---
title: "Disposition pénale, sanction pénale · Cour d&#x27;appel de Gand, 4 mars 2003"
description: "Disposition pénale, sanction pénale, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Gand (Belgique), 4 mars 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-sanction-poursuite-instance-cour-appel-gand-2003-03-04-12b1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, sanction pénale, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

4 mars 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

## Texte

67 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 04.03.2003

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer - terechtzitting 04-03-2003**

Nr. **2000/AR/2014**

In de zaak van :

…, bestuurder, wonende te …, …

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **S. G.** loco Mr. **V. F.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor Gent 1, met kantoren te 9000 GENT, Martelaarslaan 23,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. C.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Door de appellant werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 oktober 2000 tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 14 september 2000 door de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent waarbij het verzet van de appellant tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 9 februari 1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 februari 1996 en betekend op 1 maart 1996, werd afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van de appellant in te willigen, dit alles bij arrest uitvoerbaar hij voorraad en met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

De aanvankelijke vordering strekte er toe het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 9 februari 1996 van nul en generlei waarde te doen verklaren en derhalve de appellant te ontslaan van de in dit dwangbevel van hem gevorderde sommen.

## Feitelijke gegevens

Bij vonnis uitgesproken op 14 oktober 1994 door de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd de appellant veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 15 maanden en tot een fiscale geldboete van … BEF ingevolge verrichte aftrek van BTW op valse facturen door o.a. de NV **N.**.

Op hoger beroep van de appellant werd deze laatste veroordeeld bij arrest van 29 maart 1995 door het Hof van beroep te Antwerpen tot een hoofdgevangenisstraf van 30 maanden en een fiscale geldboete van … BEF of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden.

overeenkomstig artikel 73sexies BTW-Wet zijn personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting.

Op 18 januari 1996 werd door de BTW-administratie een proces-verbaal opgesteld waarbij werd bepaald dat de appellant hoofdelijk met de NV **N.** een bedrag verschuldigd was aan BTW van … BESF, zijnde de ten onrechte afgetrokken BTW.

Op grond van dit proces-verbaal vaardigde de ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor een dwangbevel uit dat door de Gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent op 14 februari 1996 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Het is tegen dit dwangbevel dat op 1 maart 1996 werd betekend dat de appellant verzet heeft aangetekend op grond van het argument dat het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 29 maart 1995 nog geen kracht van gewijsde had aangezien de appellant op 7 april 1995 op ontvankelijke wijze een voorziening in cassatie had ingediend tegen deze uitspraak.

De eerste rechter oordeelde dat het dwangbevel rechtsgeldig werd uitgevaardigd daar de voorziening van de appellant bij arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 1997 werd afgewezen waardoor de waarachtigheid van deze feiten onveranderd en ongenuanceerd is blijven bestaan.

In zijn beroepsakte hield de appellant staande dat het dwangbevel diende te worden vernietigd wegens willekeur vermits de geïntimeerde niet beschikt over een vordering ten aanzien van hem.

De appellant houdt vol dat de administratie zich slechts tegen hem kan wenden op voorwaarde dat hij bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling is veroordeeld als dader of medeplichtige wegens een overtreding van de fiscale wetboeken of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, fiscale valsheid of fiscaal vals getuigschrift.

Opdat de appellant hoofdelijk met de NV **N.** zou gehouden kunnen zijn tot betaling van de kwestieuze ontdoken belasting maakt een in kracht van gewijde gegane strafrechtelijke veroordeling van de appellant op grond van art. 73 BTW-Wet een conditio sine qua non uit. Derhalve dient de ontvanger van de BTW, aldus de appellant, over een in kracht van gewijsde gegane veroordeling te beschikken wil hij slagen in zijn vordering op grond van de hoofdelijke gehoudenheid van de veroordeelde.

De geïntimeerde daarentegen besluit dat ondanks het feit dat de appellant op 7 april 1995 een voorziening in cassatie had ingediend de appellant geen middelen aanvoerde m.b.t. de toekenning van een schadevergoeding aan de Belgische Staat, administratie van de BTW en de correctionele veroordelingen daaronder begrepen deze onder rubriek G/9 van het arrest van 29 maart 1995 van het Hof van beroep te Antwerpen waarbij hij schuldig werd bevonden aan misdrijven als bedoeld in artikel 73 en 73bis BTW-Wet. De geïntimeerde zette uiteen dat vermits de voorziening beperkt was tot de veroordeling tot betaling van een provisie inzake directe belastingen het arrest van 29 maart 1995 van het Hof van beroep te Antwerpen wel degelijk in kracht van gewijsde is gegaan.

## Beoordeling

In haar eigen circulaire CI.D.19.239.460 d.d. 5 februari 1982 (*Bull. Bel.*, 1982, blz. 468) stelt de administratie *"De ontvanger kan iedereen als hoofdelijk medeschuldenaar van belasting vervolgen, die als mededader van of medeplichtige aan één van de misdrijven bedoeld in de art. 341, 342, 343 en 344 WIB is veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest"*.

Beide partijen zijn het evenwel oneens nopens de datum waarop het arrest van het Hof van beroep van Antwerpen van 29 maart 1995 in kracht van gewijsde is gegaan.

Te dezen blijkt uit de stukken dat de appellant een voorziening in Cassatie had ingediend in volgende bewoordingen :

*''die verklaard heeft beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest uitgesproken door de 8° kamer van het Hof van beroep, zitting houdende te Antwerpen op 29 maart 1995*

*Arrest nr.* *487.95* *P.G. Nr.* *1029 P94*

*1195 P94*

*tegen alle beschikkingen van het arrest en tegen alle partijen. Onderhavig beroep in cassatie gesteund op alle middelen in feite en in rechte, te laten gelden op tijd en plaats waar het behoort"*.

Voorts werd in de Memorie gesteld dat het Hof van beroep niet wettig kon beslissen dat de vordering van de Belgische Staat, Administratie der directe belastingen, ontvankelijk was en dat op derving van inkomsten een reële schade opleverde welke volgde uit de weerhouden misdrijven.

Er dient aangenomen dat dergelijk cassatieberoep algemeen is en het Hof van Cassatie bevoegd was ambtshalve middelen aan te voeren met betrekking tot de uitspraak over de strafvordering hetgeen zijn weerslag heeft op de rechten van de geïntimeerde nu de hoofdelijke gehoudenheid voortvloeit uit de strafrechtelijke veroordeling.

Cassatieberoep is in strafzaken een gewoon rechtsmiddel. Het verhindert dat de uitspraak van de appelrechter kracht van gewijsde verkrijgt. De uitvoering van diens beslissing is geschorst gedurende de cassatietermijn en indien een voorziening wordt ingesteld gedurende een cassatieprocedure. Dit geldt zowel voor de beslissing over de strafvordering als voor de beslissing over de burgerlijke vordering (art. 373 en 407 Sv.).

In strafzaken heeft een uitspraak kracht van gewijsde als ze niet meer vatbaar is voor hoger beroep, voor verzet in de gewone termijn of voor cassatieberoep. Pas als ze voor geen rechtsmiddel meer vatbaar is, mag de beslissing van de rechter in principe worden uitgevoerd.

Op grond van voorgaande principes dient aangenomen dat het arrest van 29 maart 1995 van het Hof van beroep te Antwerpen op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel op 6 februari 1996 niet uitvoerbaar was gedurende de cassatietermijn en tot aan de uitspraak die op 9 december 1997 is tussengekomen.

Overeenkomstig art. 85 BTW-Wet is het dwangbevel de eerste akte van vervolging met het oog op de voldoening van de BTW, de intresten de administratieve geldboeten en het toebehoren. Op datum van het uitvaardigen van het dwangbevel had de Ontvanger van de BTW nog geen titel tegen de appellant. De geïntimeerde was derhalve niet gerechtigd de gedwongen tenuitvoerlegging na te streven van een rechterlijke beslissing die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

De omstandigheid dat later een arrest van het Hof van Cassatie op 9 december 1997 is tussengekomen doet aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk; de vaststelling a posteriori dat de “vaststellingen" opgenomen in het proces-verbaal van 18 januari 1996 na de uitspraak door het Hof van Cassatie als reëel en vaststaand mogen worden beschouwd verhindert niet dat de geïntimeerde op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel niet over een in kracht van gewijsde gegane veroordeling beschikte.

In de gegeven omstandigheden vermits de geïntimeerde niet over een titel beschikte moet het dwangbevel worden vernietigd.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.

Verklaart de oorspronkelijke vordering toelaatbaar en gegrond.

Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd op 9 februari 1996 en beveelt de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel.

Veroordeelt de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen begroot als volgt :

\- aan de zijde van de appellant :

\* dagvaardingskosten … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde :

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **VIER MAART TWEEDUIZEND EN DRIE**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter;

De heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raadsheren;

**M. V.**, Griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. v. I.**
