---
title: "12 mars 2004 · Disposition pénale, amende administrative · Tribunal de première instance de Bruxelles"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance. Tribunal de première instance de Bruxelles (Belgique), 12 mars 2004."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-bruxelles-2004-03-12-7a03"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruxelles

**Date**

12 mars 2004

## Parcours procédural

2 étapes · 4 ans

1. Décision affichée Tribunal de première instance de Bruxelles 12.03.2004
2. [Décision sur appel Cour d'appel de Bruxelles 03.04.2008](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-bruxelles-2008-04-03-30f4)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

159 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 12.03.2004

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL**

A.R. : **00/11944/A & 01/5235/A**

In zake van :

**De NV D. A.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer … en voor BTW-doeleinden geïdentificeerd onder het nummer …

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **T. V.** loco. Mter **D. V. B.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoor te Brussel, Wetstraat, 12. in de persoon van en door benaarstiging van de heer Directeur-generaal, kantoor houdende te 1010 Brussel, Kruidtuinlaan, 50

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **V. B.** loco Mter **M. V. A.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 30 januari 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:

## I PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

a) in de zaak gekend onder AR nr. 00/11944/A :

\- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van art. 1385 decies Ger. W. van eiseres, neergelegd ter griffie op 27 oktober 2000, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 13 februari 2001 en op 26 februari 2003;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2 oktober 2002 en op 30 april 2003.

b) in de zaak gekend onder AR nr. 01/5235/A :

\- het exploot van dagvaarding van **D. L.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder **R. D. M.** te 1000 Brussel, betekend op 10 april 2001, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 26 februari 2003;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2 oktober 2002 en op 25 augustus 2003.

Verweerder verklaart zich te beperken tot zijn aanvullende besluiten.

Gehoord ter openbare zitting van 30 januari 2004 de raadslieden van partijen, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 14 augustus 1995 werd lastens verschillende personen, waaronder de NV **D. A.**, huidige eiseres, een proces-verbaal (P.V.I0PA 1409/93) opgesteld door de administratie der douane en accijnzen in verband met de invoeren van autobanden in de periode van september 1992 tot juni 1993.

Daaruit bleek volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, dat vervalste of ongeldige EUR 1-certificaten werden voorgelegd en dat het handelsembargo, dat was opgelegd voor de handel met de republieken Servië en Montenegro werd geschonden. De banden, die door middel van voormelde certificaten werden ingevoerd, waren immers van oorsprong uit Servië.

Doordat de autobanden, gefabriceerd in Servië, werden ingevoerd als zijnde afkomstig uit ofwel Macedonië ofwel Bosnië-Herzegovina, werd niet alleen voormeld handelsembargo geschonden, maar werd tevens ten onrechte gebruik gemaakt van een preferentieel tarief inzake invoerrechten.

Nu aldus het preferentieel tarief inzake invoerrechten ten onrechte werd toegepast, dienden de invoerrechten te worden verhoogd.

Vermits de invoerrechten deel uitmaken van de maatstaf van heffing inzake BTW, volgde uit deze verhoging van de invoerrechten een bijkomende verschuldigde BTW van … euro (… BEF). Dit bedrag wordt door de NV **D. A.** niet betwist.

Op basis van art. 70, § 3 W.BTW werd de boete op het niet voldoen van de BTW bepaald op 200 %. In casu werd een boete ten bedrage van … euro (… BEF), zijnde 200 % van … euro (… BEF), opgelegd. Deze boete bestaat uit het totaal van de boete opgelegd aan de NV **D. A.** ten bedrage van … euro (… BEF) en opgelegd aan de Zwitserse vennootschap **M. C.** A.G. ten bedrage van … euro (… BEF).

Op 9 april 1996 sloot de NV D. A. met de administratie der douane en accijnzen een transactie ter afhandeling van de douanerechtelijke betwisting.

In de transactie met de administratie der douane en accijnzen werd een transactionele boete inzake invoerrechten en BTW ten bedrage van … euro (… BEF) weerhouden, inclusief een bedrag van … euro (… BEF) als boete inzake BTW, zijnde, zoals gezegd, een boete van 200 % over de verschuldigde BTW.

Conform deze transactie werden deze boeten solidair opgelegd aan beide voormelde vennootschappen.

De BTW werd door de NV **D. A.** voldaan door gebruik te maken van de haar toegestane vergunning tot verlegging van de heffing.

De transactie vermeldt nog uitdrukkelijk dat zij geen afbreuk doet aan de rechten en plichten van de betrokkenen t.o.v. andere administraties, inzonderheid t.o.v. de administratie van de BTW tot betwisting van de verschuldigdheid van de boete inzake BTW.

Op 4 juli 1996 stuurde de NV **D. A.** een verzoekschrift tot kwijtschelding van deze BTW-boete aan de gewestelijke directeur van de BTW te Antwerpen.

Op 26 februari 1998 besliste de gewestelijke directeur dat de BTW-boete niet werd kwijtgescholden.

Op 12 maart 1998 verzocht de NV **D. A.** om een heroverweging van de beslissing van 26 februari 1998 wegens gebrek aan motivering van deze beslissing.

Op 13 maart 1998 wees de gewestelijke directeur het verzoek van de NV **D. A.** om terzake te worden gehoord af.

Op 16 maart 1998 verzocht de NV **D. A.** om inzage van het dossier bij toepassing van art. 32 G.W. en de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Daarop werd ingegaan door de Belgische Staat.

Op 10 juni 1998 werd het verzoek tot heroverweging bij directorale beslissing afgewezen.

Op 14 juli 1998 werd aan de directeur-generaal van de centrale administratie van de BTW, als hiërarchische overheid van de gewestelijke directeur bij de directie van de BTW te Antwerpen, een verzoek tot kwijtschelding van de BTW-boete voorgelegd.

Op 31 maart 2000 werd ook dit verzoek van de NV **D. A.** afgewezen.

Op 27 oktober 2000 legde de NV **D. A.** een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie.

Deze procedure is gekend onder het A.R. nummer 00/11944/A.

Op 10 april 2001 ging de NV **D. A.** over tot dagvaarding.

Deze procedure is gekend onder het A.R. nummer 01/5235/A.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- de bestreden beslissing van 31 maart 2000 met refertenummer E.T. 93.761, van de heer **M. M.**, eerste attaché van financiën, daartoe gedelegeerd door de directeur-generaal van de centrale administratie van de BTW, op zijn beurt optredend voor de minister van Financiën, houdende beslissing tot behoud van een boete inzake BTW ten bedrage van 200 % van de verschuldigde BTW, opgelegd naar aanleiding van een transactie met de administratie der douane en accijnzen van 9 april 1996, te vernietigen;

\- dienvolgens voor recht te zeggen dat de opgelegde boete inzake BTW wordt verminderd tot nihil, minstens tot een lager bedrag;

\- bijgevolg verweerder de terugbetaling te bevelen van de door haar ten onrechte betaalde bedragen ingevolge de transactie van 9 april 1996, vermeerderd met moratoriuminteresten;

\- het te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Verweerder vraagt de vordering van eiseres onontvankelijk, zoniet minstens ongegrond te verklaren en haar ervan af te wijzen.

B. BEOORDELING

### 1) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft :

Krachtens art. 30 Ger. W. past het gevolg te geven aan her verzoek van eiseres om de onderscheiden zaken, gekend onder AR nr. 00/11944/A en AR nr. 01/5235/A, als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk zouden worden berecht.

### 2) Wat de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres betreft :

De rechtbank gaat met verweerder akkoord dat de vordering van eiseres, voor zover zij werd ingeleid door middel van een tegensprekelijk verzoekschrift, onontvankelijk dient te worden verklaard.

De mogelijkheid om het geding door middel van een tegensprekelijk verzoekschrift in te leiden, werd ingevoegd in het Ger.·W. door art. 9 ·van de Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.

Deze wetswijziging dient, wat de BTW betreft, te worden samengelezen met art. 59 van de Wet van 15 maart 1999 inzake de beslechting van fiscale geschillen, dat een wijziging aanbrengt aan art. 89 W.BTW.

Ingevolge deze wijziging kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel inzake BTW slechts worden gestuit door een vordering in rechte, daar waar voordien de tenuitvoerlegging enkel kon worden gestuit door een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Nu de toepasselijkheid van voornoemd art. 59 ingevolge art 97, tweede streepje ven voornoemde Wet van 15 maart 1999 werd bepaald op *"de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999”*, en onderhavig geding betrekking heeft op de invordering lastens eiseres van een boete waarvan de datum van opeisbaarheid zich voordeed voor 1 januari 1999. net zoals van de BTW waarop deze boete werd gevestigd, hetgeen door eiseres niet wordt betwist, diende onderhavige procedure aanhangig te worden gemaakt door middel van een met redenen omkleed verzet met dagvaarding als bedoeld in art. 89, leden 2 en 3 (oud) W.BTW (in dezelfde zin, zie : Rb. Gent, 9 november 2000, Rb. Brussel, 1 december 2000 en Rb. Brugge, 18 december 2000, alle besproken in Fiscoloog, 2001, nr. 786, p. 3; Rb. Hasselt, 9 januari 2002, R.A.B.G., 2003, 436; Rb. Brussel, 26 april 2002, R.A.B.G., 2003, 439).

Derhalve dient de vordering onontvankelijk te worden verklaard in zoverre ze werd ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift en ontvankelijk in zoverre ze werd ingeleid bij exploot van dagvaarding.

### 3) Ten gronde

**a)** **Wat de beweerde schending van de motiveringsplicht (Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de zg. Wet Cerexhe) betreft :**

3\. a. 1. Eiseres wijst erop dat haar verzoek tot kwijtschelding bij directorale beslissing van 26 februari 1998 werd verworpen, ondanks het ontbreken van onregelmatigheden.

Tegen deze beslissing reageerde eiseres door te verwijzen naar het gebrek aan motivering ervan en verzocht zij om heroverweging van deze beslissing. Zij meent dat door de loutere verwijzing naar het feit dat "geen voldoende redenen bestaan" deze beslissing niet beantwoordde aan de verplichting te motiveren aan de hand van de juridische en feitelijke elementen. Aldus werd niet geantwoord op de door haar in haar verzoekschrift van 4 juli 1996 opgeworpen middelen.

Na inzage van het dossier bevestigde eiseres op 3 juni 1998 aan de gewestelijke directeur van de BTW dat uit nazicht van het administratief dossier was gebleken dat geen afdoende motivering voor het behoud van de beslissing van 18 maart 1998 voorlag. Het enige stuk dat als verantwoording voor de directorale beslissing werd voorgebracht, bleek volgens eiseres een brief te zijn van de heer **L. L.**, e.a. inspecteur-dienstchef bij de gewestelijke directie te Antwerpen van de administratie der douane en accijnzen van 28 april 1998, d.w.z. twee maanden na de kwestieuze beslissing van 28 februari 1998. Die brief kan volgens eiseres geenszins een voldoende motivering vormen voor de weigering tot kwijtschelding van de BTW-boete van 200 %.

Op 10 juni 1998 nam de gewestelijke directeur te Antwerpen opnieuw de beslissing geen boeten kwijt te schelden. Ter verantwoording werd o.m. verwezen naar de tussen eiseres en de administratie der douane en accijnzen gesloten transactie. Eiseres wijst er evenwel op dat deze transactie werd gesloten teneinde strafrechtelijke vervolging te verhinderen en dat daarin rekening werd gehouden met het feit dat aan de bewijswaarde van de vaststellingen van de administratie der douane en accijnzen kan worden getwijfeld.

Eiseres meent dan ook dat noch de directorale beslissing van 28 februari 1998, noch die van 10 juni 1998 op voldoende wijze werden gemotiveerd. De bestreden beslissing van 31 maart 2000 kon derhalve, naar haar oordeel, dan ook niet zonder verdere motivering stellen dat beide beslissingen aan de vereisten van de Wet Cerexhe lijken te beantwoorden.

Eiseres meent dan ook dat de beslissing van 31 maart 2000 wegens schending van de vereiste tot motivering van bestuurshandelingen in het kader van de Wet Cerexhe dient te worden vernietigd.

3\. a. 2. Van zijn kant doet verweerder in eerste instantie gelden dat eiseres geen belang heeft bij de nietigheid van de beslissingen tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van de geldboeten. Hij meent dat ofwel de beslissing tot weigering van de kwijtschelding van de geldboete geldig is en de boete aldus behouden blijft, ofwel de beslissing tot weigering van de vermindering van de geldboete inderdaad nietig is, maar dan de opgelegde geldboete als rechtsgeldige handeling blijft bestaan.

Verder meent verweerder dat de beslissingen van 26 februari 1998, van 10 juni 1998 en van 31 maart 2000 rechtsgeldig zijn.

3\. a. 3. Wat de beweerde afwezigheid van belang in hoofde van eiseres bij de nietigheid van de beslissingen tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van de geldboeten betreft, sluit de rechtbank zich bij eiseres aan dat zij ter zake wel degelijk over het rechtens vereiste belang beschikt.

Immers, indien de rechtbank zou beslissen dat de betreffende beslissingen inderdaad onvoldoende gemotiveerd zijn, kan zij de zaak naar zich toetrekken en met volheid van bevoegdheid oordelen over de geldigheid en de omvang van de opgelegde BTW­boete.

Wat de motiveringsplicht betreft, bepaalt voornoemde Wet van 29 juli 1991 in haar artikel 3 dat *"de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn''*.

Het gaat hier om de formele motiveringsplicht. Deze komt naast de materiële motiveringsplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van 26 februari 1998, ondanks haar vrij summiere motivering, toch aan de terzake gestelde eisen voldoet nu zij de juridische grondslag weergeeft en de feitelijke overwegingen opsomt. Inzake de feiten verwijst de beslissing naar het dossier van de administratie der douane en accijnzen, dat door eiseres gekend is. Dit dossier bevat onder meer het proces-verbaal van de administratie der douane en accijnzen, waaruit volgens verweerder het frauduleus karakter in hoofde van eiseres blijkt en op grond waarvan werd beslist om de boete te behouden.

Wat de juridische grondslag betreft, wordt verwezen naar het wetsartikel waarop de boete is gevestigd (nl. art. 70, § 3 W.BTW).

Hetzelfde geldt voor de beslissing van 10 juni 1998. De rechtbank stelt trouwens vast dat in deze beslissing in detail werd geantwoord op de bezwaren van eiseres.

Ten slotte geldt ook hetzelfde voor de beslissing van 31 maart 2000. Ook in deze beslissing werd in detail geantwoord op de bezwaren van eiseres.

Derhalve dient dit eerste middel van eiseres te worden afgewezen.

### b) Wat de gevraagde vernietiging of vermindering van de BTW-boete betreft :

b. 1. Wat de gevraagde vernietiging van de BTW-boete op grond van het non bis in idem-beginsel betreft :

3\. b. 1. 1. Eiseres wijst erop dat volgens het non bis in idem-beginsel, dat uitdrukkelijk werd opgenomen in art. 14, § 7 BUPO-Verdrag, niemand tweemaal voor dezelfde feiten strafrechtelijk kan worden vervolgd.

Zij stelt dat zij in casu voor dezelfde feiten toch tweemaal een sanctie met een strafrechtelijk karakter heeft opgelopen, een eerste maal door de douaneboete van … euro (… BEF) en een tweede maal door de BTW-boete ten bedrage van … euro (… BEF).

3 b. 1. 2. Verweerder meent dat de in casu opgelegde geldboete, net als alle *“administratieve wettelijke geldboeten”*, integraal of hoofdzakelijk een vergoedend karakter heeft.

Hij verwijst naar [art. 1, in fine van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW, dat bepaalt dat de in de tabellen A tot J van de Bijlage bij dit Besluit opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Overeenkomstig art. 70, § 3 W.BTW wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ter zake van invoer verschuldigde belasting wanneer het invoerdocument, dat krachtens art. 52 W.BTW moet worden overgelegd, onjuiste vermeldingen bevat.

Uit het proportioneel tarief van de administratieve geldboete en het feit dat zij verschuldigd is wegens de loutere overtreding, waarbij de schuldvraag niet relevant is, blijkt volgens verweerder dat zij niet in relatie staat met de zwaarte van de morele schuld van de dader (zoals doorgaans wel het geval is bij een echte strafrechtelijke straf), maar veeleer met de aan de Schatkist berokkende schade, hetgeen naar zijn oordeel op het vergoedend karakter wijst.

3\. b. 1. 3. In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt, dient te worden aangenomen dat een administratieve sanctie inzake belasting een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikel 6 E.V.R.M. en 14 BUPO-Verdrag (zie : Cass., 5 februari 1999, Arr. Cass., 1999, 142; Fisc. Act., 1999, nr. 13, p. 5; Fiscoloog, 1999, nr. 698, p. 6; F.J.F., 1999, 227; J.D.F., 1999, 201; J.L.M.B., 1999, 541; R. Cass, 2000, 219; R.C.J.B., 2002, 573; R.W., 1998-99, 1352; T.F.R., 1999, 381; [Cass., 25 mei 1999](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-amendes-fiscales-caractere-penal-cassation-bruxelles-1999-05-25-9203), Arr. Cass., 1999, 719; Fisc. Act., 1999, nr. 22, p. 3; F.J.F., 1999, 323; J.D.F., 1999, 321; R.W, 2000-2001, 25).

Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belasting dergelijk karakter heeft, dient te worden nagegaan of deze administratieve sanctie :

\- zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;

\- een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

\- niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

\- stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfdertijd preventief en repressief is;

\- zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien, na afweging van al deze elementen, blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd (zie : [Cass., 25 mei 1999](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-amendes-fiscales-caractere-penal-cassation-bruxelles-1999-05-25-9203), voormeld).

Deze voorwaarden waren voorheen reeds door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitgewerkt in de zaken Engel (E.H.R.M, 6 juni 1976, Publ. E.C.H.R., Series A, nr. 22), Öztürk (E.H.R.M., 21 februari 1984, Publ. E.C.H.R, Series A, nr. 73) en Lutz (E.H.R.M., 25 augustus 1987, Publ. E.C.H.R, Series A, nr. 123).

De rechtbank treedt eiseres bij dat een BTW-boete van 200 % aan de voormelde voorwaarden voldoet. Ze treft elke belastingplichtige, en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut. Ze schrijft tevens een bepaald gedrag voor (aangifte doen van het volledige bedrag) en stelt op de niet-naleving daarvan een sanctie (een boete van 200 %). Door de hoogte van de boete betreft het niet slechts de vergoeding van schade, maar essentieel een straf. Het oogmerk van de boete is door zijn hoogte tegelijk repressief en preventief te noemen. Bovendien kan de boete zwaar worden genoemd.

Zodoende valt deze boete onder de toepassing van art. 6 E.V.R.M. (in dezelfde zin, zie : MAUS, M., "Kanttekeningen rond de fiscaal-administratieve sancties en de fiscale geschillenprocedure in het licht van art. 6 EVR'', T.F.R, 1999, 338-339.

Hetzelfde geldt voor de douaneboete van … euro (… BEF).

Hoewel deze uitspraak werd bekritiseerd door de rechtsleer (zie·: COOPMAN, B. en STESSENS, G., "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete : reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof”, T.F.R., 1999, 390; MAUS, M., op. cit., 358; VANDENBERHE, L., "BTW-boeten : a never ending story ... ", Fisc. Act., 1999, nr. 13, p. 5) heeft het Hof van Cassatie op 5 februari 1999 ontkend dat het non bis in idem-beginsel van toepassing is op BTW-boetes. Zo heeft het Hof van Cassatie beslist dat het non bis in idem-beginsel niet belet dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk, de ene onderworpen aan het nationale strafrechtstelsel en de andere aan het stelsel van de administratieve sanctie, ook al zou die sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van art 6 E.V.R.M.

De rechtbank sluit zich bij deze rechtspraak van het Hof van Cassatie aan. Derhalve gaat ze niet over tot de gevraagde vernietiging van de BTW-boete.

b. 2. Wat de gevraagde vermindering van de BTW-boete betreft :

3\. b. 2. 1. Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank ingevolge de cassatierechtspraak van 24 januari 2002 (inzake Belgische Staat/Riganatie (*C.00.370N - C.00.0599N/1*) en inzake Belgische Staat/Sctime (*C.00.0234N - C.00.0442N/1*)) de evenredigheid van een opgelegde BTW-boete kan onderzoeken en dat een BTW-boete kan worden verminderd indien blijkt dat de opgelegde sanctie onevenredig is met de gepleegde inbreuken. De rechtbank moet kunnen oordelen of de bestuurlijke sanctie evenredig is aan de vastgestelde feiten (MAUS, M., op. cit., 345).

Eiseres meent dat uit een dergelijke afweging duidelijk blijkt dat een boete van 200 % manifest onevenredig is met de vastgestelde feitelijke omstandigheden.

Eiseres haalt de volgende *'verzachtende omstandigheden'* aan die er, naar haar oordeel, op wijzen dat in casu de feitelijke omstandigheden geen dermate hoge boete verantwoorden :

\- de onduidelijkheid over de precieze toestand in ex-Joegslavië en het feit dat het bewuste handelsembargo reeds lang is opgeheven;

\- het feit dat inzake douane en accijnzen reeds een boete van … euro (… BEF) was opgelegd;

\- het feit dat haar douanedeclaranten haar hadden verzekerd dat de EUR 1 certificaten echt waren;

\- het feit dat de BBI na een grondige controle oordeelde dat haar fiscale toestand geen onregelmatigheden vertoonde;

\- het feit dat zij een transactie heeft afgesloten met de administratie der douane en accijnzen waarbij slechts een boete van 10 % werd opgelegd, terwijl de mogelijkheid bestond om een boete van 10 maal de rechten (1000 %) of twee maal de waarde van de goederen op te leggen.

Om al deze redenen meent eiseres dat het aangewezen is de BTW-boete van 200 % te verminderen tot een meer aangepaste boete van 10 %.

Eiseres stelt nog dat niet eens vaststaat dat zij te kwader trouw heeft gehandeld en met het inzicht de belasting te ontduiken.

3\. b. 2. 2. Verweerder meent dat de krachtens de wet opgelegde sanctie, nl. een boete van 200 % van de ontdoken of niet-tijdig betaalde BTW, niet onevenredig is met enige doelstelling van het E.G.-recht en dat zij evenredig is met de gepleegde inbreuken.

Verweerder meent dat in hoofde van eiseres frauduleus oogmerk voorhanden was. Daartoe verwijst hij naar het proces-verbaal van 14 augustus 1995 van de opsporingsinspectie van de administratie der douane en accijnzen te Antwerpen, waarin een analyse wordt gemaakt van de bij eiseres gevonden correspondentie.

Daaruit blijk, volgens verweerder onder meer dat eiseres op de hoogte was van liet handelsembargo, en dat eiseres zelf vroeg om de plaat “*Made in Jugoslavia*” te verwijderen voor een order van 3.230 stuks autobanden.

Volgens verweerder wijzen deze elementen en vaststellingen erop dat eiseres op de hoogte moet zijn geweest van liet feit dat de door haar ingevoerde goederen van Servische oorsprong waren, en toch heeft eiseres invoerdocumenten overgelegd met valse gegevens betreffende de oorsprong van de goederen en werden ter staving van die documenten valse en ongeldige certificaten EUR 1 aan de douanediensten overhandigd.

Verweerder wijst er vervolgens op dat in casu de facto reeds een boetevermindering werd toegepast. Hij stelt dat zowel art. 70, § 3 W.BTW, als tabel D, 2 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW voorzien in een boete gelijk aan tweemaal de totale BTW die wegens de onregelmatige invoer is verschuldigd over de gehele maatstaf van heffing.

Op grond van deze bepaling bedraagt de wettelijk voorziene boete voor eiseres … euro (… BEF).

In casu werd eiseres *'slechts'* een boete opgelegd gelijk aan het dubbel van de BTW verschuldigd over het niet-aangegeven gedeelte van de maatstaf van heffing inzake BTW, zijnde een boete van … euro (… BEF).

3\. b. 2. 3. Het toetsingsrecht, waarover de rechtbank met betrekking tot administratieve sancties beschikt, laat haar met name toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het haar staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Daarbij mag de rechtbank inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld.

Rekening houdende met de hiervoor door zowel eiseres als verweerder aangehaalde elementen, en inzonderheid met het feit dat eiseres reeds een belangrijke douaneboete kreeg opgelegd, oordeelt de rechtbank dat de BTW-boete van 200 % onevenredig is met de gepleegde inbreuk.

Deze boete dient dan ook, naar haar oordeel, te worden beperkt tot 50 %.

**4)** **Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement**

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, **na tegenspraak**;

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Voegt de zaken gekend onder AR nummers 00/11944/A en 01/5235/A samen.

a) Wat de vordering gekend onder AR nr. 00/11944/A betreft :

Verklaart deze onontvankelijk.

b) Wat de vordering gekend onder AR nr. 01/5235/A betreft :

Verklaart deze ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt de bestreden beslissing van 31 maart 2000 met refertenummer E.T. 93.761, van de heer **M. M.**, eerste attaché van financiën, daartoe gedelegeerd door de directeur-generaal van de centrale administratie van de BTW, op zijn beurt optredend voor de minister van Financiën, houdende beslissing tot behoud van een boete inzake BTW ten bedrage van 200 % van de verschuldigde BTW, opgelegd naar aanleiding van een transactie met de administratie der douane en accijnzen van 9 april 1996.

Zegt voor recht dat de opgelegde boete inzake BTW wordt verminderd tot 50 %

Beveelt bijgevolg de Belgische Staat tot terugbetaling van de door de NV **D. A.** ten onrechte betaalde bedragen ingevolge de transactie van 9 april 1996, vermeerderd met moratoriuminteresten.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen.

Deze kosten worden begroot ten aanzien van de NV **D. A.** op … euro (dagvaarding) + … euro (RPV), en ten aanzien van de Belgische Staat op … euro (RPV).

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33ste kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **12 maart 2004**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

## Textes cités

1

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 1 occurrence
