---
title: "2 janvier 2004 · Disposition pénale, amende administrative · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 2 janvier 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-tribunal-bruxelles-2004-01-02-eff1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

2 janvier 2004

## Parcours procédural

2 étapes · 6 ans 3 mois

1. Décision affichée Tribunal de première instance de Bruxelles 02.01.2004
2. [Décision sur appel Cour d'appel de Bruxelles 22.04.2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-penale-cour-appel-bruxelles-2010-04-22-e034)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

125 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 02.01.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33****ste** **Kamer**

**A.R. : 02/6855/A**

In zake van :

**De heer M. W. M.**, wonende te …, …, ingeschreven m het handelsregister te Brussel onder het nr. … en geïdentificeerd door de Administratie der BTW, Registratie en Domeinen onder het nummer BE …

**Eisende partij**

Vertegenwoordigd door Mter **M.** loco Mter **L. D. B.**, advocaat te …, …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Heer Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat, 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat, 51/57

**Verwerende partij**

Vertegenwoordigd door Mter **B.** loco Mter **J. H.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 5 december 2003, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet van **L. D. C.**, gerechtsdeurwaarder te Brussel, betekend op 28 mei 2002, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 30 juli 2002 en op 23 juli 2003;

\- de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 16 juni 2003.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 5 december 2003, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

De heer **M. W. M.**, huidig eiser, baat sinds jaren samen met zijn echtgenote het Chinees restaurant … te … uit.

Hij heeft daarvoor de hoedanigheid van BTW-plichtige en werd als dusdanig geregistreerd onder het BTW-registratienummer BE ….

Op 1 september 2000 werden door de heer **D. M.**, eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de A.O.I.F., verbonden aan de inspectie Antwerpen van de nationale en internationale opsporingsdienst, twee processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van door hem verrichte vaststellingen bij de NV **M.**.

Door de heer **D. M.** werd vastgesteld dat de heer **M. W. M.** als houder van een klantenkaart bij de NV **M.** voorkwam op twee klantenkaarten, nl. een kaart met klantnummer … die op zijn persoonlijke naam stond en een kaart met klantnummer … op naam van **P. K. H. K.**. Voor beide kaarten was de heer **M. W. M.** eerste kaarthouder, en zijn echtgenote tweede kaarthouder.

Uit deze processen-verbaal is volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, gebleken dat vanaf 1 januari 1997 tot 31 december 1998 door de : NV **M.** 15 facturen werden uitgereikt aan de heer **M. W. M.** en 91 facturen aan **P. K. H. K.**.

Op 19 juni 2001 werd een controle inzake de toepassing van de BTW­wetgeving verricht bij de heer **M. W. M.** door de heer **O.**, eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan de BTW-controle van Vilvoorde.

Volgens de Belgische Staat is uit het nazicht van de facturen door de heer **O.** gebleken dat de aangekochte goederen op naam van **P. K. H. K.** en op naam van de heer **M. W. M.** gelijkaardig zijn en behoren tot het soort goederen die de heer **M. W. M.** gebruikt voor het bereiden van eetmalen in zijn restaurant. Verder bleek dat de op naam van **P. K. H. K.** gefactureerde goederen niet werden opgenomen in de aankoopadministratie van de heer **M. W. M.**.

De heer **O.** heeft dan, op grond van het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW, een berekening gemaakt van de niet-aangegeven omzet. Op de niet-geboekte globale factuurbedragen werd de brutowinst, die bleek uit de door de heer **M. W. M.** zelf aangegeven cijfers in zijn aangiften inzake BTW en personenbelasting (P.B.) toegepast en werd de aldus niet met BTW belaste omzet berekend.

Op 19 juli 2001 duidden de heer **M. W. M.** en zijn echtgenote drie bestemmingen aan voor de kwestieuze goederen, nl. de VZW **V. v. C. Z.**, andere vergaderingen voor andere verenigingen en het privé-gebruik van het gezin **M. W. M.**.

Op 13 december 2001 ging de heer **O.** over tot het opstellen van een proces-verbaal waaruit blijkt dat de heer **M. W. M.** verschuldigd is :

\- als BTW : de som van … euro (… BEF);

\- als wettelijke geldboete bij toepassing van art. 70, § 1 W.BTW : de som van … euro (… BEF) en

\- de wettelijke interesten op grond van art. 91, § 1 W.BTW aan 0,80 % per maand te berekenen over het bedrag van … euro (… BEF) vanaf 21 januari 1999.

Op 18 december 2001 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op dezelfde dag werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 19 december 2001 werd het dwangbevel ter kennis gebracht van de heer **M. W. M.**.

Op 28 mei 2002 ging de heer **M. W. M.** over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser vraagt zijn vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- het dwangbevel ongegrond te verklaren en te horen zeggen voor recht dat het bedrag erin vermeld ten titel van rechten, boeten, kosten en interesten niet verschuldigd is;

\- desgevallend verweerder de terugbetaling te bevelen van reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen gesteld op

\- de som van … Euro (… BEF) als BTW, en

\- de som van … euro (… BEF) als wettelijke geldboeten, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsinteresten overeenkomstig art. 91 W.BTW;

\- - *in ondergeschikte orde*- de vordering ontvankelijk te verklaren en te zeggen voor recht dat de opgelegde belastingverhoging niet kan worden opgelegd, minstens dat ze dient te worden verminderd;

\- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder waagt het verzet van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en eiser in zijn eis af te wijzen.

B. BEOORDELING

### 1) Wat de vordering van eiser in hoofdorde betreft

#### a) wat de beweerde nietigheid van het dwangbevel en het proces-verbaal betreft

1\. a. 1. Eiser doet opmerken dat, omwille van het feit dat het dwangbevel inzake BTW de enige titel van de belastingschuld jegens de Belgische Staat uitmaakt, dit dwangbevel slechts rechtsgeldig kan worden beschouwd wanneer in het dwangbevel :

\- de belastingschuldenaar nauwkeurig wordt bepaald,

\- de som, tot betaling van dewelke het dwangbevel wordt uitgevaardigd, wordt vermeld en

\- het voorwerp en de grondslag van de vordering worden vermeld.

Deze laatste voorwaarde impliceert dat het voor de inhoudelijke rechtsgeldigheid van een dwangbevel noodzakelijk is dat dit dwangbevel wordt gemotiveerd.

Eiser meent dat in casu het dwangbevel van 18 december 2001 en het bijgevoegde proces-verbaal van 13 december 2001 geenszins toelaten vast te stellen op grond van welke concrete materiële en juridische grondslagen verweerder van oordeel is geweest tot invordering te moeten overgaan.

Eiser meent dat verweerder er niet in slaagt aan te tonen dat de voorwaarden voer de toepassing van art. 64, § 1 W.BTW aanwezig zijn, zodat onmogelijk van een rechtsgeldig ingestelde vordering kan worden gesproken. Aldus wordt eiser, naar eigen zeggen, in de onmogelijkheid gesteld tot verificatie over te gaan.

Bovendien dient volgens eiser de bewijskracht van het proces-verbaal sterk te worden gerelativeerd. Zo is dit onderliggend proces-verbaal van de heer **O.** van 13 december 2001, naar het oordeel van eiser, niet gesteund op vaststaande gegevens, maar alleen op vermoedens.

De specifieke vaststellingen waarvan de heer **O.** in zijn proces-verbaal melding maakt, zijn geen persoonlijke materiële vaststellingen van de heer **O.**. Het proces-verbaal van de heer **O.** is immers volledig gesteund op vaststellingen, die de heer **D. M.** in zijn proces-verbaal heeft opgenomen. De gevolgtrekkingen die de heer **O.** aan deze vaststellingen koppelt, kunnen volgens eiser nooit dezelfde wettelijke bewijswaarde hebben als die welke verbonden is aan materiële feitelijke vaststellingen zelf. Het gaat daarentegen om pure speculaties die de heer **O.** zelf heeft gemaakt.

Ten slotte is het volgens eiser noodzakelijk dat het dwangbevel als titel zelf naar behoren in rechte en in feite gemotiveerd is, hetgeen volgens hem niet het geval is.

Voor zover als nodig, wijst eiser nog op het feit dat het dwangbevel eveneens strijdig is met de bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, volgens dewelke alle bestuurshandelingen van de besturen juridisch en feitelijk moeten worden gemotiveerd, en dit op afdoende wijze.

1\. a. 2. Zoals verweerder terecht voorhoudt, is het dwangbevel aan geen enkele sacramentele vorm onderworpen. Het is regelmatig wanneer het door zijn inhoud of door het proces-verbaal, waarnaar het verwijst, het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingschuldige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.

De motiveringsplicht heeft tot doel de belastingschuldige duidelijk te maken op welke gronden de vordering van verweerder steunt (in casu dat ten gevolge van aan hem geleverde, maar aan **P. K. H. K.** gefactureerde goederen in zijnen hoofde een bedrag aan bijkomende BTW verschuldigd is), teneinde hem toe te laten ab initio te oordelen over zijn verweer met de middelen hem rechtens verschaft.

De rechtbank is van oordeel dat in casu de vaststellingen, op grond waarvan het proces-verbaal en het dwangbevel werden gemotiveerd, voldoende zijn en zij eiser in de gelegenheid stelden zijn verweer te voeren en het gevraagde tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW te leveren.

Derhalve meent de rechtbank dat eiser in staat was zijn verzet op gemotiveerde wijze in te stellen op grond van de motivering van het dwangbevel en de bijhorende stukken, zodat hij zich ten onrechte beroept op een nietigheid op grond van een motiveringsgebrek.

##### b) Wat de beweerde ongegrondheid van de vordering bij gebreke aan bewijs betreft

1\. b. 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat het dwangbevel rechtsgeldig is naar de vorm, dan nog meent eiser dat dient te worden vastgesteld dat de navordering van BTW ongegrond is wegens gebrek aan deugdelijke bewijselementen.

Uit de besluiten van verweerder leidt eiser af dat de administratie zich louter en alleen op het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1·W.BTW zou hebben gesteund.

Eiser meent dat verweerder luidens het proces-verbaal van 13 december 2001 bij de berekening van de beweerde meeromzet toepassing heeft gemaakt van art. 59, § 1 W.BTW, meer bepaald bij het aantonen dat de voorwaarden en omstandigheden om het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW toe te passen in zijnen hoofde aanwezig waren.

Eiser stelt dat verweerder zijn redenering evenwel, in strijd met art. 59, § 1 W.BTW juncto art. 1349 e.v. B.W., niet heeft gesteund op zekere en vaststaande gegevens en evenmin bij wijze van een logische deductie tot het ongekende element, nl. de vermeende verschuldigde meerbelasting is gekomen.

Vooreerst merkt eiser op dat verweerder zich in casu enkel en alleen steunt op de vaststellingen die de heer **D. M.** bij de NV **M.** heeft gedaan, en dat deze vaststellingen niet als gewichtig kunnen worden omschreven : op de 106 facturen is er maar één factuur die op dezelfde datum werd opgemaakt en valt er niet uit af te leiden wie deze aankoop effectief heeft verricht. Volgens eiser gaat het om een louter vermoeden dat hij het was. Een vermoeden kan in geen geval het bekend feit of element uitmaken waarop een nieuw vermoeden kan worden gesteund, en dat is volgens eiser wat verweerder nu net doet.

Zo vermoedt verweerder dat het eiser alleen was die gebruik heeft gemaakt van de kaart op naam van **P. K. R. K.**.

Vervolgens vermoedt de heer **O.** dat de aangekochte goederen gelijkaardig zijn en behoren tot het soort goederen die eiser gebruikt in zijn restaurant.

Bovendien was er geen logische deductie, die ertoe kon leiden te stellen dat eiser alle aangekochte goederen in zijn restaurant heeft verbruikt. Bij gebrek aan enige indicaties in die richting, meent eiser dat dergelijke eenzijdige redenering bezwaarlijk als logisch kan worden beschouwd, maar dat het opnieuw om pure speculaties van de administratie gaat.

Ten slotte merkt eiser in verband met het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW op dat ook een wettelijk vermoeden moet gesteund zijn op zekere en vaststaande gegevens. Zo mag het wettelijk vermoeden van de meeromzet niet gesteund zijn op het resultaat van een ander vermoeden, in casu de toepassing van art. 59, § 1 W.BTW.

1\. b. 2. Met reden verwijst verweerder naar het schrijven van de raadsman van eiser van 15 januari 2002, waarin het volgende staat vermeld :

> *"De heer* ***M. W. M.*** *betwist. niet dat hij aankopen verricht met deze twee aankoopkaarten, maar wel dat de aankopen die hij verricht voor de* ***P. K. H. K.*** *in werkelijkheid door hem zouden zijn gebruikt voor eetmalen in zijn restaurant"*.

Daarbij is het feit dat de kaart van **P. K. H. K.** slechts eenmalig op hetzelfde tijdstip werd gebruikt bij de NV **M.** als de kaart op naam van eiser niet relevant, nu eiser nooit heeft ontkend dat hij de koperskaart op naam van **P. K. R. K.** heeft gebruikt.

Zoals verweerder terecht voorhoudt, zouden herhaaldelijk gelijktijdige aankopen met beide kaarten een element kunnen vormen in de bewijsvoering van de administratie indien eiser zou ontkennen de kaart op naam van **P. K. R. K.** te hebben gebruikt, hetgeen in casu niet het geval is.

Terecht verwijst verweerder naar de frequentie van de aankopen, de aard van de goederen en de hoegrootheid van de facturen. Zo werden voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998 door de NV **M.** 15 facturen uitgereikt aan eiser tegenover 91 facturen op naam van **P. K. R. K.**. Daarbij werden de op naam van **P. K. H. K.** gefactureerde goederen niet in de aankoopadministratie van eiser opgenomen.

De rechtbank treedt voorts verweerder bij wanneer hij stelt dat eiser ten onrechte voorhoudt dat de administratie zich bij de berekening van de beweerde meeromzet heeft gesteund op de bewijsmiddelen vervat in art. 59, § 1 W.BTW. De administratie heeft zich immers gesteund op het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bewezen dat de voorwaarden voor de toepassing van art. 64, § 1 W.BTW voldaan zijn, waarna het aan de belastingplichtige is om een tegenbewijs te leveren.

##### c) Wat het beweerde tegenbewijs betreft

1\. c. 1. Ten slotte stelt eiser dat hij kan aantonen dat de goederen, die bij de NV **M.** werden aangekocht op naam van **P. K. H. K.**, niet in zijn restaurant werden verbruikt.

Zo zijn er volgens eiser tal van artikelen die niet in het restaurant worden opgediend.

Verder liet eiser, naar eigen zeggen, ook vrienden toe om met de aankoopkaart van **P. K. H. K.** goederen in de **M.** aan te kopen. Daarnaast is er ook sprake van een gedeelte van de goederen die worden aangewend voor privé-gebruik en voor het personeel.

Ten slotte stelt eiser dat hij regelmatig feestjes geeft, die vooral dienen te worden gekaderd binnen de VZW **V. v. C. Z.**.

Daarmee meent eiser genoegzaam het in art. 64 W.BTW vereiste tegenbewijs te hebben geleverd.

1\. c. 2. In verband met het door eiser te leveren tegenbewijs merkt de rechtbank op dat in voornoemd schrijven van de raadsman van eiser van 15 januari 2002 als bestemming de VZW **P. K. H. K.** werd opgegeven, daar waar eiser in zijn schrijven van 19 juli 2001 aan de controle BTW Vilvoorde drie andere bestemmingen had opgegeven, nl. de VZW **V. v. C. Z.**, andere vergaderingen en privé-gebruik. In zijn besluiten gaf eiser dan nog een andere bestemming op, nl. het uitlenen van zijn kaart aan vrienden.

Terecht merkt verweerder in dat verband op dat eiser door zijn voortdurende wisselende beweerde bestemmingen niet geloofwaardig overkomt, en dat hij nergens een bewijs aanbrengt, dat zijn beweringen staaft.

De door eiser voorgelegde verklaring van de heer **Z.** (stuk 8 van eiser) is, zoals verweerder terecht voorhoudt, een eenzijdig opgesteld stuk, dat geenszins de omvangrijke aankopen met de Makrokaart op naam van **P. K. H. K.** verklaart.

Ten slotte brengt eiser, behoudens het bewijs dat de vereniging **P. C. H. K.** bestaat of bestond, geen enkel bewijs aan omtrent het plaatsvinden van de zg. feestjes in de bovenzaal van zijn restaurant.

Derhalve treedt de rechtbank verweerder bij dat eiser op geen enkele wijze het tegenbewijs levert van het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW.

Bijgevolg dient de vordering van eiser, zoals geformuleerd in hoofdorde, te worden afgewezen.

### 2) Wat de vordering van eiser in ondergeschikte orde betreft

2.1. In ondergeschikte orde meent eiser dat de opgelegde boetes onwettig zijn en verzoekt hij tot kwijtschelding, minstens vermindering (tot 10 % van de vastgestelde meeromzet) van deze boetes.

Zo diende de verbalisant, die toepassing wilde maken van [art. 1 in fine van het KB. nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 (boete van 200 %), volgens eiser, het frauduleuze oogmerk in zijnen hoofde te bewijzen, hetgeen naar zijn oordeel geenszins is gebeurd in het proces-verbaal van 13 december 2001, noch in het dwangbevel. Het gaat hier om een toepassing van het algemeen strafrechtelijk beginsel van vermoeden van onschuld, en van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.

Verder steunt eiser zijn verzoek tot kwijtschelding, minstens vermindering van de boetes eveneens op art. 1, lid 1 van het eerste aanvullend protocol bij het E.V.R.M. en op art. 16 G.W. Eiser meent dat het bestraffen met een boete van 200 % dermate hoog is, dat niet kan worden ontkend dat zij het karakter van een ware onteigening heeft.

2.2. Verweerder meent dat het oogmerk om de belasting te ontduiken, gelet op de aard en de omvang van de overtredingen, vaststaat.

2.3. De rechtbank sluit zich evenwel bij eiser aan dat het opzet om de belasting te ontduiken niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat een aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet werd aangegeven.

Nu verweerder geen (deugdelijke) motivering van de boete ten belope van 200 % heeft opgegeven, meent de rechtbank dat deze onwettig is.

Er bestaat bijgevolg aanleiding om deze boete te verminderen tot 20 % van de verschuldigde BTW bij toepassing van het KB nr. 41 van 3 0 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW (boete inzake omzet).

Bijgevolg dient de vordering van eiser, zoals geformuleerd in ondergeschikte orde, in die mate te worden ingewilligd.

**3) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement**

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiser om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224;Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiser zijn vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel 25 april 1997, voormeld), dient het door eiser gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

**OM DEZE REDEN,**

### Dispositif

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de heer **M. V. M.** ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt voor recht dat de opgelegde geldboete dient te worden verminderd tot 20 % van de verschuldigde BTW.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen. Deze kosten worden begroot op € ….

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van : **2 januari 2004**

waar aanwezig waren en zitting namen :

\- de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

\- mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

## Textes cités

1

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
