---
title: "28 novembre 2012 · Disposition pénale, amende administrative · Tribunal de première instance de Gand"
description: "Disposition pénale, amende administrative, exonération, exportation, importation. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 28 novembre 2012."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-exoneration-tribunal-gand-2012-11-28-bd4c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

28 novembre 2012

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

246 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 28.11.2012

Résumé non fourni

**Texte du jugement**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 NOVEMBER 2012

Rolnummer **AR 99/85/A**

In de zaak van :

**NV A. T. C.** (afgekort ATC), met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

**eiseres,**

hebbende als raad Mter **M. M.**, advocaat te …, … en Mter **W. V. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Gent 11, met burelen te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6/108 en de Directeur van het BTW-controlecentrum VIII, met burelen te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6/204

**verweerder,**

hebbende als raad Mter **C. D.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## I. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 13 juni 2012 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het dagvaardingsexploot betekend door gerechtsdeurwaarder **G. D. W.** met standplaats te Gent op 7 januari 1999, de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

## II. DE VORDERING

De eiseres verzet zich tegen het door de verweerder uitgevaardigd dwangbevel van 10 december 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adjunct­directeur van de BTW-administratie te Gent, de heer **C. S.** op 14 december 1998.

De eiseres vordert in de syntheseconclusie, ter griffie neergelegd op 27 februari 2012 :

Preliminair :

Overeenkomstig artikel 871 Ger. Wb. de overlegging van het verificatiedossier van de BBI, waarvan sprake in de brief van 8 juni 1999, de processen-verbaal uit het strafdossier 86/97, de inlichtingen ontvangen in het kader van de internationale gegevensuitwisseling binnen de E.U..

In hoofdorde :

Te zeggen voor recht dat het voormelde dwangbevel nietig is of het minstens ongegrond te verklaren.

Alvorens recht te doen het getuigenverhoor te bevelen van **A. D. G.**.

De terugbetaling te bevelen van alle bedragen die op grond van het aldus vernietigde dwangbevel werden betaald of ingehouden.

Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 16.500 EUR

In ondergeschikte orde :

De opgelegde boete van 200 % ten bedrage van 671.935.000 BEF of 16.656.833,56 EUR kwijt te schelden, minstens te verminderen.

## III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

**1.** De eiseres is een handelaar in computermaterieel en is als BTW­belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE ….

**H.** en **T. D. G.** zijn de feitelijke bestuurders van de eiseres.

**2.** In 1995 en 1996 werden verschillende controles uitgevoerd door de BTW­administratie teneinde na te gaan of wetgeving en reglementering inzake belasting over de toegevoegde waarde op een correcte manier werd toegepast. Tijdens deze controles waren de afgevaardigde bestuurder van de eiseres, **T. D. G.**, en de externe boekhouder, **Y. D.** aanwezig.

Naar aanleiding van deze controles waar de boekhoudkundige bescheiden werden onderzocht, samen met de gegevens verkregen via de procedure van de administratieve samenwerking tussen Lidstaten van de Europese Unie op het gebied van de BTW, werden volgens de verweerder onregelmatigheden vastgesteld die werden opgenomen in het proces-verbaal van 29 september 1998.

Dit proces-verbaal is het voorwerp van voorliggende betwisting.

In dit proces-verbaal werden onder meer volgende vaststellingen opgenomen :

De eiseres heeft voor 220.799.404 BEF aankopen verricht bij de SARL **T. S.** (TRAS, gevestigd in het G.H. Luxemburg), die werden aangegeven als intracommunautaire verwervingen (cfr. artikel 25ter W.BTW)

De Belgische administratie ontving in het kader van de administratieve samenwerking tussen de Europese lidstaten voor het jaar 1994 volgende gegevens :

\- de door TRAS aan ATC gefactureerde goederen werden nooit in Luxemburg gebracht, maar werden verzonden door een Belgische leverancier aan een Belgische klant;

\- TRAS heeft in haar BTW-aangiften de handelingen aangegeven als handelingen verricht in het buitenland;

\- TRAS kocht in 1994 voor 217.933.071 BEF en voor 102.950 USD aan bij volgende Belgische leveranciers : SC **C. S.**, S.A. **A. T. M.** (ATM) en NV **A. T. C.** (ATC).

Uit de controle blijkt dat de beweerde aankopen van de eiseres bij TRAS in werkelijkheid werden gedaan bij **C. S.** en dat de goederen als dusdanig nooit het Belgisch grondgebied hebben verlaten.

Luidens het proces-verbaal kon door deze constructie de verschuldigde BTW worden ontdoken.

Er werd, naar aanleiding van een controle bij ATM vastgesteld dat :

\- De eiseres middels een bestelbon een bestelling plaatste van 250 CPU’s aan 6.450 BEF of een totaal van 1.612.500 BEF, waarbij opdracht werd gegeven de goederen te leveren bij de eiseres te …, doch te factureren op naam van TRAS, die op haar beurt zou door factureren naar ATC.

\- ATM maakte op het bankborderel de aantekening dat de cheques afkomstig waren van de eiseres en werden toegerekend op de corresponderende facturen naar TRAS (facturen nrs. … en …).

\- De bankdocumenten wezen uit dat deze partij goederen aan ATM werden betaald met 2 cheques (cheque … t.b.v. 1.562.500 BEF en cheque … t.b.v. 315.703 BEF) die afkomstig waren van de eiseres. De controle bij de eiseres wees uit dat haar financiële rekening voor deze bedragen werden gedebiteerd.

Er werd, naar aanleiding van een controle bij **C. S.** vastgesteld dat :

\- de factuur nr. … d.d. 09 september 1993 van **C. S.** aan TRAS werd "voor ontvangst" ondertekend door **W. D. G.** van ATC;

\- de verkoopprijzen van **C. S.** aan TRAS en van TRAS aan ATC zijn dezelfde;

\- **C. S.** werd betaald met cheques gelieerd aan de financiële rekeningen waarvan de eiseres titularis is.

\- in de boekhouding van de eiseres zijn de betalingen op de leveranciersfiche van TRAS opgenomen, terwijl deze in werkelijkheid zijn gebeurd aan **C. S.**.

In het proces-verbaal d.d. 01 april 1997 nr. 3274/97 verklaarde **G. G.**, bestuurder van **C. S.**, dat de goederen die werden gefactureerd aan TRAS werden afgehaald door **F. A.**, maar ook andere personen en tevens minstens één maal door **W. D. G.**.

Ook **F. R.**, een chauffeur in dienst van de eiseres, kwam eveneens goederen voor TRAS afhalen.

Uit de verklaring van **F. A.** (zaakvoerder van TRAS) blijkt dat **T. D. G.** hem het voorstel deed om deze constructie toe te passen zodat de eiseres de prefinanciering van BTW aankopen zou kunnen vermijden (proces-verbaal d.d. 29 april 1998 nr. 4778/98) Hij bevestigde voor deze medewerking een commissie te hebben ontvangen. In het proces-verbaal nr. … verduidelijkte hij dat hij in het begin slechts een paar keer goederen ophaalde en deze afleverde aan de eiseres, doch dat deze werkwijze niet vlot verliep, met als gevolg dat de eiseres het transport overnam.

Ten slotte bevestigde hij ook dat hij geen betalingen voor deze gefingeerde leveringen ontving. Het onderzoek wees inderdaad uit dat de enige cheques die **F. A.** incasseerde, deze waren die het 'commissieloon' voor zijn medewerking vertegenwoordigden.

**3.** De verweerder berekende de verschuldigde BTW aan de hand van de aankopen van de eiseres via TRAS in 1993 (totale aankoopprijs 42.390.681 BEF), in 1994 (totale aankoopprijs 220.689.404 BEF) en in 1995 (271.964.678 BEF), als volgt :

\- 42.390.681 BEF x 19,5 % = 8.266.182 BEF

\- 220.689.404 BEF x 20,5 % = 45.241.328 BEF

\- 271.964.678 BEF x 20,5 % = 55.752.759 BEF

Daarnaast de verschuldigde BTW berekend op de verkopen door de eiseres in 1994 en 1995 via TRAS, hetzij een totaal van 5.854.405 BEF :

\- 5.854.405 BEF x 20,5 % = 1.200.153 BEF

De totale verschuldigde BTW bedraagt : **110.460.422 BEF**

De boete van 200 % werd opgelegd overeenkomstig artikel 70, § 2 W.BTW, hetzij de afgeronde som van 220.920.000 BEF.

De intresten werden berekend overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW of 0,8 % per maand vertraging op 110.460.422 BEF vanaf 21 januari 1996.

## IV. BESPREKING

### 1. Nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

### 2. Nopens de grond

**2.1.** De overlegging van stukken

De eiseres vordert bij toepassing van artikel 871 Ger. Wb. de overlegging van bovenvermelde stukken.

De rechtbank stelt echter vast dat de door partijen overlegde stavingsstukken afdoende gestoffeerd zijn om tot beoordeling van voorliggend geschil te kunnen overgaan.

Bovendien werd door de verweerder niet aangetoond dat deze stukken ook maar enig bewijs zouden kunnen verschaffen over een ter zake dienend feit.

**2.2.** De kennisname van het strafonderzoek

De eiseres vraagt zich af hoe de belastingadministratie kennis verkreeg van een strafonderzoek ten laste van **T.** en **H. D. G.**;

De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie bij brief van 9 mei 1996 zelf de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent in kennis stelde van de strafrechtelijk vervolgbare feiten in de schoot van de NV ATC en haar bovenvermelde bestuurders.

In het stukkenbundel van de verweerder onder nummer 14 wordt de brief van 11 augustus 1997 inhoudende toelating tot inzage en kopiename van de Procureur­generaal overlegd, waarin verwezen wordt naar de brief van de verweerder met referentie 1464/97026 waarin de aanvraag tot inzage en kopiename werd gesteld. De rechtbank stelt hiermee vast dat de administratie in overeenstemming met artikel 93quaterdecies, § 1, lid 3 W.BTW heeft gehandeld.

De grief van de eiseres is ongegrond.

**2.3.** De beweerde onrechtmatigheid van het strafonderzoek

De eiseres beweert dat het strafonderzoek onrechtmatig zou verlopen zijn. Zij merkt daarbij op dat de strafrechter zich niet heeft kunnen uitspreken over de rechtmatigheid van het verloop van het strafonderzoek om reden dat de rechter de verjaring van de strafvordering heeft moeten vaststellen.

Echter, niet alleen de bodemrechter heeft geen uitspraak over de rechtmatigheid gedaan of kunnen doen, maar ook de raadkamer of kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen onrechtmatigheden kunnen vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat de eiseres zich beperkt tot allerlei vage insinuaties doch niet in de mogelijkheid verkeerd ook maar één gefundeerd bewijs naar voor te brengen.

De eiseres voelt zich gegriefd dat een aantal onderzoeksrechters op haar initiatief zijn gewraakt geworden. De rechtbank is echter van oordeel dat de wraking juist een waarborg was voor de eiseres opdat het strafonderzoek zonder enige schijn van partijdigheid kon verder gezet worden.

De eiseres heeft klaarblijkelijk in de mogelijkheid verkeerd om alle handelingen en acties te kunnen ondernemen, die haar wenselijk leken en haar een "fair-trial" kon verzekeren.

Ter terechtzitting verklaarde de eiseres nogmaals dat het hele strafdossier "vals" zou zijn. Ook deze bewering bleef beperkt tot het uiten van een loutere mening, die de rechtbank niet als bewezen kan worden beschouwd.

De rechtbank moet derhalve besluiten dat de eiseres er niet in slaagt het bewijs te leveren dat het strafonderzoek onrechtmatig zou zijn verlopen.

Verder kan de rechtbank uit geen enkel gegeven vaststellen dat de verweerder specifieke elementen uit het strafdossier aanwendt om de bestreden naheffing te bepalen dat door middel van enig misdrijf of andere onrechtmatige handeling vanwege de met het onderzoek belaste personen, zou zijn verkregen.

Nu de rechtbank niet tot de onrechtmatigheid van de in de strafzaak verkregen bewijzen kan besluiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de aanwending van deze bewijzen met het oog op de vaststelling van de naheffing van de BTW-schuld.

De grief van de eiseres is om bovenstaande reden dan ook ongegrond.

**2.4.** De internationale gegevensuitwisseling.

De eiseres meent dat de internationale gegevensuitwisseling inzake niet in overeenstemming met de voorwaarden voorzien in de Verordening 218/92 is gebeurd.

De eiseres "maakt zich sterk" maar verliest klaarblijkelijk uit het oog dat zulks nog niet tot bewijs van haar bewering strekt.

Uit het stukkenbundel van de verweerder kan worden vastgesteld dat de internationale gegevensoverdracht zich heeft voltrokken met tussenkomst van de Centrale Eenheid (ook "Central liaison office of CLO"), dit is in België de bevoegde autoriteit voor dergelijke gegevensuitwisseling zoals deze is bedoeld in de Verordening 218/92.

Onverminderd van het gebrek aan bewijslevering langs de zijde van eiseres, blijkt uit de neergelegde stukkenbundels niet de minste aanwijzing dat de bepalingen van de Verordening 218/92 door de verweerder zou miskend zijn.

De grief is ongegrond.

**2.5.** De beweerde schending van de rechten van de verdediging wegens het niet voorleggen van het volledig administratief dossier.

**2.5.1.**

De eiseres is van oordeel dat de weigering tot inzage van het fiscaal dossier, nadat daartoe op grond van de Wet van 11 april 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur bij brief van 26 mei 1999 werd verzocht, het recht op een eerlijk proces in de weg staat en een schending uitmaakt van artikel 6 EVRM.

Fiscale geschillen zijn geen betwistingen die verband houden met de vaststelling van burgerlijke rechten en plichten enerzijds en de bepaling van de gegrondheid van een ingestelde strafvordering anderzijds. Artikel 6 EVRM is bijgevolg niet van toepassing op geschillen over rechten en plichten in fiscale zaken, behoudens de rechtspleging van deze zaken zouden leiden tot een naar aanleiding van een strafvervolging uitgesproken straf in de zin van die bepalingen 1

In het geval administratieve sancties worden opgelegd die een strafrechtelijk karakter vertonen, kan dit echter wel getoetst worden aan artikel 6 EVRM.

De eiseres beroept zich wat betreft de bestreden aanslag ten onrechte op artikel 6 EVRM.

Hoe dan ook heeft de eiseres na een nieuwe aanvraag van 7 oktober 2011 wel volledig inzage kunnen verkrijgen van het volledige fiscaal dossier. Zij werd hierdoor in de mogelijkheid gesteld om haar rechten ten volle te verdedigen.

Wat de belastingverhoging betreft blijkt uit de conclusies van de eiseres dat zij een wel degelijk gefundeerde argumentatie heeft kunnen ontwikkelen.

De rechtbank moet daarom vaststellen dat de eiseres met betrekking tot alle facetten van de vordering haar rechten ten volle heeft kunnen uitputten en dat het recht op een eerlijk proces dientengevolge niet geschonden is.

**2.5.2.**

De eiseres houdt vervolgens voor dat de verweerder niet alle stukken uit het dossier heeft overlegd.

De belastingadministratie heeft op regelmatige wijze kennis gekregen van het strafdossier en heeft bepaalde stukken aan het fiscaal dossier van de eiseres toegevoegd.

De eiseres laat uitschijnen dat bepaalde stukken van het strafdossier en het fiscaal dossier door de administratie als basis zouden gefungeerd hebben om de bestreden aanslag vast te stellen.

De rechtbank stelt echter vast dat de bestreden aanslag op geen andere elementen werden gesteund dan deze die in het meegedeelde administratief dossier zitten vervat. Tevens wordt vastgesteld dat de eiseres niet aantoont op welke andere elementen uit het strafdossier of administratief dossier, waarvan zij geen kennis zou gekregen hebben, de bestreden aanslag nog zou gesteund zijn. De rechtbank is van oordeel dat zij op basis van de door de partijen voorgelegde stukken op afdoende wijze is geïnformeerd om de vordering van de eiseres al dan niet gegrond te verklaren en de bestreden aanslag al dan niet te bevestigen.

**2.6**. Nopens de bestreden vordering

**2.6.1.**

Het fiscaal geschil ten gronde is toegespitst op de beweerde aankopen van de eiseres bij de Luxemburgse firma SARL **T. S.** (TRAS) en de beweerde verkopen van de eiseres aan deze firma.

\_\_\_

1 Cass. 23 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 471, F.J.F., 1992, p 249 met noot)

Volgens de eiseres trad TRAS op als een tussenpersoon bij de aan- en verkoopverrichtingen, waarvoor deze een commissieloon, bestaande uit een forfaitaire maandelijkse vergoeding, ontving.

TRAS zou, nog steeds volgens de eiseres, de kwestieuze goederen aanvankelijk verworven hebben bij Belgische leveranciers, zoals S.A. **C. S.**, S.A. **A. T. M.** en D & D **E.** om deze nadien weder te verkopen aan de eiseres.

De eiseres gaf de bij TRAS aangekochte goederen aan als "intracommunautaire verwervingen" (artikel 25ter W.BTW). Anderzijds gaf zij de aan TRAS verkochte goederen aan als "intracommunautaire leveringen" (artikel 39bis W.BTW).

De eiseres verklaart uitdrukkelijk dat beroep werd gedaan op een tussenpersoon, omdat via het inlassen van deze omweg de eigen voorfinanciering van de BTW werd vermeden. Deze handelswijze bracht met zich mee dat de communautaire verwerving bekomen in het tijdvak wanneer de BTW verschuldigd is, samenvalt met het tijdvak waarop het recht op aftrek ontstaat en de eiseres aldus effectief ontsnapt aan de voorfinanciering van de BTW-schuld.

Zonder deze buitenlandse omweg, zou de eiseres als koper de BTW inderdaad moeten betalen aan haar Belgische leverancier en kon zij deze betaalde BTW pas in aftrek brengen in de latere periodieke BTW-aangiften.

De rechtbank stelt vast dat beide partijen ter zake dezelfde observaties deden.

**2.6.2.**

De verweerder houdt voor dat de kwestieuze handelsverrichtingen geveinsd waren en steunt zich daarbij op volgende gegevens :

1\. de goederen hebben België niet verlaten :

**F. A.**, bestuurder van TRAS, verklaarde dat de door de eiseres bij TRAS aangekochte goederen rechtstreeks naar de eiseres werden verzonden en aldus het Belgisch grondgebied niet hadden verlaten. (stuk verweerder nr. 4)

Een bevestiging van deze verklaring vond de verweerder in het feit dat in de BTW-aangiften van TRAS geen intracommunautaire verwervingen werden belast en ook geen intracommunautaire leveringen werden aangegeven.

2\. de leverancier **C. S.** :

In de schoot van deze firma kon geen enkel bewijs worden voorgelegd die de realiteit van de betwiste transacties aantoonden.

3\. de firma SARL TRAS :

Deze vennootschap werd in 1991 door **F. A.** (74 aandelen) en de NV **B. B.** (1 aandeel) opgericht met als maatschappelijk doel "handelsagent" (in concreto trad zij op als vertegenwoordiger van diepvriesproducten, ...). Deze vennootschap hield slechts een postbus aan. Er waren geen burelen of opslagruimtes. Evenmin was personeel aangeworven. (stuk verweerder nr. 6/2)

Uit de diverse aankoopfacturen van deze firma kon afgeleid worden dat zij niet operationeel was in het G.H. Luxemburg, maar wel in België (zoals : leveranciers : drukkerij in …, kunstgalerij te …, Sportzaak te …, kledingzaak te …, garagist te …, ...).

De eiseres had kennis van het "vals domicilie-adres" dat "om fiscale redenen" in Luxemburg werd aangehouden. (cfr. gedinginleidende dagvaarding p. 8 in fine)

4\. de verklaring van **P. D. M.** (D & D **E.**) :

Hij verklaarde dat de bestelling bij zijn firma werden geplaatst door TRAS via **D. G**. en dat ook leveringen gebeurden bij de eiseres.

5\. de aan- en verkoopprijzen :

De aankoopprijs die TRAS werden aangerekend zijn dezelfde als de verkoopprijzen die TRAS aan de eiseres factureerde. Dit gegeven werd door de eiseres in de syntheseconclusie (p. 7, nr. 5) bevestigd.

6\. de betalingen :

De betalingen aan TRAS worden verricht door de eiseres met behulp van cheques die aan haar rekening gerelateerd waren, en werden aldus ook van de bankrekening van de eiseres gedebiteerd.

7\. diverse handelsdocumenten en briefwisseling :

Uit de bestelbon nr. … d.d. 09 juni 1994 uitgaande van de eiseres aan de firma ATM doet de eiseres niet alleen de bestelling van bepaalde goederen, maar geeft ook bijkomende instructies zoals te leveren op het adres te … bij de eiseres, te factureren naar TRAS, de wijze van betaling met cheque die zal worden uitgeschreven door de eiseres, en de ten slotte de melding dat TRAS zal door factureren naar de eiseres.

Deze bestelbon legt op een duidelijke wijze de werkwijze van de eiseres bloot.

De verweerder verwijst voorts ter ondersteuning van haar stelling naar de verschillende verklaringen die in het kader van het strafonderzoek werden afgelegd. Daarbij wordt onder meer verwezen naar :

\- de verklaring van **G. G.** (**C. S.**) waarin werd bevestigd dat **W. D. G.** en **F. R.** de goederen kwamen ophalen (proces-verbaal van 1 april 1997 nr. 3274/97 - stuk 7 verweerder);

\- **Y. C.** (werknemer van **C. S.**) verklaarde dat hij de telefonische bestellingen van **T. D. G.** aannam, en daarbij de essentiële gegevens als de prijzen en de hoeveelheden doorgaf. Hij verklaarde verder dat de bestellingen werden afgehaald door **W. D. G.** en dat hij geregeld een cheque ter prefinanciering van de bestellingen afhaalde bij de eiseres. (proces-verbaal van 10 april 1997 nr. 3275/97 - stuk nr. 8 verweerder);

\- **B. D.** (zaakvoerder D & D **E.**) verklaarde ook dat **T. D. G.** telefonisch de bestellingen plaatste voor in totaal 4.381.825 BEF zonder BTW. De eiseres vroeg expliciet te factureren aan TRAS. De goederen werden echter geleverd bij de eiseres te …. De eiseres betaalde met een cheque en overhandigde naderhand een verzendingsnota naar Luxemburg op naam van "**f. s. e.**".

**F. A.** (zie hoger) beschrijft zichzelf als een tussenpersoon van de eiseres, die op het voorstel om medewerking te verlenen aan de eiseres te einde een constructie op punt te stellen waardoor de voorfinanciering van de BTW op de aankopen van de eiseres zou kunnen vermeden worden. (cfr. proces-verbaal d.d. 29 april 1998 nr. 4778/98).

Hij bevestigde voor zijn medewerking een commissie te hebben ontvangen.

De eiseres erkent eveneens uitdrukkelijk dat TRAS als een commissionair optrad en dat deze werkwijze geen ander doel had dan de voorafbetaling van BTW op Belgische aankopen te vermijden.

**2.6.3.**

De rechtbank leidt uit de bovenstaande gegevens af dat er een manifeste discrepantie is tussen de juridische kwalificatie die op de handelsdocumenten voorkomen en het werkelijke wil van de partijen.

Meer bepaald wijzen de facturen op een aankoop door TRAS, dan wel verkoop van TRAS aan de eiseres.

Anderzijds blijkt uit de verklaring van de betrokkenen, waaronder de eiseres, dat in de schoot van TRAS geen wil aanwezig was om de kwestieuze goederen aan te kopen en er het eigendomsrecht van te verwerven. Immers, ook de eiseres wijst op het feit dat TRAS slecht als een tussenpersoon (commissionair) optrad, die voor zijn tussenkomst een commissie ontving. De rol van TRAS in het hele scenario was dus niet gericht op het verwerven van een eigendomsrecht op de goederen.

De facturen die wijzen op een aan- en verkoop, die a priori een eigendomsoverdracht impliceren, zijn aldus in strijd met de werkelijke wil der partijen.

Bovendien leren de feiten dat TRAS niet optrad als een handelsagent of commissionair :

\- er werden geen leveranciers aangebracht of gezocht, gezien de eiseres haar bestaande leveranciers opgaf;

\- TRAS onderhandelde niet over de goederen, de hoeveelheden of de prijzen en betaalde deze niet, gezien dit alles in handen van de eiseres bleef;

\- de 'dienstverlening' die TRAS verrichtte, beperkte zich tot het ter beschikking stellen van zijn vennootschap als vehikel ten einde de facturatiestroom via haar te laten verlopen.

Hierdoor werd de schijn gewekt dat de eiseres aankopen deed in het buitenland terwijl in werkelijkheid een verkoop van een Belgische leverancier aan een Belgische klant werd gerealiseerd, die werd gemaskeerd door een papieren omweg via het buitenland.

In dergelijke omstandigheden moet besloten worden dat de goederenstroom gedekt werd door een facturatiestroom die louter gefingeerd was.

De diverse verklaringen en de stavingsstukken tonen bovendien op afdoende wijze aan dat de betrokken goederenstroom de facturatiestroom niet heeft gevolgd en dat de leveringen rechtstreeks bij de eiseres te … gebeurden.

De eiseres gaf aldus de bij TRAS aangekochte goederen derhalve ten onrechte als "intracommunautaire verwervingen" aan en heeft dientengevolge artikel 25ter W.BTW miskend.

**2.7.** Nopens de toepassing van artikel 51bis, § 1, W.BTW.

De eiseres meent dat, indien een BTW-plichtige krachtens artikel 51bis, § 1 W.BTW als hoofdelijke schuldenaar van een BTW-schuld met betrekking tot bepaalde leveringen wordt aangesproken, niet tegelijkertijd de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot dezelfde levering kan worden ontzegd.

Artikel 51bis W.BTW (tekst met ingang van 01.01.1993 krachtens artikel 56 van de Wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij artikel 16 van het KB 22.12.1995) luidt als volgt :

> *"§ 1. De medecontractant van de schuldenaar van de belasting :*
>
> *1°* *krachtens artikel 51, § 1, 1, en §§ 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;*
>
> *2°* *krachtens artikel 51, § 1, 2, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;*
>
> *3°* *krachtens artikel 51, § 1, 1, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;*
>
> *4°* *krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.*
>
> *§ 2. De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.*
>
> *§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1 en 2, § 2, 3 en 4, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is."*

In concreto impliceert bovenstaande rechtsregel dat de eiseres als medecontractant van de NV **C. S.**, die de schuldenaar van de BTW-schuld is, hoofdelijke tot betaling van de belasting kan gehouden zijn wegens de onjuiste vermeldingen op de kwestieuze facturen.

De eiseres kan enkel van deze hoofdelijkheid worden ontslagen worden in de mate dat zij kan bewijzen de prijs en de bijhorende belasting of een deel ervan te hebben betaald, hetgeen in casu niet het geval is. Immers, de doelstelling van het ganse opzet was te voorkomen dat de BTW-schuld door de eiseres zou worden betaald.

**2.8.** Toepassing van artikel 39bis, lid 1 W.BTW :

Met betrekking tot de door de eiseres verkochte goederen aan TRAS kan de vrijstelling van BTW toegekend worden overeenkomstig artikel 39bis, lid 1 W.BTW dat luidt als volgt :

> *"Van de belasting zijn vrijgesteld :*
>
> *1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;"*

Volgens het tweede lid van voormeld artikel bepaalt de Koning de beperkingen en voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling.

De toepassing van deze vrijstelling hangt af van twee voorwaarden :

1° de goederen moeten de lidstaat van de leverancier verlaten en verzonden worden naar een andere lidstaat van de Europese Unie;

2° de koper moet een belastingplichtige zijn die als zodanig handelt.

Deze vrijstelling is voorts onderworpen aan de voorwaarden zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 KB/BTW nr. 52 van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, die luiden als volgt :

Artikel 2

De in [artikel 39bis, eerste lid, 1°](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis), van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lidstaat.

Artikel 3

De verkoper moet ten alle tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

De artikelen [1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art1) en [2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238#ar52-art2) van het KB nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepalen dat deze vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de gemeenschap en bovendien van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere Lidstaat.

De belastingplichtige die zich op de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, W.BTW beroept, dient aan te tonen dat de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld.

De leverancier moet bovendien de verzending van die goederen die onder vrijstellingsregel vallen, kunnen aantonen. Hij moet in het bezit zijn van "alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt" (art. 3 uitvoerings-KB nr. 52).

De eiseres legt ter zake geen stukken voor en faalt aldus in haar bewijslast.

**2.9.** Nopens de opgelegde belastingverhoging.

#### 2.9.1. Beweerde schending van artikel 6 EVRM inzake het vermoeden van onschuld

De eiseres argumenteert dat het beginsel van het vermoeden van onschuld bij de aanrekening van de BTW-boete is geschonden.

De in artikel 70 W.BTW bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Deze sanctionering heeft aldus een repressief karakter en moet als strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aanzien worden.

Artikel 6.2 EVRM waarborgt inderdaad het vermoeden van onschuld. De eiseres gaat aan het feit voorbij dat zij niet strafrechtelijk veroordeeld werd door de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake het opleggen van een boete door de verweerder.

Dit vermoeden van onschuld dat door het voormeld artikel wordt gewaarborgd, wordt in casu gemanifesteerd door de tegenspraak die de eiseres in deze kan voeren met betrekking tot de vaststelling van de administratie, waaronder het al dan niet rechtmatig en/of objectief karakter van deze vaststelling en door de onpartijdigheid van de rechter, die de bewijswaarde van deze vaststellingen beoordeelt.

De grief van de eiseres is ongegrond.

#### 2.9.2. De beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel

Artikel 6, eerste lid EVRM niet van toepassing is op fiscale geschillen, tenzij de rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf in de zin van die bepaling (EHRM 14 april 2009, www.echr.coe.int/echr. ; Cass. 21 november 1997, Pas. 1997, I, 1.247). Een administratieve boete van 200 % kon worden aangemerkt als een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Er moet dus inderdaad worden onderzocht of de rechten van de verdediging van de belastingplichtige werden geschonden, doch enkel wat de opgelegde belastingverhoging betreft.

De rechtbank is het aldus met de eiseres eens dat zij kan nagaan of de administratie kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete en over de omvang ervan.

De administratie heeft ten aanzien van de eiseres in toepassing van de artikelen 70, § 2, eerste lid en 84, W.BTW en 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, de wettelijke voorziene maximumboete aangerekend, met name het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting.

De rechtbank is evenzo van oordeel dat zij de "volle rechtsmacht'' heeft om niet alleen de wettelijkheid van de opgelegde administratieve boete, doch ook de proportionaliteit ervan te onderzoeken, gezien :

\- de kwestieuze boete een strafrechtelijk karakter heeft,

\- niettegenstaande de boete overeenkomstig de wettelijke bepalingen gelijk moet zijn aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting de rechtbank toch kan beoordelen of de omvang van de boete wel in verhouding is tot de ernst van de feiten, de moedwilligheid waarmee de eiseres de overtredingen beging, waaronder de bedoeling om de belasting te ontduiken en/of laten ontduiken en het voordeel dat daarmee voor de belastingplichtige beoogd werd - eventuele verzachtende omstandigheden, de gevolgen van de overtredingen - in het bijzonder voor de schatkist - en de mate waarin herhaling van vergelijkbare overtredingen kan vermeden worden door het opleggen van een boete.

In dit concrete geval houdt de rechtbank rekening met de volgende feiten :

\- de eiseres is de centrale spilfiguur die de discrepantie tussen de goederen- en facturatiestroom heeft georganiseerd,

\- de waarde van de goederen die deze constructie hebben doorlopen is aanzienlijk,

\- de grootschaligheid van het opzet heeft de markt onder druk gezet en op een negatieve wijze beïnvloed, waardoor de eiseres concurrentievervalsend heeft kunnen leveren;

\- de Belgische Schatkist onderging door de niet-betaling van de BTW een substantieel nadeel.

De rechtbank is van oordeel dat herhaling van dergelijke praktijken in de toekomst moet vermeden worden en dat door het opleggen van een passende boete dit doel kan worden bereikt.

Wanneer deze verschillende feitelijke gegevens worden afgewogen, besluit de rechtbank dat de door de verweerder opgelegde boete evenredig is met de inbreuken van de eiseres. (Cass., 13 februari 2009, [F.06.0108.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-remise-reduction-amende-cassation-bruxelles-2009-02-13-c03f)/1)

#### 2.9.3. Beweerde schending van de redelijke termijn

De eiseres houdt voor dat de redelijke termijn zou zijn overschreden en dat dientengevolge de sancties zouden moeten worden vernietigd, minstens te worden verminderd.

De vordering heeft betrekking op de periode medio 1996 administratie een onderzoek opstartte en een eerste proces-verbaal afleverde op 20 september 1996.

Een tweede proces-verbaal van 29 september 1998 werd opgesteld.

De eiseres heeft tegen dit laatste proces-verbaal verzet aangetekend op 7 januari 1999, waarbij de zaak werd ingeleid op 18 januari 1999.

De verweerder heeft de eerste conclusie neergelegd op 8 december 1999. Op 23 juni 2000 heeft de verweerder een aanvraag tot vaststelling overeenkomstig artikel 751 Ger. Wb. neergelegd, waarbij dienvolgens een rechtsdag werd vastgesteld op 5 april 2001.

De eiseres heeft in de conclusie van de eiseres d.d. 12 februari 2001 gevraagd de behandeling van de zaak op te schorten tot een kracht van gewijsde beslissing omtrent de strafvordering is genomen.

De zaak werd op de zitting van 5 april 2001 naar de bijzondere rol verwezen en was dan tot 2011 inactief.

De verweerder legde op 16 februari 2001 een verzoekschrift tot vaststelling van conclusietermijnen en een rechtsdag neer.

De zaak werd overeenkomstig artikel 747, § 2 Ger. Wb. voor behandeling vastgesteld op 13 juni 2012.

Uit het tijdsverloop valt af te leiden dat de duurtijd van de voorliggende zaak in belangrijke mate toe te schrijven is aan de houding die de eisende partij heeft aangenomen.

De duurtijd van de procedure kan dan ook niet als een argument aangewend worden tegen de verwerende partij om ten aanzien van hem een schending van de redelijke termijn aan te wrijven.

De grief is ongegrond.

#### 2.9.4. Beweerde schending van het non bis in idem beginsel

De eiseres voert aan dat in beginsel geen twee keer voor dezelfde feiten kan bestraft worden, noch dat een dubbele berechting toegelaten is.

De rechtbank stelt vast de eiseres niet door een correctionele rechtbank werd bestraft wegens het feit dat de strafvordering was verjaard.

Het principe van de dubbele bestraffing in zake opwerpen is derhalve niet relevant.

Inzake is ook geen dubbele vervolging gezien de eiseres geen partij was in de strafprocedure tegen haar bestuurders.

De grief is ongegrond.

**2.10.** Euro-omzetting

Gezien de invoering van de EURO met ingang van 1 januari 2002 moeten alle in Belgische Frank uitgedrukte bedragen worden gelezen in Euro, tegen de vaste koers van 40,3399 BEF = 1 EUR.

## V. DE KOSTEN VAN HET GEDING

De partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op 16.500,00 EUR.

De waarde van de vordering situeert zich in de schijf boven 1.000.000,00 EUR zodat overeenkomstig artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de rechtsplegingsvergoeding kan vastgesteld worden op het geïndexeerd basisbedrag van 16.500,00 EUR.

Gezien de eiseres in het ongelijk gesteld wordt, dient zij overeenkomstig artikel 1017, 1 e lid van het Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten te dragen.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond.

Verwijst de eiseres in de kosten van het geding, langs de zijde van de eiseres te begroten op 127,93 EUR (5.161 BEF) dagvaardingskosten en langs de zijde van de verweerder te begroten op 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **woensdag achtentwintig november tweeduizend en twaalf** aanwezig waren :

de heer **C. S.**, toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **C. S.**

## Textes cités

3

[AR no 52 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[AR no 52 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-52-exemptions-operations-intracommunautaires-assimilees-c238) 1 occurrence

[CTVA art. 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Abus fiscal, délai de prescription prolongé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/abus-fiscal-delai-prescription-prolonge-tribunal-anvers-2023-10-20-09f9) 1 dispositions communes

[Livraison intracommunautaire de biens, Opérations exemptées](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-biens-operations-exemptees-cour-appel-liege-2024-03-06-4054) 1 dispositions communes

[Exonération, Livraison intracommunautaire, Vente à distance](https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-livraison-intracommunautaire-vente-distance-tribunal-anvers-2023-10-20-4111) 1 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 1 dispositions communes

[Livraison intracommunautaire, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-preuve-cour-appel-anvers-2021-06-15-4d3d) 1 dispositions communes

[Livraisons intracommunautaires exemptées, Echange d’informations entre Etats membres](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraisons-intracommunautaires-exemptees-echange-informations-tribunal-liege-2022-12-06-7cf1) 1 dispositions communes

[Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70) 1 dispositions communes

[Facture fictive](https://juriel.be/fr/jurisprudence/facture-fictive-droit-deduction-tva-tribunal-bruxelles-2026-06-05-97ca) 1 dispositions communes
