---
title: "18 décembre 2001 · Disposition pénale, amende administrative · Tribunal de première instance de Bruges"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance. Tribunal de première instance de Bruges (Belgique), 18 décembre 2001."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-bruges-2001-12-18-05f3"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Bruges

**Date**

18 décembre 2001

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

137 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 18.12.2001

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :**

**AR 99/2569/A**

in de zaak van :

**G. C.**, zonder beroep, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …, als BTW-belastingplichtige ingeschreven onder nr. BE …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door meester **C. D.**, advocaat te …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financien, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer e.a. Inspecteur van het 1 ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **F. W.**, advocaat te Roeselare.

---

## I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 20 november 2001, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. het gedinginleidend verzoekschrift van 28 september 1999;

2\. de conclusie voor verweerder van 8 december 1999;

3\. de conclusie voor eiseres van 16 december 2000 en

4\. de conclusie voor verweerder van 6 maart 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Eiseres hield destijds als zelfstandige een volkscafé open. Zij was uit dien hoofde BTW-plichtige.

Vermits eiseres naliet de door haar verschuldigde BTW, zoals bleek uit de door haar tijdig ingediende BTW-aangiften te betalen, werd haar rekening-courant op nul gezet. Verweerder hield van dan af op naam van eiseres een bijzondere rekening bij, meer bepaald voor de tijdvakken van 31 oktober 1997 tot 31 januari 1998 en van 30 april 1998 tot 31 juli 1998.

Voor het vierde kwartaal van 1997 en het eerste kwartaal van 1998 diende eiseres haar BTW-aangiften niet tijdig in. Dat zou pas gebeuren op 14 oktober 1998. Die twee aangiften reveleerden elk ook een BTW-bedrag dat verschuldigd was aan verweerder. Ook die schulden werden niet betaald.

Voor de niet-betaling van de BTW legde verweerder aanvankelijk een administratieve boete op gelijk aan 10 % van het bedrag van de niet-tijdig betaalde belasting.

Voor het niet-indienen van de aangiften legde verweerder aan eiseres een administratieve boete op van 20.000 frank per niet-ingediende aangifte, zijnde een strict minimum volgens het barema dat verweerder hanteert.

Op 9 september 1998 richtte eiseres aan verweerder een verzoek tot kwijtschelding van de opgelopen boeten; zij verwees naar de ziekte van haar echtgenoot en de daaruit voortvloeiende financiële moeilijkheden. Eiseres voegde eraan toe dat ze van plan was om tegen mei 1999, toen haar handelshuur ten einde liep, haar activiteit stop te zetten. Ze nam zich voor om dan ook haar schulden tegen die datum af te betalen. Ze vroeg inderdaad ook een afbetalingsplan. Zij stelde voor om af te betalen aan 8.000 frank per maand en ze begon alvast vrijwillig haar voorstel uit te voeren.

Op 1 maart 1999 besliste verweerder dat de boeten ten uitzonderlijke titel tot de helft van het oorspronkelijk opgelegd bedrag zouden gehalveerd worden, althans wanneer zij het afbetalingsplan dat haar werd toegestaan, namelijk afte betalen met 8.000 frank per maand, stipt zou volgen.

Op het moment van die beslissing was eiseres evenwel al gestopt met haar (vrijwillige) afbetaling. Zij volgde haar voorstel slechts in de periode van oktober tot en met december 1998. Vanaf januari 1999 onthield eiseres zich van elke betaling.

Ook na de beslissing van 1 maart 1999 nam eiseres niet opnieuw de draad van het afbetalingsplan op, ook niet nadat haar een herinneringsbericht was gestuurd en was gewaarschuwd dat er dwangmaatregelen zouden volgen.

In die omstandigheden ging verweerder over tot het opmaken van 4 dwangbevelen, telkens per tijdperk.

De halvering van de administratieve boeten werd behouden. De bedragen die eiseres tot dan toe had betaald, werden door verweerder in mindering gebracht van de schuldvordering met betrekking tot het tijdperk van 31 oktober 1997 tot 31 januari 1998.

Bij gebreke aan vrijwillige betaling door eiseres, legde verweerder uitvoerend beslag onder derden bij de Rijksdienst voor Pensioenen op het pensioen van de echtgenoot van eiseres.

Met een verzoekschrift van 28 september 1999 stelt eiseres haar huidige vordering in.

*2. De standpunten en vorderingen van de partijen*

**Eiseres** vordert dat de rechtbank de boetes die in de betreffende dwangbevelen zijn opgenomen, tot nul zou terugbrengen en eiseres van het betalen van interesten zou vrijstellen.

Tevens vordert eiseres dat de rechtbank haar zou machtigen om de schuld jegens verweerder af te betalen met schijven van 3.000 frank per maand. Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

**Verweerder** vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

*1. De ontvankelijkheid van de vordering*

Verweerder besluit niet tot de onontvankelijkheid van de vordering. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

*2. De grond van de vordering*

### 2.1. Stelling van eiseres

Eiseres meent gerechtigd te zijn op een kwijtschelding van de haar opgelegde boetes en van de interest. Zij maakt daarop aanspraak op grond van de billijkheid en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het proportionaliteitsbeginsel.

Haar vraag om gemachtigd te worden over te gaan tot uitstel van betaling, baseert zij op artikel 1244 B.W. Zij stelt ongelukkig en te goeder trouw te zijn vermits zij slechts over geringe financiële middelen beschikt nu ze haar zelfstandige activiteit heeft stopgezet en ze, samen met haar echtgenoot, moet rond komen met het pensioen van haar echtgenoot.

Eiseres legt stukken voor waaruit blijkt dat haar vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen werd verleend voor de eerste twee kwartalen van 1999, dat het pensioen van haar echtgenoot bruto 370.094 frank per jaar bedroeg in 1999 en dat op dat bedrag geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd was. Voor maart 2000 bedroeg het bruto-pensioen 43.491 frank, waarvan, ingevolge het beslag onder derden, 38.800 frank overbleef.

Er blijkt ook nog een lening bij de Citibank te bestaan.

### 2.2. Stelling van verweerder

Met betrekking tot de vordering tot kwijtschelding van de boetes benadrukt verweerder dat eiseres al een kwijtschelding bekwam tot beloop van de helft van de boetes. Hij vindt voor het overige dat een halvering billijk is.

Wat de vraag tot kwijtschelding van de interest aangaat stelt verweerder dat de bevoegdheid in dat verband exclusief aan de Gewestelijke Directeur is toegekend, met name door artikel 84bis W.BTW.

Bovendien roept verweerder in dat eiseres voordien nooit de kwijtschelding van interest gevraagd heeft, maar integendeel in haar verzoekschrift tot kwijtschelding van boeten van 9 september 1998 zelf stelde de BTW en de interest te zullen betalen bij wijze van afbetaling.

Voorts stelt verweerder dat hij, door interest te vorderen, geen schending heeft begaan van enig beginsel van behoorlijk bestuur.

In verband met de vraag om de schuld te mogen afbetalen, voert verweerder aan dat eiseres reeds een afbetalingsplan was toegekend overeenkomstig haar eigen voorstel maar dat zij dat plan zelf niet nakwam. Volgens verweerder heeft eiseres alleen maar de bedoeling om de zaak in de tijd uit te stellen.

De bevoegdheid zou volgens verweerder overigens exclusief toekomen aan de Gewestelijke Directeur. De scheiding der machten zou een controle door de rechtbanken in de weg staan.

Ook stelt verweerder dat aan de voorwaarden van artikel 1334 van het Gerechtelijk Wetboek niet voldaan is en dat artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek niet toepasselijk is in belastingzaken.

Ten slotte is verweerder van oordeel dat eiseres zich tot een bank- of kredietinstelling kan wenden om aan haar financiële problemen het hoofd te bieden.

### 2.3. Beoordeling

2.3.1. Kwijtschelding van administratieve boetes

Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 W.BTW de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen. In dat verband betwist verweerder de rechtsmacht van de rechtbank niet; de tekst van het tweede lid van artikel 84 W.BTW werd overigens door de wet van 15 maart 1999 gewijzigd.

De rechtbank moet in elk geval deze grondwetsconforme interpretatie toepassen. Bijgevolg is het niet alleen mogelijk te toetsen of de boete in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd. Bovendien is de rechtbank gerechtigd om de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Er werd door het Arbitragehof onder punt 8.13 van het genoemde arrest immers gesteld dat, indien de wetgever van oordeel is dat een ·wettelijk voorziene sanctie door de administratie moet kunnen 'gemoduleerd' worden, in dat geval niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt, aan de controle van de rechter mag kunnen ontsnappen.

In het concrete geval meent de rechtbank dat de boetes zoals ze nog door verweerder gevorderd werden in de bestreden dwangbevelen, in een gepaste verhouding staan tot de gemaakte inbreuken. Door de halvering belopen de boeten met betrekking tot de niet (tijdig) betaalde belasting nog slechts 5 % van de niet-betaalde belastingen. Dat is een billijke verhouding. Ook de boetes voor het niet tijdig indienen van de aangiften, gebracht op telkens 10.000 frank, zijn niet buitenissig. De boete moet hoe dan ook nog een repressief karakter behouden. Zij moet ontrading betrachten in de toekomst. Dat eiseres ondertussen met haar activiteit gestopt is en geen grote financiële middelen heeft, wordt al voldoende gecompenseerd door de vermindering die verweerder heeft toegestaan.

2.3.2. Kwijtschelding interest

De wettelijke interest is niets anders dan een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Interest op een BTW-schuld is op zich een schuld die de belastingplichtige moet betalen.

Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks die schuld kwijt te schelden. De rechtbank kan dan ook alleen nagaan of de beslissing van de administratie (in toepassing van artikel 84, 2 de lid W.BTW) om - wanneer het haar gevraagd werd - niet in te gaan op een vraag tot kwijtschelding van interest gebeurd is binnen de wettelijke beperkingen en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur.

Afgezien van de vaststelling dat eiseres aan verweerder zelf nooit de vraag tot kwijtschelding van de interest gevraagd heeft, en dus geen administratieve beslissing daarover uitgelokt heeft, is de rechtbank van oordeel dat er bezwaarlijk enige schending van het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel of enig andere beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden door van eiseres interest op de BTW-schuld te vorderen die door de wet is voorzien.

Door de vertraging inde betaling van de hoofdsom, is verweerder enerzijds in de onmogelijkheid om het geld aan te wenden. Anderzijds kan die vertraging eiseres helpen om het hoofd te bieden aan andere schuldeisers, die gebeurlijk minder inschikkelijk zijn.

In die omstandigheden gaat de rechtbank niet in op de vordering tot kwijtschelding van interest.

2.3.3. Uitstel van betaling

2.3.3.1.Over de rechtsmacht van de rechtbanken

In weerwil van wat verweerder naar voor brengt, is de rechtbank van oordeel dat het niet uitgesloten is dat hij in fiscale zaken een vraag tot uitstel van betaling beoordeelt.

#### Algemeen

De rechtbanken kunnen de bepalingen van het Burgerlijk en Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het uitstel en gemak van betaling slechts toepassen voor zover een andere wettelijke bepaling hun deze bevoegdheid niet ontneemt (Cass. 13 januari 1972, Pas. 1972, I, 469). Het komt derhalve aan de rechtbank toe te onderzoeken of er geen wetsbepaling is die hem verhindert een vraag tot uitstel van betaling te beoordelen.

Stellen, zoals verweerder, dat artikel 1244 B.W. en artikel 1333 e.v. Ger. Wb. in fiscale zaken zonder meer niet toepasselijk zijn, is dan ook op zich niet correct. De niet-toepasselijkheid van die artikelen kan niet uit de aard van het fiscaal recht op zich komen, maar hoogstens uit een specifieke bepaling die deze artikelen buiten spel zou zetten. In het vermelde arrest heeft het Hof van Cassatie immers onmiskenbaar gesteld dat die artikelen uit het gemene recht in de regel een algemene toepassing moeten kennen.

Het Hof van Cassatie had vroeger zelfs al erkend dat als algemeen beginsel geldt dat alle regels van gemeen recht, ficties inbegrepen, toepasselijk zijn op het fiscaal recht, voor zover het fiscaal recht er niet zelf anders over beschikt (Cass. 9 juli 1931, Pas., 1931, I, 218).

Voor het gerechtelijke recht volgt dat tegenwoordig uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek dat luidt :

> *"De in dit wetboek gestelde regels zijn van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek."*

De rechtbank ziet niet in op welk vlak het Gerechtelijk Wetboek en het BTW-wetboek in verband met uitstel en gemak van betaling onverenigbaar zouden zijn. Het BTW-wetboek sluit nergens voor de rechtbanken de mogelijkheid uit om betalingsfaciliteiten te verlenen.

Ook de aard van het fiscaal recht is op dat vlak niet bijzonder. Een belastingschuld kan dan wel bij wet bepaalde voorrechten genieten, toch wordt door het toekennen van betalingsfaciliteiten geen afbreuk gedaan aan die voorrechten.

Verder gaand in de zoektocht naar de wetsbepalingen die hem zou verhinderen een vraag tot uitstel van betaling te beoordelen, ontmoet de rechtbank het argument dat de algemene regeling van de eisbaarheid en invordering van de belastingen zou plaats vinden onder de exclusieve aansprakelijkheid van de fiscale ambtenaren. Vooreerst, wat de verantwoordelijkheid van de rekenplichtigen (zoals de ontvangers) aangaat, wijst de rechtbank erop dat ontvangers, geconfronteerd met een vonnis dat uitstel van betaling toekent, bezwaarlijk persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn wanneer de Staat door dat uitstel van betaling naast bepaalde gelden grijpt. De ontvanger is in dat geval steeds ingedekt door het vonnis, althans in de mate dat hij de uitvoering ervan naar behoren doet opvolgen.

Verder is dat standpunt niet in overeenstemming te brengen met de tekst van artikel 144 van de Grondwet dat aan de burger het recht verleent om zich tot de rechtbanken te wenden wanneer hij zich in zijn burgerlijke rechten geschaad acht. Ook wanneer het om de opeisbaarheid en invordering van belasting gaat, is er sprake van de behandeling van een burgerlijk recht. Het is dan niets anders dan een 'geschil over de toepassing van een belastingwet', waarvoor artikel 569, 32 Ger. Wb. de bevoegdheid aan de rechtbank van eerste aanleg verleent.

Zeker in het geval waarin de belastingplichtige aan de administratie uitstel van betaling had gevraagd, is het mogelijk om de beslissing in dat verband die door de administratie genomen werd (en waarover per hypothese een geschil bestaat) ter beoordeling aan de rechtbank voor te leggen.

De rechtbank kan die beslissing dan zowel toetsen aan de wettelijkheid als aan de beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het evenredigheidsbeginsel).

Nu de rechtbank geen beletsels aantreft om in het fiscaal recht de gemeenrechtelijke principes met betrekking tot uitstel van betaling te hanteren, komt het er nog op aan na te gaan welke die principes zijn.

**Artikel 1244 B.W.**

Minstens is artikel 1244 B.W. toepasselijk.

Het tweede lid van artikel 1244 B.W.luidt als volgt :

> *"De rechter kan, niettegenstaande ieder andersluidend beding, met inachtneming van de toestand der partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en erbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel verlenen voor de betaling en de vervolgingen doen schorsen, ook wanneer de schuld blijkt uit een andere authentieke akte dan een vonnis".*

Het feit dat artikel 1244 B.W. ondergebracht is in het Burgerlijk Wetboek en zelfs onder de titel 'Contracten en verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen' laat niet toe te besluiten dat het artikel alleen toepasselijk kan zijn wanneer er sprake is van een betaling die uit een overeenkomst voortvloeit. Als algemeen beginsel geldt immers dat alle regels van gemeenrecht, ficties inbegrepen, toepasselijk zijn op het fiscaal recht, voor zover het fiscale er niet zelf anders over beschikt (Cass. 9 juli 1931, zie hoger).

Uit de wetshistoriek van artikel 1244 B.W. blijkt trouwens dat de wetgever in 1807 een einde heeft willen stellen aan de macht van de koning uit het ancien regime om sommige schuldenaars voordelen te geven, ten nadele van hun schuldeisers. Er werd wel degelijk stil gestaan bij de idee dat de belangen van de schuldeiser niet mogen veronachtzaamd worden. De overeenkomst geldt - tussen de partijen- immers als wet en de wet moet worden nageleefd. De rechters, aan wie voortaan de macht werd geboden om uitstel van betaling te verlenen (délai de gráce) konden (en kunnen) dat slechts doen uit humaniteitsoverwegingen en zonder schade toe te brengen aan de schuldeiser (zie LAURENT, Principes de droit civil, Bruylant, Brussel 1875, deel 17, nr. 570, p. 559).

De aanmaning tot omzichtigheid en tot gematigdheid die terug te vinden is in artikel 1244 B.W. dwingt de rechters dan ook tot voldoende respect voor de 'wet' die de overeenkomst geacht wordt te zijn (art. 1134, 1 ste lid B.W.). Wanneer het, zoals in het fiscaal recht, gaat om een verbintenis die ontstaat uit de wet, is er in wezen geen enkele reden om artikel 1244 B.W. van die verbintenis uit te sluiten. Artikel 1244 B.W. is immers evenzeer gebaseerd op het principe dat de schuldeiser recht heeft op betaling, als zou die betaling aan de schuldenaar zijn opgedrongen door de wet. De wetgever heeft, door uitstel van betaling mogelijk te maken, zeker niet bedoeld om verbintenissen uit overeenkomst een minder opeisbaar of inbaar karakter te verlenen dan verbintenissen die rechtstreeks uit een formele wet voortvloeien.

Vermits artikel 1244 B.W. uitdrukkelijk stelt dat er van zijn bepalingen door geen enkel beding kan van afgeweken worden (ook niet na het opeisbaar worden van de schuld) heeft de wetgever te kennen gegeven dat artikel 1244, 2 de lid B.W. van openbare orde is.

In de mate deze overwegingen leiden tot de confrontatie van twee principes van openbare orde, namelijk dat uit artikel 1244 B.W. en dat van de toepassing van het fiscaal recht, is er niet noodzakelijk een conflict : de openbare orde kan er belang bij hebben dat de fiscale verbintenissen van een belastingplichtige niet leiden tot zijn sociale uitsluiting.

**Artikelen 1333 en 1334 Ger. Wb.**

De mogelijkheid om uitstel van betaling te bekomen wordt ook voorzien in de artikelen 1333 en 1334 van het Gerechtelijk Wetboek. Die artikelen zijn in principe van algemene strekking.

Artikel 1333 bepaalt in zijn eerste lid :

> *"In de gevallen waarin de rechtbanken uitstel kunnen verlenen voor het ten uitvoer leggen van hun beslissingen, doen zij dit in het vonnis zelf dat uitspraak doet over het geschil dat voor hen aanhangig is"*.

Dat artikel laat toe, wanneer een vonnis een schuld vaststelt, om voor die schuld uitstel van betaling te verlenen. Om daarop een uitzondering te kunnen maken in fiscale zaken, zou al een bepaling moeten bestaan die voor die zaken de voorlopige tenuitvoerlegging verbiedt. Hoger is al gebleken dat er geen dergelijk verbod bestaat.

Artikel 1334 luidt als volgt :

> *"Wanneer de tenuitvoerlegging of het beslag plaatshebben krachtens een andere authentieke akte dan een vonnis, moet de aanvraag tot het verkrijgen van uitstel bedoeld in artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, op straffe van verval gedaan worden binnen vijftien dagen te rekenen van het bevel of, indien er geen reden lot bevel was, van de betekening van de eerste akte van beslag aan de schuldenaar"*.

Verweerder roept in dat aan de voorwaarden van dat artikel niet voldaan is.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit artikel hier niet toepasselijk. Het dwangbevel is (na uitvoerbaarverklaring) een uitvoerbare titel op grond waarvan de administratie beslag op roerend en onroerend goed kan leggen. Dat maakt evenwel van het dwangbevel nog geen 'authentieke akte'. Het dwangbevel is immers slechts een eenzijdige akte, uitgaande van de BTW-administratie, die de vordering incorporeert volgens de inzichten van de administratie. De belastingplichtige kan die inzichten aanvechten door verzet aan te tekenen.

Aldus is de belastingplichtige niet gebonden aan de vervaltermijn van 15 dagen, ook al is het dwangbevel een bevel dat de weg voor een beslagprocedure opent.

2.3.3.2. Concrete toepassing

De rechtbank onderzoekt in onderhavig geval de beslissing die verweerder genomen heeft met betrekking tot het verzoek dat hem was gedaan door eiseres. Bovendien past de rechtbank artikel 1244 B.W. toe.

Hoewel eiseres destijds zelf gevraagd heeft om te mogen afbetalen per maandelijkse schijf van 8.000 frank per maand, blijkt uit de voorgelegde stukken dat het beschikbaar inkomen van het gezin van eiseres onvoldoende was om een dergelijke last aan te kunnen. Het mag dan ook niet verwonderen dat eiseres vanaf januari 1999 niets meer betaalde.

Voorts mag worden aangenomen dat eiseres te goeder trouw is. Zij had kennelijk slechts geringe inkomsten als exploitante van een volkscafé; ze stopte toen de handelshuurovereenkomst ten einde was (mei 1999). Er moet niet verondersteld worden dat eiseres, die toen blijkbaar 50 jaar was, goeie kansen maakt op de arbeidsmarkt. Haar echtgenoot is blijkbaar pensioengerechtigd; het kan hem bezwaarlijk verweten worden dat de man op pensioen gaat.

Rekening gehouden met deze elementen en het feit dat de interest loopt, terwijl verweerder gedwongen kan uitvoeren op het pensioen van de echtgenoot van eiseres, terwijl de schuldvordering van verweerder niet overdreven is, gaat de rechtbank in op de vordering tot machtiging tot afbetalen.

Gelet op het uitzonderlijk karakter van het uitstel van betaling, wordt de machtiging aan eiseres evenwel slechts verleend op voorwaarde dat de afbetaling stipt elke maand gebeurt, uiterlijk tegen de vijfde werkdag van de maand en met het gebruikelijke opeisbaarheidsbeding zoals weergegeven in de uitspraak hieronder. De afbetaling moet ten laatste aanvangen in februari 2002.

Om praktische redenen verkiest de rechtbank het bedrag uit te drukken in euro. De minimale maandelijkse afbetaling wordt bepaald op 75 euro.

*3. De gerechtskosten*

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.

*4. Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Hiervoor werd al duidelijk gemaakt dat er geen reden is om aan te nemen dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger. Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad, die hier alleen. verband houdt met de mogelijkheid om af te betalen, wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden. Vermits de rechtbank niet tot enige betaling veroordeelt, lijkt het kantonnement zelfs niet aan de orde zodat de vordering in dat verband zonder voorwerp en dus ongegrond is.

### Dispositif

## IV.UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.**

**De rechtbank machtigt eiseres om de BTW-schuld jegens verweerder af te betalen aan vijfenzeventig (75) euro per maand, ten laatste tegen de vijfde dag van elke maand tot volledige aanzuivering van de schuld. Verstaat dat deze machtiging tot afbetaling vervalt zodra eiseres één maal minstens één volle maand vertraging oploopt bij de afbetaling, in welk geval het verweerder zal toegelaten zijn het volledig saldo in één keer in te vorderen.**

De rechtbank verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, zodat die kosten niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hen zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden ingesteld en zonder dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **achttien december tweeduizend en één**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**

**Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit VONNIS ten uitvoer zullen leggen;**

**Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;**

**Ten blijke waarvan dit VONNIS is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.**

**Voor eensluidende UITGIFTE, afgeleverd aan Federale Overheidsdienst FINANCIEN.**

**De griffier,**

**L. G.**
