KMO Centra en het Centrum Buitenland binnen de Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en tot vaststelling van hun zetel en hun materiële en territoriale bevoegdheid. De Administratie Kleine en Middelgrote ondernemingen was derhalve nog niet opgericht op datum van de redactie van het proces-verbaal d.d. 21 oktober 2015 en dit in tegenstelling tot de Administratie .Grote Ondernemingen waarvan de heer **M.** deel uitmaakte.

Artikel 2 van het Besluit van 17 juni 2015 waarbij de Administratie Grote Ondernemingen werd opgericht, bepaalt dat deze diensten *''bij voorrang maar niet exclusief bevoegd (zijn) voor de vennootschappen en rechtspersonen gekwalificeerd als 'grote ondernemingen’"*'.

Artikel 2 omschrijft de materiële bevoegdheid van de Administratie Grote Ondernemingen en spreekt zich niet uit over de bevoegdheid van andere administraties. In tegenstelling tot wat eiseres in hoger beroep voorhoudt, houdt het gebruik van de woorden 'bij voorrang. maar niet exclusief’ dan ook niet in dat ook andere administraties mogelijks bevoegd zouden zijn voor grote ondernemingen. .Waar artikel 2 bepaalt dat de Administratie Grote Ondernemingen bij voorrang bevoegd is voor grote ondernemingen, doch niet uitsluitend, impliceert dit daarentegen dat zij ook bevoegd is voor andere dan grote ondernemingen en derhalve ook voor kleine en middelgrote ondernemingen. Zulks geldt in het bijzonder nu de Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen pas bij Besluit van 9 december 2015 werd opgericht, na redactie van het proces-verbaal in casu. Artikel 11 van dit laatste besluit bepaalt bovendien dat de diensten die operationeel waren de dag voor de inwerkingtreding van het besluit hun territoriale en materiële bevoegdheden behouden, waardoor de bevoegdheid van de Administratie Grote Ondernemingen ook voor KMO's wordt bevestigd.

De heer **M.** was dan ook materieel bevoegd tot redactie van het proces-verbaal d.d. 21 oktober 2015 lastens eiseres in hoger beroep. De rechtspraak die door eiseres in hoger beroep in conclusie wordt aangehaald, heeft betrekking op andere feitelijke omstandigheden en andere administraties, en is dan ook niet ter zake dienend.

Noch het proces-verbaal, noch het bestreden dwangbevel zijn nietig.

3.2.In toepassing van artikel 45, §1 W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.B.T.W., handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10° W.B.T.W. of diensten als makelaar bij voorgaande handelingen.

Eiseres in hoger beroep die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

In casu werd de B.T.W. voor een bedrag van … EUR, naar oordeel van de administratie, ten onrechte in aftrek gebracht omdat de goederen en diensten volledig bestemd waren voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan de economische activiteit van eiseres in hoger beroep. Tevens werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten die betrekking hebben op het appartement te Antwerpen, dat in vruchtgebruik toebehoort aan eiseres in hoger beroep en in blote eigendom aan de heer en mevrouw **V. W.**, en die gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan de economische activiteit van eiseres in hoger beroep en dit voor een bedrag van … EUR.

Het hof stelt met de administratie vast dat eiseres in hoger beroep niet het bewijs levert dat de goederen en diensten vermeld in de tabel op pagina 2, 3 en 4 van het proces-verbaal voor een bedrag van … EUR wel degelijk werden aangewend voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de B.T.W. Het betreffen onder meer aankopen bij Vanden Borre NV, Makro. NV, Top Interieur NV, een stripwinkel, de betalingen van sports consulting en training fees, kosten voor bureelinrichting waar de offerte wijst op de aankoop van onder meer een slaapzetel en tapijt voor.de eetplaats, en de aankoop van verlichting, ventilator en airco, zonder dat door eiseres in hoger beroep op enigerlei wijze wordt aangetoond dat deze goederen en diensten minstens te dele bestemd waren voor het verrichten van belastbare handelingen of betrekking hadden op het beroepsgedeelte van het appartement waarin de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep was ondergebracht. Stukken worden ter zake niet voorgelegd. De loutere beweringen van eiseres in hoger beroep volstaan hoegenaamd niet.

Tevens wordt terecht de aftrek verworpen van de B.T.W. op de aankoop en het onderhoud van een oldtimer. Eiseres in hoger beroep stelt dat deze zou zijn aangekocht met de bedoeling over een opvallend vervoermiddel te beschikken om reclame te maken, zonder dat zulks echter wordt ondersteund door objectieve en controleerbare stukken. Althans blijkt geen publiciteit te zijn aangebracht op de oldtimer, zoals namens eiseres in hoger beroep ter zitting werd verklaard. Enig gebruik voor beroepsdoeleinden wordt niet aangetoond, zodat ook de aftrek voor 50 % in toepassing van artikel 45, §2 W.B.T.W. niet kan worden toegestaan.

Het hof treedt ook het standpunt van de administratie bij wat betreft de beperking van het recht op aftrek van de B.T.W. op goederen en diensten die betrekking hebben op het appartement te Antwerpen dat deels voor privédoeleinden en deels voor beroepsdoeleinden wordt aangewend. Het beroepsmatig gebruik van het appartement werd aan de hand van het plan van het onroerend goed terecht bepaald op 10,69 %. Dat de oppervlakte van de traphal ten onrechte twee maal in rekening zou zijn gebracht ter berekening van de totale oppervlakte van het appartement slaat nergens op. Dat ook keuken, zitplaats, WC en slaapplaats voor beroepsdoeleinden zou zijn aangewend, wordt op geen enkele wijze aangetoond, zelfs niet aannemelijk gemaakt. Stukken worden niet voorgelegd. Enig gebruik door personeel van **NV L. S.**, indien reeds aangetoond -quod non-, wijst nog niet op enig gebruik door eiseres in hoger beroep zelf. Dat eiseres in hoger beroep managementdiensten voor **NV L. S.** verricht, bewijst niet dat het appartement voor beroepsdoeleinden werd aangewend door eiseres in hoger beroep .voor **NV L. S.**, die overigens in hetzelfde gebouw is gevestigd. Ook het gebruik van het appartement door klusjesman **M.** of de terbeschikkingstelling aan **BVBA TMC A.** blijkt nergens uit.

Ook de beperking van de aftrek van de B.T.W. op de wandkasten tot 50 % acht het hof terecht, gelet op de vaststellingen ter plaatse waaruit een gedeeltelijk privégebruik bleek. De administratie bezondigde zich aldus niet aan een verboden opportuniteitsbeoordeling.

De vordering van eiseres in hoger beroep dient te worden afgewezen. Het bestreden vonnis verdient bevestiging.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond en het bestreden vonnis dient te worden bevestigd.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op … EUR voor een in geld waardeerbare vordering. Het hof begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op … EUR en legt deze ten laste van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

### Dispositif

## 4.Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van **20 november 2018** door …

Ondertekeningen

## Textes cités

2

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 3 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 2 occurrences

## Décisions similaires

8

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 2 dispositions communes

[Sous-traitance, amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sous-traitance-amende-tribunal-bruxelles-2026-07-17-0a85) 2 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Pourcentage d’affectation professionnelle](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-pourcentage-affectation-professionnelle-cour-appel-mons-2023-05-31-31b4) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Dépenses sans caractère professionnel, Immeuble](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-depenses-caractere-professionnel-cour-appel-liege-2020-09-04-3c80) 2 dispositions communes

[Procédure, Contrainte, Autorisation de signer](https://juriel.be/fr/jurisprudence/procedure-contrainte-autorisation-signer-article-cassation-bruxelles-2020-12-04-4074) 2 dispositions communes

[Droit à déduction, Conditions, Affectation à l’activité économique](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-affectation-activite-cour-appel-liege-2022-04-19-4acf) 2 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 2 dispositions communes
