---
title: "4 mars 2009 · Disposition pénale, amende administrative · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 4 mars 2009."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-tribunal-bruxelles-2009-03-04-5fe1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

4 mars 2009

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

132 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 04.03.2009

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36****ste** **Kamer**

**AR 2005/11498/A**

\- *Fiscale zaken : Inkomstenbelastingen - natuurlijke personen*

\- *Fiscale zaken : BTW*

\- *op tegenspraak/geacht op tegenspraak art. 747, § 2 Ger. W.*

\- *eindvonnis*

De heer **D. K.** en Mevrouw **P. V.**, samenwonende te …, …,

**eisende partijen,**

niet vertegenwoordigd, noch verschijnend ter zitting,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector Directe Belastingen, in persoon van de gewestelijke directeur van het controlecentrum Vilvoorde, wier kantoren gelegen zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51, alsook Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, wier kantoren gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **A. H.** loco Mr. **Ph. D.**, advocaat te …, …

**In deze zaak, in beraad genomen op 18/02/2009, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :**

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 05/10/2005;

• de beschikking op grond van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 18/01/2008;

• de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 07/06/2007 (inzake de directe belastingen) en 10/10/2006 (inzake BTW);

• de stukken van verweerder neergelegd ter zitting op 18/12/2008 en op 18/02/2009.

Nadat de raadsman van verweerder werd gehoord ter zitting van 18/12/2008 (waarna de zaak in voortzetting werd gesteld op de zitting van 18/02/2009 voor neerlegging van bijkomende stukken) en 18/02/2009, werd de zaak op 18/02/2009 in beraad genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. PROCEDURE

**1.** Eisers waren niet aanwezig ter zitting van deze rechtbank op 18/12/2008, noch werden zij vertegenwoordigd, hoewel zij rechtsgeldig werden opgeroepen. De raadsman van eisers nam op deze zitting zijn voordelen.

De beschikking op grond van artikel 747, § 2 van het gerechtelijke wetboek werd toegestuurd aan eisers, evenals aan hun raadsman (waarvan de rechtbank geen bericht mocht ontvangen dat deze niet meer voor eisers zou optreden). Zowel het verzoek op grond van artikel 747, § 2 Ger. W. als de uiteindelijke beschikking van 18/01/2008 werden toegestuurd aan eisers op het adres “…, …”, maar deze zendingen kwamen terug met de vermelding “verhuisd”.

Doordat de betreffende gerechtsbrieven verzonden werden naar het laatste gekende adres van eisers, zoals dit blijkt uit het dossier, gebeurde de kennisgeving van de beschikking op grond van artikeI147, § 2 Ger. W. rechtsgeldig. Indien een partij immers in de loop van het geding van woonplaats verandert, is het aan deze partij om hiervan de griffie en de tegenpartij op de hoogte te brengen. De kennisgevingen aan de laatste gekende woonplaats zoals deze blijken uit het dossier van rechtspleging zijn geldig (vgl. Cass. 03/06/1988, Arr. Cass. 1987-88, 1282; Cass. 23.10.1992, Arr. Cass. 1991-92, 1238; Cass. 09/06/2000, Arr. Cass. 2000, 1073; Brussel 09/11/2001, J.T. 2002,737).

Huidig vonnis wordt dan ook geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van eisers en dit op grond van artikel 747, § 2 Ger. W.

**2.** In de besluiten neergelegd ter griffie op 10/10/2006 (betreffende de BTW) verwijst verweerder naar een procedure dewelke hangende zou zijn voor deze rechtbank onder het rolnummer 04/152341/A. Deze zou betrekking hebben op de directe belastingen. In de besluiten van verweerder neergelegd ter griffie op 07/06/2007 wordt hiervan geen melding gemaakt.

Hoe dan ook wordt de samenvoeging niet gevraagd.

## 2. FEITEN

**3.** Een eerste onderdeel van huidige procedure heeft betrekking op de volgende aanslagen in de personenbelastingen, die met betrekking tot de aanslagjaren 1998, 1999, 2000 en 2001, in naam van eisers, voor de gemeente Asse, werden gevestigd :

| AJ | Artikel | Datum uitvoerbaarverklaring | Datum verzending aanslagbiljet | bedrag |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 1998 | 070271 | 21/12/2000 | 28/12/2000 | € 0 |
| 1999 | 170192 | 20/12/2001 | 28/12/2001 | € 6.909,36 |
| 2000 | 727612001 | 15/10/2002 | 18/10/2002 | € 7.447,02 |
| 2001 | 727328223 | 20/09/2002 | 25/09/2002 | € 9.268,55 |

Telkens dienden eisers een tijdige aangifte in, doch werden op grond van artikel 346 WIB '92 de aangiften gewijzigd.

Eisers dienden met betrekking tot de aanslagen voor de aanslagjaren 1998 en 1999 tijdig een bezwaar in bij aangetekend schrijven van 21/06/2001 en 25/02/2002.

Deze bezwaren werd bij beslissing van de gewestelijke directeur te Leuven van 05/07/2005 (verzonden per aangetekende brief van diezelfde dag) ontvankelijk, en deels gegrond verklaard. Voor wat betreft het aanslagjaar 1999 werd eisers een ontheffing verleend voor een bedrag van 3.350,85 euro. Deze bezwaren werden voor het overige afgewezen.

Eisers dienden met betrekking tot de aanslagen voor de aanslagjaren 2000 en 2001 tijdig een bezwaar in bij aangetekend schrijven van 11/12/2002.

Dit bezwaar werd bij beslissing van de gewestelijke directeur van het controlecentrum te Vilvoorde van 21/09/2005 (verzonden per aangetekende brief van diezelfde dag) ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.

Hiertegen stelden eisers tijdig een fiscaal verhaal in bij verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger. W., neergelegd op 05/10/2005.

**4.** Het onderdeel van de betwisting betreft het volgende. Op 13/11/2001 werd door de heer **W. L.**, eerstaanwezend verificateur, een proces-verbaal opgesteld ten gevolge van een BTW-controle dewelke door hem op 06/03/2000 en 18/09/2000 werd uitgevoerd. Het voorwerp van deze controle was de periode 01/01/1997 tot en met 31/12/1997 (ingevolge de omzetverhoging uitgevoerd door de administratie der directe belastingen) en de periode van 01/01/1998 tot en met 31/12/2000 (grondige controle van de gehele BTW).

Op basis van de zeer omvangrijke vaststellingen (het desbetreffende proces-verbaal telt niet minder dan 34 bladzijden) werden de volgende BTW-schulden nog vastgesteld in hoofde van eerste eiser :

\- als BTW : 17.469,85 euro;

\- als proportionele boete, art. 70, § 1 W.BTW :2.875,56 euro;

\- als niet proportionele boete, art. 70, § 4 W.BTW : 495,79 euro en 24,79 euro;

\- intresten vanaf 21/0 1/2001.

Ingevolge niet betaling van de vernoemde BTW-schuld, werd op 20/11/2001 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel, uitvoerbaar verklaard op 22/11/2001 en aan eerste eiser betekend bij deurwaardersexploot op 11/12/2001, voor de volgende BTW-schuld :

\- als BTW : 17.469,85 euro;

\- als proportionele boete, art. 70, § 1 W.BTW : 2.875,56 euro;

\- als niet proportionele boete, art. 70, § 4 W.BTW : 495,79 euro en 24,79 euro;

\- intresten vanaf 21/01/2001.

Bij verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger.W., neergelegd op 05/10/2005, betwisten eisers ook deze vordering.

## 3. VORDERING

**5.** De vordering van eisers wordt niet nader omschreven, maar uit de beperkte motivering van het verzoekschrift kan opgemaakt worden dat de hoger aangehaalde aanslagen in de personenbelastingen, alsmede het voornoemde dwangbevel, betwist worden.

Verweerder besluit wat betreft de vordering inzake de personenbelastingen tot de onontvankelijkheid van de vordering, minstens de ongegrondheid ervan. Inzake de BTW-betwisting besluit verweerder tot de ongegrondheid van de vordering van eisers.

## 4. ONTVANKELIJKHEID

**6.**

**6.1.** Verweerder werpt inzake de betwisting aangaande de personenbelastingen de volgende middelen van niet ontvankelijkheid op :

\- het verzoekschrift is niet afdoende gemotiveerd;

\- de betwiste aanslagen worden niet vermeld, noch expressis verbis aangevochten;

\- in de middelen wordt enkel verwezen naar de bezwaarprocedure;

\- in zoverre wordt verwezen naar een opgelegde boete is het middel niet ontvankelijk nu deze boete werd ingekohierd onder nummer … en hiertegen geen bezwaar werd ingediend.

Hoewel zeer beknopt, halen eisers motieven aan. Het verzoekschrift voldoet derhalve aan de vereiste motivering zoals voorzien in artikel 1034ter Ger. W.

Bovendien betreft deze eventuele gebrekkige motivering de nietigheid van het verzoekschrift. Er kan slechts sprake zijn van nietigheid van een proceshandeling, indien hierdoor belangenschade ontstaat voor de tegenpartij (art. 861 Ger. W.). Verweerder roept geen belangenschade in, noch bewijst hij belangenschade, zodat er hoe dan ook geen sprake kan zijn van een nietigheid van het verzoekschrift.

Dat de betwiste aanslagen niet expliciet worden vermeld, is geen grond tot onontvankelijkheid van de vordering van eisers. Het voorwerp van de vordering blijkt immers afdoende uit de motivering alsmede de bijgevoegde directorale beslissingen. Nergens wordt de verplichting opgelegd de vordering in te stellen in deze of gene bewoordingen.

Hoewel beknopt, worden door eisers middelen ingeroepen. Dat de rechtbank enkel rekening kan houden met de middelen die worden ingeroepen in huidige procedure en niet kan verder gaan op de middelen die door eisers werden ingeroepen in de bezwaarprocedure, raakt niet de ontvankelijkheid doch de grond van de zaak.

De betwisting van eisers met betrekking tot de opgelegde boete in de personenbelastingen (wegens het niet correct houden van de boeken) is op grond van de door verweerder ingeroepen redenen niet ontvankelijk. Deze boete vloeit niet voort uit de thans aangevochten aanslagen en eisers bewijzen niet dat zij hiertegen tijdig een bezwaar instelden.

**6.2.** Verweerders roepen voor het overige geen middelen van niet~ ontvankelijkheid van de vorderingen van eisers in. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen. Deze zijn voor het overige ontvankelijk.

## 5. BESPREKING TEN GRONDE

### 5.1. Aangaande de personenbelastingen

**7.** Aangaande de aangevochten aanslagen in de personenbelastingen roepen eisers de volgende middelen in :

> *"De bevoegde controledienst maakt een theoretische afrekening van inkomsten en uitgaven om de jaaromzet te bepalen.*
>
> *Echter houdt zij geen rekening met alle naar voor gebrachte bewijzen van inkomsten buiten het beroep tijdens de administratieve bezwaarprocedure noch houdt zij rekening met nog eventuele fouten die niets met beroepsontvangsten te maken hebben.*
>
> *Verder worden er de ingebrachte beroepskosten van de wagen verworpen en boeten opgelegd voor het niet houden van een boekhouding conform de wetgeving."*

Zoals door verweerder opgemerkt, dient de rechtbank slechts rekening te houden met de middelen die eisers thans in huidige procedure opwerpen. Sinds de hervorming van de fiscale procedure in 1999, is de procedure voor de fiscale rechtbanken immers los te beschouwen van de bezwaarprocedure en is deze niet te beschouwen als een beroep (sensu stricto) tegen de directorale beslissingen. Eisers dienen de middelen die zij wensen voor te dragen in te roepen en duidelijk te omschrijven.

**8.** Het middel dat *"\[d\]e bevoegde controledienst \[...\] een theoretische afrekening \[maakt\] van inkomsten en uitgaven om de jaaromzet te bepalen"*, is op zich geen middel tegen de aanslag of de berekeningswijze. Geen specifieke onregelmatigheden worden aangehaald.

Vervolgens, *"\[e\]chter houdt zij geen rekening met alle naar voor gebrachte bewijzen van inkomsten buiten het beroep tijdens de administratieve bezwaarprocedure noch houdt zij rekening met nog eventuele fouten die niets met beroepsontvangsten te maken hebben."* Eisers verduidelijken niet om welke inkomsten buiten het beroep of eventuele fouten het zou gaan, noch de mate waarop deze invloed hebben op de aanslagen of op welke aanslagen (ter betwisting staan immers 4 aanslagjaren). Dit middel kan niet aangenomen worden.

Wat betreft de vermeende verworpen 'beroepskosten van de wagen' merkt verweerder terecht op dat in geen enkele van de berichten van wijziging sprake is van wijziging van de beroepskosten voor een wagen. Dit middel is niet gegrond.

### 5.2. Aangaande de BTW

**9.** Wat betreft het aangevochten dwangbevel inzake BTW halen eisers aan :

> *"Alhoewel hier nog geen definitieve beslissing is getroffen omdat er nog geen uitspraak was van de belastingen, is het nodig dit bezwaar tesamen te behandelen omdat op de omzet verhoging BTW is verschuldigd en er boeten werden opgelegd.*
>
> *Ten tweede werd het aangeven BTW-percentage van 6 % van meeneemschotels niet aanvaard en werd het gewone BTW-percentage van 21 % aangerekend."*

Ook op dit punt is de rechtbank beperkt tot de opgeworpen middelen.

**10.** De vaststelling dat *"hier nog geen definitieve beslissing is getroffen omdat er nog geen uitspraak was van de belastingen, is het nodig dit bezwaar tesamen te behandelen omdat op de omzet verhoging BTW is verschuldigd en er boeten werden opgelegd”*, is geen middel doch een feitelijke vaststelling. Bovendien was er omtrent de BTW wel al een definitieve beslissing, met name ingevolge het dwangbevel.

Wat betreft de berekening van de omzetverhoging en de boeten worden er ook hier geen middelen uitgewerkt, zodat de vordering niet gegrond is.

Vervolgens laat eerste eiser gelden *"\[t\]en tweede werd het aangeven BTW-percentage van 6 % van meeneemschotels niet aanvaard en werd het gewone BTW-percentage van 21 % aangerekend"*.

Het proces-verbaal van 13/11/2001 stelt op dit punt vast dat eerste eiser meermaals werd verzocht de nodige stukken over te maken die bewijzen dat er wel degelijk door eerste eiser een BTW-tarief van 6 % werd aangerekend en dat er sprake was van meeneemschotels. Desondanks leverden noch eerste eiser, noch zijn boekhouder enig document om de toepassing van het 6 % tarief te verantwoorden. Dergelijke vaststelling is gedekt door de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal (art. 59, § 1 W.BTW). Eerste eiser levert het tegenbewijs van deze vaststelling niet, noch legt hij thans de door de administratie gevraagde bewijsstukken voor. Ook dit onderdeel van de vordering van eisers is niet gegrond.

11\. Tot slot halen eisers in het algemeen aan :

> *"Gelet op de manier dat wij behandeld werden tijdens de controle alsmede wij geen gehoor kregen bij onze grieven, willen wij zo veel mogelijk middelen aanwenden (7"eedsgebruikte en nieuwe) om ons gelijk te halen. Immers het betreft ons levenswerk die hier ter discussie staat alsmede onze toekomst."*

Nergens blijkt dat eisers niet correct zouden zijn behandeld. Het feit dat hun middelen door de administratie terecht ongegrond werden bevonden, maakt niet·dat eisers niet correct zouden bejegend zijn. Ook hieruit kunnen geen middelen geput worden.

## 6. DE KOSTEN

**12.** Nu de vordering niet gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van eisers gelegd.

Verweerder vordert geen specifiek bedrag van de rechtsplegingsvergoeding (de besluiten dateren van voor de wetswijziging dienaangaande), zodat kan aangenomen worden dat het basisbedrag wordt gevorderd. Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 2.500,00 euro (de gezamenlijke waarde van de aangevochten aanslagen en BTW situeert zich tussen 40.000,01 en 60.000,00 euro).

Eisers werden vertegenwoordigd op de inleidende zitting en huidige uitspraak wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen, zodat er geen reden is om toepassing te maken van artikel 6 KB 26/10/2007 en het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend op tegenspraak ten aanzien van verweerder en geacht op tegenspraak te zijn gewezen op grond van artikel 747, § 2 Ger.W. ten aanzien van eisers,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisers in zoverre hiermee een in de directe belastingen opgelegde administratieve boete wegens het niet correct houden van de boeken wordt aangevochten, niet ontvankelijk.

Verklaart de vordering van eisers voor het overige ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 2.500,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **36****ste** **kamer** van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **4 maart 2009**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **J. V. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **J. V. B.**
