---
title: "21 décembre 2010 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Disposition pénale, amende administrative. Cour d'appel de Gand (Belgique), 21 décembre 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-gand-2010-12-21-cca5"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

21 décembre 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

69 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 21.12.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer - terechtzitting van 21-12-2010**

## BELASTINGEN

Nr. **2009/AR/2148**

in de zaak van :

**D. D. E.**, architect, wonende te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **C. R.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren, wiens kantoren gevestigd zijn te 9230 WETTEREN, Gentsesteenweg 93,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **J. M.** loco mr. **D. C.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 31 juli 2009 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent op 11 februari 2009 waarbij het verzet van de appellant tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door **R. E.**, eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren op 25 november 2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 26 november 2004 door **L. S.**, eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Gent en betekend op 1 december 2004 bij gerechtsdeurwaardersexploot, werd afgewezen.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de appellant te horen toewijzen en dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel slechts geldig en van waarde zal kunnen worden verklaard voor een bedrag van 14.849,05 EUR in hoofdsom en dat er geen aanleiding bestaat om een boete op te leggen van 200 % of 92.593,08 EUR.

Ondergeschikt de boete in redelijkheid te verminderen met dien verstande dat de berekeningsbasis moet verminderd worden met een bedrag van 14.237,55 EUR om te worden gebracht op 32.058,99 EUR. Uiterst ondergeschikt de boete te verminderen met 28.547,10 EUR, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

Op zijn beurt vordert de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellant in de kosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

## Feitelijke gegevens

De appellant is architect en in die hoedanigheid onderworpen aan de BTW. Naar aanleiding van een controle van de BTW-wetgeving over de periode 1 januari 2001 tot 31 december 2002 werden een aantal overtredingen op de BTW­wetgeving vastgesteld. Het betrof inbreuken op de aftrekregeling omdat de appellant niet in het bezit was van een regelmatig stuk, factuur, wachtdocument. Verder ging het over dubbel gebruikte facturen alsook fictieve facturen t.a.v. **D.**, **V.** en **D. S. H.**.

De overige rubrieken II tot V bestonden uit :

\- goederen en diensten die bestemd waren voor privé- of andere doeleinden;

\- intracommunautaire verwervingen;

\- materiële vergissingen;

\- kosten van onthaal.

De totaal verschuldigde BTW voor een bedrag van 48.519,93 EUR werd door de appellant betaald. Een en ander werd vastgelegd in een proces-verbaal dat opgesteld werd op 23 november 2004, waarna een dwangbevel is gevolgd voor volgende bedragen :

\- 48.519,93 EUR BTW

\- Boete 92.700 EUR

\- Intrest van 0,80 %.

De eerste rechter verklaarde de vordering van de appellant grotendeels niet gegrond. Het is tegen voormeld vonnis dat hoger beroep werd ingesteld.

## Beoordeling

1\. Met betrekking tot het dubbel gebruik van facturen en documenten betwist de appellant dat de factuur nr. … van 9 maart 2001 dubbel gebruik uitmaakt met factuur nr. … van 9 maart 2001. Niettemin ging de appellant akkoord deze factuur te verwijderen uit de beroepskosten. Met deze vaststelling kan worden rekening gehouden ook al gebeurde zulks in de personenbelasting. In hoger beroep werden geen elementen aangebracht die tot een andere oplossing aanleiding zouden geven.

2\. Ook de vaststellingen m.b.t. de facturen **I.** in het proces-verbaal van 23 november 2004 blijven overeind. De afgevaardigde bestuurder van **I.** stelde uitdrukkelijk geen facturen of ereloonnota's te hebben ontvangen van de appellant. De voorgelegde documenten waren geen originele facturen. Noch de betaling staat vast, noch de realiteit van de onderliggende prestaties komt bewezen voor.

Het lijkt hoogst onwaarschijnlijk dat de gelden door de appellant cash zouden zijn afgehaald en besteed zouden zijn geweest tot betaling van deze facturen en dat de appellant daarvoor nooit een ontvangstbewijs zou hebben ontvangen.

Het onderzoek heeft tevens uitgewezen dat blijkens de verklaring van **F. V. H.** er geen facturen of ereloonnota's aan de appellant werden uitgereikt. Een schrijven gericht aan de appellant of diens aangestelde zou moeten aantonen dat de prestaties effectief geleverd werden en betaald. De éénzijdige verklaring onder stuk 8 uitgaande van **I. V.** zouden door haar samen met **O.** zijn opgemaakt en zouden door deze laatste zijn ontvangen. Van enige betaling ligt niet het minste bewijs voor.

3\. In het proces-verbaal werd de aftrekbare BTW beperkt tot 75 % omdat de BTW betrekking had op materialen bestemd voor de werven, doch volgens de administratie in werkelijkheid betrekking had op de eigen woning van de appellant. Het komt niet bewezen voor dat de materialen omschreven als "materiaal werftoezicht" gebruikt werden bij het uitzetten van de gebouwen, doch het zou tevens gaan om gereedschap waarmee eigenhandig wordt ingegrepen of hersteld tijdens de controlewerkzaamheden.

Beide hypotheses werden als ongeloofwaardig door de Belgische Staat afgedaan. Ook een strafklacht werd geseponeerd bij gebrek aan bewijzen. Een zekere **O. L. O.** zou bij de appellant hebben gewerkt. Deze persoon zou belast zijn met de opmeting van de gronden en bij het uitzetten van de gebouwen voor de uitvoering van de grondwerken. Hij werd niet betaald volgens een bepaald patroon, doch steeds contant en in functie van het gepresteerde werk door **I.**. De bewering dat **O.** zou betaald geweest zijn door **I.** kon niet waar worden gemaakt aangezien de afgevaardigde bestuurder verklaarde dat vanuit de vennootschap **I.** nooit ereloonnota's of facturen werden verstuurd. Terecht werd de aftrek beperkt tot 75 %.

4\. Wat de BTW betreft onder rubriek V vermeld op het PV dringt de Belgische Staat niet langer aan behoudens voor wat de BTW op de restaurantkosten aangaat t.b.v. 5,23 EUR na. Dit werd ook reeds door de eerste rechter aanvaard.

5\. Door de administratie werd een boete opgelegd van 200 % die niet kon verminderd worden omdat volgens de administratie de overtredingen werden gepleegd met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Krachtens art.70, § 1 BTW-Wet wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bij zonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bij zonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

De appellant laat verder gelden dat door hem geen bedrieglijk opzet werd gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken. Er kan niet ernstig worden betwist dat de BTW-boete alleen betrekking heeft op de fictieve facturen te name van **I. A.**, **D.**, **V.** en **H. D. S.**. Bovendien is er een vorm van herhaling waardoor de administratie een boete van 200 % heeft opgelegd. Gelet op wat voorafgaat is de opgelegde boete gerechtvaardigd en niet onevenredig.

Het hoger beroep van de appellant is derhalve ongegrond.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart en opnieuw wijzende,

Wijst de oorspronkelijke vordering van de appellant af als ongegrond.

Veroordeelt de appellant in de kosten van de beide aanleggen en begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de appellant :

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 5.000,00 EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 5.000,00 EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde :

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 5.000,00 EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 5.000,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**
