---
title: "24 juin 2008 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 24 juin 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2008-06-24-2c7f"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

24 juin 2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

58 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 24.06.2008

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6e KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :**

**inzake : 2006/AR/460**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

**appellant**

tegen een vonnis gewezen door de 4e F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 5 december 2005, aldaar gekend onder nr. A.R. 96/13342/A;

vertegenwoordigd door Mr. **I. V.** loco Mr. **M. V. H.**, advocaat, kantoor houdende te …, … (ref. : …);

**tegen :**

**M. D. B.**, bediende, wonende te …, …;

**geïntimeerde**

vertegenwoordigd door **J. H.**, advocaat, kantoor houdende te …, … (ref. : …);

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 5 december 2005, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 9 februari 2006, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure :

**1.1.** Op 8 december 1995 (hangende de echtscheidingsprocedure) wordt door de heer **M. V. S.**, verificateur-accountant van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor te Schoten, bij **H. D.**, ex-echtgenoot van geïntimeerde, naar aanleiding van de stopzetting van de eenmanszaak een controle uitgevoerd van de boekhouding in verband met de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW over de periode van 1 januari 1991 tot 30 december 1993. Tijdens deze controle worden een aantal inbreuken vastgesteld, die worden opgenomen in een correctieopgave, krachtens dewelke **H. D.** een bedrag van … BEF (€ …) BTW verschuldigd is, meer de wettelijke intrest vanaf 21 januari 1994.

Deze correctieopgave wordt op 12 december 1995 voor akkoord ondertekend door **H. D.**.

**1.2.** Bij schrijven van 2 april 1996 deelt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen III aan geïntimeerde mee dat op naam van **H. D.** een schuld openstaat van … BEF BTW (€ …), … BEF boete (€ …), … BEF intresten (€ …) berekend tot 20 april 1996 en … BEF kosten (€ …). Aangezien zij gehuwd is met **H. D.** onder het stelsel van gemeenschap van goederen en de schuld ontstaan is tijdens het huwelijk en aangezien uit de beschikking in kort geding van 27 januari 1994 blijkt dat zij deze schulden dient te betalen, wordt haar gevraagd het bedrag van … BEF (€ …) binnen een termijn van veertien dagen te betalen. Indien aan dit verzoek geen gevolg wordt gegeven zal de vervolging worden aangevat / verdergezet met alle middelen voorzien door de wetgeving waarbij de kosten ten haren laste zullen vallen.

**1.3.** Bij schrijven van 8 juli 1996 aan de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen III stelt de raadsman van geïntimeerde dat geïntimeerde voor voormeld schrijven geen weet had van de beweerde BTW-schuld ten name van **H. D.**. Zij formuleert alle voorbehoud omtrent het ontstaan, de samenstelling, de inhoud en de draagwijdte van de kwestieuze BTW-schuld. Deze schuld kan overeenkomstig artikel 1414, lid 2, 3° van het Burgerlijk Wetboek hoe dan ook niet verhaald worden op het eigen vermogen van geïntimeerde, vermits een schuld van haar echtgenoot aangegaan bij de uitoefening van zijn beroep betreft. Aangezien geïntimeerde volledig onwetend is van de concrete feitelijke elementen met betrekking tot het ontstaan van de kwestieuze vordering alsook met betrekking tot de inhoud en de samenstelling van deze schuld, is zij in de onmogelijkheid ter zake enig standpunt in te nemen. Gevraagd wordt om voorlopig af te zien van elke verdere vervolging ten laste van geïntimeerde, teneinde voorbarige en/of nodeloze kosten te vermijden.

Eveneens bij schrijven van 8 juli 1996 aan de BTW-controle te Schoten verzoekt de raadsman van geïntimeerde hem omtrent de kwestieuze BTW-schuld van **H. D.** zo volledig mogelijk te willen informeren en hem een kopie van de voornaamste stukken toe te zenden.

**1.4.** Op 21 juni 1996 wordt door de ontvanger BTW te Antwerpen 3 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 25 juni 1996 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Schoten aangewezen door de gewestelijk directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen en dat op 11 juli 1996 wordt betekend aan **H. D.** en aan geïntimeerde.

Krachtens dit dwangbevel wordt betaling gevorderd van volgende bedragen :

\- … BEF (€ …) als belasting over de toegevoegde waarde,

\- … BEF (€ …) als geldboete krachtens [artikel 70, §1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en [70, §1 bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) van het BTW-wetboek,

samen … BEF (€ …),

te vermeerderen met :

\- de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1994,

\- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van dit dwangbevel, ingevolge [artikel 91, § 4 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91),

\- de vervolgingskosten.

**1.5.** Bij dagvaarding van 15 juli 1996 vordert geïntimeerde het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en haar te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen; appellant te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan de vernietiging wordt gevorderd; appellant te veroordelen tot de kosten van het geding; het vonnis uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement.

**1.6.** Bij tussenvonnis van 1 maart 2004 stelt de eerste rechter dat geïntimeerde niet gebonden kan zijn door het akkoord van haar ex-echtgenoot met de in de correctieopgave berekende maatstaf van heffing, nu dat akkoord verder gaat dan alleen maar een in artikel 1417 van het Burgerlijk Wetboek hem voorbehouden bepaalde bestuurshandeling ter zake de uitoefening van zijn beroep en wat tegelijk los staat van het in artikel 1415 van het Burgerlijk Wetboek geregelde bestuursrecht met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen zelf. Uit de briefwisseling blijkt dat namens geïntimeerde informatie werd gevraagd om haar toe te laten de gegrondheid van de BTW-vordering te onderzoeken. Bij ventilatie van de gegevens van de correctieopgave blijkt dat de BTW-belastingdienst voor de jaren 1991 en 1992 is uitgegaan van verschillen tussen de aangiften inkomstenbelastingen en BTW en dat hij voor het jaar 1993 is uitgegaan van een verschil tussen aankopen bij een drankenhandel en de opname daarvan in de boekhouding, wat als vaststaande feiten terecht in aanmerking werd genomen ter bepaling van de maatstaf van heffing ter zake BTW. Zulks is evenwel niet noodzakelijk ook het geval met wat de BTW-belastingdienst daarnaast voor de jaren 1991 en 1992 als uitgangspunt in aanmerking heeft genomen bij het vertrekken van in de inkomstenbelastingen belaste tekenen en indiciën, nu deze laatste niet noodzakelijk zomaar op zich tegelijk een meeromzet ter zake BTW uitwijzen, zonder nader onderzoek. Appellant stelt geen gegevens ter beschikking om de betwisting op dit punt nader te onderzoeken, hoewel hij de bewijslast draagt van de BTW-vordering, waaromtrent enkel de gewezen echtgenoot zich voor eigen rekening akkoord heeft verklaard. Het was voor appellant niet onmogelijk om te gepasten tijde documenten voor te leggen teneinde te onderbouwen op welke precieze wijze er in 1991 en 1992 is gekomen tot indiciën in de inkomstenbelastingen en of zulks van daaruit dan terecht heeft geleid tot vaststelling van een gedeelte aan inzake BTW niet-aangegeven meeromzet. Deze vraagstelling ter zake het bestaan zelf van de BTW-schuld gaat vooraf aan de vraag naar de onder de artikelen 1409 tot en met 1414 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde gehoudenheid. De rechtbank nodigt de partijen uit in het licht hiervan debat te voeren ter zake de omvang van de BTW-vordering. Artikel 1422 van het Burgerlijk Wetboek is bij dit alles niet van toepassing op belastingschulden of op ter betaling daarvan door de echtgenoot gedane akkoordverklaringen. De rechtbank acht de betwisting niet in staat van wijzen en verzendt de zaak naar de rol.

**1.7.** In het bestreden eindvonnis stelt de eerste rechter dat uit de (na tussenvonnis) door appellant verstrekte uitleg kan worden opgemaakt dat de diensten der BTW op 18 december 1995 aan de diensten der personenbelasting - ten name van de (toenmalige) echtgenoot van geïntimeerde - een meeromzet hebben gemeld en dat de diensten der personenbelasting op hun beurt op basis van vermelde inlichtingen een supplementaire aanslag hebben of zouden hebben gevestigd op indiciaire basis. Het is uit de chronologie overduidelijk dat de melding van 18 december 1995 het onmiddellijke gevolg was van de akkoordverklaring van 12 december 1995 inzake BTW, enkel door de (toenmalige) echtgenoot ondertekend, en waarvan ten overvloede niet blijkt of geïntimeerde daarvan toen op de hoogte was. Appellant draagt de bewijslast van de gegrondheid van zijn fiscale vordering. De BTW-vordering blijkt hoe dan ook voort te gaan op de loutere akkoordverklaring van de (toenmalige) echtgenoot van geïntimeerde, die haar bij gebrek aan verweerrechten niet bindt, waarover ook reeds in het tussenvonnis werd geoordeeld.

De rechtbank verklaart derhalve de vordering van geïntimeerde toelaatbaar en als volgt gegrond; verklaart het dwangbevel onwettig en verbiedt er de uitvoering van; veroordeelt appellant tot de kosten; wijst geïntimeerde af van het meer- en van het anders gevorderde.

**1.8.** Het hoger beroep van appellant strekt ertoe het vonnis van 5 december 2005 te vernietigen, het verzet tegen dwangbevel als ongegrond af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Appellant voert aan dat de correctieopgave te beschouwen is als een buitengerechtelijke bekentenis en dat een akkoord tussen de belastingplichtige en de BTW-administratie, benevens een loutere erkentenis van de begane overtredingen, tevens een fiscaal compromis (dading) omtrent feitenkwesties (omzet) is, waarbij de partijen ter beëindiging van een geschil de vaststellingen ervan aanvaarden.

Het fiscaal compromis bindt zowel de staat als de belastingplichtige. Een dergelijk akkoord kan enkel herroepen worden als het behept is met een wilsgebrek of aangetast is door een dwaling in rechte of in feite door bedrog. Het komt niet toe aan iemand anders dan de administratie of (te dezen) de heer **D.** zelf om dit akkoord aan te vechten. Het alleenbestuur bedoeld in artikel 1414, 1e lid van het Burgerlijk Wetboek is de bestuursvorm waarbij een echtgenoot, met uitsluiting van de andere, een deel van het gemeenschappelijk vermogen bestuurt en dit deel kan verbinden. Het voor akkoord ondertekenen van de correctieopgave door de heer **D.** is één van de handelingen gesteld in het kader van zijn beroepsactiviteit en kan door hem, als echtgenoot-handelaar, alleen worden gesteld. Een bijzondere volmacht is daartoe niet vereist. Dat de echtgenote niet op de hoogte was van zijn handelingen gesteld in het kader van zijn beroepsactiviteit, betekent niet dat het akkoord achter haar rug is gesloten : zij waren immers nog steeds gehuwd; de heer **D.** was gerechtigd het akkoord te ondertekenen. De uitspraak in kort geding van 27 januari 1994 betreffende de voorlopige maatregelen hangende het geding in echtscheiding is niet tegenstelbaar aan appellant. Tenslotte stelt appellant dat het bestaan zelf van de BTW-schuld wel degelijk bewezen wordt door de op 12 december 1995 door de heer **D.** ondertekende correctieopgave. De betwisting betreft een geschil tussen (ex-)echtgenoten en betreft in geen geval de grond van de zaak.

**1.9.** Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en tot de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde verwijst naar het tussenvonnis van 1 maart 2004 en stelt dat in dit vonnis de rechtbank op definitieve wijze heeft beslist dat geïntimeerde niet gebonden kan zijn door het akkoord van haar intussen ex-echtgenoot **H. D.** met de in de correctie-opgave berekende maatstaf van heffing, nu dat akkoord verder gaat dan alleen maar een in artikel 1417 van het Burgerlijk Wetboek hem voorbehouden bepaalde bestuurshandeling ter zake de uitoefening van zijn beroep, wat tegelijk losstaat van het in artikel 1415 van het Burgerlijk Wetboek geregelde bestuursrecht met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen zelf. Verder stelt geïntimeerde dat de kwestieuze akkoordverklaring, onderschreven door de heer **D.**, niet kadert binnen enige aan hem gegeven bijzondere volmacht en dat deze akkoordverklaring bijgevolg onbestaande is ten aanzien van haar en haar niet bindt. De BTW-administratie bewijst ook niet dat er sprake zou zijn van een meeromzet.

## 2. Beoordeling :

Het hof stelt vast dat de eerste rechter in het tussenvonnis van 1 maart 2004 uitdrukkelijk heeft gesteld dat geïntimeerde niet gebonden is door het akkoord van haar (ex-)echtgenoot met de in de correctieopgave berekende maatstaf van heffing. Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep aangetekend. In het bestreden vonnis verwijst de eerste rechter nogmaals uitdrukkelijk hiernaar.

Appellant kan dan ook niet meer voorhouden dat geïntimeerde gebonden is door dit akkoord.

Aangezien de vordering van appellant - het dwangbevel - uitsluitend gesteund is op dit akkoord, dat niet tegenstelbaar is aan geïntimeerde, heeft de eerste rechter terecht het verzet van geïntimeerde tegen dit dwangbevel gegrond verklaard.

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN :

**HET HOF,**

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT**, waar aanwezig waren :

**D. W.**, raadsheer, wnd. voorzitter

**M. G.**, raadsheer

**R. L.**, raadsheer

**G. V.**, griffier

**G. V.** **R. L.** **M. G.** **D. W.**

## Textes cités

2

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 2 dispositions communes

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 2 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes

[Droit de déduction, Révision, Participation à une unité TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-revision-participation-unite-tribunal-hasselt-2026-03-11-110c) 2 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 2 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 2 dispositions communes

[Assujettissement, Exercice d’une activité économique, Déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-exercice-activite-economique-deduction-tribunal-bruxelles-2021-09-03-130a) 2 dispositions communes
