---
title: "7 décembre 2010 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 7 décembre 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2010-12-07-d253"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

7 décembre 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

110 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 07.12.2010

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen - ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

**In zake : 2008/AR/281**

Benny **G.**, wonende te …, …;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 december 2007;

vertegenwoordigd door Meester **G. P.**, advocaat te …, …;

**de BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de heer Gewestelijke Directeur van de BTW, Domeinen en Registratie te Antwerpen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het derde BTW Kantoor Turnhout waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester **D. V.** loco Meester **R. L.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 17 december 2007 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en . waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari 2008;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep :

**1.1.** De heer **B. G.**, appellant, was vanaf 2 januari 2001 als BTW­plichtige geregistreerd onder het nummer BE … wegens de uitgeoefende activiteit van groothandelaar in voedingswaren. Appellant heeft deze activiteit effectief stopgezet op 1 oktober 2002.

**1.2.** Op 25 augustus 2004 werd er door de heer **L. L.**, eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum Turnhout, bij de BVBA **H.**, gevolmachtigd boekhouder van appellant, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode vanaf 2 januari 2001 tot 30 september 2002.

Aan de hand van de voorgelegde stukken stelde de controleambtenaar vast dat appellant een grossiersbedrijf uitbaat en dat de geleverde goederen kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik zodat appellant voor iedere levering een factuur diende uit te reiken die de verplichte vermeldingen, opgesomd in [artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) diende te bevatten. Bepaalde facturen voldoen evenwel niet aan de vereisten van artikel 5, 3°, hetzij *"naam of maatschappelijke benaming en adres van de medecontractant"*. Op de bedoelde facturen zijn deze gegevens vervangen door de vermelding *"kassaverkopen"*. Van deze vaststellingen waren reeds twee processen - verbaal opgesteld op 29 januari 2003 door de heer **J. V. D. W.**, bestuursassistent bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit.

Van voormelde vaststellingen van 25 augustus 2004 werd proces-verbaal opgemaakt op 10 november 2004. In bijlage hiervan werden de twee processen-verbaal van 29 januari 2003 gehecht om er één geheel mee uit te maken.

Volgens de vaststellingen bedroeg de aangerekende BTW op de uitgaande facturen met melding *"kassaverkopen"* in totaal :

\- voor het jaar 2001 : … BEF of … EUR

\- voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 september 2002 : … EUR

\- hetzij in totaal : … EUR

Als gevolg van deze vaststellingen werd er aan appellant op grond van artikel 70, § 2, W.BTW een boete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting of 2 x … EUR = … EUR. Deze wettelijke geldboete werd op grond van [artikel 1, eerste lid, 3°, van het Koninklijk Besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel C, II, verminderd tot 100 pct. van de op handeling verschuldigde belasting, meer bepaald op … EUR.

Op 30 november 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd door mevrouw **M. J.**, waarnemend Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor van Turnhout, dat op 1 december 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer **E. V. D. P.**, wnd. Directeur, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de Administratie van de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt.

Dit dwangbevel werd samen met een; voor eensluidend verklaard afschrift van de processen-verbaal van 10 november 2004 en 29 januari 2003 op 10 december 2004 aan appellant betekend bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **P. S.**, handelend in vervanging van gerechtsdeurwaarder **M. V. D.**, met standplaats te Turnhout.

Krachtens het dwangbevel zijn volgende bedragen verschuldigd :

\- als BTW boeten : … EUR

\- de interesten te berekenen bij eindbetaling

\- de rechten bepaald bij artikel 8 K.B. 30.11.1976

\- de kosten van het exploot.

**1.3.** Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 21 december 2004 vordert appellant de vernietiging van het voormeld dwangbevel, dienvolgens de veroordeling van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, in kwijtschelding en-in geval van aanrekening of betaling- van terugbetaling aan appellant van de administratieve boete van … € te vermeerderen met de moratoire interesten op de betaalde of ingehouden bedragen.

**1.4.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 17 december 2007 stelt vooreerst vast dat de betwisting uitsluitend de opgelegde (herleide) boete behelst en oordeelt dat nu appellant de rechten zelf niet betwist zijn argumenten ter zake de bewijskracht van de processen-verbaal en van het dwangbevel te dezen onbegrijpelijk zijn, want zonder voorwerp. De processen-verbaal zijn te dezen meer dan voldoende en ook afdoende gemotiveerd. Appellant lijkt enorme dagbedragen te hebben gefactureerd zonder opgave van de gegevens van de afnemer(s) naar vereiste van KB nr. 1 inzake BTW, zoals vermeld in de processen-verbaal. Uit de aard en de wijze der aanbieding (appellant heeft overigens zelf het belang van de door hem verwezenlijkte particuliere omzet steeds geminimaliseerd) der gefactureerde producten blijkt dat te dezen de gefactureerde omzet groothandel behelsde. De eerste rechter besluit dat de enorme omvang van deze onregelmatige facturering en ook de volgehouden duurtijd ervan te dezen volkomen de conform KB nr.41 toegepaste boete verantwoorden, die aldus evenredig is met de vastgestelde feiten. Het bestreden vonnis verklaart de vordering derhalve toelaatbaar, maar ongegrond.

**1.5.** Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari 2008.

**1.6.** In dit verzoekschrift en in de op 15 september 2009 neergelegde besluiten betwist appellant vooreerst de bewijskracht van het proces­verbaal en preciseert dat verwezen wordt naar de vaststellingen van 3 oktober 2002, 22 oktober 2002 en 28 november 2002 die niet relevant zijn aangezien die betrekking hebben op de periode dat de activiteiten werden uitgebaat door de bvba **B & D H.**, en niet de eenmanszaak van appellant. In het proces-verbaal wordt ook verwezen naar vaststellingen, die niet als stuk worden bijgebracht, hetgeen een aanfluiting is van de rechten van verdediging. Deze vaststellingen worden dan ook ten onrechte ingeroepen in deze procedure. Volgens appellant blijven het proces-verbaal van 10 november 2004 en het proces-verbaal van vaststelling van 29 januari 2003 uitermate vaag.

Er wordt in concreto niet aangeduid welke overwegingen aan de basis liggen van deze beslissing, hetgeen trouwens evenmin het geval was in de correctieopgave. Uit deze formulering kan immers geenszins worden afgeleid dat er geen particuliere verkoop plaatsgevonden had, en maakt het verweer moeilijk. In casu heeft dit tot gevolg dat zowel het proces-verbaal van 10 november 2004 als dat van 29 januari 2003 geen voldoende bewijs vormde voor de BTW navordering van geïntimeerde. Geïntimeerde gaat voorbij aan het feit dat er geen factureringsplicht bestaat, en motiveert evenmin waarvoor dit het geval zou moeten zijn. De opgemaakte stukken zijn dan ook interne stukken die niet onderworpen zijn aan de bepalingen van het KB nr. 1 tot uitvoering van het BTW-Wetboek. Het dwangbevel, genomen ingevolge zulk niet afdoende gemotiveerde beslissingen, moet dan ook worden vernietigd. Appellant voert verder aan dat de in het proces­verbaal van 29 januari 2003 beschreven vaststellingen het gevolg zijn van anonieme observaties, i.e. niet toegelaten bewijsmiddelen, hetzij van eenzijdige vaststellingen die zelfs niet eens bijgebracht worden door de administratie. Als gevolg daarvan dient de op grond van deze vaststellingen gedane taxatie nietig verklaard te worden. Bovendien merkt appellant op dat alle voornoemde vaststellingen dateren uit het tijdsvak waarin de eenmanszaak niet meer actief was. Appellant voert verder aan dat gelet op het feit dat het particuliere verkoop betrof, en derhalve de factureringsplicht niet toepasselijk was, er geen toepassing kan gemaakt worden van de bepalingen van de artikelen 53 en 54 W.BTW. De verzamelfactuur was louter een intern document. De niet-naleving van de voorwaarden waaraan een ''normale" factuur moet voldoen in de zin van [artikel 8 KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f#ar1-art8) kunnen dan ook niet toepasselijk verklaard worden, en dus evenmin de sanctieregeling in de zin van artikel 70 W.BTW. Wat betreft de toepassing van de administratieve boete, stelt appellant dat in zoverre zij verschuldigd zou zijn, zij op grond van [artikel 1, eerste lid, 3° van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel C, II, herleid dient te worden tot 60 %·, onafgezien van een verdere verlaging op grond van de goede trouw. In casu kan volgens appellant moeilijk ontkend worden dat het gedeelte van de particuliere verkopen beperkt was in verhouding tot de totale omzet, en dat zelfs indien verkopen zouden hebben plaatsgevonden aan *"oneigenlijke particulieren"* deze verkopen minimaal uitvallen. Overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987 is de BTW­administratie voor het opleggen van geldboetes gebonden aan barema's.

De toepasselijkheid van het KB nr. 41. kan enkel vermeden worden indien geïntimeerde het frauduleus karakter van de overtreding aantoont, d.w.z. dat de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Dit bewijs werd nooit geleverd, meer nog, het zal nooit kunnen geleverd worden aangezien appellant steeds ter goeder trouw handelde. Hij beschikt juridisch trouwens over geen enkele mogelijkheid om de identiteit van een particulier te controleren, noch om zijn eventuele BTW hoedanigheid te verifiëren. Er wordt niet de minste motivering gegeven van het beweerdelijk kwaad opzet, hetgeen een absolute noodzaak is om de boete op 100 % te behouden, zoniet dient zij wettelijk herleid te worden op grond van [artikel 1, eerste lid, 3° van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel C.II, tot 60 %. Minstens zijn door dit gebrek aan motivering voor het opleggen van de hoogst mogelijke geldboete, het bestreden dwangbevel en het eraan gehecht proces-verbaal nietig wegens een formeel motiveringsgebrek. Appellant meent voorts dat het Hof niet alleen de wettelijkheid van de opgelegde geldboete van 100 % kan beoordelen, doch ook in de beoordeling van de opportuniteit van de toegepaste geldboete kan treden. Een geldboete van 100 % op de verschuldigde BTW is van strafrechtelijke aard. Deze sanctie is niet bestemd om een schade te herstellen, maar essentieel om de schuldige te straffen en om nieuwe inbreuken te voorkomen. Het strafkarakter ervan blijkt bovendien reeds uit het feit dat de schatkist door de vermeende inbreuken op de BTW-wetgeving geen schade heeft geleden, terwijl de boete het dubbel van de reeds betaalde BTW betreft. In casu is de absolute hoogte van de geldboete, met name meer dan … EUR een bijkomende indicie van het repressief karakter ervan. De beknopte of ontbrekende aankondiging van de op· te leggen boete van 100 % van de betaalde BTW kan niet als een motivering worden aangezien voor het feit dat appellant zich., zou hebben bezondigd aan het opzet om - voor het genoemde bedrag - BTW te ontduiken. Zo wordt er niet de minste motivering gegeven van het beweerdelijk kwaad opzet, hetgeen een absolute noodzaak is om de boete op 100 % te behouden, zoniet dient zij wettelijk herleid te worden op grond van [artikel 1, eerste lid, 3° van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel C.II, tot 60 %. Er kan enkel vastgesteld worden dat het opzet om BTW ontduiking bij derden (waarop appellant niet het minste controle heeft of kan hebben) mogelijk te maken, niet waarschijnlijk wordt gemaakt, laat staan bewezen. Er is een gebrek aan motivering van het dwangbevel op dit punt.

Er is enkel sprake van de toepassing van een feitelijk vermoeden, waarvan het bewijs niet wordt geleverd door geïntimeerde. Van het opzet BTW te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken, is geenszins sprake. Om een geldboete te kunnen opleggen die een strafkarakter heeft dienen de juridische en feitelijke gronden daarvoor aan de belastingplichtige te worden meegedeeld. Er is bijgevolg reden tot vernietiging van het bestreden dwangbevel. In het proces-verbaal waarop de navordering van de geldboete gebaseerd is, is daarenboven sprake van een omkering van de bewijslast, wanneer geïntimeerde uitgaat van het gebrek aan goede trouw. Bij de beoordeling van de opportuniteit van een geldboete van … EUR, dient te worden nagegaan of de opgelegde boetes proportioneel zijn met de aard van de overtreding en het nagestreefde doel. De nalatigheden die gebeurlijk aan appellant verweten kunnen worden lijken niet van aard om daarvoor een sanctie van … EUR aan geldboete uit te spreken. Al te strenge boetes zijn overigens niet verenigbaar met het proportionaliteitsbeginsel, dat deel uitmaakt van de Europese rechtsorde en .waaraan nationale normen mogen worden getoetst. In het kader van de opportuniteitsbeoordeling dient te worden vastgesteld dat een geldboete van … € niet evenredig is met de niet eens bewezen inbreuk die aan appellant ten laste wordt gelegd, onverminderd het beweerde oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking mogelijk te maken. De opgelegde geldboete moet aldus worden herleid tot nihil of - in ondergeschikte orde - tot een lager bedrag, 60 % d.i. de door de wetgever vooropgestelde sanctie bij overtredingen inzake de toepassing van [artikel 84 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84), en [artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1). Appellant voert nog zijn goede trouw aan en stelt dat hij geen ernstige twijfel diende te hebben omtrent de niet-belastingplicht van zijn medecontractanten, hetgeen o.m. blijkt uit de gebruikelijke verpakkingen, de hoeveelheid van de verpakkingen en het totaal van de dagverkopen. Appellant handelde steeds te goeder trouw, en mocht naar alle redelijkheid uitgaan van de hypothese dat de afnemers particulieren waren, die de goederen niet voor beroepsdoeleinden aanwenden. Appellant besluit derhalve tot de hervorming van het bestreden vonnis, het van nul en generlei waarde verklaren van het bestreden dwangbevel wat betreft de opgelegde proportionele boete en het ontslaan van appellant van alle in dit dwangbevel van hem gevorderde proportionele boetes; in ondergeschikte orde, de herleiding van de opgelegde administratieve boete tot 60 % bij toepassing van de bepalingen van KB nr.43; in nog meer ondergeschikte orde, de herleiding van de boete tot 10 % op grond van de goede trouw van appellant. Appellant begroot tenslotte het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding op … EUR in eerste aanleg en op … EUR in hoger beroep.

**1.7.** Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 15 maart 2010 neergelegde conclusies de redengeving van het bestreden vonnis en voegt eraan toe dat appellant zich uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met de verschuldigde rechten aan BTW en dat de motivering van het dwangbevel van 30 november 2004 terug te vinden is in het proces-verbaal van 1O november 2004, dat er een geheel mee uitmaakt. In dat proces-verbaal worden zowel de juridische - nl. artikel 1, § 1, 1°, en § 2, 6° tot 8°, van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde - als de feitelijke overwegingen vermeld, nl. dat de onderneming van appellant een grossiersbedrijf was en de geleverde goederen kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, zodat appellant voor iedere levering een factuur diende uit te reiken. Voor het jaar 2001 bedroeg de totale door appellant aangerekende BTW op uitgaande facturen met vermelding van naam en adres van de medecontractanten … EUR, terwijl de aangerekende BTW op de uitgereikte facturen met als geadresseerde "kassaverkopen" … EUR bedroeg. Voor de periode van 1 januari 2002 tot 30 september 2002 bedroeg de aangerekende BTW respectievelijk … EUR en … EUR. Het is dus duidelijk dat appellant een groothandel uitbaatte, zoals overigens blijkt uit de aangifte van aanvang van werkzaamheid; ingediend op het bevoegde BTW-controlekantoor, en uit de aanvraag om inschrijving in het handelsregister, die als hoofdwerkzaamheid vermeldt : "de groothandel in materieel en benodigdheden voor hotels, cafés en restaurants". Bijgevolg was appellant, bij toepassing van [artikel 1, § 2, tweede lid, 8°, van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992, verplicht een factuur uit te reiken, zelfs ten aanzien van medecontractanten-natuurlijke personen, die handelen voor privédoeleinden. Bovendien blijkt uit de kopieën van de uitgaande facturen van appellant, gehecht aan de processen-verbaal van vaststelling van 29 januari 2003, die als bijlagen 1 en 2 gehecht zijn aan het proces-verbaal van 10 november 2004, dat de leveringen betrekking hebben op goederen, die gelet op de aard ervan, de wijze waarop ze worden aangeboden of de verkochte hoeveelheden, kennelijk bestemd zijn voor economisch gebruik. Wat betreft de opgelegde administratieve geldboete, werpt geïntimeerde op dat luidens [artikel 5, § 1, 3°, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW de factuur de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in [artikel 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) van het Wetboek bedoeld BTW identificatienummer van de medecontractant moet vermelden.

De facturen in kwestie, uitgereikt door appellant, vermelden als medecontractant slechts ''kassaverkopen". Ingevolge deze inbreuk, omschreven in het proces-verbaal van 10 november 2004, heeft appellant bij toepassing van [artikel 70, § 2, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) een geldboete verbeurd. In uitvoering van de artikelen [70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), [71](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-71) en [84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) van het BTW-wetboek werd het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, getroffen. Op grond van Tabel C, II, van de bijlage bij dit K.B. nr. 41 werd de wettelijke geldboete van [artikel 70, § 2, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) verminderd tot 100 pct. van de verschuldigde BTW op de onregelmatige facturen. In zijn conclusies stelt appellant dat de boete in ieder geval dient verminderd te worden tot 60 % bij toepassing van Tabel C, I, 1), van voornoemd KB nr. 41 ("Niet-uitreiken van facturen of van als zodanig geldende stukken dat geen verschuldigdheid van BTW tot gevolg heeft"). De door appellant opgestelde stukken dragen echter een nummer waaronder zij werden ingeschreven in zijn boek voor uitgaande facturen, zodat appellant zelf de stukken heeft bestempeld als verkoopfacturen. Bijgevolg is geïntimeerde van oordeel dat de vermindering van de boete tot 100 % op grond van Tabel C, II, terecht werd toegepast ("Ontbreken van of onjuistheden in de vermeldingen aan te brengen op de facturen of op de als zodanig geldende stukken"). Het feit dat geïntimeerde Tabel C, II, van de bijlage bij het KB nr. 41 heeft toegepast, impliceert dat hij aanvaardt dat de overtreding geen frauduleus karakter heeft. Overigens maken noch de brief van 10 november 2004, noch het proces-verbaal van 10 november 2004, noch de conclusies van geïntimeerde melding van fraude of kwade trouw vanwege appellant. Appellant heeft door zijn handelwijze BTW-plichtigen de mogelijkheid geboden om directe en indirecte belastingen te ontduiken (geïntimeerde beweert hierbij niet dat dit welbewust gebeurde), hetgeen als een zwaarwichtig feit dient beschouwd te worden. Geïntimeerde heeft zich bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete gebaseerd op de hoger aangehaalde bepalingen van het BTW-wetboek en van de BTW­reglementering. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrondheid van het hoger beroep en dienvolgens de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op een bedrag van … EUR.

## 2. Beoordeling :

**2.1.** Naar luid van [artikel 1, § 1, 1°, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 31 december 1992 (vierde uitg.)), zoals van toepassing in de gecontroleerde periode, is de belastingplichtige, behalve hij die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die vrijgesteld zijn door [artikel 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) van het Wetboek, waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht.

Volgens [artikel 1, § 2, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992, zoals van toepassing in de gecontroleerde periode, is de in § 1 bedoelde belastingplichtige ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik.

Krachtens het tweede lid van voormeld [artikel 1, § 2, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992 is deze uitreikingontheffing evenwel niet van toepassing op :

> *"(...)*
>
> *6°* *de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij·worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit;*
>
> *7°* *de leveringen verricht in inrichtingen of op plaatsen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren;*
>
> *8°* *de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven;*
>
> *(...) ".*

**2.2.** Artikel 59, § 1, W.BTW, zoals ten deze van toepassing, bepaalt :

> *"Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.*
>
> *De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. ".*

De bijzondere wettelijke bewijswaarde die artikel 59, § 1, W.BTW aan de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën toekent, geldt voor de persoonlijke materiële vaststellingen van die ambtenaren, maar niet voor de juridische gevolgtrekkingen die daaruit kunnen worden afgeleid (Cass. AR C.97.0061.F, 17 april 1998, *Arr.Cass. 1998, 427, Bull. 1998, 451, JLMB 1999, 1632*).

De geldigheid van een dwangbevel komt niet in het gedrang door het enkele feit dat een proces-verbaal dat aangehecht is aan dit dwangbevel, niet zelf alle feitelijke gegevens bevat die het verschuldigd zijn van de belasting aantonen, maar hiervoor verwijst naar een eerder proces­verbaal waaruit die gegevens blijken en dat niet mee werd betekend. Geen wettelijke bepaling voorziet in de nietigheid van het, krachtens [artikel 59 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) opgemaakt proces-verbaal, om de enkele reden dat bij de betekening ervan aan de belastingplichtige geen afschriften zijn gevoegd van stukken waarnaar in het proces-verbaal . wordt verwezen (Cass. AR C.95.0192.N, 17 september 1998, *Arr.Cass. 1998, 893, Bull. 1998, 960, FJF 2001, 76, noot, RW 1999-00 (verkort), 131)*.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat :

1\. bij het dwangbevel van 30 november 2004 een voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 10 november 2004 werd gevoegd;

2\. aan het proces-verbaal van 10 november 2004 afschrift is gevoegd van twee processen-verbaal van 29 januari 2003 en dat deze twee processen­verbaal met hun bijlagen één geheel uitmaken met het proces-verbaal van 10 november 2004;

3\. in de processen-verbaal van 29 januari 2003 zo voor de uitgaande facturen van het jaar 2001 als voor de facturen voor de periode van 1 januari 2002 tot 30 september 2002 door de controleambtenaar materieel wordt vastgesteld dat elke werkdag een uitgaand factuur werd opgemaakt zonder vermelding van de naam van de bij de handeling betrokken partij en dat er ter staving van deze vaststellingen kopie van enkele facturen in bijlage van de processen-verbaal werd gevoegd;

4\. de voormelde facturen enkel "kassaverkopen" vermelden;

5\. voormelde vaststellingen weliswaar werden gedaan op een ogenblik dat appellant zijn werkzaamheid als eenmanszaak had stopgezet en deze activiteit had voortgezet door de uitbating van een BVBA, doch dat zij alle wel degelijk betrekking hebben op de boekhouding en facturatie verricht tijdens de periode van uitbating van de handelswerkzaamheid als eenmanszaak;

6\. appellant op 1 december 2000 een aangifte van de aanvang van een werkzaamheid op het bevoegde BTW-controlekantoor heeft ingediend waarin hij zijn werkzaamheid als BTW-plichtige omschrijft als "groot­ en kleinhandel in horecabenodigdheden en voedingswaren";

7\. appellant op 27 november 2000 ook een aanvraag tot inschrijving in het handelsregister heeft ingediend waarin als hoofdwerkzaamheid opgeeft *"de groothandel in materieel en benodigdheden voor hotels, cafés en restaurants"*;

8\. niet betwist wordt dat uit de BTW-aangiftes van appellant blijkt dat de totale door hem aangerekende BTW op uitgaande facturen met vermelding van naam en adres van de medecontractanten … EUR bedroeg voor het jaar 2001, terwijl de aangerekende BTW op de uitgereikte facturen met als geadresseerde "kassaverkopen" … EUR bedroeg; voor de periode van 1 januari 2002 tot 30 september 2002 bedroeg de aangerekende BTW respectievelijk … EUR en … EUR;

9\. uit de kopieën van de uitgaande facturen van appellant, gehecht aan de processen-verbaal van vaststelling van 29 januari 2003, die als bijlagen 1 en 2 gehecht zijn aan het proces-verbaal van 10 november 2004 blijkt dat de leveringen betrekking hebben op goederen, die gelet op de aard ervan, de wijze waarop ze worden aangeboden of de verkochte hoeveelheden, kennelijk bestemd zijn voor economisch gebruik, bv. 100 stuks citroencups (per handelseenheid), 10 kg pinda's, 125 stuks speculaas, 20 stuks mignonettes Côte d'or, 100 stuks Soubry toast, 500 x 2 stuks Natrena zoetjes, 1000 stuks onderzetters, 1000 stuks suikerklontjes, 150 x 25 gr kandijsiroop, enz.;

De ontheffing van facturatieplicht die geldt voor verkopen aan particulieren, kan niet worden toegepast voor leveringen die worden gedaan door 'voortbrengers of grossiersbedrijven' ([artikel 1, § 2, 8° KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992).

De ontheffing van de facturatieplicht geldt enkel voor kleinhandelaars die in de regel leveringen doen aan particulieren.

In het voorliggende geval kwalificeert de belastingplichtige als een groothandelaar. Slechts in geringe mate verrichtte hij verkopen als kleinhandelaar. Daarom diende hij voor elke levering een regelmatige factuur uit te reiken.

Het feit dat de belastingplichtige al dan niet ernstige reden had om te twijfelen aai1 de niet-BTW-belastingplicht van bepaalde afnemers, is geen reden om enige ontheffing van de facturatieplicht te verantwoorden.

Bovendien, moeten als kennelijk bestemd voor handelsgebruik of beroepsgebruik, in de zin van art. 8, tweede lid, 6°, K.B. 23 juli 1969, worden aangemerkt die goederen die alleen of in hoofdzaak voor gebruik of verhandeling in een handel of bedrijf in aanmerking komen of waarvan de wijze van aanbieding, zoals verpakking, gebruiksaanwijzing, hoeveelheden, expliciet of impliciet op zodanig gebruik of zodanige verhandeling is ingericht. Die goederen zijn door hun aard of wijze van aanbieding alleen dan niet meer kennelijk voor handelsgebruik of beroepsgebruik bestemd, wanneer zij in zulke mate ook door particulieren worden gekocht dat bij het publiek, wanneer het met die goederen of die wijze van aanbieding wordt geconfronteerd, geen spontane associatie met handelsgebruik of beroepsgebruik wordt gewekt (Cass. (1 e k.) AR [C.02.0245.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-facture-exception-usage-commercial-cassation-bruxelles-2003-11-21-f405), 21 november 2003, *Arr. Cass.* 2003, afl. 11, 2178, *FJF* 2004, afl. 3, 278, *Pas.* 2003, afl. 11, 1866, RW 2006-07 (verkort), afl. 40, 1659, noot; Cass., 8 september 1989, Pas. 1990, I, 16, *Arr. Cass.* 1989-90, 17, *RW* 1989-90, 954-955, *FJF* 1990, 45-47). Uit vorenstaande vaststellingen dient te worden besloten dat de goederen opgenomen in de facturen met als naam van de afnemer "kassaverkopen" wel degelijk voor economisch gebruik waren bestemd, zodat appellant ook bij toepassing van [artikel 1, § 2, tweede lid, 1°, van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) van 29 december 1992 .verplicht was een factuur uit te reiken, zelfs aan medecontractanten - natuurlijke personen, die handelen voor privédoeleinden.

In casu vermelden de dagelijks uitgegeven facturen, waarop als enige geadresseerde "kassaverkopen" staan vermeld, in strijd met de vereiste van [artikel 5, 3°, van het KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992 niet de *"naam of maatschappelijke benaming van de medecontractant"*.

De vastgestelde overtredingen op de BTW-wetgeving steunen bijgevolg op de materiële vaststellingen van de controleambtenaar en geenszins op enige juridische gevolgtrekking die hij uit zijn constataties zou hebben afgeleid.

**2.3.** Krachtens [artikel 85, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) wordt, bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met de invordering belastbare ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.

Een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde, is een bestuurshandeling waarop de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuursbehandelingen - verder genoemd : Wet Motivering Bestuurshandelingen - van toepassing is.

Krachtens artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, moet het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd.

De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in dé weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Die argumenten en gegevens kunnen enkel worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vernield met betrekking tot diezelfde belastingschuld (Cass. (1 e k.) AR [C.03.0354.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/non-paiement-taxe-contrainte-acte-cassation-bruxelles-2005-12-01-b975), 1 december 2005, *FJF* 2007, afl. 3, 202, conclusie advocaat-generaal D. THIJS, Pas. 2005, afl. 12, 2396, *TBP* 2007 (weergave F. MEERSSCHAUT), afl. 7, 430, *TFR* 2006, afl. 307, 712, conclusie advocaat-generaal D. THIJS, noot A. KIEKENS, 'Na het uitvaardigen van een dwangbevel mag de BTW­ administratie geen nieuwe motieven meer inroepen', (*TFR* 2006, afl. 307, 717-719).

Als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt, dient het dwangbevel het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk te maken. Het is noodzakelijk dat het proces­verbaal, als bijlage waarnaar het dwangbevel verwijst, mee betekend wordt om de belastingplichtige in de mogelijkheid te stellen zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet evenwel dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, mee moeten betekend worden met het dwangbevel. De motivering van het dwangbevel moet "afdoende" zijn, hetgeen impliceert dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen; de feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbaar feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, behoren niet tot het gebied van de motivering van het dwangbevel, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. (Art. 85, par. 1, lid 1 W.BTW; art. 3 wet motivering bestuurshandelingen) (Cass. (1e k.) AR [F.07.0016.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-defaut-paiement-taxe-acte-cassation-bruxelles-2008-03-20-280d), 20 maart 2008, conclusie advocaat-generaal D. THIJS, *Pas.* 2008, afl. 3, 773, *RABG* 2008, afl. 18, 1188, *RGCF* 2009, afl. 1, 55, *RGCF* 2009, afl. 5, 453, *RW* 2009-10 (samenvatting), afl. 31, 1306, *TBP* 2009 (weergave F. MEERSSCHAUT), afl. 9,550 en 551).

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat de processen-verbaal waarnaar het dwangbevel verwijst en hiermee aan appellant werden betekend omstandig het voorwerp en de oorzaak van de BTW-vordering beschrijven en omschrijven, zodat appellant zich rekenschap kon geven van de feitelijke en juridische grondslag van deze BTW-vordering en zich hierop desnoods kon verdedigen. De processen-verbaal zetten duidelijk uiteen dat appellant, volgens de controleambtenaar en na onderzoek van .de boekhouding en de facturatie van appellant over de betrokken periode, als een grossiersbedrijf dient te worden beschouwd en/of dat de dagelijks door hem uitgegeven facturen met vermelding "kassaverkopen" betrekking hebben op de levering van goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik. Kopijen van de betrokken facturen zijn tevens bij de processen-verbaal als voorbeeld gevoegd. Tenslotte wordt ook verwezen naar de ter zake relevante bepalingen van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Zo het dwangbevel als de hiermee betekende processen-verbaal zijn derhalve afdoende gemotiveerd.

**2.4.** [Artikel 70, § 2, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) bepaalt dat wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting.

Krachtens [artikel 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) van dat wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens [artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

In casu werd aan geïntimeerde op grond van [artikel 70, § 2, van het BTW­Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) een boete gelijk aan het dubbel van het bedrag van de verschuldigde rechten opgelegd, hetzij 2 x … EUR = … EUR. Deze wettelijke geldboete werd op grond van [artikel 1, eerste lid, 3° van het Koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel C, II, verminderd tot 100 pct van de op handeling verschuldigde belasting, meer bepaald op … EUR, afgerond volgens artikel 4, § 1, van hetzelfde Koninklijk besluit op … EUR.

Uit de vorenstaande motieven volgt dat de weerhouden overtredingen geen betrekking hebben op het niet-uitreiken van facturen of van als zodanig geldende stukken dat geen verschuldigdheid van BTW tot gevolg heeft (tabel C Geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in [artikel 70, § 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), van het Wetboek, I, 1°), maar wel op het ontbreken van of onjuistheden in de vermeldingen aan te brengen op de facturen of op de zodanig geldende stukken (tabel C Geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in [artikel 70, § 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70), van het Wetboek, II). De opgelopen geldboete beloopt aldus 100 pct. van de op de handelingen verschuldigde belasting en niet 60 pct. zoals door appellant verkeerdelijk voorgehouden.

[Artikel 1, laatste lid, van het KB nr. 41](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958#ar41-art1) van 30 januari 1987 bepaalt dat de in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het dwangbevel diende derhalve geen bijzondere motivering omtrent de toepassing van de geldboete te bevatten in zoverre de geldboete in casu van rechtswege verschuldigd was zonder dat hiertoe het bewijs van een frauduleus oogmerk of kwaad opzet vereist was. De verwijzing naar de schaal voorzien in tabel C, II, betreft een juiste toepassing van de geldboete op de betrokken vastgestelde overtredingen en kan derhalve niet aanzien worden als een verkeerde motivering;

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van [artikel 70 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) te toetsen, mag de wettelijkheid daarvan evenwel onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De rechter mag niet nalaten te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden was door een sanctie en op welke gronden het bestuur van de vaste schalen had moeten afwijken. (Cass. (1 e k.) AR F.06.0032.N, 16 februari 2007, *FJF* 2009, afl. 3, 335, *Pas*. 2007, afl. 2, 374, *TBP* 2008 (weergave F. MEERSSCHAUT), afl. 7, 449, *TFR* 2007, afl. 330, 9344 december 2007), noot G. GOOSSENS, 'Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit - Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes', (*TFR* 2007, afl. 330, 937- 942); zie ook o.a. : I. BOONE & G; VAN HAEGENBORGH, ‘Administratieve sancties', in *Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2004*, p. 185-255; Cass. (1e k.) AR [F.06.0106.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-remise-reduction-amende-cassation-bruxelles-2009-02-13-453b), 13 februari 2009, *FJF* 2009, afl. 8, 910, *TFR* 2009 (samenvatting), afl. 370, 910; Cass. (1e k.)

AR F.05.0015.N, 16 februari 2007, *Fisc.Koer.* 2007 (weergave A. KIEKENS), afl. 6, 386, noot A. KIEKENS, 'Kunnen de hoven en rechtbanken administratieve boeten kwijtschelden of verminderen die door de Administratie conform de wettelijke voorschriften zijn opgelegd en waarvan de wet de fiscus belette om ze te verminderen?', *Fisc.Koer*. 2007, afl. 6, 388-390, *FJF* 2007, afl. 9, 858, noot, Pas. 2007, afl. 2, 369, *TFR* 2007 (samenvatting), afl. 330, 944; Cass. (1e k.) AR [C.00.0307.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-droit-cassation-bruxelles-2002-01-24-eeb9), [C.00.0599.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-droit-cassation-bruxelles-2002-01-24-eeb9), 24 januari 2002, *AFT* 2002 (weergave D. JAECQUES), afl. 4, 201, *Arr.Cass*. 2002, afl. 1, 246, Juristenkrant 2002 (weergave B. WESTEN), afl. 47, 5, *FJF* 2002, afl. 5, 434, *Pas*. 2002, afl. 1, 234, *RW* 2002-03, afl. 26, 1018; vgl. Hof Mensenrechten (1e afd.) nr. 47650/99, 4 maart 2004 (Silverster's Horeca Service / België), *Fisc.Koer*. 2004 '(weergave L. KELL), afl. 7, 394, Juristenkrant 2004 (weergave C. VAN VYVE), afl. 91, 16, *FJF* 2004, afl. 6, 528, *J.T. dr. eur*. 2004 (weergave), afl. 109, 158, *RW* 2005-06 (weergave W. VANDENHOLE), afl. 8, 317, *TFR* 2004, afl. 264,636; zie ook : Grondwettelijk Hof nr. 79/2008, 15 mei 2008 (prejudiciële vraag), *A. GrwH* 2008, afl. 2, 1139, BS 26 juni 2008 (eerste uitgave) (uittreksel), 33013, *FJF* 2009, afl. 2, 222, RABG 2008, afl. 18, 1199, noot, *RGCF* 2008, afl. 6, 498, noot M. MARLIERE, C. SCHOTTE, 'Le contrôle judiciaire des amendes T.V.A', (RGCF 2008, afl. 6, 502-506), *RGCF* 2009 (samenvatting), afl. 2, 171, *TBP* 2009, afl. 6, 380, *TFR* 2008, afl. 351, 1027, noot B. COOPMAN, 'Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit!', (*TFR* 2008, afl. 351, 1032-1033); Cass. (1e k.) AR [C.09.0096.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2010-03-11-a6a0), 11 maart 2010, http://www.cass.be, conclusie advocaat­ generaal D. THIJS).

Om uit te maken of er sprake is van een schending van dat evenredigheidsbeginsel moet worden nagegaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is, gelet op alle relevante factoren. Het zorgvuldigheidsbeginsel, waarvan het evenredigheidsbeginsel ·een uitloper is, houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen. Als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in·verhouding tot de met het besluit. te dienen doelen (W. LAMBRECHTS, 'Het zorgvuldigheidsbeginsel', in *Algemene beginselen van behoorlijk bestuur*, red. I. OPDEBEEK, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, 1993, 30-31).

Het evenredigheidsbeginsel impliceert m.a.w. dat wordt nagegaan of de beslissing, rekening gehouden met het doel dat wordt nagestreefd, in het concrete geval niet disproportioneel bezwarend is voor de particulier die door die beslissing wordt getroffen (zie conclusie van toenmalig advocaat-generaal M. DE SWAEF vóór Cass., 15 juni 2004, T.R.O.S 2004, 247-248). Er is immers sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer de door de overheid gemaakte keuze een kennelijke wanverhouding tussen het algemeen belang en het particulier belang tot gevolg heeft

De wetgever mag bijzonder zware straffen opleggen in sector en waar de omvang en de frequentie van de fraude de belangen van de gemeenschap ernstig aantasten. De factuur neemt binnen de belasting over de toegevoegde waarde een centrale plaats in, mede doordat het recht op aftrek door de belastingplichtige afhankelijk is van het bestaan van een dergelijk document. Aan dat document worden om die reden stringente eisen gesteld, waarvan de niet-naleving wordt bestraft.

De belasting op de toegevoegde waarde werd ingevoerd ter uitvoering van Europese richtlijnen, hetgeen gevolgen heeft voor de bestraffing van inbreuken op die wetgeving. Wanneer een Europese regelgeving, zoals te dezen, geen specifieke bepaling betreffende de bestraffing van een overtreding bevat of daarvoor verwijst naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, zijn de Lidstaten blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens artikel 5 van het E.E.G.-Verdrag (thans artikel 10 van het E.G.-Verdrag) verplicht alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. De Lidstaten dienen daartoe met name erop toe te zien dat overtredingen van het gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij vrij in hun keuze van de op te leggen straffen, maar deze moeten wel doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De nationale autoriteiten dienen verder even energiek op te treden tegen overtredingen van het gemeenschapsrecht als wanneer het gaat om de handhaving van een overeenkomstige nationale wettelijke regeling (H.v.J., 21 september 1989, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Helleense Republiek, Jur., 1989, p. 2984-2985). De Lidstaten moeten die bevoegdheid echter uitoefenen met inachtneming van het gemeenschapsrecht en de algemene beginselen daarvan, en, bijgevolg, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Administratieve of strafrechtelijke maatregelen mogen niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. Aan controlemaatregelen mogen geen sancties verbonden zijn die zo onevenredig zijn aan de ernst van de overtreding dat zij tot een belemmering van de in het E.G.-Verdrag verankerde vrijheden worden (H.v.J., 16 december 1992, Commissie t. Helleense Republiek, Jur., 1992, . l-6153).

Het Hof is van oordeel dat een administratieve boete in elk geval gepast is. Het door appellant toegepast verkoopssysteem laat, inderdaad, de mogelijkheid open aan al dan niet kwaadwillige BTW-plichtigen, die zich bij appellant bevoorraden, al dan niet met medeweten van appellant, een omzet in het zwart te realiseren. Daartegenover staat dat de door appellant overtreden bepalingen van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 juist zijn ingevoerd als middel om BTW-fraude te voorkomen. Het algemeen belang is derhalve ook ernstig geschaad zelfs al zou de BTW op de kwestieuze verkopen aan de Belgische Staat zijn afgedragen. Rekening houdende met de omvang van de gepleegde overtredingen en het ontradend effect dat de opgelegde boete moet hebben, acht het Hof de aan appellant opgelegde boete in verhouding tot de vastgestelde feiten.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis;

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZENDENTIEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.** Raadsheer wd. Voorzitter;

**M.D.** en

**S. B.** Raadsheren

**A. V. L.** Griffier

**A.V. L.** **S. B.**

**M. D.** **D. W.**

## Textes cités

11

[AR no 41 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-41-janvier-fixant-montant-amendes-fiscales-5958) 8 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 8 occurrences

[AR no 1 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-1c1a) 6 occurrences

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 3 occurrences

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 3 occurrences

[AR no 1 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-mesures-tendant-assurer-paiement-taxe-f40f) 1 occurrence

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 1 occurrence

[CTVA art. 50](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-50) 1 occurrence

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 1 occurrence

[CTVA art. 71](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-71) 1 occurrence

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Entreprise de vente en gros;facturation;amende](https://juriel.be/fr/jurisprudence/entreprise-vente-gros-facturation-amende-cour-appel-anvers-2005-02-08-1079) 6 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 5 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 5 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-10-14-2758) 5 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 4 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 4 dispositions communes

[Echange, Contrepartie, Base imposable, Valeur normale, échange, base d'imposition](https://juriel.be/fr/jurisprudence/echange-contrepartie-base-imposable-valeur-cour-appel-gand-2023-10-24-34d7) 4 dispositions communes
