---
title: "6 septembre 2011 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Disposition pénale, amende administrative, paiement de l'impôt, assujettissement, poursuite, instance. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 6 septembre 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-paiement-cour-appel-anvers-2011-09-06-4b20"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, paiement de l'impôt, assujettissement, poursuite · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

6 septembre 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

91 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.09.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : **2009/AR/3047**

**J. W.**, wonende te … (…), …,

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen op 24 juni 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen,

vertegenwoordigd door Mr. **P. J.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van het tweede BTW­ontvangkantoor te Antwerpen, te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **A. L.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 24 juni 2009 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 november 2009;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep :

**1.1.** Blijkens een akte verleden op 1 april 2005 voor notaris **C. D. B.**, met standplaats te …, werd er door de heer **G. P.**, als hoofdelijk aansprakelijke vennoot, en de NV **A. P.**, als stille vennoot, een gewone commanditaire vennootschap OGC **H. & B.** opgericht, met maatschappelijke zetel te …, …, en met maatschappelijk doel o.m. *"het verlenen van alle diensten, opleidingen en adviezen met betrekking tot lichaamsverzorging, gelaatsverzorging en relaxatie, met inbegrip van alle diensten, opleidingen en adviezen in verband met lichamelijk welzijn, algemene gezondheid en persoonlijke verzorging, zoals verleend in inrichtingen voor thalassotherapie, fitnesscentra, welnesscomplexen, kuuroorden, Turkse baden, sauna's, stoombaden, trainingscentra en afzonderingsoorden (…)"*.

Het maatschappelijk kapitaal ten bedrage van … EUR vertegenwoordigd door 100 winstbewijzen met elk een nominale waarde van … EUR werd ingetekend door de NV **A. P.** voor 99 winstbewijzen en door de heer **G. P.** voor één winstbewijs.

Volgens de statuten wordt het bestuur van de vennootschap toevertrouwd aan één of meer zaakvoerders welke of derden, of beherende vennoten kunnen zijn. Zij worden benoemd door de stille vennoten. De zaakvoerder beschikt over alle machten om de vennootschap te besturen en te vertegenwoordigen.

Uit dezelfde oprichtingsakte blijkt dat de heer **G. P.** tot niet­ statutaire zaakvoerder werd benoemd.

Blijkens het verslag van de bijzondere algemene vergadering gehouden op 1 oktober 2005 werd de zetel van de vennootschap verplaatst naar …, …, …, …, werd er ontslag en décharge verleend aan de heer **G. P.** over alle gestelde daden van beheer en bestuur in de waargenomen bestuursperiode, en werd mejuffrouw **K. P.** tot nieuwe zaakvoerder met de meest uitgebreide machten benoemd.

Blijkens het verslag van de. bijzondere algemene vergadering gehouden op 3 november 2006 werd er ontslag en algehele décharge verleend aan mejuffrouw **K. P.** over alle daden van beheer en bestuur in de door haar waargenomen bestuursperiode, en werd de heer **W. J.**, appellant, tot nieuwe zaakvoerder met de meest uitgebreide machten benoemd.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 10 april 2008 werd de GCV OGC **H. & B.**, handel in eigen onroerend goed, bij dagvaarding, failliet verklaard.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 30 maart 2010 werd het faillissement van de GCV OGC **H. & B.** bij ontoereikend actief gesloten.

**1.2.** De NV **G. V. H.**, waarvan alle aandelen op 3 november 2006 aan de NV **T.** uit … werden verkocht, waarbij appellant als gedelegeerd bestuurder van de NV **T.** optrad, kocht op 17 augustus 2006 van de NV J & B **P.** *"een hotel op en met grond en alle verdere aanhorigheden gelegen onder de Stad …, derde afdeling, aan de …, gekadastreerd (...) sectie …,·met een oppervlakte volgens meting van vijfentwintig are achtennegentig centiare"* voor een bedrag van … EUR BTW inbegrepen, voor het gebouw en voor een bedrag van … EUR voor de grond.

De verschuldigde BTW, … EUR, werd door de NV J & **B. P.** opgenomen in de BTW-aangifte voor het derde kwartaal 2006. De NV J & **B. P.** betaalde deze BTW echter niet aan de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 29 maart 2007 werd de NV J & **B. P.**, handel in onroerend goed, bij dagvaarding, failliet verklaard.

Blijkens akte verleden op 18 december 2006 voor notaris **C. D. B.**, met standplaats te Antwerpen, verkocht de NV **G. V. H.** het voormeld onroerend goed door aan de GCV OGC **R. & B.** *"mits de prijs van … euro (€ …), BTW inbegrepen, zijnde :*

*-* *… euro(€ …) voor de grond;*

*-* *… euro(€ …) BTW inbegrepen;*

*welke prijs de verkopers erkennen ontvangen te hebben van de kopers middels verrekening in rekening-courant in de betrokken vennootschap, waarover kwijting"*.

De factuur nr. … van 15 december 2006 die door de GCV OGC **H. & B.** werd voorgelegd ter verantwoording van de aftrek in de BTW-aangifte van het 4 kwartaal 2006 vermeldt als omschrijving "Verkoop van de opstallen van het gebouw gelegen op de … te … voor … EUR excl. BTW.".

De NV **G. V. H.** heeft de verkoop van het onroerend goed in haar BTW-aangifte niet opgenomen. De BTW ten bedrage van … EUR, vermeld op de factuur, werd niet in de BTW-aangifte van de NV **G. V. H.** ingeschreven, noch werd zij aan de Schatkist betaald.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 9 augustus 2007, werd de NV **G. V. H.**, …, …, …, restaurants van het traditionele type, ondernemingsnummer …, bij dagvaarding failliet verklaard.

Zoals reeds vermeld, werd het faillissement van de GCV OGC **H. & B.** op 10 april 2008 uitgesproken.

**1.3.** Na te hebben vastgesteld dat de BTW-rekening-courant van de GCW OGC **H. & B.** op 1 november 2007 met een saldo in het voordeel van de belastingplichtige van … EUR sloot en dat dit tegoed is ontstaan door het in aftrek brengen van BTW in rooster 59 van de aangifte van het vierde kwartaal 2006, ingediend op 29 januari 2007, en na onderzoek van de verkoopakte en van de verkoopfactuur en de bestanden van de administratie, werd er op 11 februari 2008 door mevrouw **I. V.**, e.a inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW verbonden aan het BTW-controlekantoor van Antwerpen 10, een proces­verbaal opgemaakt, waarin wordt gesteld dat de GCV **H. & B.** op grond van artikel 51bis, § 4, W.BTW hoofdelijk gehouden is de belasting te voldoen waarvan de NV **G. V. H.** schuldenaar is, daar zij, gezien de quasi identieke maatschappelijke zetel en dezelfde bestuurder, weet dat de betaling van de belasting door NV **G. V. H.** niet werd gedaan en dit met de bedoeling de belasting te ontduiken. Tevens wordt een inbreuk op artikel 45, § 1, W.BTW weerhouden, gezien het onroerend goed niet wordt gebruikt voor de economische doeleinden van GCV **H. & B.** - immers zou volgens verklaring van de bijzonder gevolmachtigde **B. B.** via email bericht van 2 juli 2007, het hotel vanaf het najaar 2007 worden geopend en uitgebaat, hetgeen echter niet gebeurde. Er werd geen aangifte tot ingebruikneming van het onroerend goed ingediend en er werd evenmin omzet gegenereerd, zodat de aangerekende BTW op de aankoop niet in aftrek kan worden gebracht. In ondergeschikte orde, werd ook een inbreuk op artikel 3, §, 1°, van het Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 resp. op [artikel 5, § 1, 1° en 2°, van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) van 29 december 1992 vastgesteld, gezien factuur nr. … van 15 december 2006 uitgereikt door de NV **G. V. H.** een verkeerd BTW-identificatienummer van de NV **G. V. H.** vermeldt, te weten nr. … in plaats van nr. ….

**1.4.** Op grond van het proces-verbaal van 11 februari 2008 werd op 14 maart 2008 door de heer **R. D. V.**, rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor Antwerpen 2 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 19 maart 2008 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer **J. C.**, Eerstaanwezend inspecteur ai. van de BTW-controle Antwerpen 10, aangewezen door de Directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen;

Hierin worden volgende door geïntimeerde verschuldigde bedragen gevorderd, zowel van de GCV **H. & B.** als van appellant in zijn hoedanigheid van hoofdelijke en ondeelbare schuldenaar :

\- … EUR als belasting over de toegevoegde waarde;

\- … EUR als geldboete krachtens artikel 70, § 1, en 70, § 1bis, W.BTW;

\- … EUR als verlopen interesten krachtens artikel 91, § 1, 1°, W.BTW berekend tot 20 maart 2008;

\- de interest krachtens artikel 91, § 1, 1°, W.BTW aan 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de niet tijdig betaalde BTW vanaf 21 maart 2008;

\- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van dit dwangbevel, ingevolge [artikel 91, § 4, van het BTW­Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91);

\- de vervolgingskosten.

Een afschrift van dit dwangbevel en van het proces-verbaal van 11 februari 2008 werd aan de GCV **H. & B.** en aan appellant betekend op 26 maart 2008 bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **W. R.**, handelend in vervanging van gerechtsdeurwaarder **P. V. N.**, met standplaats te ….

**1.5.** Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 15 april 2008 vordert appellant de nietigverklaring van het dwangbevel van 19 maart 2008 en de veroordeling van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, tot de kosten van de procedure.

**1.6.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 24 juni 2009 oordeelt vooreerst dat de uitbreiding van vordering, te weten met een vordering in schadevergoeding, geen accessorium van de hoofdvordering vormt maar wel een nevengeschikte vordering zodat ze noodzakelijkerwijs had moeten zijn ingeleid middels dagvaarding en daarom onontvankelijk dient verklaard. Ten gronde stelt de eerste rechter dat appellant blijkt, door het feit zelf van zijn, door hem vrijwillig aanvaarde, aanstelling als zaakvoerder, krachtens artikel 202 Wetboek van Vennootschappen, beherend vennoot te zijn geworden nu de GCV immers, vanuit haar essentie, uitsluitend beherende vennoten en stille vennoten kent.

Het anders stellen miskent de essentie van deze vennootschapsvorm die een band schept waarbij enkel vennoten kunnen worden gecommanditeerd, en waarbij extern zaakvoerderschap uitgesloten is door de commanditaire aard zelf van (het vermogen van) deze vennootschap. Dit wetsartikel brengt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant in die hoedanigheid mee, en uit de feiten blijkt duidelijk het gebrek aan goede trouw in zijn optreden. Voorts is artikel 203 Wetboek van Vennootschappen te dezen voldaan gelet op het definitieve vonnis van de Eerste F van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 6 januari 2009. De vordering van appellant wordt enkel toelaatbaar verklaard in zoverre ze betwisting van de fiscale vordering tot voorwerp heeft en de aldus beperkt toelaatbare vordering wordt ongegrond verklaard. Appellant wordt tot de kosten van het geding veroordeeld, begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

**1.7.** Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 november 2009.

**1.8.** In dit verzoekschrift en in syntheseconclusie neergelegd op 8 december 2010 voert appellant aan dat hij geen beherend vennoot van de GCV OGC **H. & B.** in de zin van artikel 202 W. Venn. is en dat bij enkel als zaakvoerder werd benoemd De benoeming van een derde niet-vennoot als zaakvoerder is niet in tegenspraak met het intuitu personae karakter van de vennootschapsvorm. Het is dan ook aan geïntimeerde om aan te tonen dat appellant een vennoot zou zijn van de GCV OGC **H. & B.**, een bewijs dat geenszins wordt geleverd. Personen die deelnemen aan een vennootschap zonder een inbreng te doen, kunnen niet zonder meer beschouwd worden als vennoten of aandeelhouders. Appellant bezat geen aandelen van de GCV en in geen enkele akte wordt hij aangemerkt als vennoot. Aangezien appellant geen beherend vennoot is, is hij niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van GCV OGC **H. & B.**. Appellant betwist verder dat de GCV OGC **H. & B.** het recht op aftrek daadwerkelijk zou hebben uitgeoefend. Het BTW-tegoed dat het resultaat was van de aftrek van voorbelasting werd immers ingehouden. Door de inhouding van het BTW­tegoed ten belope van een bedrag van … € werd de vordering van geïntimeerde ten belope van dit bedrag 'betaald'. Aangezien de inhouding ten bedrage van … € dubbel gebruik uitmaakt met de vordering van geïntimeerde, dient deze minstens met dit bedrag te worden verminderd, en dient het dwangbevel minstens gedeeltelijk te worden vernietigd.

Appellant werpt tevens op dat het recht op aftrek van voorbelasting van de GCV OGC **H. & B.** eveneens werd verworpen. Omwille van de verwerping van het recht op aftrek in hoofde van de GCV OGC **H. & B.** kan geen beroep meer worden gedaan op de hoofdelijke aansprakelijkheid krachtens artikel 51bis W.BTW. Zulks zou immers dubbel gebruik uitmaken van de bepalingen om de correcte inning van de belasting te verzekeren. Indien het recht op aftrek verworpen wordt omdat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 45 W.BTW, kan de belastingplichtige niet meer hoofdelijk worden aangesproken voor de belastingschuld van zijn medecontractant. Anders wordt de fiscale neutraliteit doorbroken doordat de Belgische Staat tweemaal BTW zou ontvangen. Eenmaal wegens de verwerping van het recht op aftrek en andermaal door de GCV OGC **H. & B.** aan te spreken voor de BTW die niet door de NV **G. V. H.** zou zijn doorgestort. Evenmin werd voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 51bis, § 4, W.BTW. De toepassing van artikel 51bis, § 4, W.BTW veronderstelt vooreerst dat het bewijs wordt geleverd dat er een BTW-fraude werd gepleegd, en dat de belastingplichtige hiervan kennis had op het tijdstip van de transactie. In casu is geen sprake van enig frauduleus handelen met het oog op belastingontduiking. Het feit dat de kwestieuze BTW niet aan de administratie werd doorgestort door de NV **G. V. H.**, kan perfect te wijten geweest zijn aan de financiële problemen en het daarop volgende faillissement van deze vennootschap. Het gegeven dat de GCV OGC **H. & B.** een onroerend goed kocht van een vennootschap die op zijn beurt dat onroerend kocht van een vennootschap die kort daarna failliet werd verklaard, volstaat niet om te besluiten dat er sprake zou zijn van frauduleuze intenties om de verschuldigde BTW niet te voldoen in hoofde van de NV **G. V. H.**, waar de GCV OGC **H. & B.** of appellant op de hoogte van zou moeten zijn. De NV J & **B. P.** is immers een derde waar de NV **G. V. H.**, laat staan de GCV OGC **H. & B.**, geen uitstaans mee hebben. Bovendien wordt appellant niet in de mogelijkheid gesteld een tegensprekelijk debat te voeren omtrent de intenties van de NV J & **B. P.**. Geïntimeerde brengt immers geen stukken bij inzake de beweerde verkoop, noch stukken die enig inzicht geven in de financiële positie van de NV J & **B. P.**. Het loutere feit dat een vennootschap de verschuldigde BTW niet zou hebben doorgestort aan de Staat is immers onvoldoende om te kunnen spreken van frauduleuze intenties.

Het bewijs dient eveneens te worden geleverd van kennis van de fraude op het tijdstip waarop de belastingplichtige, waarvan de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ingeroepen, de bedoelde handeling heeft verricht. Het gegeven dat appellant zowel zaakvoerder was van de OCV OGC **H. & B.** als bestuurder van de NV **G. V. H.**, en dat voormelde vennootschappen hun maatschappelijke zetel op een naburig adres hadden, volstaat niet om te stellen dat de OCV OGC **H. & B.** kennis had van een frauduleus opzet in hoofde van de NV **G. V. H.**, in zoverre dergelijk frauduleus opzet al zou kunnen worden weerhouden. Aangezien de toepassingsvoorwaarden van artikel 51bis, § 4, W.BTW geenszins werden vervuld, kan de GCV OGC **H. & B.** niet worden aangesproken voor de BTW die de NV **G. V. H.** niet zou hebben afgedragen aan de schatkist. In ondergeschikte orde, stelt appellant nog dat het opleggen van een boete van 200 % niet gerechtvaardigd kan zijn. In casu wordt appellant aangesproken voor een boete die maar liefst … EUR bedraagt. Gelet op de vermeende inbreuk van de OCV, waarvoor appellant hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, is het bedrag van de boete manifest onevenredig met zowel het aandeel van appellant in de feiten als zijn eigen financiële middelen. Het kan niet worden ontkend dat dergelijke duizelingwekkende boete voor een natuurlijk persoon quasi automatisch een kapitaalschuld uitmaakt die nooit of te nimmer kan worden afgelost. Het is dan ook aangewezen om de nagevorderde geldboete ten bedrage van … € in navolging van de heersende rechtspraak kwijt te schelden, met uitstel op te leggen, minstens passend te verminderen tot maximaal 10 % van de verschuldigde belasting, gelet op de opportuniteit van de toe te passen sanctie, het evenredigheidsbeginsel en het persoonlijk karakter van de straf. Omtrent de rechtsplegingsvergoeding stelt appellant tenslotte dat de vordering een in geld waardeerbare vordering betreft en dat de waarde van hei: geschil op een bedrag van … EUR als BTW in hoofdsom meer een boete ten bedrage van … EUR dient te worden begroot, zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … EUR bedraagt. Appellant besluit derhalve tot het gegrond verklaren van het hoger beroep, de vernietiging van het bestreden vonnis, het voor recht zeggen dat appellant geen vennoot is van de OCV OGC **H. & B.** en bijgevolg niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schulden van de GCV, in ondergeschikte orde de vernietiging van het dwangbevel en het ontslaan van appellant van de in dit dwangbevel gevorderde sommen, en de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding begroot zo in eerste aanleg als in hoger beroep op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

**1.9.** Geïntimeerde beaamt in zijn syntheseconclusies neergelegd op 3 februari 2011 de redengeving van het bestreden vonnis en herneemt hierbij tevens de motieven van het proces-verbaal van 11 februari 2008 met betrekking tot de BTW-schuld in hoofde van de GCV OGC **H. & B.**. Omtrent de opgelegde boete stelt geïntimeerde dat de toepasselijke wetsbepalingen en uitvoeringsbesluiten (artikel 70, § 1 en [artikel 84 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) en het Koninklijk besluit nr. 41) ervoor zorgen dat de wettelijke boete van 200 % van de op de handeling verschuldigde BTW moet worden toegepast, omdat ze van rechtswege toepasselijk is, zonder mogelijke vermindering, omdat de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het BTW-wetboek voorziet niet in enige rechtvaardiging- of verschoningsgrond of verzachtende omstandigheid, buiten de afwezigheid van frauduleus inzicht, welke aanleiding geeft tot de vermindering van de boete bij toepassing van het koninklijk besluit nr. 41. Geïntimeerde meent tenslotte dat de vordering strekkende tot het ongedaan maken van een handeling, nl. het teniet doen van een dwangbevel, niet in geld waardeerbaar is en dat de rechtsplegingsvergoeding dan ook op het basisbedrag van … EUR dient te worden begroot. Geïntimeerde besluit derhalve tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond.

## 2. Beoordeling

**2.1.** Door het Hof dient vooreerst te worden vastgesteld dat appellant niet meer volhardt in zijn vordering strekkende tot veroordeling van geïntimeerde om een morele schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ten bedrage van … EUR te betalen en geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikkingen van het bestreden vonnis, waarbij deze vordering niet-toelaatbaar wordt verklaard.

Appellant moet· derhalve, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geacht worden binnen deze beperkte perken in het bestreden vonnis te hebben berust.

**2.2.** Appellant wordt door geïntimeerde niet aangesproken als hoofdschuldenaar van een BTW-schuld, doch wel in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van een gewone commanditaire vennootschap, die volgens geïntimeerde moet geacht worden beherend vennoot te zijn en dienvolgens hoofdelijk aansprakelijk is voor de verbintenissen van de GCV OGC **H. & B.**.

Vooraleer de door appellant eveneens betwiste BTW-schuld in hoofde van de GCV OGC **H. & B.** te onderzoeken, dient bijgevolg eerst te worden nagegaan of appellant wel degelijk de hoedanigheid van hoofdelijke schuldenaar zou kunnen bezitten.

Naar luid van artikel 202 W. Venn. is de gewone commanditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.

Aldus heeft een commanditaire vennootschap twee soorten vennoten, nl. beherende en stille vennoten. Beide soorten vennoten zijn ook noodzakelijk : zowel bij haar oprichting als tijdens haar bestaan moet de commanditaire vennootschap minstens één beherende en één stille vennoot tellen (J. RUYSSEVELDT, *De gewone commanditaire vennootschap*, Antwerpen, Kluwer, 1997, 45).

De beherende vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap. Zij zijn ook verbonden door de handelingen die één van hen namens de vennootschap stelt (F. DE VYLDER, "Artikel 202 W.Venn. (oud art. 18 Venn.W.)", in H. BRAECKMANS, K. GEENS, E. WYMEERSCH, *Comm. V. En V.*, Antwerpen, Kluwer, losbl., 81).

Stille vennoten zijn enkel aansprakelijk ten belope van hun inbreng (artikel 206 W. Venn.). Dat betekent dat een stille vennoot niet (meer) voor de vennootschapsschulden kan worden aangesproken als hij zijn beloofde inbreng heeft geleverd. Wanneer alle stille vennoten van een commanditaire vennootschap wegvallen, worden de beherende vennoten geacht de vennootschap verder te zetten. In dat geval worden ze geacht een commerciële.,maatschap te vormen (F. DE VYLDER, "Artikel 202 W.Venn. (oud art. 18 Venn.W.)", in H. BRAECKMANS, K. GEENS, E. WYMEERSCH, *Comm. V. En V.*, Antwerpen, Kluwer, losbl., 82).

Indien de vennootschap nog slechts stille vennoten telt en één van die vennoten namens de vennootschap handelingen stelt, zal die stille vennoot, bij toepassing van artikel 207 van het W. Venn., zijn statuut van stille vennoot verliezen en de facto beherende vennoot worden. In dat geval telt de vennootschap opnieuw twee soorten vennoten en kan zij als commanditaire vennootschap verder bestaan (J. VAN BAEL, "De gewone commanditaire vennootschap", in Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen (ed.), *Miskende vennootschapsvormen*, Antwerpen, Kluwer, 1991, 38).

Indien de stille vennoten, na het wegvallen van de beherende vennoten, een niet-vennoot als zaakvoerder aanstellen, kan die zaakvoerder niet namens de commanditaire vennootschap handelen. In die hypothese zijn er immers geen beherende vennoten, wat noodzakelijk is voor het bestaan van een commanditaire vennootschap. In zulk geval worden de stille vennoten geacht een commerciële maatschap te hebben gevormd, waarbij wordt aangenomen dat zij het beheer van de vennootschap aan een extern zaakvoerder hebben toevertrouwd (J. VAN BAEL, "De gewone commanditaire vennootschap", in Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen (ed.), *Miskende vennootschapsvormen*, Antwerpen, Kluwer, 1991, 39).

De vraag is in casu aan de orde of diegene die een mandaat van zaakvoerder aanvaardt, automatisch geacht moet worden beherend vennoot te zijn geworden (en dus hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de schulden van de vennootschap).

Uit de benoeming van een persoon tot zaakvoerder van een commanditaire vennootschap kan niet worden afgeleid dat hij ook vennoot van de vennootschap is geworden. Om van een vennootschap te kunnen spreken is immers vereist dat er een contract is waarbij twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen (artikel 1 W. Venn.). Personen die deelnemen aan een vennootschap zonder een inbreng te doen, kunnen niet zonder meer als vennoten of aandeelhouders worden beschouwd (M. DENEF en J. WOUTERS, "Art. 1 W. Venn.", in H. BRAECKMANS, K. GEENS, E. WYMEERSCH, *Comm. V. En V.*, Antwerpen, Kluwer, losbl., 40).

Appellant kan derhalve in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de GCV OGC **H. & B.** niet als vennoot van de commanditaire vennootschap voor schulden van de vennootschap worden aangesproken. In voorkomend geval had geïntimeerde zich moeten keren tegen de stille vennoten, die geacht zouden kunnen worden een commerciële maatschap met een externe zaakvoerder te hebben gevormd. Aangezien zulke maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, kon geïntimeerde dan de vennoten rechtstreeks voor de schulden van de maatschap aanspreken.

Gezien appellant noch statutair noch wettelijk kan worden beschouwd hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de schulden van de GCV OGC **H. & B.** dient de navordering te zijnen opzichte ongegrond te worden verklaard en c.q. het dwangbevel in deze mate nietig te worden verklaard.

**2.3.** Artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat stelt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast voor de geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van dit besluit.

Artikel 3 van voormeld koninklijk besluit stelt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen.

De vordering, die strekt tot het horen zeggen dat appellant geen vennoot is van de GCV OGC **H. & B.** en niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schulden van de GCV en verder tot vernietiging van het te zijnen laste uitgevaardigde dwangbevel en het ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen, heeft betrekking op een in geld waardeerbare vordering (vgl. Cass. (1e k.) AR F.09.0006.F, F.09.0020.F, 12 maart 2010, *FJF* 2010, afl. 7, 720, *JLMB* 2011 (samenvatting), afl. 1, 45, RABG 2010, afl. 18, 1187, noot P. VANLERSBERGHE, 'Rechtsplegingsvergoeding en (niet) in geld waardeerbare vorderingen', (***RABG*** 2010, afl. 18, 1190-1193), *RGCF* 2010, afl. 5, 372).

Naar luid van artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld.

Gezien de a:fvvijzing van de door appellant in eerste aanleg ingestelde vordering in schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding als ontoelaatbaar, komt het Hof gepast voor om de kosten van eerste aanleg tussen partijen om te slaan.

Op grond van de in het dwangbevel nagevorderde sommen bedraagt de waarde van het geschil … EUR en dient de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te worden begroot op het basisbedrag van … EUR.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het (beperkt) hoger beroep ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Doet het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep teniet, en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;

Doet het dwangbevel met RCIV nr. …, in zoverre uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard ten laste van appellant, teniet en ontslaat appellant van de in dit dwangbevel te zijnen laste gevorderde sommen;

Slaat de kosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen om;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van hoger beroep, begroot aan de zijde van appellant op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. D.** en

**S. B.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A.V. L.** **S. B.** **M.. D.** **D. W.**

## Textes cités

3

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 1 occurrence

[CTVA art. 84](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Carrousel TVA, Participation, Refus de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/carrousel-tva-participation-refus-deduction-cour-appel-bruxelles-2020-09-10-0c67) 3 dispositions communes

[Obligations de l’assujetti, Dépôt de déclarations périodiques](https://juriel.be/fr/jurisprudence/obligations-assujetti-depot-declarations-periodiques-tribunal-2024-06-10-7a5c) 3 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 3 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 3 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance, Mentions obligatoires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-mons-2020-10-27-ed7b) 3 dispositions communes

[Droit à déduction -Factures, Amendes, Principe de proportionnalité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-amendes-principe-tribunal-gand-2013-09-18-5bcc) 3 dispositions communes

[Taux réduit, Immeubles neufs, Travaux immobiliers, Travaux de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-reduit-immeubles-neufs-travaux-tribunal-bruxelles-2023-05-31-0d52) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 2 dispositions communes
