---
title: "1er février 2011 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers"
description: "Disposition pénale, amende administrative. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 1er février 2011."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-anvers-2011-02-01-cff1"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

1er février 2011

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

113 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 01.02.2011

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

In zake : **2010/AR/1757**

**B. CVBA** met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

vertegenwoordigd door haar technisch raadgever, de heer **J. F.**, bedrijfsrevisor met kantoor te …, …;

**appellante na cassatie**

tegen het vonnis gewezen op 23 april 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven en gelet op het arrest van het Hof van beroep te Brussel van 7 april 2008 en het arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2010,

vertegenwoordigd door Mr. **R. P.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1. BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN**, Minister van Financiën wonende te 1000 Brussel, Wetstraat 12

**2 BELGISCHE STAAT, BTW-Ontvangkantoor**, wonende te 3300 Tienen, Goossensvest 3

**geïntimeerden na cassatie,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder :

\- het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 20 februari 2004;

\- het eindvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 23 april 2004;

\- het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 april 2008;

\- het arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2010;

\- de betekening van voormeld arrest van het Hof van Cassatie op 21 mei 2010, met dagvaarding na verwijzing voor het hof van beroep te Antwerpen;

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

### *1.1. Voorwerp van de betwisting*

CVBA **B.** is bedrijvig in de fruitsector. Meer bepaald betreft het een telersvereniging in de zin van artikel 11 van de Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 De leden storten een proportionele financiële bijdrage die door de vennootschap wordt aangewend voor de vorming van een actiefonds bestemd voor onder meer financiering van een operationeel programma.

CVBA **B.** deed aangifte van aanvang van werkzaamheid met vermelding als activiteit : "Verkoop, aankoop, import-export, ruil, productie, teelt, behandeling, bewaring van fruit, groeten, enzovoort" (vrije vertaling uit het Frans). De vennootschap werd op 17 juni 1997 als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer BE ….

De vennootschap ging over tot aftrek van de voorbelasting voor een aantal leveringen en diensten.

Er vonden een aantal controles plaats die de administratie ertoe brachten te beslissen da de CVBA niet als een belastingplichtige diende te worden beschouwd. Er werd een proces-verbaal opgesteld op 19 augustus 2002, waarin werd gesteld dat de door de CVBA geleverde prestaties niet konden worden beschouwd als belastbare diensten, en dat de CVBA bijgevolg evenmin recht had op aftrek van de voorbelasting.

Op 16 september 2002 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18 september 2002, waarin gesteld werd dat CVBA **B.** schuldenaar was van de volgende bedragen :

\- BTW : … EUR;

\- geldboete overeenkomstig artikel 70, 1bis W.BTW : … EUR

\- wettelijke interesten vanaf 21 mei 2002;

\- moratoire interesten over de geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel;

\- vervolgingskosten.

CVBA **B.** tekende verzet aan tegen voormeld dwangbevel, met dagvaarding van de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. De rechtbank verklaarde de vordering van CVBA **B.** ontvankelijk en gegrond en ging over tot vernietiging van het dwangbevel, met veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van alle op grond van dit dwangbevel geïnde bedragen, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling en met de kosten van het geding.

De Belgische Staat tekende hoger beroep aan tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg. CVBA **B.** ging over tot uitbreiding van haar vordering en vorderde niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel en de terugbetaling van de bedragen die op grond daarvan werden geïnd doch eveneens een schadevergoeding van … EUR, meer de interesten, hetzij het bedrag aan BTW, boete en interesten dat de vennootschap zou dienen te betalen, indien de vordering van de administratie gegrond zou worden verklaard.

Het hof van beroep te Brussel oordeelde in zijn arrest van 17 april 2008 dat de eerste rechter terecht oordeelde dat CVBA **B.** geen diensten verricht in de zin van artikel 2, 1 van de Zesde BTW-Richtijn, “nu de aan haar leden opgelegde verplichte bijdragen worden berekend aan de hand van de hoeveelheden of de waarde van de daadwerkelijk op de markt afgezette groenten en fruit en deze bijdragen aldus niet in rechtstreeks verband staan met de voordelen die voor de individuele telers voortvloeien uit de werkzaamheden van geïntimeerde". Er werd daarbij verwezen naar het arrest van het Europees Hof van Justitie van 8 maart 1988 in de zaak Apple and Pear Development Counsil, dat gezag van gewijsde erga omnes heeft en ex tune geldt.

Het hof van beroep oordeelde dat CVBA **B.** ten onrechte beroep deed op het vertrouwensbeginsel en dat in deze het legaliteitsbeginsel diende te primeren.

Wat de vordering tot schadevergoeding betreft, oordeelde het hof van beroep te Brussel dat de belastingplichtige in de fout ging door de aangifte van aanvang van werkzaamheid niet correct in te vullen en aanvankelijk de administratie op het verkeerde been te zetten. Anderzijds oordeelde het hof van beroep dat ook de administratie in de fout ging, gelet op de diverse controles die werden uitgevoerd en waarbij de administratie had moeten zien dat de CVBA niet als BTW­belastingplichtige kon worden beschouwd. Het hof oordeelde samen met de eerste rechter dat de administratie veel vroeger dan na vijf jaar een correctieopgave had moeten opsturen, waardoor de financiële gevolgen voor de vennootschap veel minder zwaar zouden zijn geweest. Het hof oordeelde derhalve dat zowel de fout van de belastingplichtige, als de fout van de administratie hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade, waarbij de fout van de administratie veel zwaarder doorweegt. Volgens het hof had de fout van de belastingplichtige voor 1/4 de en de fout van de administratie voor 3/4 de de schade veroorzaakt.

De hoofdvordering van de belastingplichtige werd derhalve afgewezen als ongegrond, doch de tegenvordering van de belastingplichtige werd deels gegrond verklaard. De administratie werd veroordeeld om bij wijze van schadevergoeding aan CVBA **B.** te betalen, 3/4 de van … EUR, meer interesten. De administratie werd eveneens veroordeeld tot betaling van 3;4de van de kosten van het geding, en de vennootschap tot 1/4 de van deze kosten, begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding voor de vennootschap en … EUR voor de administratie.

De Belgische Staat diende een voorziening tot cassatie in tegen voormeld arrest van het hof van beroep te Brussel. Het enige middel tot cassatie betrof de tegenvordering van CVBA **B.** tot het betalen van schadevergoeding. Het Hof van Cassatie oordeelde in zijn arrest van 14 januari 2010 dat de Belgische Staat in zijn appelconclusie van 15 september 2004 de afwezigheid had aangevoerd van een noodzakelijk oorzakelijk verband tussen zijn fout en de algehele schade, zoals die door de vennootschap werd gevorderd en dat het arrest dit verweer niet beantwoordde. Het Hof van Cassatie oordeelde verder dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Het bestreden arrest werd vernietigd in zoverre het uitspraak deed over de tegeneis van de belastingplichtige en over de kosten. De aldus beperkte zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen.

### *1.4. Procedure voor het hof van beroep te Antwerpen*

Op 21 mei 2010 ging CVBA **B.** over tot betekening van het arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2010, met dagvaarding van de Belgische Staat voor het hof van beroep te Antwerpen.

Aanvankelijk vorderde de CVBA om het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren :

*''Verweerder de Belgische Staat te horen zeggen voor recht dat haar dwangbevel d.d. 20.09.2002 nietig is.*

*De Belgische Staat zich te horen veroordelen tot terugbetaling aan verzoeker van de som van … EUR (...), meer de interesten sedert 01. 04.2010 en alle gerechtskosten.*

*Het arrest uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van kantonnement.*

In latere conclusies herleidt CVBA **B.** haar vordering. Ze vordert in haar laatste conclusies :

*"Geïntimeerde de Belgische Staat FOD Financiën te veroordelen om te betalen aan concluante de som van … EUR, meer de wettelijke vergoedende interesten sedert inhouding der bovenvermelde som, namelijk 29 augustus 2003 tot de dag der betaling en tot de kosten.*

*Subsidiair* *:*

*Alvorens recht te doen ten gronde, een bedrijfsdeskundige aan te stellen met opdracht als hierboven.*

*Kostenraming* ***B.***

*Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg :* *… EUR*

*Rechtsplegingsvergoeding beroep :* *… EUR*

*… EUR”*.

De Belgische Staat vordert voor het hof van beroep te Antwerpen :

> *"De vordering van appellante onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren wat betreft de eis tot nietig verklaring van het dwangbevel van 20/09/2002 en de vraag tot terugbetaling van … EUR.*
>
> *Verder appellante in haar eisen afte wijzen.*
>
> *Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in alle aanleggen, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.*
>
> *(...)*
>
> *Kosten :*
>
> *-* *Rechtsplegingsvergoeding Rechtbank van Eerste Aanleg:* *… EUR*
>
> *-* *Rechtsplegingsvergoeding Hof van Beroep :* *… EUR*
>
> *-* *Kosten Hof van Cassatie :* *… EUR*
>
> *… EUR"*

## 2. Bespreking

### *2.1. De beperkte omvang van de op heden hangende zaak*

Geïntimeerde wierp op dat de zaak, zoals ze op heden hangende is voor het hof van beroep te Antwerpen, beperkt is tot de beoordeling van de tegeneis van appellante.

Appellante legt zich bij deze visie neer, nu de administratie het gezag van gewijsde heeft ingeroepen van het arrest van het hof van beroep te Brussel, in de mate waarin het niet werd aangevochten door het middel in cassatie.

Het hof sluit zich hierbij aan en stelt vast dat de cassatie aldus beperkt is. De vernietiging kan immers niet verder reiken dan de draagwijdte van het middel (zie hierover KRINGS, E., De omvang van cassatie, *T.P.R.*, 1995, p.885 e.v.). Ten overvloede wijst het hof erop dat de administratie er geen belang bij had het arrest van het hof van beroep te Brussel te bestrijden in de mate dat het de vordering van de belastingplichtige tot nietigverklaring van het dwangbevel heeft afgewezen.

Ten onrechte werpt de Belgische Staat op dat er in deze geen uitspraak meer kan worden gedaan over de fout in hoofde van de administratie. Hoewel het arrest van het hof van beroep te Brussel werd verbroken vermits niet werd geantwoord op het argument dat er geen oorzakelijk verband voorhanden was, maakte ook de fout het voorwerp uit van het middel, met name van het vierde en laatste onderdeel. Het feit dat het arrest van het hof van beroep te Brussel niet op grond van dit onderdeel werd verbroken doet hier geen afbreuk aan en dit onderdeel werd niet verder onderzocht omdat het niet tot ruimere cassatie kon leiden. Het is derhalve de volledige tegenvordering van CVBA **B.**, die het voorwerp van de beoordeling van dit hof uitmaakt.

*2.2. De aansprakelijkheid van de Belgische Staat op grond van artikel 1382 B.W.*

#### 2.2.1. De fout

Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de fout door het hof van beroep te Brussel.

In eerste instantie kan CVBA **B.** verweten worden bij de aanvang van haar activiteiten in juni 1997 een aangifte te hebben ingediend die een verkeerde voorstelling gaf van haar voorgenomen activiteiten. Ten onrechte vermeldde de CVBA dat het zou gaan om de verkoop, aankoop, import-export, ruil, productie, teelt, behandeling, bewaring van fruit, groenten, enz. Op die manier heeft de belastingplichtige de administratie derhalve aanvankelijk op een verkeerd been gezet.

Anderzijds kan niet ontkend worden dat de administratie diverse controles uitvoerde bij de CVBA. Zo werden er controles uitgevoerd in juni 1998, november 1998, december 1998, september 1999 en een drietal controles in 2000. In december 2000 schreef de BTW-controle te Sint-Truiden nog naar de CVBA dat ze van mening was dat de diensten die door de CVBA werden verricht, onderworpen waren aan een BTW­tarief van 21 %. Op 16 januari 2001 werd een correctieopgave toegestuurd waarin ook werd gemeld dat een BTW-tarief van 21 % van toepassing was. Het is pas op 7 mei 2002 dat de centrale administratie van de BTW besliste dat de CVBA niet als een BTW-belastingplichtige kon worden aangemerkt.

Uit geen enkel gegeven blijkt dat het slechts om summiere of onvolledige controles ging. Bovendien kan niet betwist worden dat naar aanleiding van deze controles aan de administratie in elk geval de facturen werden voorgelegd betreffende de "bijdrage in het kader Verordening (E.G.) nr. 2200/96 voor het jaar ... volgens artikel 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds". Het hof oordeelt dan ook dat de administratie naar aanleiding van deze controles had moeten vaststellen dat er een probleem rees in verband met de hoedanigheid van de CVBA als BTW-plichtige.

Minstens had de administratie veel sneller moeten reageren en niet moeten wachten tot mei 2002 om te beslissen dat de CVBA niet als een belastingplichtige kon worden aangemerkt. Er is dus wel degelijk ook sprake van een fout in hoofde van de administratie.

#### 2.2.2. Het oorzakelijk verband

Opdat CVBA **B.** aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding is vereist dat aangetoond wordt dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van de administratie en de schade die CVBA **B.** daardoor geleden heeft.

Opdat er sprake is van een oorzakelijk verband, dient te worden vastgesteld dat de fout een noodzakelijke voorwaarde was voor de schade. Er dient te worden vastgesteld dat de schade, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, zich niet zou hebben voorgedaan zonder de fout. Is er twijfel over het causaal verband, of is dit enkel waarschijnlijk, dan moet de vordering worden afgewezen.

Het hof is het eens met de administratie waar die argumenteert dat de vennootschap, zonder de fout van de administratie, evenmin recht op aftrek van de voorbelasting zou hebben gehad. Indien van bij de aanvang van de activiteiten was geweten dat de CVBA niet BTW­belastingplichtig was, dan had ze de BTW die ze betaalde naar aanleiding van de leveringen en diensten aan haar niet kunnen aftrekken.

De CVBA **B.** argumenteert dat het oorzakelijk verband te vinden is in het feit dat ze haar activiteiten anders zou hebben georganiseerd, indien ze van bij de aanvang had geweten dat ze niet BTW­belastingplichtig was. De vennootschap stelt dat ze in dat geval personeel in dienst zou hebben genomen, in plaats van beroep te doen op onderaannemers. Ze legt dienaangaande een verslag neer van bedrijfsrevisor **J. F.**.

Het hof oordeelt dat niet met zekerheid kan gesteld worden dat CVBA **B.** personeel in dienst zou hebben genomen, indien ze had geweten dat ze niet BTW-belastingplichtig was. Bedrijfsrevisor **F.** bevestigde in zijn verslag dat de dienstverlening werd betrokken bij leden van de vereniging, zodat andere redenen een rol kunnen hebben gespeeld bij de optie om beroep te doen op onderaannemers, dan het feit dat men dacht dat de BTW kon worden gerecupereerd. Er dient derhalve te worden geoordeeld dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de CVBA **B.** geen beroep had gedaan op onderaannemers, indien ze van bij de aanvang had geweten dat ze niet te beschouwen was als een BTW-belastingplichtige.

#### 2.2.2. Het oorzakelijk verband

Opdat CVBA **B.** aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding is vereist dat aangetoond wordt dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van de administratie en de schade die CVBA **B.** daardoor geleden heeft.

Opdat er sprake is van een oorzakelijk verband, dient te worden vastgesteld dat de fout een noodzakelijke voorwaarde was voor de schade. Er dient te worden vastgesteld dat de schade, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, zich niet zou hebben voorgedaan zonder de fout. Is er twijfel over het causaal verband, of is dit enkel waarschijnlijk, dan moet de vordering worden afgewezen.

Het hof is het eens met de administratie waar die argumenteert dat de vennootschap, zonder de fout van de administratie, evenmin recht op aftrek van de voorbelasting zou hebben gehad. Indien van bij de aanvang van de activiteiten was geweten dat de CVBA niet BTW­belastingplichtig was, dan had ze de BTW die ze betaalde naar aanleiding van de leveringen en diensten aan haar niet kunnen aftrekken.

De CVBA **B.** argumenteert dat het oorzakelijk verband te vinden is in het feit dat ze haar activiteiten anders zou hebben georganiseerd, indien ze van bij de aanvang had geweten dat ze niet BTW­belastingplichtig was. De vennootschap stelt dat ze in dat geval personeel in dienst zou hebben genomen, in plaats van beroep te doen op onderaannemers. Ze legt dienaangaande een verslag neer van bedrijfsrevisor **J. F.**.

Het hof oordeelt dat niet met zekerheid kan gesteld worden dat CVBA **B.** personeel in dienst zou hebben genomen, indien ze had geweten dat ze niet BTW-belastingplichtig was. Bedrijfsrevisor **F.** bevestigde in zijn verslag dat de dienstverlening werd betrokken bij leden van de vereniging, zodat andere redenen een rol kunnen hebben gespeeld bij de optie om beroep te doen op onderaannemers, dan het feit dat men dacht dat de BTW kon worden gerecupereerd. Er dient derhalve te worden geoordeeld dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de CVBA **B.** geen beroep had gedaan op onderaannemers, indien ze van bij de aanvang had geweten dat ze niet te beschouwen was als een BTW-belastingplichtige.

Het hof oordeelt dat het in dienst nemen van personeel trouwens ook bepaalde kosten met zich meebrengt, niet in het minst de kosten inzake sociale zekerheid. Uit geen enkele berekening blijkt dat deze kosten de niet-recupereerbare BTW niet evenaarden of overstegen.

Het argument van CVBA **B.** dat ze die kosten van een in dienst name van personeel zou hebben doorgerekend aan de leden houdt geen steek, vermits de bijdrage die van de leden werd gevraagd werd berekend aan de hand van de hoeveelheden of de waarde van de daadwerkelijk op de markt afgezette groeten en fruit. Deze bijdragen stonden aldus niet in rechtstreeks verband met de voordelen die voor de individuele telers voortvloeiden uit de werkzaamheden van CVBA **B.**. Dit was trouwens de reden waarom op definitieve wijze door het hof van beroep te Brussel werd beslist dat de CVBA niet als een BTW-belastingplichtige kon worden beschouwd. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de CVBA haar werkingskosten doorrekende of kon doorrekenen aan de leden.

Ten overvloede stelt het hof vast dat uit de correctieopgave (stuk 7 van de CVBA) blijkt dat niet enkel BTW in aftrek werd gebracht voor het laten opstellen van operationele en andere programma's, maar dat ook erelonen werden betaald aan accountants en andere zelfstandigen zoals landmeters en architecten. Bovendien heeft een belangrijk deel van de afgetrokken BTW betrekking op leasingcontracten en op de aankoop van appelbomen. Welk niet aan de BTW onderworpen alternatief er zou bestaan voor deze leveringen en diensten wordt niet verduidelijkt.

Gelet op het voorgaande, oordeelt het hof dat er geen oorzakelijk verband is aangetoond tussen de fout van de administratie en de schade die de CVBA zou hebben geleden, in die zin dat niet is aangetoond dat de CVBA geen beroep zou hebben gedaan op leveringen en diensten met betaling van BTW aan de leverancier of dienstverrichter.

Bovendien is zelfs niet aangetoond dat er sprake is van een verlies van een kans. Er kan een vergoeding verkregen worden voor het verlies van een kans, indien wordt aangetoond dat door de fout een reële kans verloren ging om de schade te vermijden. In onderhavig geval is de kans voor een deel van de prestaties onbestaande, met name in de mate waarin het gaat om prestaties van zelfstandigen (accountants, ...) en in de mate dat het gaat om aankopen en leasingcontracten. Voor het overige is de kans louter hypothetisch, nu niet wordt aangetoond dat de CVBA, indien ze van bij de aanvang van haar activiteiten had geweten dat ze niet BTW-belastingplichtig was, zou hebben overwogen om personeel in dienst te nemen in plaats van een beroep te doen op haar leden en nu niet wordt aangetoond dat de kostprijs van indienstneming lager lag dan het beroep doen op onderaannemers.

De beoordeling of er al dan niet een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout en eventuele schade behoort tot de taak van de rechter. Nu werd geoordeeld dat dit oorzakelijk verband in deze ontbreekt, oordeelt het hof dat de aanstelling van een deskundige niet dienstig is.

#### 2.2.3. De schade

Nu werd geoordeeld dat het oorzakelijk verband niet werd aangetoond, is een verder onderzoek naar de schade niet langer dienstig.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart de tegenvordering van CVBA **B.** toelaatbaar doch ongegrond,

Veroordeelt CVBA **B.** tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat begroot en vereffend op :

\- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

\- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- kosten Hof van Cassatie : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van **EEN FEBRUARI TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. D.** en

**M. G.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **M. G.** **M. D.** **D. W.**

## Textes cités

2

règlement 2200/96 art. 11 1 occurrence

règlement 411/97 art. 15 1 occurrence
