---
title: "28 juin 2005 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 juin 2005."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2005-06-28-004e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 juin 2005

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

60 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.06.2005

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 28-06-2005**

## BELASTINGEN

Nr. **2001/AR/595**

in de zaak van :

**M. W.**, wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. A. J.**, advocaat te … (…), …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, voor wie optreedt de E.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoor gevestigd is te 9620 ZOTTEGEM, G. Schockaertstraat 4,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **P. M.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29.4.1998 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde teneinde te horen zeggen voor recht dat nietig is, onwettelijk en ongegrond en minstens zonder uitvoering moet blijven: het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **W. H.**, eerstaanwezend inspecteur van het BTW­ontvangkantoor te Zottegem, op 30.3.1998 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **J. V.**, e.a. inspecteur te Zottegem 2 aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent, op 31.3.1998.

In dit dwangbevel werd vastgesteld als schuld lastens de appellant : een bedrag van 339.314 BEF (8.411,37 EUR) aan BTW, een bedrag van 678.628 BEF (16.822,75 EUR) als geldboete ingevolge [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), een bedrag van 113.904 BEF (2.823,61 EUR) als intresten berekend tot 20.4.1998, meer de intrest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.10.1994, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge [artikel 91, § 4 BTW­wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91), de vervolgingskosten

Bij vonnis van 8.21999 van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk verklaard en werd de procedure opgeschort tot na definitieve afwikkeling van het verzet van de drankenleverancier tegen de hem opgelegde bijkomende rechten en boeten en waarin hij bepaalde bekentenissen betwist.

Bij vonnis van 18.12.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, werd de vordering van de appellant ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de motieven in het vermelde tussenvonnis. De eiser werd tot de kosten veroordeeld.

Dit laatste vonnis werd betekend aan de appellant bij gerechtsdeurwaardersexploot van 21.2.2001 (stuk I.6 van de geïntimeerde).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 12.3.2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis van 18.12.2000 (de vermelding in het verzoekschrift dat het vonnis gewezen werd op 19.12.2000 is kennelijk een vergissing).

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellant vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en dat zou gezegd worden voor recht dat zijn verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond is, tevens dat het dwangbevel nietig, onwettelijk en ongegrond is, minstens zonder uitvoering moet blijven.

De geïntimeerde van zijn kant vordert de bevestiging van het bestreden vonnis

2\. De appellant voert aan dat het dwangbevel nietig is omdat het werd uitgevaardigd door een eerstaanwezend inspecteur en niet door een ontvanger.

[Artikel 85, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) bepaalt dat bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de *"met de invordering gelaste ambtenaar"* een dwangbevel wordt uitgevaardigd.

De met de invordering gelaste ambtenaar is de eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, te dezen van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, die wel degelijk bevoegd was. Sinds het in voege treden op 1.7.1997 van het KB van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+ (B. St. 31 juli 1997), draagt de met invordering gelaste ambtenaar de graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur (zie artikel 1, § 1 van dit KB dat de graad van eerstaanwezend inspecteur opricht, artikel 1, § 2 van dit KB dat de graad van ontvanger schrapt, en artikel 3, § 1 van dit KB dat voorziet dat de vroegere ontvangers ambtshalve worden benoemd in de graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur; zie ook de BTW-commentaar nr. 85/386).

Het dwangbevel werd uitgevaardigd op 30.3.1998, hetzij na de inwerkingtreding van het vermeld KB van 6.7.1997.

De appellant kan dan ook niet in zijn stelling worden gevolgd.

3\. Uit de door de geïntimeerde voorgelegde stukken blijkt dat de NV **D. H.** een systeem van niet-officiële leveringen had opgezet. Meer bepaald laat onder meer het proces-verbaal van 20.8.1997 van de BBI (deel van stuk 1 van de geïntimeerde) hierover geen twijfel bestaan.

In dit proces-verbaal is de verklaring opgenomen van **R. H.**, gedelegeerd-bestuurder van de NV **D. H.**, waarin hij het systeem uiteenzet. In deze uiteenzetting maakt hij onderscheid tussen aan de ene kant de verkoop van bakken (aan twee klanten-groothandelaars), en aan de andere kant de verkoop van vaten (voornamelijk aan caféhouders).

Omtrent deze laatste soort verkopen stelt hij : *"Wat de verkopen van vaten betreft, is het systeem enigszins anders. Deze afnemers zijn voornamelijk café-houders. De levering werd eveneens opgesplitst in een deel officieel en een ander deel niet­officieel. Er werden telkens twee verzendingsnota's en twee facturen opgesteld. Het niet-officiële gedeelte werd gefactureerd op naam van een particulier met klantnummer …. De nummers van de verzendingsnota's volgden mekaar op.*

*De betalingen gebeurden in beide gevallen steeds kontant."*

Hoewel omtrent de identiteit van de afnemers met wie het systeem van de valse facturen werd toegepast door **R. H.** mededelingen werden gedaan (zie het proces-verbaal van de BBI d.d. 20.8.1997, vijfde blad, nr. 2.6.2. - deel van stuk 1 van de geïntimeerde) blijkt uit niets dat de appellant nominatim als dergelijke afnemer door hem werd aangewezen. Uiteraard is het gegeven dat volgens de geïntimeerde 75 % van de in fraude betrokken personen een akkoord sloten met de administratie en toegaven te hebben gefraudeerd geen bewijs van fraude in hoofde van de appellant. Uit vroegere inregelstellingen van de appellant blijkt wel dat hij fraude niet schuwt, maar op zich is dit evenmin toereikend om te stellen dat hij heeft gefraudeerd voor de thans door de geïntimeerde aangegeven bedragen.

Uit het proces-verbaal van 20.8.1997 (deel van stuk 1 van de geïntimeerde) blijkt dat er voor de valse facturen qua adressering twee systemen bestonden.

Aan de ene kant werd gefactureerd op naam en adres van een particulier die in de BTW-bestanden niet gekend was als handelaar (tweede blad van het proces­verbaal, punt 2.3.1.). Op de vraag wie de valse namen en adressen verzon, antwoordde **R. H.** dat het de klanten zelf waren die de valse gegevens doorspeelden en de cafébaas soms zelfs een lijst opgaf met valse namen (vierde blad van het proces-verbaal, tweede paragraaf).

Aan de andere kant werd gefactureerd met de vermelding "Diversen" of "Particulier Verkoop", met als adres de administratieve zetel van de leverancier, met het nummer … als klantnummer vanaf 1.1.1994 en het nummer … tot 31.12.1993 (tweede blad van het proces-verbaal, punt 2.3.2.). Omtrent dit soort valse facturen werd verduidelijkt door **R. H.** dat het globale facturen zijn die meerdere leveringen dekken aan verscheidene afnemers (vijfde blad van het proces-verbaal, punt 2.6.2.).

Bij nazicht van de bij het proces-verbaal van 26.3 1998 gevoegde facturen (stuk 2 van de geïntimeerde) en vergelijking met de facturen gericht aan de appellant voor het jaar 1993 en voorgelegd door de geïntimeerde als bewijsstuk 13, blijkt niet afdoende dat de als vals aangemerkte facturen en de officiële facturen bij elkaar horen en de als vals gekwalificeerde facturen in werkelijkheid betrekking hebben op leveringen gedaan aan de appellant.

Voor de facturen nrs. … en … blijkt de datum van levering overeen te stemmen met de door de geïntimeerde als overeenkomstig aangemerkte facturen De factuurnummers volgen ook elkaar op. Er is voor die facturen echter geen overeenstemming te vinden wat de er in vermelde producten betreft.

Voor wat de overige facturen betreft is er geen overeenstemming wat de leveringsdata betreft en is er ook geen opeenvolging van factuurnummers. Dat in de ene soort facturen bepaalde soorten drank voorkomen die in de andere facturen ook voorkomen is te dezen bij gebrek aan duidelijker overeenstemmingspunten ontoereikend om tot het besluit te leiden dat het allen leveringen betreft aan de appellant. Er kan niet zonder meer gesteld worden dat bepaalde dranken zo weinig frequent voorkomen bij leveringen aan cafés dat ze te dezen kenmerkend zijn voor leveringen aan de appellant.

Er mag verder aangenomen worden dat een groothandel van bieren en frisdranken (zoals de NV **D. H.**) dagelijks leveringen doet, op vele plaatsen en tijdstippen. In die omstandigheden geeft ook geen uitsluitsel van de beweerde fraude door de appellant het feit dat bij de leverancier als vals aangemerkte facturen konden gevonden worden en ook een factuur van (meestal) een levering per maand aan de appellant. Daarmee staat niet vast dat ze allen betrekking hebben op leveringen aan de appellant.

Voor het jaar 1994 worden door de geïntimeerde geen officiële facturen voorgelegd waarmee desgevallend met de als vals aangemerkte facturen zou kunnen vergeleken worden en uitgemaakt worden of deze laatste wel betrekking hebben op leveringen aan de appellant zoals de geïntimeerde voorhoudt.

Zo bepaalde gegevens aangehaald door de geïntimeerde wel in de richting van fraude van de appellant in samenwerking met zijn leverancier wijzen, blijkt echter hoe dan ook niet afdoende welke bedragen aan BTW hij dan wel ontdoken zou hebben. De geïntimeerde faalt minstens op dit punt in haar bewijslast.

### Dispositif

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart.

Verklaart gegrond het verzet van de appellant tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **W. H.**, eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, op 30.3.1998 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **J. V.**, e.a. inspecteur te Zottegem 2 aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent, op 31.3.1998.

Vernietigt dit dwangbevel.

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

Begroot deze kosten in hun geheel als volgt :

\- aan de zijde van de appellant : op 225,56 EUR dagvaarding en rolstelling + 304,91 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 59,49 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + 185,92 EUR rolrecht beroep + 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 1.251,84 EUR;

\- aan de zijde van de geïntimeerde : op 304,91 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 780,87 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, op **ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF**.

Aanwezig de Heren :

**G. T.**, Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.**

## Textes cités

3

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 3 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 3 dispositions communes

[Droit de déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-developpement-cour-appel-anvers-2026-01-06-1ac3) 3 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 3 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 3 dispositions communes

[Dette de TVA, Bâtiment, Terrain, immeuble bâti](https://juriel.be/fr/jurisprudence/dette-tva-batiment-terrain-immeuble-tribunal-2025-12-15-9aee) 3 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 3 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 3 dispositions communes
