---
title: "14 février 2011 · Disposition pénale, amende administrative · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Disposition pénale, amende administrative. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 14 février 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-gand-2011-02-14-3fcc"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

14 février 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

105 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 14.02.2011

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 FEBRUARI 2011

Rolnummer **09/2491/A**

In de zaak van :

**NV F. I.**, met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

**eiseres,**

voor wie optreedt mr. **J. S.**, advocaat met kantoor te …, …;

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de heer minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

\- de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW­Ontvangkantoor te Gent, met kantoor te 9050 Gent-Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6/107, Zuiderpark Blok B, 1e verdieping;

\- de Gewestelijke Directeur der Bijzondere Belastinginspectie, Gewestelijke Directie Gent, met kantoor te 9050 Gent-Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6/107, Zuiderpark Blok B, 8 e verdieping,

**verweerder,**

voor wie optreedt mevr. **D. D. P.**, inspecteur bij de AOIF, BTW, ter beschikking gesteld aan de BBI,

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 17 januari 2011 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidend verzoekschrift op tegenspraak van 16 juli 2009, de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

## 2. DE VORDERING

Eiseres verhaalt zich tegen de beslissing van de heer gewestelijk Directeur der BBI-BTW d.d. 2 juni 2009, met referte 730/8.5.1/07/HE, tot betaling van de aan eiseres opgelegde boete op 100 %, hetzij … EUR.

Eiseres vordert de rechtbank deze beslissing te hervormen en, opnieuw wijzende, te zeggen voor recht dat de aldus opgelegde boete moet worden herleid tot 50 % of … EUR.

Tevens vordert zij de rechtbank te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is voor zover de boete meer dan 50 % bedraagt.

De vordering strekt er tevens toe de terugbetaling te horen bevelen van alle aldus ten onrechte ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire interesten sedert de datum van inhouding en verweerder tevens te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en met uitsluiting van het kantonnement.

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiseres baat, verspreid over het Belgisch grondgebied, een reeks handelszaken uit onder de benaming "**O' C.**". Deze winkels zijn gespecialiseerd in de verkoop van allerhande voedingsmiddelen, waarbij de nadruk hoofdzakelijk op diepvriesartikelen ligt.

In 2002 werd eiseres een eerste maal onderworpen aan een controle op de naleving van haar verplichtingen op het vlak van BTW in de periode 1999-2001. In het bijzonder werd nagegaan of eiseres wel had voldaan aan de verplichtingen om aan beroepsafnemers een factuur uit te reiken. Daarbij zou verweerder hetzij aan de hand van het bedrag van bepaalde transacties, hetzij op basis van de aard van de verkochte artikelen, hebben achterhaald dat in een groot aantal gevallen verkopen voor beroepsdoeleinden hadden plaatsgevonden zonder factuur.

Naar aanleiding van deze controle betaalde eiseres een forfaitaire boete van … EUR. Naar eigen zeggen om verdere problemen in de toekomst te vermijden, zouden tevens bepaalde afspraken zijn gemaakt met de diensten van de BBI te Brugge. Zo zouden de controleambtenaren een lijst van producten hebben opgesteld waarvoor steeds een factuur moest worden uitgereikt. Nog volgens eiseres zou men hebben afgesproken om ook voor verkopen vanaf … EUR in elk geval tot facturatie over te gaan. Eiseres zou toen tevens om de naleving van deze afspraken te verzekeren bepaalde aanpassingen in haar computerprogramma's hebben doorgevoerd.

Nu de verkopen aan horeca-afnemers anno 2000 70% van de totale omzet zouden hebben bedragen, aldus eiseres, was de kans op faling reëel bij het in de praktijk brengen van deze afspraken. Dit zou eiseres ertoe geïnspireerd hebben voluit de kaart van de "retail" te trekken. Als gevolg van deze inspanningen, waar volgens eiseres grote kosten mee gepaard gingen, zou men erin geslaagd zijn de verliezen te beperken tot "slechts" 9 à 10 %. Eiseres zou evident ook haar assortiment op deze koerswijziging hebben afgestemd, in die zin dat bepaalde grote verpakkingen, die onmogelijk voor een modaal gezin van nut kunnen zijn, geleidelijk uit het aanbod zijn verdwenen.

Bij het uitvoeren van een nieuwe controle door de diensten van de BBI te Gent zou men uit het ontbreken van heel wat producten van de eerder opgestelde lijst hebben afgeleid dat eiseres de gemaakte afspraken trachtte te omzeilen.

Vervolgens werd overgegaan tot nazicht van de boekhouding en de computerbestanden houdende de verkopen. Deze controle zou tal van onregelmatigheden aan het licht hebben gebracht, hoofdzakelijk bestaande uit het uitreiken van fictieve facturen.

Van deze vaststellingen betreffende de periode van 2004-2006 werd per 3 december 2007 een proces-verbaal opgesteld. waarin een geldboete werd opgelegd overeenkomstig artikel 70, § 2 W.BTW. Deze boete werd bepaald op … EUR.

Op 19 december 2007 werd een dwangbevel, steunend op dit proces-verbaal, aan eiseres betekend.

In een schrijven van 15 maart 2008 deelde eiseres vervolgens mee dat zij wilde meewerken aan een regeling, met het oog op een substantiële vermindering van de boete en meer rechtszekerheid voor de toekomst. Daarop werden de onderhandelingen met het oog op een zogenaamde "ruling" opgestart, doch deze zouden tot op heden nog niet tot een formele beslissing hebben geleid.

Bij verzoek van 11 mei 2009 drong eiseres er vervolgens op aan de opgelegde boete van 200 % te verminderen tot 50 %.

In het kader van een navolgende beslissing van 2 juni 2009 werd de geldboete vervolgens verminderd tot 100 %.

Op 16 juli 2009 heeft eiseres vervolgens huidig inleidend verzoekschrift ingediend waarbij het geschil aan de rechtbank werd voorgelegd.

## 4. BEOORDELING

*4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiseres ontvankelijk.

*4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak*

4.2.1. Eiseres vestigt vooreerst de aandacht over de bevoegdheid van de rechtbank om met volle rechtsmacht te oordelen nopens de omvang van de opgelegde boete.

De rechtbank zou, rekening houdend met alle concrete omstandigheden waaronder de aard en ernst van de inbreuk, kunnen besluiten tot een vermindering van de boete.

In dit geval zou een boete van 100 % het evenredigheidsbeginsel schenden, aldus eiseres. Eiseres haalt daarbij in het bijzonder aan dat :

\- zijzelf niets heeft ontdoken;

\- zij niet eens met opzet handelde, zoals tevens mag worden afgeleid uit de beslissing van het parket te Gent om het de door verweerder opgestarte strafdossier te seponeren;

\- noch eiseres, noch haar bestuurders enig voordeel hebben genoten;

\- eiseres er alles aan doet om dergelijke problemen in de toekomst te vermijden, hoewel de praktische en financiële draagwijdte hiervan aanzienlijk is;

\- de in het licht van deze problematiek gewijzigde bedrijfsstrategie al belangrijke investeringen heeft gevergd;

\- de huidige boete meer dan het dubbele van de vorige boete bedraagt;

\- ook eiseres de gevolgen van de economische crisis voelt.

Wat het bestaan van fictieve facturen betreft, benadrukt eiseres nog dat zij onmogelijk voor elke transactie kan achterhalen wie haar werkelijke afnemer is. De kassiersters zouden immers niet beschikken over de politionele bevoegdheid om de identiteit van de klant te controleren.

Eiseres ontkent met klem dat zij te kwader trouw zou hebben gehandeld. Indien eiseres werkelijk haar afnemers zou willen helpen om te frauderen, zou het volgens haar een veel makkelijkere piste zijn om gewoon geen factuur uit te reiken. Een factuur op een fictieve naam zou voor de fiscus immers makkelijker te traceren zijn.

Gezien de terugval in de omzet ontkent eiseres tot slot tevens dat zij er commercieel beter van geworden zou zijn.

4.2.2. Verweerder stelt vooreerst niet te betwisten dat de rechtbank over de mogelijkheid beschikt om na te gaan of de opgelegde boete evenredig is met de vastgestelde overtredingen en deze desgevallend te verminderen.

Verweerder betwist in dit geval evenwel het bestaan van een onevenredigheid, erop wijzende dat, in weerwil van de eerder gemaakte afspraken, het systeem van bevoorrading van horecabedrijven zonder factuur, gewoon werd verder gezet.

In eerste instantie zou verweerder 416 klanten hebben aangeschreven die geen BTW-nummer hadden, een aankoopcijfer van meer dan … EUR hadden gerealiseerd in 2004 en gevestigd waren in Vlaanderen. Liefst 84 % van de opgemaakte facturen voor deze klanten bleek onregelmatig, aldus verweerder.

Nadat de controle vervolgens werd uitgebreid tot klanten met een aankoopcijfer van minder dan … EUR, zou nog steeds een percentage van 78 % van de facturen onjuist zijn gebleken.

De inbreuken zouden dus dermate ernstig en grootschalig zijn dat de boete zonder meer verantwoord is.

Verder zouden de controlediensten ook melding hebben gemaakt van onregelmatige facturen uitgereikt aan BTW-belastingplichtigen.

Eiseres zou het op die manier mogelijk hebben gemaakt dat beroepsafnemers op grote schaal BTW ontduiken.

Wat de seponering van het strafdossier betreft, merkt verweerder op dat het proces-verbaal toen reeds meer dan een jaar een feit was. In elk geval zou deze beslissing een loutere appreciatie van het Openbaar Ministerie betreffen.

Verweerder zet tevens in de verf dat de onregelmatigheden in bepaalde gevallen wel zeer flagrant zijn, zoals blijkt uit de facturen met melding van een onvolledige of "merkwaardige" naam (cf. POLPOT).

Door dit alles zou eiseres zelf een oneerlijk concurrentievoordeel hebben genoten. Dat de cijfers voor eiseres al bij al meevielen, bewijst volgens verweerder alleen maar dat de beroepsafnemers zijn blijven komen.

Het feit dat eiseres meewerkt, neemt volgens verweerder niet weg dat hij twee maal moest tussenkomen om eiseres tot de orde te roepen.

Wat de economische crisis betreft, benadrukt verweerder tot slot dat dit geen factor is waar rekening mee gehouden moet worden.

4.2.3. De rechtbank stelt vooreerst vast dat eiseres zonder meer erkent dat de materiële vaststellingen van het proces-verbaal van 3 december 2007 juist zijn. Waar hierin wordt gewezen op de onregelmatigheden waarmee de gecontroleerde facturen aangetast zijn, stelt eiseres deze vaststellingen niet te betwisten.

Evenmin betwist eiseres dat deze vaststellingen het opleggen van een boete met toepassing van artikel 70, 2 W.BTW in feite en in rechte verantwoorden. Het bezwaar van eiseres wordt uitdrukkelijk beperkt tot de omvang van de boete.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat partijen het er tevens over eens zijn dat de opgelegde boete in dit concreet geval een strafrechtelijk karakter heeft en de rechtbank over de mogelijkheid beschikt om na te gaan of deze niet onevenredig is met de vastgestelde inbreuk, om de boete dienvolgens te verminderen.

4.2.4. Verweerder beaamt terecht dat de geldboeten van artikel 70, W.BTW een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM. (zie ook Arbitragehof 24.2.1999, R.W. 1998-99, p.1346; Cass. 5.2.1999, T.F.R. 1999, p. 375 en 381; Arbitragehof 12.6.2002, B.S 17.8.2002).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie dus onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de begane inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete van dergelijke omvang. Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij tevens in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen. De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstellingen, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft.

Zoals eiseres terecht onderstreept, botst zij bij de verkoop van haar producten en in het bijzonder bij het beoordelen van de hoedanigheid van de klanten onvermijdelijk op bepaalde grenzen. Aan deze obstakels hebben de afspraken die partijen eerder in 2002 hadden gemaakt niets kunnen verhelpen. Eiseres beschikt niet over de bevoegdheid om bij het afrekenen aan de kassa de identiteit van de klant te verifiëren. Dit is door de jaren heen steeds het geval geweest, wat door verweerder overigens niet wordt betwist.

Er zijn uiteraard bepaalde maatregelen denkbaar die toelaten een verkoop voor beroepsdoeleinden te "detecteren". De in 2002 gemaakte afspraken vormen hiervan alvast een perfecte illustratie. Ook een herziening van de bedrijfsstrategie, waarbij men zich in hoofdzaak op de gezinnen focust, kan daarbij een zeker nut hebben.

Geen van deze systemen is naar het oordeel van de rechtbank evenwel waterdicht.

Rekening houdend met de winsten die het ontduiken van BTW opleveren, ligt het voor de hand dat malafide beroepsafnemers zich zullen blijven inspannen om goederen zonder factuur te verkrijgen, daarbij continue de zwakheden van het systeem aftastend in de hoop een uitweg te vinden.

Eiseres toont met de voorgelegde stukken aan dat zij reeds behoorlijk wat inspanningen heeft geleverd om de afspraken met de BBI te Brugge door haar personeel te doen naleven. Eiseres ging zelfs zover dat zij haar bedrijfsstrategie nagenoeg volledig heeft omgegooid, met alle kosten van dien. De interne communicatie van eiseres illustreert echter dat zij nog een stap verder is gegaan en een aantal concrete richtlijnen heeft uiteengezet om voortaan tot een correcte facturatie te komen. Eiseres kondigde tevens aan dat wie zich niet aan de nieuwe regels hield een sanctie kon verwachten.

In die zin kan niet worden betwist dat eiseres blijk geeft van de nodige wil om frauduleuze transacties uit de wereld te helpen, wat verweerder ook niet betwist. De vastberadenheid van eiseres om problemen in dit verband voorgoed uit de wereld te helpen, wordt verder benadrukt door de onderhandelingen met het oog op een individuele "ruling".

Het feit dat desondanks transacties door de mazen van het net zijn geglipt, kan volgens de rechtbank hoogstens wijzen op een zekere onzorgvuldigheid of slordigheid, doch zonder dat hieruit met zekerheid een kwaadwillige intentie of zelfs een opzettelijk handelen kan worden afgeleid. Bij nazicht van het proces­verbaal komt het de rechtbank bovendien voor dat minstens een deel van de vermelde facturen pas kon worden "ontmaskerd" na concreet onderzoek naar de identiteit van de klant, een middel waarover eiseres in tegenstelling tot de administratie echter niet beschikt. Hierbij mag volgens de rechtbank verder niet worden voorbijgegaan aan het feit dat eiseres over een groot aantal vestigingen beschikt en voor het naleven van de voorgeschreven instructies in wezen afhangt van de personeelsleden die met de uitvoering ervan worden belast.

Het wordt niet aangetoond dat eiseres inbreuken zou hebben aangemoedigd of oogluikend toegestaan.

Daarbij merkt eiseres nog terecht op dat, indien zij werkelijk de afspraken met de BBI te Brugge wou omzeilen, daartoe veel betere, minder eenvoudig op te sporen tactieken voorhanden zijn.

Tot slot moet naar het oordeel van de rechtbank tevens rekening worden gehouden met de aanzienlijk boete die eiseres reeds in 2002 opgelegd kreeg.

Alle concrete omstandigheden in acht genomen, daarin begrepen de goede wil van eiseres en de volgehouden inspanning om beroepsafnemers correct te identificeren, is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres voorgestelde boete van 50 % volstaat om betrokkene tot het inzicht te brengen dat zij haar inspanningen verder dient op te voeren en voortaan een nog grotere waakzaamheid aan de dag dient te leggen. Eiseres blijkt hiervan overigens op heden reeds werk te hebben gemaakt via een systeem van klantenkaarten, dat kadert in de onderhandelingen die op heden nog lopen.

De vordering wordt derhalve ingewilligd.

*Voor wat betreft de kosten van het geding*

4.2.5. Verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden onderdeel van de boete, in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg … EUR, zoals gevorderd door eiseres.

Verweerder pleit voor het herleiden van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimumbedrag van … EUR gelet op de geringe complexiteit van de zaak.

Gelet op de punten waaromtrent partijen eensgezind waren, werd het geschil herleid tot de vraag of de opgelegde boete al dan niet evenredig is met de begane inbreuk. In die zin moet verweerder worden bijgetreden in zijn opmerking dat de zaak weinig complex is.

*Voor wat betreft de uitvoering bij voorraad*

4.2.6. Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004 nr. 2002/AR/2691 inzake NV **D.**.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt voor recht dat de aan eiseres bij toepassing van artikel 70, § 2 W.BTW opgelegde boete op grond van de vaststellingen bij proces-verbaal van 3 december 2007 moet worden herleid tot 50 % of … EUR.

Veroordeelt verweerder dienvolgens tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire interesten.

Veroordeelt verweerder tevens tot de kosten van het geding. Begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van eiseres: de rechtsplegingsvergoeding : … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **veertien februari tweeduizend en elf**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. D. C.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L. A. D. C.**
