---
title: "17 septembre 2013 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel de Bruxelles"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 17 septembre 2013."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-bruxelles-2013-09-17-8467"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

17 septembre 2013

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

144 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêet de la Cour d'Appel de Bruxelles du 17.09.2013

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Kamer 6B na beraad spreekt het volgend arrest uit :**

**EINDARREST**

AR Nr. **2010/AR/1336**

INZAKE VAN :

**V. Z. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

**appellante,**

vertegenwoordigd door meester **H. V.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW­Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door meester **A. v. L. d. J.**, advocaat te …, ….

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit.

## De procedure

Deze zaak is voor dit hof gekomen na cassatie op 11 maart 2010 van een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 mei 2008. Het arrest werd op verzoek van appellante aan geïntimeerde betekend met inleidende zitting voor dit hof op 28 mei 2010.

Bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 1385decies Ger. W. neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, gericht tegen de Belgische Staat, vorderde NV **H. V. Z.** de vernietiging van het dwangbevel van 15 december 2004 uitgevaardigd door de heer eerstaanwezend inspecteur bij het BTW-ontvangkantoor Hasselt 2 **D. S.**, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2004, betekend aan NV **H. V. Z.** bij aangetekende brief van 17 december 2004 uitgaande van het BTW-ontvangkantoor Hasselt 2, gebaseerd op het proces-verbaal inzake BTW van 25 november 2004, waarin de volgende bedragen gevorderd worden van NV **H. V. Z.** :

\- 86.241,02 € als BTW;

\- 172.480 € als geldboete krachtens artikel 70, § 1bis W.BTW;

\- interesten aan 0,8 % per maand over de niet-tijdig betaalde BTW vanaf 21 december 2001;

\- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 W.BTW;

\- de vervolgingskosten.

Tevens vorderde NV **H. V. Z.** de terugbetaling te bevelen van alle bedragen wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel geïnd. Zij vorderde de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding.

De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt verklaarde bij vonnis van 4 april 2007 de vordering van de NV **H. V. Z.** ontvankelijk en deels gegrond. Meer in het bijzonder werd de opgelegde geldboete verminderd tot 20 % van de gevorderde BTW.

De partijen werden bij helften veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding, begroot op 182,20 € rechtsplegingvergoeding.

NV **H. V. Z.** tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen van 4 december 2007. Zij wordt derhalve ook verder in huidig arrest aangeduid als "appellante".

Zij hernam voor dit hof te Antwerpen haar oorspronkelijke vordering en stelde voor aan het Europees Hof van Justitie een door haar geformuleerde prejudiciële vraag te stellen.

De Belgische Staat, verder in dit arrest als "geïntimeerde" aangeduid, vorderde de vernietiging van het eerste vonnis en de afwijzing van alle vorderingen van NV **H. V. Z.**.

Het arrest van het hof van Beroep te Antwerpen van 13 mei 2008 hervormde de bestreden beslissing, herleidde de in het dwangbevel gevorderde BTW tot een verschuldigd bedrag van 46.853,07 € en herleidde de in het dwangbevel gevorderde boete overeenkomstige artikel 70 & 1 en/of artikel 71 W.BTW opgelegd tot een bedrag van 20 % van 46.853,07 € en beval in die mate de terugbetaling van reeds door de Belgische Staat geïnde bedragen. Voor het overige werd de NV **H. V. Z.** afgewezen van haar vorderingen.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart 2010 oordeelt nopens het door de Belgische Staat tegen dit arrest van het hof van beroep te Antwerpen ingesteld cassatieberoep in zijn beschikkend gedeelte het volgende :

> *"Het Hof,*
>
> *Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de geldboete en de kosten.*
>
> *Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.*
>
> *Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.*
>
> *Verwijst de aldus beperkt zaak naar het hof van beroep te Brussel …"*

In het overwegend deel van het arrest oordeelt het Hof van Cassatie :

> *"... 2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.*
>
> *Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.*
>
> *De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.*
>
> *Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.*
>
> *3. De appelrechters oordelen dat :*
>
> *-* *vaststaat dat de BTW wetens en willens niet werd gefactureerd en doorgestort aan de Belgische Staat;*
>
> *-* *bij de beoordeling van de boete in aanmerking moet genomen worden dat de verweerster onrechtstreeks werd getroffen door de strafrechtelijke veroordeling van haar afgevaardigd bestuurder en financieel directeur;*
>
> *-* *het bestuur niet in redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van 200* %*;*
>
> *-* *in de gegeven omstandigheden zoals deze blijken uit het proces-verbaal van 25 november 2004 en uit de gevoerde onderhandelingen het opleggen van een geldboete van 20* % *verantwoord is.*
>
> *Het arrest geeft niet aan waarin de onevenredigheid zou bestaan, laat na te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden was door een sanctie en preciseert niet op welke gronden het bestuur van de vaste schalen had moeten afwijken.*
>
> *Het middel is gegrond …"*

Gezien hoger vermeld arrest van het Hof van Cassatie is de discussie thans beperkt tot de in het dwangbevel opgelegde geldboete, terwijl rekening gehouden moet worden met wat definitief werd beslist nopens de omvang van de verschuldigde BTW in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 mei 2008.

Voor dit hof vordert appellante het eerste vonnis te hervormen en het bestreden dwangbevel teniet te doen in de mate dat een administratieve boete berekend aan 200 % wordt gevorderd en de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat.

Voor dit hof vordert de Belgische Staat, bij wege van incidenteel beroep, dat het eerste vonnis hervormd zou worden in de mate dat daarin de opgelegde administratieve boete verminderd werd en hij veroordeeld werd tot de helft van de kosten van het geding. De Belgische Staat vordert appellante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingvergoeding in graad van beroep inbegrepen.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellante wordt, binnen de perken van de zaak zoals thans voor dit hof aanhangig, niet betwist.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar vorm en termijn regelmatig en derhalve ontvankelijk.

## Relevante feitelijke gegevens

Appellante is een groothandelaar in horecaproducten en als BTW-plichtige geregistreerd onder nummer BE ….

In het kader van een gerechtelijk onderzoek werd vastgesteld dat appellante een deel van haar gerealiseerde verkopen niet factureerde aan de afnemende horecazaken maar aan een zusterbedrijf NV **I. V. Z.**, die deze fictieve aankopen op haar beurt verwerkte als zijnde verkocht.

De bestuurders van de betrokken vennootschappen werden voor deze feiten straf rechtelijk vervolgd en veroordeeld door de correctionele rechtbank van Hasselt bij vonnis van 28 november 2001.

Voor wat betreft NV **I. V. Z.**, een zusterbedrijf van appellante, werd een proces-verbaal inzake BTW opgesteld waarin werd bepaald welk bedrag aan BTW, geldboete en intresten verschuldigd waren, meer bepaald :

\- 5.632.718,87 € aan BTW

\- 11.625.437,74 € aan geldboete aan 200 % (art. 70, § 1bis W.BTW);

\- 23.364.262 € als geldboete (art. 70, § 2 W.BTW);

\- intresten vanaf 21.1.2001 aan 0,8 % per maand op 5.632.711 €.

De raadsman van de groep waartoe appellante behoort stelde bij brief van 9 januari 2002 een minnelijke regeling voor.

Twee alternatieven werden blijkbaar voorgesteld, zijnde enerzijds een behoud van het recht op aftrek, een boete opgelegd krachtens artikel 70, § 1 W.BTW bepaald op 94.801.470 BEF en een boete van 20 % aan 19.800.000 BEF, en, anderzijds, het verwerpen van de BTW-aftrek ten bedrage van 91.322.517 BEF, een boete berekend aan een tarief van 10 % op dat bedrag aan BTW, een teruggave van BTW op omzet via de aangifte en een boete overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW bepaald op 9.400.000 BEF.

De raadsman van de Belgische Staat antwoordde daarop op 8 februari 2002 als volgt :

> *"Naar aanleiding van de gevoerde besprekingen formuleert mijn cliënte, zonder enige nadelige erkentenis het volgende voorstel tot minnelijke regeling :*
>
> *1.* *Het bedrag van de verworpen aftrek (in het proces verbaal de totaliteit van de BTW die werd aangerekend op de facturen van de NV.* ***H. V. Z.*** *aan de NV* ***I. V. Z.*** *of 227.223.316 BEF) wordt herleid tot 91.322.517 BEF, zijnde het bedrag van de BTW op dezelfde facturen dat beperkt wordt tot het gedeelte ervan dat werd gefactureerd aan de zetel te … maar zonder factuur geleverd werd aan andere afnemers;*
>
> *2.* *Over de som van de verworpen aftrek worden de administratieve geldboeten herleid van 454.446.632 BEF (zijn de wettelijke administratieve geldboete van artikel 70, § 1bis van het Wetboek die gelijk zijn aan het dubbel van de verschuldigde rechten) tot 20 %. Van het bedrag van de verworpen aftrek, of 18.260. 000 BEF;*
>
> *3.* *Het bedrag van de administratieve geldboeten, verschuldigd overeenkomstig artikel 70, § 2 van het Wetboek wegens het afleveren van onjuiste facturen (in het proces-verbaal vastgesteld op 942.512 BEF) wordt verminderd tot 9.400.000 BEF. De bedragen na herziening genoemd onder 1 en 2 hiervoor, omvattende 91.322.517 BEF als BTW en 18.260.000 BEF aan verminderde administratieve geldboete benevens de intresten over de BTW berekend vanaf 21 januari 2001 en de moratoire intresten over de administratieve geldboete, zijn verschuldigd door de NV* ***I. V. Z.****. Het gewijzigde bedrag genoemd onder 3. hiervoor of 9.400.000 BEF en verhoogd met de moratoire intresten, is verschuldigd door de N. VC* ***H. V. Z.****.*
>
> *4.* *De mogelijke minnelijke regeling dient volledig uitgevoerd te zijn uiterlijk 5 maart 2002…."*

De NV **I. V. Z.** vermeldde het bedrag van 2.263.826,06 € als verworpen aftrek in haar BTW-aangifte, doch vorderde de afgedragen BTW op de door haar aangegeven fictieve kasverkopen terug voor een bedrag van 2.350.067,08 € door ze te vermelden in rooster 62 van haar BTW-aangifte van de maand november 2001.

Appellante vorderde op haar beurt de BTW terug die ze had afgedragen op de fictieve verkopen aan de NV **I. V. Z.** door vermelding van een bedrag van 2.263.826,06 € in rooster 62 van haar BTW-aangifte (herziening in het voordeel van de belastingplichtige) van de maand november 2001.

In de aangifte van maart 2002 werd dit laatste terug rechtgezet. Hetzelfde bedrag werd door appellante weer opgenomen in rooster 61 van de aangifte als een herziening in het voordeel van de schatkist.

Bij brief van 18 november 2004 liet geïntimeerde weten dat het met de administratie gesloten akkoord een onrechtmatige vrijstelling van belasting beoogde en onregelmatigheden waren vastgesteld op het vlak van de regularisaties met betrekking tot de periode lopende van 1 november 2001 tot 31 maart 2002 en dat die brief gold als kennisgeving door de administratie van haar voornemen om overeenkomstig artikel 84ter W.BTW de verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1 W.BTW toe te passen.

De Belgische Staat vervolgde in deze brief :

> *"Het geheel van de doorgevoerde regularisaties toont aan dat in België belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met de overtreding van de wettelijke en uitvoeringsbepalingen die erop van toepassing zijn. Het akkoord, houdende een schending van de grondwettelijke bepalingen inzake het belastingrecht, niet het voorwerp uitmakende van een formeel geschrift waaruit de wil der partijen onbetwistbaar blijkt, en resulterende in een klaarblijkelijke kwijtschelding van belastingen geheven voor een periode waarvoor de zaakvoerder van de betrokken vennootschappen daarentegen correctioneel werd veroordeeld, wordt door de administratie aangemerkt als zijnde afgesloten met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Derhalve wordt de NV* ***H. V. Z.*** *ervan in kennis gesteld dat de Administratie bevoegd voor de (BTW) voor de regularisaties en akkoorden die door of namens de NV* ***H. V. Z.*** *in de periode van 1/11/2001 tot 31/3/2002 werden verricht, in toepassing van artikel 84ter van het (W.BTW) de verjaringstermijn van vijf jaar bepaald in artikel 81bis, tweede lid van het (W.BTW) zal toepassen…"*

Vervolgens werd op 25 november 2004 het al genoemde proces-verbaal inzake BTW opgesteld, houdende vaststelling van :

\- vermelding in de periodieke BTW-aangifte van de NV **I. V. Z.** van de maand november 2001 van een bedrag van 2.350.067,09 € in rooster 62 als herziening in het voordeel van de belastingplichtige;

\- vermelding in de periodieke BTW-aangifte van appellante van de maand november 2001 van een bedrag van 2.263.826,06 € in rooster 62 als herziening in het voordeel van de belastingplichtige;

\- vermelding in de periodieke BTW-aangifte van appellante van de maand maart 2002 van een bedrag van 2.263.826,06 € in rooster 61 als een herziening in het voordeel van geïntimeerde.

In het proces-verbaal inzake BTW van 25 november 2004 wordt gesteld dat appellante de voornoemde bedragen aan BTW, boete en intresten verschuldigd is voor de periode van 1 november 2001 tot 31 maart 2002.

Het verzet van appellante tegen het dwangbevel uitgevaardigd op grond van dit proces-verbaal leidde tot het al genoemde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Van dit vonnis wordt geen betekeningakte bijgebracht.

## In rechte

## Omvang van de betwisting en middelen van partijen

Er moet worden vooraf worden opgemerkt dat :

\- de verwijzing van de betwisting naar dit hof ingevolge voormeld arrest van het Hof van Cassatie beperkt is, meer bepaald zoals gedaan in dit arrest van het Hof van Cassatie;

\- huidig geding enkel de fiscale toestand van appellante, destijds genaamd de NV **H. V. Z.**, betreft.

Appellante voert aan dat :

\- de rechter met volle rechtsmacht kan oordelen over opgelegde administratieve boeten inzake BTW;

\- de boete berekend aan 200 % van de in het dwangbevel van 15 december 2004 gevorderde BTW onevenredig is met de begane overtreding;

\- de naheffing van die BTW een uitvloeisel is van een akkoord met de BTW-administratie;

\- het "akkoord" een boete voorzag berekend aan 20 % van voornoemd bedrag;

\- bestuurders van appellante al strafrechtelijk veroordeeld werden en de vraag gesteld moet worden of het verbod van dubbele bestraffing voor dezelfde feiten geschonden wordt;

\- het om een eerste overtreding gaat terwijl onmiddellijk de maximale boete gevorderd wordt;

\- het gesloten "akkoord" miskend wordt door geen boete van maar 20 % van voormeld bedrag op te leggen.

Geïntimeerde, de Belgische Staat, voert aan dat :

\- het door appellante genoemde "akkoord" onwettig was, hetgeen tevens de bevinding van de eerste rechter was, zodat het "akkoord" niet bindend is voor geïntimeerde;

\- op grond van het definitief geworden deel van de beslissing van de eerste rechter en het arrest van het hof van beroep van Antwerpen in zover het de verschuldigde BTW betreft (gezien het beperkt karakter van de verwijzing naar dit hof) vast staat dat de gevorderde BTW verschuldigd is en dit gezien deze "wetens en willens niet werd gefactureerd en doorgestort aan de" Belgische Staat;

\- de overtreding in de zin van artikel 70, § 1 W.BTW vaststaat;

\- de administratieve geldboete van rechtswege wordt opgelopen;

\- de beoordelingsbevoegdheid van de rechter over de boete zich niet uitstrekt tot een opportuniteits- of billijkheidsoordeel;

\- er nagegaan moet worden of geïntimeerde de mogelijkheid heeft om af te wijken van de schalen uit het KB BTW nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW van 30 januari 1987;

\- die schalen, mede gelet op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het EHRM, een voldoende objectivering van de opgelegde administratieve boete uitmaken;

\- de oplegging ervan gemotiveerd moet worden;

\- geen gratierecht voor geïntimeerde bestaat;

\- de opgelegde geldboete het beginsel van de evenredigheid niet schendt.

Geïntimeerde verzoekt om de handhaving van de opgelegde geldboete berekend aan 200 %.

## Beoordeling

Het hof kan met volle rechtsmacht oordelen over de in deze zaak opgelegde geldboete, die, hoewel administratiefrechtelijk opgelegd, van strafrechtelijke aard is (cfr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest Engel v. Nederland, 8 juli 1976, *Publ. Eur. Court H.R.* Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest Lauko v. Slovakije, 2 september 1998, *Reports 1998 VD*.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheid overging tot het opleggen van een administratieve sanctie zoals in concreto opgelegd, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (cfr. Cass. 24 januari 2002, www.cass.be ).

In weerwil van hetgeen aangehaald door de Belgische Staat, kan deze, die zelf de gevorderde geldboete oplegt, wel degelijk van dat recht gebruik maken en inzake een geldboete vorderen aangepast aan de aard en de ernst van de inbreuk en kan hij gelet op de noodzaak van evenredigheid van de sanctie met de inbreuk, afwijken van de schalen als voorzien in KB BTW nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW van 30 januari 1987, ondermeer door een toepassing te maken van de bepalingen van het artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Door dat Regentsbesluit bestaat voor geïntimeerde een rechtsgrond om van de vaste schalen van het voornoemde KB BTW nr. 41 af te wijken.

Dat die bevoegdheid bestaat, blijkt overigens ook uit het gegeven dat in deze zaak blijkbaar door geïntimeerde overwogen werd een akkoord aan te bieden aan appellante, inhoudend een administratieve boete berekend aan een tarief van 20 % in plaats van 200 %, ook al werd dit akkoord uiteindelijk niet gesloten gezien het onwettig karakter van het aanbod op het gebied van de eigenlijke verschuldigde BTW.

De vraag stelt zich dan ook, en ligt ter beoordeling voor, of een administratieve geldboete zoals gevorderd, evenredig is met de vastgestelde inbreuken en met de overige omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden om die evenredigheid te bepalen, zonder om redenen van louter opportuniteit of billijkheid tot kwijtschelding van de opgelegde administratieve boete te kunnen overgaan.

Alleszins werpt appellante onterecht op dat in haren hoofde het verbod van dubbele bestraffing wordt geschonden (het zogenaamde *non bis in idem­*beginsel) nu zij niet aantoont zelf al enige strafrechtelijke vervolging of sanctie, dan wel administratieve vervolging van deze aard of een dergelijke administratieve sanctie (andere dan de hier ter discussie staande) voor de feiten die op de huidige voorliggende inbreuk betrekking hebben, ondergaan te hebben of opgelegd te hebben gekregen. Haar rechtspersoonlijkheid is niet te vereenzelvigen met die van haar bestuurders.

Rekening houdend :

\- met de vaststelling dat appellante door haar inbreuk weliswaar mogelijk maakte dat derden zonder factuur aankopen konden verrichten en derhalve omzet konden genereren zonder toepassing van BTW en inkomstenbelastingen, doch zelf de verschuldigdheid van BTW op die verkopen niet ontliep door ze te factureren aan haar zusteronderneming en de BTW wel degelijk af te dragen;

\- met de vaststelling dat appellante, na een eerdere foutieve uitvoering van het uiteindelijk niet tot stand gekomen "akkoord", spontaan zelf terug melding maakte van verschuldigde BTW in de aangifte van maart 2002, zijnde de BTW verschuldigd op de "verkopen" aan de zusteronderneming; en

\- met de vaststelling dat appellante zelf aanbood in de loop van onderhandelingen met geïntimeerde om tot een akkoord te komen en de verschuldigde BTW te voldoen, hetgeen haar ingesteldheid een begane inbreuk te willen rechtzetten aantoont voor invorderingsmaatregelen terzake genomen moeten worden door geïntimeerde;

\- met de vaststelling dat een administratieve geldboete berekend aan 200 % de reclassering van appellante in het economisch leven in het gedrang kan brengen, wat tot een onevenredig gevolg met de begane inbreuk zou leiden;

komt een administratieve geldboete zoals opgelegd in het dwangbevel van 25 november 2004 (mede rekening houdend met de beperking van de verschuldigde BTW zoals bepaald in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, op dat punt niet gecasseerd), doch berekend aan een tarief van 20 % in plaats van 200 %, voor als evenredig en aangepast aan de omvang der inbreuk en der feiten, aan de aard ervan en aan de houding van appellante, zodat de vordering van appellante op dit punt in deze zin ingewilligd kan worden, meer bepaald dat deze boete tot dat tarief van 20 % wordt herleid.

Een boete berekend aan 200 % wordt na afweging van alle elementen van de zaak, en gelet op het voorgaande niet beoordeeld als evenredig met de begane inbreuk, de aard ervan en de omstandigheden waarin zij werd begaan, alleen al door het gegeven dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen de toestand waarin appellante verkeerde -nu zij op zich de verschuldigdheid van BTW wel degelijk deed ontstaan, hoewel wederrechtelijk, door facturatie aan haar zusteronderneming-, en de toestand van overige belastingplichtigen die goederen leveren aan afnemers zonder uitreiking van een factuur met BTW aan wie dan ook, alsmede door het gegeven dat in de boete aldus opgelegd, door geïntimeerde geen onderscheid wordt gemaakt tussen de toestand van appellante, die vóór het uitvaardigen van het dwangbevel de wil heeft getoond de begane ontduiking te regulariseren, en de toestand van belastingplichtigen die van een dergelijke wil helemaal geen blijk geven.

Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 4 april 2007 moet derhalve binnen de perken van de betwisting zoals thans nog aanhangig en rekening houdend met hetgeen definitief werd geoordeeld in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen nopens de omvang van de verschuldigde BTW, bevestigd worden in zoverre de administratieve geldboete in het bestreden dwangbevel herleid werd tot 20 % van de verschuldigde BTW, zij het evenwel op de gronden hierboven in dit arrest aangehaald.

Appellante moet afgewezen worden van het meer gevorderde, zijnde, in hoofdzaak, de totale kwijtschelding van de opgelegde administratieve boete door de volledige vernietiging van het kwestieuze dwangbevel.

Het incidenteel beroep van geïntimeerde is evenmin gegrond.

## Aangaande de kosten

Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding in hoger beroep te begroten op 5.500 €, zijnde het geïndexeerd basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Gezien het voorgaande, behoort het de kosten van het hoger beroep en de cassatieprocedure ten laste leggen van geïntimeerde.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

**RECHTSPREKEND NA TEGENSPRAAK**;

Gelet op art. 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Binnen de perken van de verwijzing van de zaak zoals hoger genoemd;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond en het incidenteel beroep ongegrond;

Verklaart de sommen gevorderd in het dwangbevel van 15 december 2004, zoals bepaald in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 mei 2008 in zoverre. het de gevorderde BTW betreft, als administratieve proportionele geldboeten niet invorderbaar in zoverre deze administratieve geldboete wordt opgelegd begroot op een bedrag hoger dan 20 % van de verschuldigde BTW;

Beveelt de terugbetaling door geïntimeerde van de bedragen die in voorkomend geval op het meerdere deel dan het hiervoor staande reeds werden geïnd;

Wijst appellante af van het meer gevorderde;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van de procedure in cassatie en in graad van beroep, in hoofde van appellante begroot op 114,38 € kosten cassatie, 122,74 € kosten herdaging na arrest cassatie, en rechtsplegingvergoeding in graad van beroep begroot op 5.500 €.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **kamer 6B** van het hof van beroep te Brussel op **17 september 2013**

waar aanwezig waren :

mevrouw **C. V.**, raadsheer, dienstdoend voorzitter;

de heer **Th. G.**, griffier.

**Th. G.** **C. V.**
