---
title: "4 mars 2011 · Disposition pénale, sanction pénale · Tribunal de première instance d&#x27;Anvers"
description: "Disposition pénale, sanction pénale, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Tribunal de première instance d'Anvers (Belgique), 4 mars 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-sanction-poursuite-instance-tribunal-anvers-2011-03-04-8ed1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, sanction pénale, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Anvers

**Date**

4 mars 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

107 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement de la Cour de première instance d'Anvers du 04.03.2011

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op vier maart tweeduizend en elf

**in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :**

**P. W.**, rechter,

**N. V.**, griffier,

## Inzake A.R. nr. 06/4010/A en 09/5468/A

**Inzake A.R. nr. 06/4010/A**

**BVBA O.**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**eisende partij**

\- verschijnende bij meester **K. H.** in eigen naam en loco meester **H. D.**,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij**

\- verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**Inzake A.R. nr. 09/5468/A**

**B. M.**, zaakvoerder, wonende te …, ….

**eisende partij**

\- verschijnende bij meester **K. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, met de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij**

\- verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, …

Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :

**Inzake A.R.nr. 09/5468/A**

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 juni 2006,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 februari 2010,

\- de conclusies en stukken van partijen.

**Inzake A.R. nr. 09/5468/A**

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 augustus 2009,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 februari 2010,

\- de conclusies en stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 4 februari 2011.

---

**Inzake A.R. 06/4010/A**

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/60, uitgevaardigd op 26 april 2006 en uitvoerbaar verklaard op 11 mei 2006, te vernietigen, dan wel onwettig te verklaren, minstens voor recht te zeggen dat eiseres de in het dwangbevel van 26 april 2006 gevorderde sommen niet verschuldigd is, aldus de uitvoering van dit dwangbevel te verbieden, minstens de opgelegde BTW-boete onwettig te verklaren, dan wel kwijt te schelden of in belangrijke mate te verminderen, uitstel toe te kennen wat de overblijvende BTW-boete betreft, aldus de uitvoering van het bestreden dwangbevel in die mate te verbieden, de terugbetaling te bevelen van alle ten onterechte ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.

**Inzake A.R. 09/5468/A**

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/68, uitgevaardigd op 17 augustus 2009 en uitvoerbaar verklaard op 17 augustus 2009, te vernietigen, dan wel onwettig te verklaren, minstens voor recht te zeggen dat eiser de in het dwangbevel van 17 augustus 2009 gevorderde sommen niet verschuldigd is, aldus de uitvoering van dit dwangbevel te verbieden, de terugbetaling te bevelen van alle ten onterechte ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.

## Samenvoeging

## Beoordeling

Betreffende de verjaring ten aanzien van eiseres van de navordering waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in de jaren 1999, 2000 en 2001 (A.R. 06/4O10/A)

Verweerder beroept zich op de zevenjarige verjaringstermijn van het oud artikel 81bis, § 1, lid 3 W.BTW om lastens eiseres in het jaar 2006 nog BTW te kunnen navorderen waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in de jaren 1999, 2000 en 2001.

De toepassing van het oud artikel 81bis, § 1, lid 3 W.BTW veronderstelt het bestaan van inlichtingen van een buitenlandse belastingadministratie, van rechtsvorderingen en/of van bewijskrachtige gegevens, die aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast, hetgeen inhoudt dat voornoemde inlichtingen, rechtsvorderingen en/of bewijskrachtige gegevens, desgevallend na deze in verband te hebben gebracht met andere gegevens waarover de BTW-administratie reeds beschikte, zonder aanvullend onderzoek aantonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven of welke onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.

Hierbij dient trouwens te worden opgemerkt dat artikel 81bis, W.BTW werd ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en tijdens de bespreking van dit wetsontwerp door de vertegenwoordiger van de minister uitdrukkelijk werd gesteld dat "de onderzoeksbevoegdheid niet voor zeven geldt doch uitsluitend voor vijf” (Parl. St. senaat, 1998-99, 1-966/11, 40).

Te dezen heeft de BTW-administratie :

\- op 2 oktober 2002 inlichtingen bekomen van de Luxemburgse belastingadministratie in verband met de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL,

\- in de loop van de maand april 2002 tot en met het jaar 2005 inzage en kopie bekomen van het strafdossier in verband met eiseres en de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL ingevolge de machtiging van de Procureur-generaal van 11 maart 2002,

\- op 23 juni 2004 inlichtingen bekomen van de Portugese belastingadministratie in verband met de Portugese firma **H. C. E S.** LDA,

\- in de loop van de maand maart 2005 inzage en kopie bekomen van het strafdossier in verband met eiseres en de Portugese firma **H. C. E S.** LDA ingevolge de machtiging van de Procureur­generaal van 23 februari 2005.

Voornoemde inlichtingen van de Luxemburgse en Portugese belastingadministratie en voornoemde strafdossiers hebben ongetwijfeld voldoende aangetoond dat eiseres in de jaren 1999, 2000 en 2001 ten onrechte de vrijstelling van BTW heeft toegepast voor valselijk voorgewende intracommunautaire leveringen aan voornoemde Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL en aan voornoemde Portugese firma **H. C. E S.** LDA.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de zaakvoerder van eiseres, zijnde eiser inzake A.R. 09/5468/A, op basis van voornoemd strafdossier in verband met eiseres en de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL, bij vonnis van 8 maart 2007 van de correctionele rechtbank van Antwerpen werd veroordeeld wegens (fiscale) valsheid in geschrift en gebruik van valse stukken met betrekking tot facturen en bijhorende documenten uitgaande van eiseres aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL tussen 1 januari 1999 en 31 december 2001, en wegens het indienen van geen of onjuiste BTW-aangiften voor eiseres en wegens het betalen van onjuiste BTW voor eiseres met betrekking tot voornoemde facturen en dat tegen voornoemd vonnis geen hoger beroep werd ingesteld zodat dit vonnis ten aanzien van hem in kracht van gewijsde is getreden.

In de tenlasteleggingen werden de valse facturen van eiseres aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL nader omschreven en becijferd op een totaal bedrag van … EUR en … EUR aan facturen, zijnde … EUR, en … EUR en … EUR aan ontdoken BTW, zijnde … EUR (stuk 14 van verweerder, tenlasteleggingen BII, c) en DIII).

In het proces-verbaal van 2 februari 2006, waarop het bestreden dwangbevel lastens eiseres is gesteund, werden de valse facturen van eiseres aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL berekend op … EUR, zijnde juist hetzelfde bedrag als het bedrag van voornoemde tenlasteleggingen.

Hieruit volgt ontegensprekelijk dat de inlichtingen van de Luxemburgse belastingadministratie en dit strafdossier voldoende waren om aan te tonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven, namelijk voornoemde valse facturen voor een totaal bedrag van … EUR aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL, en was hiervoor geen bijkomend onderzoek nodig.

Verder dient te worden opgemerkt dat de BTW-administratie reeds in het jaar 2002 inlichtingen en documenten over de boekhouding heeft opgevraagd aan eiseres en dat eiseres op 15 april 2002 onder meer de intracommunautaire listings voor de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001 heeft overgemaakt.

Uit deze intracommunautaire listings, die eiseres reeds op 15 april 2002 heeft overgemaakt, zijnde binnen de gewone driejarige verjaringstermijn, blijkt dat eiseres voor de jaren 1999 tot en met 2001 in totaal … EUR vrijgestelde intracommunautaire leveringen aan voornoemde Portugese firma **H. C. E S.** LDA heeft aangegeven.

Hieruit volgt ontegensprekelijk dat de inlichtingen van de Portugese belastingadministratie en de strafdossiers, na deze in verband te hebben gebracht met andere gegevens waarover de BTW-administratie reeds beschikte binnen de gewone driejarige verjaringstermijn, namelijk voornoemde intracommunautaire listings, voldoende waren om aan te tonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven, namelijk de valse facturen aan voornoemde Portugese firma voor een totaal bedrag van … EUR, en was hiervoor evenmin bijkomend onderzoek nodig.

Volgens eiseres heeft de BTW-administratie in het jaar 2005 nog bijkomend onderzoek verricht en kon enkel door dit bijkomend onderzoek tot navordering worden overgegaan zodat - volgens haar - geen beroep kan gedaan worden op de zevenjarige verjaringstermijn van het oud artikel 81bis, § 1, lid 3, W.BTW.

Zelfs wanneer de administratie ten onrechte in het jaar 2005 bijkomend onderzoek zou verricht hebben, staat het ontegensprekelijk vast dat dit bijkomend onderzoek niet noodzakelijk was om aan te tonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven en om tot navorderingen te kunnen overgaan nu de inlichtingen van de Luxemburgse en Portugese belastingadministratie en de strafdossiers, na deze in verband te hebben gebracht met andere gegevens waarover de BTW-administratie reeds beschikte binnen de gewone driejarige verjaringstermijn, hiervoor ongetwijfeld volstonden.

De inlichtingen van de Luxemburgse en Portugese belastingadministratie en de strafdossiers kunnen dan ook worden aangemerkt als inlichtingen en rechtsvorderingen in de zin van artikel 81bis, § 1, lid 3 W.BTW aangezien geen bijkomend onderzoek noodzakelijk was om aan te tonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven.

Wanneer zoals te dezen inlichtingen van de Luxemburgse en Portugese belastingadministratie en strafdossiers aantonen dat eiseres ten onrechte beroep heeft gedaan op de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW, werden immers in België belastbare handelingen niet aangegeven en is aldus de zevenjarige verjaringstermijn van het oud artikel 81bis, § 1, lid 3 W.BTW van toepassing.

Bijgevolg is der dan ook geen sprake van verjaring.

## Betreffende de gegevens van de Portugese belastingadministratie (A.R. 06/4010/A)

Volgens eiseres werden de gegevens van de Portugese belastingadministratie onwettig bekomen gezien de inlichtingen aan de Portugese belastingadministratie werden gevraagd door de centrale administratie van de BBI die hiervoor onbevoegd zou zijn.

De bevoegde autoriteit van België die om dergelijke inlichtingen kan verzoeken aan een buitenlandse belastingadministratie is de Minister van Financiën of een door deze aangewezen vertegenwoordiger.

Niettegenstaande het MB van 23 juli 1997 tot oprichting van een Centrale Eenheid voor de internationale samenwerking bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen deze Centrale Eenheid heeft aangewezen als bevoegde autoriteit om inlichtingen aan een buitenlandse belastingadministratie te vragen, belet dit geenszins om naast deze Centrale Eenheid ook de administratie van de BBI aan te wijzen als bevoegde autoriteit, hetgeen gebeurde bij instructie van 11 februari 1999.

Het loutere feit, dat dit gebeurde bij instructie, doet hieraan niets af.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat, zelfs wanneer de gegevens van de Portugese belastingadministratie onwettig zouden bekomen zijn ingevolge de vraag om inlichtingen door de centrale administratie van de BBI die hiervoor onbevoegd zou zijn, geen enkele wettelijke bepaling aangeeft welk juridisch gevolg dit beweerd onwettig verkregen bewijs heeft en er geen regel werd overtreden die op straffe van nietigheid is voorgeschreven.

Bijgevolg mag dit beweerd onwettig verkregen bewijs alleen worden uitgesloten wanneer de betrouwbaarheid van het bewijs wordt aangetast of wanneer de eerlijke procesvoering in het gedrang komt, hetgeen te dezen ongetwijfeld niet het geval is (vergelijk onder meer Cass. 14 oktober 2003, **R.W.** 2003-04, 814, Cass. 4 december 2007, **R.W.** 2008-09, 110 en GwH 22 december 2010 inzake 158/2010, **http://www.const-court.be**); deze Antigoon-jurisprudentie is immers ook buiten het strafrecht van toepassing en op deze beweerde onwettig verkregen gegevens van de Portugese belastingadministratie (vergelijk Cass. 10 maart 2008, **NJW** 2010/218, blz. 180-183).

Hierbij dient trouwens rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat dit beweerd onwettig verkregen bewijs volstrekt onevenredig is met de ernst van de feiten.

In deze omstandigheden mag dit beweerd onwettig verkregen bewijs dan ook niet worden uitgesloten.

## Betreffende de intracommunautaire leveringen A.R. 06/4010/A

Uit geen enkel objectief element blijkt dat de goederen, die eiseres heeft gefactureerd aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL, werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat zodat eiseres dan ook niet voldoet aan deze vrijstellingsvoorwaarde van artikel 39bis W.BTW; het beweerde vervoer naar Luxemburg gebeurde - volgens eiseres - door haarzelf hetzij met eigen vervoermiddelen hetzij met geleasde vervoermiddelen, doch dit beweerde vervoer wordt door niets bevestigd.

Hierbij dient trouwens te worden opgemerkt dat de zaakvoerder van eiseres, zijnde eiser inzake A.R. 09/5468/A, hiervoor strafrechtelijk werd veroordeeld bij vonnis van 8 maart 2007 van de correctionele rechtbank van Antwerpen en hiertegen geen hoger beroep werd ingesteld zodat dit vonnis ten aanzien van hem in kracht van gewijsde is getreden.

Verder blijkt uit de inlichtingen van de Portugese belastingadministratie en uit het strafdossier in verband met eiseres en de Portugese firma **H. C. E S.** LDA zeer duidelijk dat de goederen, die eiseres aan deze Portugese firma heeft gefactureerd, in werkelijkheid niet werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat, doch integendeel in België werden geleverd, zodat eiseres hiervoor evenmin voldoet aan deze vrijstellingsvoorwaarde van artikel 39bis W.BTW.

Er is dan ook geen sprake van vrijgestelde intracommunautaire handelingen zodat de BTW terecht werd nagevorderd.

## Betreffende de geldboete van 200 % (A.R. 06/4010/A)

Eiseres en haar zaakvoerder betreffen niet dezelfde persoon zodat het "non bis in idem" beginsel" te dezen niet van toepassing is.

De strafrechtelijke veroordeling van de zaakvoerder van eiseres, zijnde eiser inzake A.R. 09/5468/A, vormt dan ook geen enkel beletsel om voor dezelfde feiten ook aan eiseres een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter op te leggen.

Het loutere feit, dat eiseres krachtens artikel 73sexies, lid 2 W.BTW burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de strafrechtelijke veroordeling van haar zaakvoerder, doet hieraan niets af.

De geldboete van 200 % is wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten, ook al werd haar zaakvoerder hiervoor reeds strafrechtelijk veroordeeld.

Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van deze geldboete geheel of gedeeltelijk toe te staan.

## Betreffende de verjaring ten aanzien van eiser (A.R. 09/5468/A)

Bij vonnis van 8 maart 2007 van de correctionele rechtbank van Antwerpen werd eiser veroordeeld wegens onder meer fiscale valsheid in geschrift en gebruik van valse stukken met betrekking tot facturen en bijhorende documenten uitgaande van eiseres inzake A.R. 06/4010/A aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL tussen 1 januari 1999 en 31 december 2001, en wegens het indienen van geen of onjuiste BTW-aangiften voor voornoemde eiseres en wegens het betalen van onjuiste BTW voor voornoemde eiseres met betrekking tot voornoemde facturen.

In de tenlasteleggingen werden de valse facturen van voornoemde eiseres aan de Luxemburgse vennootschap **F. E. S.** SARL nader omschreven en becijferd op een totaal bedrag van … EUR en … EUR aan facturen, zijnde … EUR, en … EUR en … EUR aan ontdoken BTW, zijnde … EUR (stuk 14 van verweerder, tenlasteleggingen BII, c) en DIII).

Ingevolge burgerlijke partijstelling van verweerder voor de als gevolg van de misdrijven ontdoken BTW werd eiser bij voornoemd vonnis van 8 maart 2007 ook op burgerrechtelijk gebied veroordeeld om aan verweerder als schadevergoeding de provisionele som van … EUR te betalen.

Tegen het vonnis van 8 maart 2007 werd noch op strafrechtelijk noch op burgerlijk gebied hoger beroep ingesteld met betrekking tot de veroordelingen van eiser zodat dit vonnis lastens hem een eindbeslissing betreft.

Wanneer de strafrechter in een eindbeslissing uitspraak doet over de burgerlijke vordering en aan de burgerlijke partij een provisionele vergoeding toekent, hetgeen te dezen de strafrechter - zoals hoger vermeld - deed bij eindbeslissing van 8 maart 2007, dient de vordering tot aanvullende vergoeding ingesteld te worden binnen de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, lid 1 B.W. (Cass. 18 februari 2010 inzake C.09.0237.N, **http://jure.juridat.iust.fgov.be/?lang=nl**), hetgeen verweerder deed door het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 17 augustus 2009 en uitvoerbaar verklaard op 17 augustus 2009, op 18 augustus 2009 met bevel tot betaling te betekenen aan eiser.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat eiser volgens dit bestreden dwangbevel en het bijhorend proces-verbaal … EUR BTW verschuldigd is voor identiek dezelfde facturen, zoals omschreven in de tenlastelegging BII, c) van voornoemde strafzaak, en dat dit bedrag van … EUR identiek hetzelfde bedrag is, zoals vermeld in de tenlastelegging DIII van voornoemde strafzaak als ontdoken BTW.

Het staat dan ook ontegensprekelijk vast dat de door de misdrijven ontdoken BTW, waarvoor eiser door de strafrechter strafrechtelijk, doch ook burgerrechtelijk werd veroordeeld tot een provisionele schadevergoeding van … EUR aan verweerder, juist dezelfde ontdoken BTW betreft waarvoor het bestreden dwangbevel lastens eiser werd uitgevaardigd zodat dit dwangbevel dan ook volledig geldt als een rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, namelijk de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis van 8 maart 2007.

Aangezien de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis van 8 maart 2007 werd ingesteld binnen de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1 , lid 1 B.W. door op 18 augustus 2009 het bestreden dwangbevel te betekenen aan eiser met bevel tot betaling, is er dan ook geen sprake van verjaring.

Verder dient te worden opgemerkt dat nu de strafrechter de misdrijven inzake de valselijk voorgewende intracommunautaire leveringen lastens eiser bewezen heeft verklaard, het gezag van het strafrechtelijk gewijsde de rechter die over een verzet tegen een dwangbevel lastens eiser betreffende deze intracommunautaire leveringen moet oordelen, door de beslissing van de strafrechter gehouden is (vergelijk [Cass. 15 februari 2000](https://juriel.be/fr/jurisprudence/faux-ecritures-contrainte-dommages-interets-cassation-bruxelles-2000-02-15-7271), **R.W.** 2000-01, 1132).

## Betreffende de rechtsplegingsvergoedingen (A.R. 06/4010/A en A.R. 09/5468/A)

Artikel 1, lid 1 en 2 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat de in dit besluit vastgestelde basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingvergoeding worden vastgesteld per aanleg. Deze bepaling verhindert niet dat wanneer twee of meer rechtsvorderingen wegens samenhang worden samengevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingsvergoedingen kan toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken (Cass. 22 april 2010, **R.W.** 2010-11, 872).

Te dezen is de rechtbank van oordeel dat deze 2 samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken zodat zij dan ook 2 rechtsplegingsvergoedingen toekent.

Wat de rechtsplegingsvergoedingen betreft, zijn partijen in hun conclusies akkoord met een bedrag van … EUR inzake A.R. 06/4010/A en van … EUR inzake A.R. 09/5468/A, waarvan de rechtbank akte kan verlenen.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Voegt de beide zaken, gekend onder A.R. 06/4010/A en A.R. 09/5468/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vorderingen inzake A.R. 06/4010/A en A.R. 09/5468/A toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding inzake A.R. 06/4010/A tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding inzake A.R. 09/5468/A tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

**N. V.** **P. W.**
