---
title: "20 novembre 2007 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Gand (Belgique), 20 novembre 2007."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2007-11-20-a0ea"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

20 novembre 2007

## Parcours procédural

2 étapes · 3 ans

1. Décision affichée Cour d'appel de Gand 20.11.2007
2. [Décision sur pourvoi Cour de cassation de Belgique 10.12.2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-opposition-rejet-appel-conditions-cassation-bruxelles-2010-12-10-29a1)

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

71 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 20.11.2007

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer – terechtzitting van 20-11-2007**

Nr. **2003/AR/1591**

in de zaak van :

**K. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, onder het nummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. K. A. loco mr. **S. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-kantoor te Roeselare, wiens kantoor gevestigd is te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. M. A.** loco mr. **D. C.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 18.2.1998 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) tegen haar uitgevaardigd door **L. B.**, eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, op 27.1.1998; geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5.2.1998 door **R. D.**, directeur, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante: een bedrag van … BEF (… EUR) als belasting over de toegevoegde waarde + … BEF (… EUR) als .geldboete wegens niet-tijdige betaling van de BTW + … BEF (…) als geldboete wegens overtredingen opgenomen in het aan het dwangbevel bijliggend proces-verbaal, hetzij in totaal … BEF (… EUR), meer de intrest aan 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.1997, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ingevolge [artikel 91, § 4 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), de vervolgingskosten.

Voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk vorderde de appellante in hoofdorde dat de zaak zou worden uitgesteld tot de strafrechter uitspraak deed in een strafzaak lastens zekere **R. H.** e.a., en in ondergeschikte orde vorderde zij de vernietiging van het bestreden dwangbevel, in meer ondergeschikte orde de kwijtschelding of minstens een gevoelige vermindering van de opgelegde boete.

Bij vonnis van 19.5.2003 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, tweede kamer, werd het verzet van de appellante ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard, en. werd het dwangbevel hervormd in die mate dat de appellante verschuldigd is aan de geïntimeerde :

• als BTW : … BEF (… EUR)

• als geldboete in toepassing van [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) : … BEF (… EUR)

• als geldboete in toepassing van [artikel 70, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) wegens het niet voorleggen van de verkoopcontracten : … BEF (… EUR)

• de intrest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.1.1997

• de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel

• de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 7.7.2003 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis. Met dit hoger beroep streeft de appellante de vernietiging van het bestreden vonnis na, en de toekenning van haar vordering zoals geformuleerd voor de eerste rechter.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De geïntimeerde voert aan dat het hoger beroep onontvankelijk is in toepassing van [artikel 92 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92) omdat de appellante de verschuldigde sommen niet in consignatie heeft gegeven binnen de wettelijke termijn, ondanks verzoek daartoe van de bevoegde rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare op 10.5.2004. Minstens acht de geïntimeerde het hoger beroep ongegrond.

2.

a.

Artikel 97, eerste lid, tweede gedachtestreep, van de wet van 15.3.1999, bepaalt dat voor zover zij de procedureregels wijzigen de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing zijn op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

De door de geïntimeerde gevorderde schuld heeft betrekking op belastbare handelingen verricht in de periode gaande van 1.1.1993 tot 31.12.1996. De oorzaak van eisbaarheid heeft zich derhalve voorgedaan vóór 1.1.1999.

De versie van [artikel 92 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92) zoals tot stand gebracht bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999 is dan ook niet van toepassing, wel het [artikel 92, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92), in zijn versie van vóór de vervanging bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999. Deze toepasselijke bepaling luidt als volgt :

> "
>
> Wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek, dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.".

Per aangetekende brief van 10.5.2004 verzocht de bevoegde rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare om consignatie van het bedrag van … EUR (stuk 33 van de geïntimeerde) als verschuldigd krachtens het vonnis. Het verzoek tot consignatie wordt als volgt gemotiveerd :

> "
>
> Het verzoekschrift tot hoger beroep brengt geen enkel argument naar voor waarover de eerste rechter niet reeds heeft beschikt. Ook de vraag tot uitstel van de zaak tot er een uitspraak in de strafzaak zou zijn gebeurd werd voldoende weerlegd door de eerste rechter.
>
> In deze strafzaak heeft de correctionele rechtbank van Kortrijk trouwens op 28 oktober 2003 een uitspraak gedaan. De feiten ten overstaan van alle betichten werden grotendeels bewezen verklaard.
>
> Het door u ingestelde hoger beroep in het algemeen heeft dan ook duidelijk een dilatoir karakter.
>
> Gezien de rechten van de Schatkist in gevaar kunnen komen ingevolge uw handelwijze, gelet op de grootte van de globale schuld van BTW en daar u geen onroerende goederen bezit ter waarborg, en gelet op het voorgaande zie ik mij genoodzaakt de belangen van de Schatkist te vrijwaren. Deze rechten van de Schatkist kunnen aldus op geen enkele andere manieren in dezelfde mate veilig gesteld worden dan door de toepassing van [artikel 92 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92)."

Het wordt niet betwist dat de appellante niet tot consignatie is overgegaan.

De verplichting tot consignatie wordt in [artikel 92, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92) afhankelijk gesteld van een verzoek hiertoe door de bevoegde ambtenaar, terwijl er geen wettelijke bepaling kan gevonden worden die deze ambtenaar verplicht dit verzoek tot consignatie te formuleren. Wanneer de betrokken ambtenaar, gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid dienaangaande, beslist dergelijk verzoek tot consignatie aan de belastingschuldige toe te sturen, neemt hij een bestuurshandeling die geschraagd dient te zijn door juridische en feitelijke overwegingen die afdoende moeten zijn (artikel 3 van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen).

Het Hof is bevoegd om in toepassing van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet (voorheen artikel 107 van de Grondwet) te onderzoeken of vermelde beslissing van. de bevoegde ambtenaar wettelijk is en onder meer te dezen of de door de bevoegde ambtenaar in de brief van 10.5.2004 aangehaalde motieven afdoende zijn, m.a.w. dat de genomen beslissing voldoende door de motivering wordt gedragen. De administratie dient rekening te houden met de concrete gegevens van de zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige (vergelijk met [Cass. 3.1.2003](https://juriel.be/fr/jurisprudence/opposition-contrainte-droit-interjeter-appel-cassation-bruxelles-2003-01-03-8f50), Pas. 2003, nr. 6 p.26).

De bepaling van [artikel 92, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92) strekt er niet alleen toe de rechten van de Schatkist veilig te stellen tegen dilatoire beroepen (vergelijk Arbitragehof 18.11.1992, nr. 73/92 - punt B.7; Arbitragehof 10.06.1993, nr. 43/93 - punt B.8.2.;Arbitragehof 06.06.1995 nr. 44/95 - punt B.4., www.arbitrage.be ), maar ook deze rechten veilig te stellen wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn (vergelijk met Cass. 20.1.2005, Pas. 2005, nr. 41 p. 162).

b.

De ontvanger kon niet wettig afleiden uit de vaststelling dat geen nieuwe argumenten in graad van hoger beroep werden aangevoerd dan de argumenten in eerste aanleg, dat het hoger beroep een dilatoir karakter had. De appellante heeft het recht dezelfde argumentatie als in eerste aanleg te onderwerpen aan het oordeel van de rechter in hoger beroep, die omtrent de reeds aangevoerde argumentatie een andere mening kan zijn toegedaan dan de eerste rechter, en is niet verplicht nieuwe of andere argumenten aan te voeren (ongeacht de mogelijkheid van de appellante om later in de loop van de procedure in hoger beroep toch nog bijkomende middelen aan te voeren).

De ontvanger kon evenmin wettig het dilatoir karakter van het hoger beroep afleiden uit de vaststelling dat de correctionele rechtbank te Kortrijk uitspraak had gedaan op 28.10.2003 en de feiten ten overstaan van alle betichten grotendeels bewezen werden verklaard. In dit vonnis (zie het stuk 5 van de appellante) werd de vordering van de FOD Financiën als burgerlijke partij ongegrond verklaard tegen de appellante, terwijl ook hoger beroep tegen dit correctioneel vonnis werd aangetekend (zie het eindarrest van het Hof van Beroep te Gent van 6.4.2006, stuk 7 van de appellante).

In het verzoek om consignatie wordt ook gesteld dat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, gelet op de grootte van de BTW-schuld en het feit dat de appellante geen onroerende goederen bezit. De appellante bevestigt dat zij geen onroerende goederen bezit (zie p.10 onderaan van haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 11.7.2007). Deze omstandigheden zijn inderdaad van aard te doen vrezen dat de rechten van de Schatkist in gevaar kunnen zijn. Door ze aan te halen wordt er op gewezen dat de omvang van de schuld de noodzaak impliceert van een zekerheid tot betaling van die schuld, terwijl een dergelijke zekerheid hier concreet niet kan gevonden worden in de aanwezigheid van onroerende goederen eigendom van de appellante (en waarop de Schatkist een hypotheek kan nemen, [artikel 86](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-86) en [88](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-88) BTW-wetboek). Reagerend op het verzoek tot consignatie heeft de appellante via brief d.d. 25.5.2004 van haar raadsman (stuk 34) voorgehouden dat zij, gelet op haar financiële situatie, de schuld onmogelijk kon consigneren. Deze beweerde slechte financiële situatie wordt echter louter gesteund op het feit dat de appellante geen onroerende goederen bezit. Nadere toelichting (en bewijs) omtrent de financiële toestand van de appellante wordt niet geleverd. Aldus wordt aan de administratie geen enkele waarborg verschaft dat zij haar schuld zal kunnen innen indien het verhaal van de appellante geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, terwijl niet uitgesloten was dat de appellante wel over de middelen beschikte om de schuld te voldoen. Er was dan ook reden om te vrezen voor de rechten van de Schatkist, en het verzoek om consignatie werd dan ook afdoende gemotiveerd zoals aangehaald.

Het bedrag waarvan de administratie consignatie vroeg is dit verschuldigd volgens het vonnis van de eerste rechter, zoals wettelijk is voorzien ([artikel 92, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92)).

De verwijzing door de appellante naar het vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 28.10.2003 en het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6.4.2006 is niet nuttig. Deze beslissingen rechtvaardigen niet dat de appellante niet consigneerde of aan de administratie geen andere waarborg verschafte ter vermijding van de consignatie. De in het correctioneel vonnis opgenomen bedragen zijn enkel deze die uit de tijdens deze procedure voorliggende stukken konden gehaald worden, terwijl het Hof van Beroep zelfs stelde dat het "aan de hand van de gegevens van het strafdossier", d.i. opnieuw slechts met de tijdens die procedure voorliggende stukken onmogelijk is om de omvang van de niet in de kasboeken opgenomen contracten. te bepalen. Ten onrechte stelt de appellante dat uit het arrest van het Hof van Beroep te Gent moet gehaald worden dat hetgeen de administratie vorderde bij dwangbevel (helemaal) niet kon worden verantwoord.

Aan de appellante werd een belangrijke administratieve proportionele boete opgelegd van oorspronkelijk 200 % van de BTW, door de eerste rechter herleid tot de nog steeds belangrijke proportionele boete van 50 % van de BTW. Deze boete is te beschouwen als een strafvervolging in de zin van artikel 6.1 EVRM, zodat deze bepaling hier van toepassing is (vergelijk met EHRM dd. 25.9.2007, inzake van Loncke tegen België (verzoekschrift nr. …), cijfer 41, vindplaats www.echr.coe.int/echr ).

In zoverre de appellante aanvoert dat het verzoek tot consignatie strijdig is met artikel 6 EVRM·dat aan de belastingplichtige een eerlijk proces garandeert, moet worden vastgesteld dat hier niet vaststaat dat het verzoek tot consignatie de appellante verhinderde het door haar gewenste proces in hoger beroep te voeren. Inzonderheid blijkt niet dat zij niet over de financiële middelen beschikte om aan de administratie de nodige waarborgen van betaling van de schuld te verschaffen en dat aan de appellante hierdoor het recht op een eerlijk proces werd ontzegd.

Indien kan aangenomen worden dat in bepaalde omstandigheden aan de belastingplichtige die niet over de financiële·mogelijkheden beschikt om te voldoen aan het verzoek tot consignatie, hem door het verzoek tot consignatie het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6.1 EVRM wordt ontzegd en dit strijdig is met artikel 6.1 EVRM (vergelijk met EHRM d.d. 25.9.2007, reeds aangehaald, in het bijzonder cijfers 48 tot 52), blijkt hier helemaal niet dat de appellante in die mate niet over financiële middelen beschikte dat haar de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen werd ontzegd ingevolge het verzoek tot consignatie (vergelijk met hetzelfde arrest, cijfer 51). De enkele bewering van de appellante omtrent haar gebrek aan financiële middelen is ontoereikend om zulks aan te nemen.

In dit verband dient er ook op gewezen dat, wanneer de administratie in het verzoek tot consignatie aanvoert dat er geen onroerende goederen zijn, dit enkel is omdat dergelijke goederen haar een waarborg kunnen geven die thans ontbreekt, wat niet inhoudt dat hieruit de ontoereikende solvabiliteit van de appellante zonder meer kan en moet afgeleid worden.

Gelet op hetgeen voorafgaat was het verantwoord en redelijk de consignatie van dit bedrag te vorderen, anders dan door de appellante verdedigd, en was het verzoek tot consignatie afdoende gemotiveerd.

Nu geen consignatie gebeurde, dient het hoger beroep te worden afgewezen als onontvankelijk in toepassing van [artikel 92, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92).

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, als volgt begroot, in de mate waarin deze kosten zijn opgegeven door de betrokken partijen :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in burgerlijke zaken, op **TWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Textes cités

5

[CTVA art. 92](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-92) 8 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 86](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-86) 1 occurrence

[CTVA art. 88](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-88) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2003-02-04-855b) 4 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2009-10-20-055a) 3 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle, poursuite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-cour-appel-anvers-2007-06-16-17fd) 3 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-10-14-2758) 3 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2006-04-5a7e) 3 dispositions communes

[Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-cour-appel-anvers-2008-03-08-7cb6) 3 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, champ d'application](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2006-10-03-c02e) 3 dispositions communes

[Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2002-10-01-c343) 3 dispositions communes
