---
title: "3 avril 2008 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel de Bruxelles"
description: "Disposition pénale, amende administrative. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 3 avril 2008."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-bruxelles-2008-04-03-30f4"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

3 avril 2008

## Parcours procédural

2 étapes · 4 ans

1. [Décision attaquée Tribunal de première instance de Bruxelles 12.03.2004](https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-bruxelles-2004-03-12-7a03)
2. Décision affichée Cour d'appel de Bruxelles 03.04.2008

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

96 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 03.04.2008

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **2004/AR/1105**

Openbare terechtzitting van 03-04-2008

**IN ZAKE VAN :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van en door benaarstiging van de centrale dienst van de BTW, vertegenwoordigd door de directeur-generaal, wiens kantoren gevestigd zijn te 1010 Brussel, Kruidtuinlaan 50,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **A. H.** loco meester **P. D.**, advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….

**tegen :**

**De NV D. A.**, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, en voor BTW-doeleinden geïdentificeerd onder het nummer …,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **A. M.** loco meester **D. V. B.**, met kantoor gevestigd te …, ….

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit.

## R.2008/2488 EINDARREST " hervormd

## PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 maart 2004, waarvan geen betekening akte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 30 april 2004.

## FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Geïntimeerde sloot op 9 april 1996 met de administratie der douane en accijnzen een transactie ter afhandeling van een douanerechtelijke betwisting, betreffende de voorlegging van vervalste of ongeldige EUR 1-certificaten, en de schending van het handelsembargo, opgelegd voor de handel met de Republieken Servië en Montenegro (Verordening (EEG) nr. 1432/92 van de Raad van 1 juni 1992, gewijzigd door de Verordening (EEG) nr. 3534 van de Raad van 7 december 1992 houdende een verbod op de handel tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republieken Servië en Montenegro).

In deze transactie werd een transactionele boete inzake invoerrechten ten bedrage van … BEF, en BTW ten bedrage van … BEF, weerhouden, inclusief een bedrag van … BEF als boete inzake BTW, zijnde een boete van 200 % over de verschuldigde BTW.

Geïntimeerde richtte bij brief van 4 juli 1996 een verzoekschrift tot kwijtschelding van de BTW-boete aan de gewestelijke directeur van de BTW te Antwerpen, die bij beslissing van 26 februari 1998 de kwijtschelding weigerde.

Geïntimeerde verzocht vervolgens bij brief van 12 maart 1998 om een heroverweging van de beslissing van 26 februari 1998 wegens gebrek aan motivering van de genomen beslissing. Het verzoek tot heroverweging werd bij directeursbeslissing van 10 juni 1998 afgewezen.

Bij brief van 14 juli 1998 legde geïntimeerde aan de directeur-generaal van de centrale administratie van de BTW, de hiërarchische overheid van de gewestelijke directeur, een verzoek tot kwijtschelding van de BTW-boete voor. Het verzoek werd bij beslissing van 31 maart 2000 andermaal afgewezen.

Geïntimeerde vorderde voor de eerste rechter de vernietiging van de beslissing met refertenr. E.T. 93.761 van 31 maart 2000 van de heer **M.**, Eerste attaché van Financiën, daartoe gedelegeerd door de Directeur-generaal van de centrale administratie van de BTW, op zijn beurt optredend voor de minister van Financiën, houdende beslissing tot behoud van een boete inzake BTW ten bedrage van 200 % van de verschuldigde BTW, opgelegd naar aanleiding van een transactie met de administratie der douane en accijnzen van 9 april 1996. Geïntimeerde vorderde dienvolgens te zeggen voor recht dat de opgelegde boete inzake BTW wordt verminderd tot nihil, minstens tot een lager bedrag.

Geïntimeerde stelde haar vordering in bij verzoekschrift op tegenspraak en bij dagvaarding.

Ter ondersteuning van haar vordering, droeg geïntimeerde volgende middelen voor : (1) schending van de motiveringsverplichting ex de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, (2) het gebrek aan bewijs van haar kwade trouw, (3) de nietigheid van de BTW-boete wegens schending van de mensenrechtelijke waarborgen voorzien in artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO-VERDRAG

De eerste rechter voegde de zaken, ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak en bij dagvaarding, en verklaarde de vordering, in zoverre ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, onontvankelijk, en in zoverre ingesteld bij dagvaarding, ontvankelijk, aangezien krachtens de overgangsbepaling van artikel 97, tweede gedachtestreepje, van de wet van 15 maart 1999 inzake de beslechting van fiscale geschillen, de procedure nog diende te worden aanhangig gemaakt door middel van een dagvaarding.

De eerste rechter was van oordeel dat de motiveringsverplichting niet werd geschonden.

De eerste rechter oordeelde verder dat de in het geding zijnde BTW-boete valt onder de toepassing van artikel 6 EVRM, maar dat het *non bis in idem*-beginsel niet belet dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk, de ene onderworpen aan het nationale strafrechtstelsel en de andere aan het stelsel van de administratieve sanctie, ook al zou die sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van artikel 6 EVRM. De eerste rechter vernietigde de BTW-boete derhalve niet.

Daarentegen achtte de eerste rechter de BTW-boete van 200 % onevenredig met de gepleegde inbreuk en verminderde hij ze tot 50 %. Hij veroordeelde appellant tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen ingevolge de transactie van 9 april 1996, vermeerderd met de moratorium interesten.

Hij veroordeelde appellant tot de kosten, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingvergoedingen worden omgeslagen.

## GRIEVEN

Appellant tekende hoger beroep aan wat betreft de vermindering van de BTW-boete.

Hij vraagt de vordering van geïntimeerde volledig ongegrond te verklaren, en haar in de kosten van beide aanleggen te veroordelen.

Geïntimeerde werpt de onontvankelijkheid van het hoger beroep wegens onvoldoende motivering op.

Zij herneemt de middelen, die zij voor de eerste rechter ontwikkelde, te weten : (1) de schending van de motiveringsverplichting *ex* de wet van juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, (2) de nietigheid van de BTW-boete wegens schending van het *non bis in idem*-beginsel, en (3) de onevenredigheid van de BTW-boete, en tekent incidenteel beroep aan in zoverre de eerste rechter die ongegrond verklaarde,

Geïntimeerde vraagt, in bevestiging van het bestreden vonnis, de beslissing van 31 maart 2000 houdende behoud van de BTW-boete te vernietigen, en dienvolgens te zeggen voor recht dat de opgelegde boete inzake BTW wordt verminderd tot *nihil*, minstens tot een lager bedrag, minstens het bestreden vonnis te bevestigen wat betreft de herleiding van de boete tot 50 %.

Zij vordert de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen ingevolge de transactie van 9 april 1996, vermeerderd met de moratoriuminteresten.

Zij vordert tenslotte de veroordeling van appellant tot de kosten van beide aanleggen.

## DE ONTVANKELlJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Geïntimeerde noemt het verzoekschrift tot hoger beroep nietig, bij gebrek aan aanduiding der grieven. Meer bepaald is, volgens geïntimeerde, de tekst van het verzoekschrift identiek aan de tekst van de aanvullende conclusie in eerste aanleg, met dien verstande dat het woord *"concluant'* werd vervangen door het woord “*appellant"*.

In het verzoekschrift tot hoger beroep preciseerde appellant dat zijn hoger beroep beperkt is tot de vermindering van de BTW-boete, geeft hij de motieven van het bestreden vonnis weer, en herneemt hij grotendeels, en niet helemaal, zoals geïntimeerde voorhoudt, de tekst van zijn aanvullende conclusie in eerste aanleg betreffende voormeld geschilpunt. Immers verwijst appellant in de beroepsakte naar recente, niet in de aanvullende conclusie aangehaalde cassatierechtspraak.

Dit beduidt dat appellant de middelen die hij voor de eerste rechter voordroeg, eenvoudig herneemt, en dat die middelen tevens de redenen zijn waarom appellant zich door het bestreden vonnis gegriefd acht.

Geïntimeerde wist aldus voldoende waartegen zij zich diende te verweren.

Het verzoekschrift tot hoger beroep voldoet aan artikel 1057, 7° Ger. W. dat de uiteenzetting van de grieven voorschrijft.

## DE MOTIVERINGSVERPLICHTING

Geïntimeerde betoogt dat *"noch de ·directoriale beslissing van dd. 28 februari 1998 noch die van 10 juni 1998 op voldoende wijze werden gemotiveerd. De hierbij bestreden beslissing (van 31 maart 2000) kon dan ook niet zonder verdere motivering stellen dat beide beslissingen aan de vereisten van de Wet Cerexhe lijken te beantwoorden. Wegens schending van de vereiste tot motivering van bestuurshandelingen in het kader van de Wet Cerexhe, dient de beslissing dd. 31 maart 2000 dan ook te worden vernietigd"* (syntheseconclusie, blz. 11).

Deze argumentering van geïntimeerde gaat voorbij aan het feit dat de litigieuze, drie bladzijden tellende beslissing van 31 maart 2000, benevens de bekritiseerde overweging, naar luid waarvan : *"wat de wet van juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen betreft, lijken de brieven d.d. 26 februari 1998 en 10 juni 1998 van de Gewestelijke Directeur van de BTW te Antwerpen gericht aan uw kantoor mij te beantwoorden aan de gestelde vereisten"*, nog heel wat andere motieven bevat.

In die andere motieven werd gedetailleerd ingegaan op de in het proces-verbaal van 14 augustus 1995 van de opsporingsinspectie van de administratie der douane en accijnzen te Antwerpen vastgestelde overtredingen en betrokkenheid van geïntimeerde daarbij.

Zo werd verwezen naar de vaststelling van het proces-verbaal dat alhoewel de autobanden in Servië werden geproduceerd, zij op de aangiften ten verbruik als goederen van Bosnische en Macedonische oorsprong werden omschreven, en naar de vaststelling dat de invoerrechten, die ingevolge de invoer van de banden verschuldigd waren, maar waarvan ten onrechte vrijstelling werd verkregen ingevolge het maskeren van het werkelijke land van oorsprong van de goederen en het overleggen van valse en ongeldige certificaten EUR 1, niet werden opgenomen in de op de aangiften ten verbruik vermelde maatstaf van heffing van de BTW.

Wat de betrokkenheid van geïntimeerde betreft, werd o.m. verwezen naar de vaststelling van het proces-verbaal dat zij in een faxbericht van 23 maart 1993 aan de Servische producent vroeg om de plaat met *"made in Yugoslavia"* te verwijderen voor een order van 3.230 stuks autobanden.

Er werd weliswaar niet geantwoord op alle middelen die geïntimeerde in haar verzoekschrift tot kwijtschelding van 14 juli 1998 had ontwikkeld.

Aldus bleef zonder antwoord het middel van geïntimeerde ten betoge dat de kwijtschelding van de BTW-boete dient te worden beoordeeld op basis van argumenten inzake BTW en niet inzake douane.

De motiveringsverplichting van het bestuur *ex* de wet van juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, stelt evenwel niet dezelfde stringente eisen als artikel 149 G.W. aan de rechter oplegt. Op grond van zijn grondwettelijke motiveringsverplichting dient de rechter te antwoorden op de terzake dienende middelen.

De grief is ongegrond.

## HET *NON BIS IN IDEM*-BEGINSEL

Geïntimeerde stelt dat zij in strijd met het rechtsbeginsel non bis in idem, voor dezelfde feiten tweemaal een sanctie met een strafrechtelijk karakter opliep : een eerste maal de douaneboete van … BEF, en een tweede maal de boete inzake BTW van … BEF.

Voor dezelfde feiten, de onregelmatige invoer van autobanden in de periode september 1992 - juni 1993, werden inderdaad een boete inzake douane van … BEF en de litigieuze BTW-boete van … BEF opgelegd.

Sedert het arrest nr. 99/46 van 24 februari 1999 van het Grondwettelijk Hof kan aan het strafrechtelijk karakter van de BTW-boete uit artikel 70 W.BTW niet meer worden getwijfeld. Het Grondwettelijk Hof stelde in dit arrest : *"De in* [*artikel 70, § 2 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) *bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij het BTW-Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. De belastingplichtige, die vooraf de sanctie leent die hij riskeert op te lopen, zal ertoe worden aangezet zijn verplichtingen na te komen. Het repressief karakter van de sanctie overheerst"* (r.o. B.9).

Volgens geïntimeerde steunde de eerste rechter verkeerdelijk op het arrest van het Hof van cassatie van 5 februari 1999 (Cass. 5 februari 1999, Arr. Cass., 1999, 142), om de vordering tot vernietiging van de BTW-boete af te wijzen.

In voormeld arrest oordeelde het Hof van Cassatie : *"Overwegende dat, krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens art. 14, lid 7 van het BUPO-Verdrag, niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken;*

*Overwegende dat zulks niet belet dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk, de ene onderworpen aan het nationale strafrechtsstelsel, de andere onderworpen aan het stelsel van de administratieve sanctie, ook al zou die administratieve sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van art. 6 EVRM;*

*Dat de rechter, aan wie, gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in zin van art. 6 EVRM, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen;*

*dat hij hierbij krachtens het Belgisch strafrechtsstelsel eerder uitgesproken strafsancties die in verband met dezelfde inbreuk zouden zijn opgelegd, in zijn beoordeling mag betrekken;*

*Overwegende dat het arrest principieel uitsluit dat een administratieve sanctie en een strafsanctie zouden kunnen worden opgelegd en oordeelt dat “het algemeen rechtsbeginsel dat niemand in strafzaken voor dezelfde feiten een tweede maal kan worden vervolgd en berecht, behoort tot de regels van een eerlijk proces dat wordt gewaarborgd door art. 6 EVRM; dat de in kracht (van gewijsde) getreden veroordeling van (verweerders) bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 19 mei 1982 voor dezelfde feiten als thans door (eiser) ten grondslag van (zijn) vordering gelegd, er aan in de weg staat dat (verweerders) een tweede sanctie van strafrechtelijke aard zou worden opgelegd';*

*dat het zodoende de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt"*,

Appellant repliceert niet op het middel van geïntimeerde, afgeleid uit de schending van het *non bis in idem*-beginsel.

In zijn argumentering betreffende de door de eerste rechter toegepaste vermindering van de BTW-boete, waarvoor appellant hoger beroep aantekende, betwist deze niet, en terecht, de volheid van bevoegdheid waarmee de eerste rechter kon oordelen over fiscale boetes.

Wel meent appellant dat de rechter geen bevoegdheid had om de fiscale boete te verminderen. Deze argumentering doet hier niet terzake, waar de schending van het *non bis in idem*-beginsel aan de orde is.

De volle rechtsmacht houdt in dat alleszins de wettigheid van de fiscale boete voor rechterlijke toetsing vatbaar is, in het bijzonder de verenigbaarheid ervan met de dwingende eisen van internationale verdragen.

In tegenstelling tot het BUPO-Verdrag bevat het EVRM geen bepaling met betrekking tot *non bis in idem*. Uit de in artikel 6 EVRM neergelegde vereisten voor een eerlijke procesvoering kunnen als dusdanig geen besluiten met betrekking tot *non bis in idem* worden getrokken. Dit blijkt *a contrario* uit het feit dat de *non bis in idem*-bepaling werd opgenomen in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, dat door België nog niet werd geratificeerd.

Artikel 14, zevende paragraaf, BUPO-Verdrag, dat directe werking heeft (Cass. 7 september .1988, Pas., 1989, I, nr. 10), bepaalt : *"Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken"*.

Geïntimeerde duidt de juiste draagwijdte van het arrest van het Hof van cassatie van 5 februari 1999 aan. Enkel omdat het cumulverbod *non bis in idem* ten onrechte uit artikel 6 EVRM werd afgeleid, verbrak het Hof van cassatie het arrest van het hof van beroep. Op basis van de woordelijk aangehaalde passage van het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen, dat in eerste orde verwees naar artikel 6 EVRM, en slechts in tweede orde naar artikel 14, zevende paragraaf, BUPO~Verdrag *("dat de toepassing van art. 14 IVBPR tot eenzelfde besluit leidt"*), besloot het Hof van cassatie tot de schending van de in het middel aangehaalde wetsbepalingen.

De enkele vaststelling van het Hof van cassatie dat artikel 14, zevende paragraaf, BUPO-Verdrag de wetgever niet belet in verschillende sanctiesystemen te voorzien voor eenzelfde inbreuk, zegt nog niets over de mensenrechtelijke repercussies van een daadwerkelijke cumul van verschillende sancties van een strafrechtelijke aard voor eenzelfde inbreuk. Hieromtrent nam het Hof van cassatie in het arrest van 5 februari 1999 geen stelling in.

De litigieuze BTW-boete wordt vernietigd, wegens schending van het *non bis in idem*-beginsel uit artikel 14, zevende paragraaf, BUPO-Verdrag.

Het hof onderzoekt niet de andere middelen van geïntimeerde, die immers niet tot een vernietiging van de BTW-boete, laat staan een ruimere vernietiging, kunnen leiden.

## DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Partijen zijn het in zoverre met elkaar eens dat het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding toepasselijk is.

Gelet op de waarde van het geschil, … EUR, zijnde het bedrag van de litigieuze BTW-boete, bedraagt het basisbedrag niet … EUR, zoals appellant betoogt, maar … EUR, zoals geïntimeerde stelt.

Geïntimeerde maakt daarentegen verkeerdelijk tevens aanspraak op dit bedrag voor de rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg. Immers is, overeenkomstig de overgangsbepaling van artikel 13 van de wet van 21.april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, deze van toepassing op de zaken die nog hangende zijn op het moment dat zij in werking treedt.

Het hangende geding wordt gelijkgesteld met een aanleg (I. SAMOY en V. SAGAERT, De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de. erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, R.W., 2007-08,697, nr. 89).

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoofd- en incidenteel beroep beide ontvankelijk, doch enkel het incidenteel beroep in de hierna bepaalde gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis als volgt,

Vernietigt de bestreden beslissing van 31 maart 2000 met refertenr. … van M. **M.**, eerste attaché van Financiën, daartoe gedelegeerd door de directeur-generaal van de centrale administratie van de BTW, op zijn beurt optredend voor de minister van Financiën, houdende beslissing tot behoud van een boete inzake BTW ten bedrage van 200 % van de verschuldigde BTW, opgelegd naar aanleiding van een transactie met de administratie der douane en accijnzen van 9 april 1996,

Beveelt de terugbetaling van de aldus vernietigde BTW-boete, vermeerderd met de moratoriuminteresten,

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, aan zijn zijde begroot op het bedrag van … EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op het bedrag van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 03-04-2008.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**P. V.**, alleenzetelend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **P. V.**

## Textes cités

1

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Immobilier, Syndicat, Taux de TVA, Transfert de charge](https://juriel.be/fr/jurisprudence/immobilier-syndicat-taux-tva-transfert-tribunal-bruges-2025-06-16-0226) 1 dispositions communes

[Restitution de la taxe suite à l'émission de notes de crédit](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-namur-2022-09-22-02ac) 1 dispositions communes

[Redevable, Responsabilité solidaire, Report de paiement, Cocontractant](https://juriel.be/fr/jurisprudence/redevable-responsabilite-solidaire-report-paiement-cour-appel-anvers-2022-02-15-073c) 1 dispositions communes

[Inspection spéciale des impôts (ISI), Secteur de l'Horeca](https://juriel.be/fr/jurisprudence/inspection-speciale-impots-isi-secteur-cour-appel-bruxelles-2026-01-13-07d9) 1 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-chiffre-tribunal-bruxelles-2025-04-23-0903) 1 dispositions communes

[Services de restauration et de catering](https://juriel.be/fr/jurisprudence/services-restauration-catering-restaurant-entreprise-tribunal-anvers-2022-12-05-0910) 1 dispositions communes

[TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action](https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-impot-personnes-physiques-article-cour-appel-anvers-2025-04-24-09f5) 1 dispositions communes

[Droit de déduction, Bien immobilier, Usage privé](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-usage-cour-appel-gand-2026-04-28-0a2d) 1 dispositions communes
