---
title: "20 mars 2012 · Disposition pénale, amende administrative · Cour d&#x27;appel de Gand"
description: "Disposition pénale, amende administrative, champ d'application, service, opération imposable. Cour d'appel de Gand (Belgique), 20 mars 2012."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-champ-cour-appel-gand-2012-03-20-a074"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Disposition pénale, amende administrative, champ d'application, service, opération imposable · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

20 mars 2012

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

188 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 20.03.2012

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF VAN BEROEP TE GENT**

**Nr.2011/AR/559** - in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

\- Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, met kantoren gevestigd te 9200 DENDERMONDE, Begijnhoflaan 49,

\- Administratie van Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, met kantoren gevestigd te 9300 AALST, Graanmarkt 1,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **L. G.** loco mr. **V. A. E.**, advocaat te …, …

**tegen :**

1\. **L. F.**, wonende te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de CV **B. A..BE** voorheen de CV **L. F.** & CO **C.**, waarvan de vennootschapszetel destijds gevestigd was te …, … en met ondernemingsnummer …, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde dd. 29 oktober 2007 en gesloten verklaard bij gebrek aan actief bij vonnis van zelfde rechtbank dd. 1 oktober 2008,

2\. **L. F.**, wonende te …, …,

3\. **V. K. L.**, bediende, wonende te …, …,

4\. **D. D. J.**, wonende te … (…), …,

**geïntimeerden,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. Y.**, advocaat te …, … spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure

Bij verzoekschrift van 22 februari 2011 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 8 november 2010 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan :

*Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.*

*Verklaart het lastens eisers dwangbevel dat op 4 december 2003 opgestelde en op 9 december 2003 geviseerde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel ongegrond doch enkel voor wat betreft de op grond van inbreuken op artikel 77, § 1 W.BTW aangerekende BTW ten bedrage van … EUR en de proportioneel hierop berekende boete ten bedrage van … EUR.*

*Beveelt dienvolgens de terugbetaling door verweerder aan eerste eiser qq. van de op basis van bovenvermeld onderdeel van het dwangbevel ingehouden of gevorderde bedragen, zowel in hoofdsom, interesten als in kosten.*

*Wijst de vordering voor het overige af als ongegrond.*

*Veroordeelt eisers tot 2/3 van de kosten van het geding en verweerder tot 1/3 van de kosten van het geding.*

*Begroot deze kosten als volgt :*

*-* *aan de zijde van eisers: de basisrechtsplegingsvergoeding : … EUR;*

*-* *aan de zijde van verweerder : de basisrechtsplegingsvergoeding : … EUR*.

De appellant formuleert in hoger beroep een vordering waarmee hij aan het hof vraagt om :

\- *het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

\- *de beslissing van de Eerste Rechter teniet te doen voor zover de terugvordering krachtens artikel 77, § 1 en 79 W.BTW van de BTW­aftrek ten bedrage van € … EUR ongegrond werd verklaard;*

\- *het bestreden dwangbevel voor de integraliteit van de erin vermelde verschuldigde BTW, boete en intresten te bevestigen, te vermeerderen met de moratoire intresten welke verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW;*

\- *de oorspronkelijke vordering van de huidige geïntimeerden af te wijzen als ongegrond;*

\- *de geïntimeerden te verwijzen in de kosten van het geding, aan de zijde van de verzoekster te begroten op de rechtsplegingsvergoedingen van € … per aanleg*.

De geïntimeerden formuleren in hoger beroep een vordering waarmee zij aan het hof vragen om :

*1.* *RECHTDOENDE OP HET HOOFDBEROEP :*

*1.1.* *Het hoofdberoep af te wijzen als totaal ongegrond.*

*1.2.* *Appellant op hoofdberoep te veroordelen tot alle kosten van de beide instanties.*

*2.* *RECHTDOENDE OP HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP :*

*2.1.* *Concluanten akte te verlenen van het incidenteel hoger beroep dat zij bij huidige conclusies instellen tegen het vonnis a quo dat op 8 november 2010 werd gewezen door de 6**de* *Fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de zaak met A.R. nr. 04/2452/A.*

*2.2.* *Het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*2.3.* *Het vonnis a quo te vernietigen, in zoverre de oorspronkelijke vordering van concluanten ongegrond werd verklaard, zulks met inbegrip wat betreft :*

*1°)* *het gedeelte van de vordering dat betrekking had op de vermeende inbreuk op artikel 45 W.BTW en* [*artikel 3 van het KB nr. 3*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) *van 10 december 1969;*

*2°)* *het gedeelte van de vordering dat betrekking had op de vermeende inbreuk op artikel 53 en 53octies W.BTW;*

*3°)* *het gedeelte van de vordering dat betrekking had op de kwijtschelding van de opgelegde boetes overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW.*

*4°)* *de veroordeling tot een gedeelte van de gerechtskosten.*

*2.4.* *Opnieuw recht doende :*

*1°)* *de oorspronkelijke vordering van concluanten integraal gegrond te verklaren.*

*2°)* *In hoofdorde :*

*Het dwangbevel integraal ongegrond te verklaren en te vernietigen, en te zeggen voor recht dat het bedrag er in vermeld en gevorderd was ten titel van rechten, boeten, kosten en interesten niet verschuldigd is.*

*Te statueren dat huidige appellant op hoofdberoep / geïntimeerde op incidenteel hoger beroep verplicht is tot integrale terugbetaling aan eerste concluant van alle reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen, zowel in hoofdsommen, intresten als kosten, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding.*

*3°)* *In ondergeschikte orde :*

*Alle door appellant op hoofdberoep / geïntimeerde op incidenteel hoger beroep in rekening gebrachte of gevorderde boetes kwijt te schelden.*

*4°)* *Appellant op hoofdberoep / geïntimeerde op incidenteel hoger beroep te veroordelen tot alle kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, van de beide instanties.*

*5°)* *Minstens, alvorens ten gronde recht te doen:*

*a)* *in hoofdorde :*

*aan appellant op hoofdberoep de verplichting op te leggen om het arrest van het Hof van Beroep te Gent voor te leggen inzake het hoger beroep dat was ingesteld tegen :*

*1)* *het voormeld vonnis dd. 17.02.2009 gewezen door de 6**de* *Fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de zaak tussen de BVBA* ***F. L.*** *als eiser en de BELGISCHE STAAT als verweerder in de zaak met A.R. nr. 0411369/A.*

*2)* *het voormeld vonnis 17.02.2009 geweten door de 6**de* *Fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de zaak tussen de BVBA* ***F. L.*** *als eiser en de BELGISCHE STAAT als verweerder in de zaak met A.R. nr. 0511952/A.*

*b)* *in ondergeschikte orde :*

*de behandeling van de onderhavige zaak op te schorten, tot door het Hof van Beroep te Gent arrest zal zijn gewezen inzake het hoger beroep dat was ingesteld tegen :*

*1)* *het voormeld vonnis dd. 17.02.2009 gewezen door de 6**de* *Fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de zaak tussen de BVBA* ***F. L.*** *als eiser en de BELGISCHE STAAT als verweerder in de zaak met A.R. nr. 04/1369/A.*

*2)* *het voormeld vonnis 17.02.2009 gewezen door de 6**de* *Fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de zaak tussen de BVBA* ***F. L.*** *als eiser en de BELGISCHE STAAT als verweerder in de zaak met A.R. nr. 05/1952/A.*

*2.5.* *Het vonnis a quo te bevestigen, in zoverre de oorspronkelijke vordering van concluanten gegrond was verklaard met betrekking tot de vermeende inbreuk op artikel 77, § 1 en 79 W.BTW.*

## 2. De feitelijke gegevens

De eerste geïntimeerde is de vereffenaar van de C.V. **L. F.** & Co **C.**. Het betreft een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid, opgericht bij onderhandse akte van 10 november 1988 door de geïntimeerden, allen vennoten.

De vennootschap oefende de activiteit uit van accountant en consultant; ze wordt hierna 'de belastingplichtige' genoemd.

Op 8 september 2003 werd een BTW-controle aangekondigd die plaats vond op 25 september 2003.

De controle sloeg op de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2002.

Op 25 september 2003 werd een regularisatieopgave opgestuurd naar de belastingplichtige.

De volgende inbreuken werden in die regularisatieopgave aangevoerd :

\- inbreuk betreffende de toepassing van [artikel 3 KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd), zijnde de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig stuk, factuur of regelmatig invoerdocument;

\- inbreuk betreffende de toepassing van artikel 53 en 53octies W.BTW, zijnde een omzetverhoging ingevolge het niet inschrijven van een verkoopfactuur;

\- een inbreuk betreffende de toepassing van artikel 77, § 1 W.BTW, zijnde niet terugstorting van btw op vier verbeterende stukken (creditnota's);

\- inbreuk betreffende artikel 53, eerste alinea W.BTW omtrent het gebruiken van een tot het bedrijf behorende goed buiten de economische activiteit en voordelen van alle aard.

De controleagent kwam tot de conclusie dat de belastingplichtige de volgende sommen verschuldigd was aan de Schatkist :

• … euro aan btw;

• … euro aan diverse administratieve boetes.

Daarnaast werd ook de volgende vermelding opgenomen :

*WETTELIJKE BOETE : … EURO.*

Op 16 oktober 2003 liet de toenmalige advocaat van de geïntimeerden weten niet akkoord te gaan met de regularisatieopgave; hij beriep zich onder andere op de bijgevoegde overeenkomst die op 30.09.2000 was gesloten tussen de belastingplichtige en de BVBA **F. L.**.

Op 22 oktober 2003 en op 7 november 2003, liet de taxatiedienst weten niet akkoord te gaan met de opmerkingen van de belastingplichtige.

Bij brief van 10 november 2003 bevestigde de belastingplichtige haar niet­akkoord met de regularisatieopgave.

Omdat de belastingplichtige niet akkoord kon gaan met de vooropgestelde minnelijke regeling, werd door de taxatieambtenaar op 24 november 2003 overgegaan tot het opstellen van een proces-verbaal waarin de inbreuken en verschuldigd geachte bedragen vermeld in de regularisatieopgave, hernomen werden.

Bij gebrek aan betaling ging de appellant op 4 december 2003 over tot het opstellen van een dwangbevel voor volgende bedragen :

• … euro btw;

• … euro interest berekend tot 20 december 2003;

• … euro boete;

• de interest op de btw vanaf 21 december 2003;

• de interest op de boete vanaf de betekening van het dwangbevel en

• de vervolgingskosten.

De tweede tot vierde geïntimeerden werden als onbeperkt aansprakelijke vennoten, samen met de belastingplichtige aansprakelijk geacht voor de betaling van de verschuldigd verklaarde bedragen.

Het dwangbevel werd op 9 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 10 december 2003 aan de geïntimeerden betekend, met in bijlage het proces-verbaal van 24 november 2003.

Met een verzoekschrift van 21 juni 2004 stelden de belastingplichtige en de tweede tot vierde geïntimeerden hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Nadat de belastingplichtige failliet verklaard was en ter gelegenheid van de sluiting van het faillissement de tweede geïntimeerde van rechtswege vereffenaar werd, is laatstgenoemde op 12 februari 2009 als partij in het geding gekomen om in die hoedanigheid het geding voort te zetten.

De zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 8 november 2010 geoordeeld zoals hoger vermeld.

Zoals uit de hoger geciteerde vorderingen blijkt, hebben zowel de appellant als de geïntimeerden hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

## 3. De betwistingen tussen de partijen

3.1. *M.b.t. de ingeroepen inbreuk op* [*artikel 45 WBTW*](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) *en* [*artikel 3 KB nr. 3*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) *- recht van aftrek van btw - incidenteel hoger beroep*

De belastingplichtige heeft in de betrokken periode twee interne nota's gemaakt en in haar boekhouding opgenomen, namelijk

• nota op datum van 31 december 2000 voor … frank (… euro), meer … frank (… euro) btw

• nota op datum van 31 maart 2001 voor … frank (… euro), meer … frank (… euro) btw.

Op die nota's wordt als enige verduidelijking vermeld :

*Cfr. Contract d.d. 30.09.2000*.

Waar de appellant stelt dat die nota's niet voldoen aan de vereisten voor de aftrek van BTW omdat de vermeldingen ontbreken om als facturen in de zin van [artikel 5 van KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) te worden beschouwd, stellen de geïntimeerden dat de belastingplichtige wel degelijk recht op aftrek had omdat de btw opeisbaar geworden was krachtens artikel 22, § 2 W.BTW. Meer bepaald beroepen de geïntimeerden zich op de overeenkomst die tussen de belastingplichtige en de BVBA **F. L.** gesloten was op 30 september 2000 waarnaar de interne nota's verwijzen. Op basis van die overeenkomst zou de btw opeisbaar zijn geworden op het tijdstip waarop de bedongen vergoedingen contractueel moesten worden voldaan, zelfs al was er nog geen factuur uitgereikt.

De geïntimeerden stellen dat de belastingplichtige de vergoedingen zowel in hoofdsom als in BTW betaald heeft aan de BVBA **F. L.**.

De eerste rechter zou foutieve gevolgen gekoppeld hebben aan de ontbindende voorwaarde die in de overeenkomst van 30 september 2000 werd opgenomen.

De belastingplichtige zou geen andere keuze hebben gehad dan de betaalde bedragen in haar boekhouding op te nemen omdat ze anders enerzijds de betalingen niet als beroepskost had kunnen aftrekken en anderzijds een taxatie als geheime commissielonen riskeerde. Ze zou bovendien de plicht hebben gehad om een boekhouding op te stellen die een waarheidsgetrouw beeld gaf.

De belastingplichtige zou geen nadeel mogen ondervinden van het feit dat de BVBA **F. L.** ten onrechte voor de betaalde bedragen geen facturen uitreikte.

De stelling van de appellant in onderhavig geschil zou bovendien meebrengen dat de Schatkist tweemaal dezelfde BTW ontvangt omdat ook de BVBA **F. L.**, in een ander geschil, veroordeeld werd tot het betalen van de BTW op de vergoedingen die krachtens de overeenkomst van 30 september 2000 werden betaald. Omdat hoger beroep zou zijn aangetekend tegen het vonnis in dat verband van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 17 februari 2009, vragen de geïntimeerden in hoofdorde dat het hof de appellant zou verplichten om het arrest waarin dat beroep werd afgehandeld voor te leggen; subsidiair vragen de geïntimeerden de opschorting van de huidige zaak tot de andere zaak zal zijn afgehandeld.

### Beoordeling

De overeenkomst van 30 september 2000 werd aangegaan voor een duur van 5 jaar en voorziet dat de belastingplichtige aan de BVBA **F. L.** op diverse, nader bepaalde vlakken, bedrijfskundig advies zal verlenen. De volgende vergoedingen werden bedongen per 31 december 2000 : … frank (… euro) en per 31 maart 2001 : … frank (… euro), met de volgende nuancering :

*Deze bedragen moeten evenwel slechts worden uitbetaald op het tijdstip waarop vaststaat dat de ontbindende voorwaarde, zoals voorzien in art. 4 van deze overeenkomst niet langer kan worden ingeroepen.*

*Evenwel wordt overeengekomen dat ze zullen worden verhoogd met een rente, te berekenen volgens het tarief van de gerechtelijke interestvoet, en dit vanaf de in dit artikel bepaalde data tot datum van werkelijke uitbetaling.*

*Het artikel 4 waarnaar verwezen wordt, luidt als volgt :*

*Deze overeenkomst wordt uitdrukkelijk aangegaan onder de volgende ontbindende voorwaarde :*

\- *Voor de studies vermeld in artikel 1, punt 1 en 2: het behalen van een omzet van minstens … BEF per jaar, gedurende de looptijd van deze overeenkomst;*

\- *voor de opdracht vermeld in artikel 1, punt 3: het afronden van minstens 2 bemiddelingsopdrachten van bedrijven met een omzet van minstens … BEF en van 5 bemiddelingsopdrachten van bedrijven met een omzet van tussen de … BEF en … BEF;*

\- *voor de opdracht vermeld in artikel 1, punt 6: het behalen van een omzet van minstens … BEF per jaar, gedurende de looptijd van deze overeenkomst.*

*De hiervoor geciteerde criteria dienen samen te zijn vervuld. Ze zullen door de Opdrachtgever en de Consultant in gemeen overleg beoordeeld worden in de loop van oktober 2005.*

Hoezeer de geïntimeerden ook verwijzen naar de 'ontbindende' voorwaarde, toch gaan ze eraan voorbij dat de overeenkomst uitdrukkelijk voorziet dat de bedongen vergoedingen slechts moesten worden uitbetaald op het tijdstip dat kwam vast te staan dat die ontbindende voorwaarde niet langer kon worden ingeroepen. Met andere woorden: met betrekking tot de uitbetaling van de bedongen vergoedingen werd de verplichting wel degelijk opgeschort.

Maar zelfs zonder deze vaststelling had de belastingplichtige geen recht om het bedrag dat zij als BTW in een interne nota had opgenomen en geboekt had, als aftrekbare BTW in haar periodieke BTW-aangifte op te nemen. Daar wordt zelfs niets van af gedaan door het feit dat de belastingplichtige dat bedrag dat ze zelf als BTW aanmerkte, daadwerkelijk betaald heeft aan de BVBA **F. L.**.

Terecht laat de appellant immers gelden dat, om het recht van aftrek van BTW te kunnen uitoefenen, de belastingplichtige een factuur had moeten kunnen voorleggen die voldoet aan de vereisten vermeld in [artikel 5, § 1 van KB nr. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca). ([art. 3, § 1, 1° KB nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd)). Het bedrag dat de belastingplichtige aan de BVBA **F. L.** betaalde, had - bij gebrek aan een dergelijke factuur - niet het karakter van BTW of toch zeker niet van aftrekbare BTW. Het BTW-stelsel, gekenmerkt door de neutraliteit, veronderstelt immers dat er slechts aftrekbare BTW is in zoverre de leverancier of dienstverlener een factuur heeft uitgereikt op grond waarvan die leverancier of dienstverlener een schuld heeft jegens de Schatkist. Alleen wanneer een dergelijke schuld jegens de Schatkist bestaat (gecreëerd is), kan het recht op aftrek worden uitgeoefend.

Het systeem toelaten dat de belastingplichtige heeft toegepast, zou de poort openzetten voor talrijke misbruiken. Nu heeft de belastingplichtige immers aanzienlijke bedragen aan BTW afgetrokken ten nadele van de Schatkist, terwijl de Schatkist die BTW nooit ontvangen had.

Hoewel de overeenkomst de belastingplichtige geenszins verplichtte tot betaling (zie hoger), heeft zij dat wel gedaan. Wilde de belastingplichtige een reglementaire boekhouding opmaken én een getrouw beeld geven aan haar jaarrekening, dan had zij de vergoedingen die ze op basis van de overeenkomst van 30 september 2000 betaalde, moeten boeken enerzijds als kost en anderzijds op de post 'te ontvangen facturen', dit alles zonder BTW. Op die manier kon ze ook een aanslag op geheime commissielonen vermijden.

Tegen de geschetste juridische achtergrond is het zonder relevantie dat de medecontractant, de BVBA **F. L.**, in een gerechtelijke procedure veroordeeld werd (al dan niet definitief) tot betaling van de BTW op de in de hoger geciteerde overeenkomst bedongen vergoedingen, met name met toepassing van het (ondertussen opgeheven) 3de lid van artikel 22, § 2 W.BTW.

Uit het voorgelegde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 17 februari 2009 blijkt dat die veroordeling inderdaad op die subsidiaire grond van opeisbaarheid van de BTW gesteund is, waarbij een onderscheid gemaakt werd tussen de verschuldigdheid van de vergoeding en verbintenis tot effectieve uitbetaling. Afgezien van de vraag of dit een eindoordeel is dan wel of er hoger beroep werd aangetekend en of het werd hervormd en/of reden tot hervorming bestaat, kan de eventuele veroordeling van de medecontractant van de belastingplichtige geen enkele afbreuk doen aan de hoger gedane vaststelling dat de belastingplichtige niet in de voorwaarden was om de betreffende btw af te trekken.

Van dubbele belasting is alvast geen sprake vermits het om twee verschillende belastingplichtigen gaat.

Er kan ook geen gezag van gewijsde zijn van de eventuele definitieve uitspraak jegens de medecontractant, vermits niet voldaan is aan de vereiste dat de vordering op dezelfde oorzaak berust en tussen dezelfde partijen bestaat (art. 23 Ger.W.).

Deze grief van het incidenteel hoger beroep is dus ongegrond.

*3.2.* *M.b.t. de ingeroepen inbreuk op de artikelen 53 en 53octies W.BTW­ omzetverhoging wegens niet ingeschreven verkoopfactuur - incidenteel hoger beroep*

Het is onbetwist dat de belastingplichtige haar uitgaande factuur 81 van 31 december 2001 voor een bedrag van … frank (… euro) meer … frank (… euro) btw niet had opgenomen in de periodieke BTW­aangifte van het vierde kwartaal 2001.

De geïntimeerden roepen in dat de belastingplichtige op 16 oktober 2003 heeft meegedeeld aan de taxatieambtenaar dat de betrokken nalatigheid werd rechtgezet in de aangifte van juli 2003. Dat zou ook voordien, namelijk tijdens de controle ter plaatse op 25 september 2003, al zijn meegedeeld.

Door met die rechtzetting geen rekening te houden, zo stellen de geïntimeerden, schendt de appellant het beginsel *'non bis in idem*', met name door tweemaal de BTW op dezelfde factuur te innen.

De stelling van de geïntimeerden zou bevestigd worden door de lijst 860 - jaarlijkse opgave van de aangiften - jaar 2003.

### Beoordeling

De BTW is krachtens artikel 22, § 2, 2de lid W.BTW opeisbaar naar aanleiding van het uitreiken van een factuur met vermelding van btw. De betreffende BTW was dus opeisbaar vanaf 31 december 2001. Krachtens [artikel 53, § 1, 2° en 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) en de artikelen [18 e.v.](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) KB nr. 1 had de belastingplichtige de wettelijke verplichting om die btw enerzijds op te nemen in de BTW-aangifte voor het vierde kwartaal 2001, uiterlijk op 20 januari 2002 in te dienen en anderzijds om die btw tegen diezelfde datum te voldoen. Vanaf 21 januari 2002 was interest op dat bedrag verschuldigd krachtens artikel 91, § 1, 1° W.BTW.

Alle andere overwegingen die de geïntimeerden maken, kunnen niet veranderen dat de belastingplichtige de in het proces-verbaal van 24 november 2003 vermelde inbreuk tegen de artikelen 53 en 53octies W.BTW heeft begaan. De inbreuk is dan ook terecht aangenomen. De latere regularisatie kan daaraan niets veranderen. Bovendien blijkt niet dat de regularisatie al zou zijn uitgevoerd vóór het opstarten van de betreffende BTW-controle, namelijk toen op 8 september 2003 de controle werd aangekondigd en zelfs niet op het moment van de uitvoering van de controle.

Verder moet de appellant in zijn standpunt worden bijgetreden dat de geïntimeerden met hun stuk 11 niet bewijzen dat de omzet aangegeven in het derde kwartaal 2003 in feite de rechtzetting vormt van prestaties van 2001, terwijl uit dat stuk 11 zelfs blijkt dat de boekhoudkundige omzet in 2003 hoger was dan de omzet die voor die zelfde periode met betrekking tot de BTW werd aangegeven. Indien, zoals de geïntimeerden aanvoeren, de belastingplichtige in 2003 voor de BTW een correctie zou doorgevoerd hebben door de omzet van 2001 aan te geven, dan moest eerder verwacht worden dat de omzet inzake btw hoger was dan deze vermeld in de boekhouding.

Ook deze grief is dus ongegrond.

3.3. *M.b.t. de ingeroepen inbreuk op de artikelen 77, § 1 en 79 W.BTW - terug te storten btw op niet-ingeschreven verbeterende stukken (creditnota's) - principaal hoger beroep*

Het is onbetwist dat in de boekhouding van de belastingplichtige vier creditnota's niet waren ingeboekt, namelijk een creditnota uitgeschreven op 31 maart 2001 door de veg **D. L.** en drie creditnota's uitgeschreven op 28 september 2001 en 30 november 2001 door de BVBA **F. L.**.

Hoewel de belastingplichtige steeds heeft volgehouden dat ze de creditnota's nooit heeft ontvangen en dus niet kon inschrijven en dus ook de BTW niet kon afdragen aan de Schatkist, heeft de taxatieambtenaar de BTW als terug te storten btw aangemerkt.

De appellant roept in dat de uitreikers van de creditnota's, twee bedrijven geleid door de broer van de tweede (is ook de eerste) geïntimeerde, die creditnota's hebben opgemaakt en ingeschreven en verwerkt in hun boekhouding, zodat vast zou staan dat de creditnota's door de belastingplichtige werden ontvangen.

Dat het bestaan van de creditnota's werd vastgesteld, zou de verplichting meebrengen voor de belastingplichtige om de BTW terug te storten. Het zou volstaan dat de creditnota's bij de uitreikers ervan in de boekhouding werden ingeschreven.

De eerste rechter zou ten onrechte uit het feit dat niet afdoende bewezen is dat de belastingplichtige de creditnota's ontving, hebben afgeleid dat de belastingplichtige er geen weet van had zodat er geen verplichting zou bestaan hebben om de btw terug te storten. De geïntimeerden zouden volgens de appellant evenwel moeten bewijzen dat de oorspronkelijke facturen geen voorwerp van annulering zijn geweest door de medecontractant en dat die facturen dus effectief betaald werden aan die medecontractanten.

### Beoordeling

De vraag of de belastingplichtige de BTW die op de creditnota's vermeld werd, moest terugbetalen, is, anders dan de eerste rechter aannam, niet afhankelijk van het bewijs door de belastingadministratie dat de belastingplichtige in het bezit werd gesteld van de creditnota's. Terecht wijst de appellant op de cruciale vraag, namelijk te weten of de oorspronkelijke facturatie in werkelijkheid behouden werd of niet. Zelfs zonder in het bezit te zijn van de creditnota's, kon de belastingplichtige de terugstorting van de BTW niet ontgaan in het geval er in werkelijkheid geen onderliggende prestaties waren geleverd, feit waarvan de belastingplichtige trouwens geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest. Er kunnen zich twee scenario's hebben voorgedaan : ofwel werden de gecrediteerde facturen nooit betaald ofwel werd de al uitgevoerde betaling terugbetaald.

In het eerste geval heeft de belastingplichtige de btw nooit uit haar patrimonium zien verdwijnen, maar op basis van de aanvankelijk ontvangen, naderhand gecrediteerde factuur, heeft ze de BTW wel in aftrek genomen; de belastingplichtige moest dus aanvaarden dat de ten onrechte afgetrokken BTW moet worden terugbetaald; dat is een objectief gegeven en de enige correcte werkwijze, anders zou de belastingplichtige zich ten onrechte hebben verrijkt; hoogstens zou ze het opleggen van een boete in dat verband kunnen betwisten, met name omdat het bewijs niet voorligt dat de belastingplichtige over de nodige documenten beschikte om de btw terug te storten en daarvoor de nodige boekingen te doen.

In het tweede geval heeft de belastingplichtige aanvankelijk de BTW wel betaald, maar kreeg ze die door de leverancier terug naar aanleiding van het opmaken van de creditnota. Ook hier geeft dat als resultaat dat de BTW per saldo niet door de belastingplichtige gedragen werd, maar dat de belastingplichtige wel de BTW op de aanvankelijk betaalde factuur in aftrek nam, zodat de enige correcte gevolgtrekking is dat ze die BTW aan de Schatkist moet terugbetalen bij wijze van naheffing.

Het bestaan van die verplichting tot terugbetaling, wordt niet beïnvloed door de vraag of de belastingplichtige bewust de creditnota's negeerde of niet, en dus evenmin door de vraag of bewezen is of de creditnota's aan de belastingplichtige werden overgemaakt.

Vermits niet betwist is dat de oorspronkelijke factuur (want de onderliggende verbintenis) geannuleerd werd, is de BTW op de creditnota's zonder meer verschuldigd.

Het principaal hoger beroep is dus wat dat betreft gegrond.

3.4. *M.b.t. de opgelegde administratieve boeten -principaal en incidenteel hoger beroep*

Er werd in het dwangbevel voor elke overtreding een boete van (slechts) 10 % opgelegd.

De geïntimeerden vragen kwijtschelding, wat de appellant integraal betwist.

Alleen met betrekking tot de boete wegens niet betaling van de BTW op de vier creditnota's moet aan de belastingplichtige het voordeel van de twijfel worden toegekend: vermits niet objectief en afdoende bewezen is dat de belastingplichtige de creditnota's werkelijk ontving en dus dat zij de documenten in handen had om in het tijdvak waarvoor ze waren opgemaakt de BTW-schuld te boeken en aan te geven, is een boete niet aangewezen. In het oordeel van de eerste rechter was de boete weggevallen omdat de schuld ten gronde wegviel. De boete blijft onverschuldigd; voor dat deel is het principaal hoger beroep ongegrond.

Voor het overige ziet het hof geen reden om de boete te laten vallen en is het incidenteel hoger beroep op dat vlak ongegrond.

Met betrekking tot de boete wegens ten onrechte aftrek van voorbelasting beroepen de geïntimeerden zich ten onrechte op een principiële discussie op basis van de interpretatie van de wettekst. De toepasselijke wetsbepalingen zijn overduidelijk : het recht van aftrek van voorbelasting kon niet zonder factuur.

Hoger is gebleken dat niet bewezen is dat de niet-inschrijving van de verkoopfactuur nr. 81 zou zijn rechtgezet en zeker niet vóór de start van de controlewerkzaamheden.

## 4. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moet de appellant één tiende en moeten de geïntimeerden negen tienden dragen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Indien de partijen elk voor een deel in het ongelijk gesteld worden, wordt aan elk van hen een rechtsplegingsvergoeding toegekend en wordt deze onderling tussen hen verdeeld volgens de vastgestelde verhouding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk voor de eerste aanleg en dat van … euro voor het hoger beroep (indexatie op 1 maart 2011).

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk;

verklaart het principaal hoger beroep gedeeltelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond;

vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de geïntimeerden ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de geïntimeerden gedeeltelijk gegrond;

zegt voor recht dat het dwangbevel van 4 december 2003, uitgevaardigd ten nadele van de CV **L. F.** & Co **C.** onder RCIV-nummer … en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 december 2003, ongegrond en zonder rechtsgevolgen blijft voor wat betreft de daarin opgelegde boete wegens niet-storting van BTW op creditnota's, boete gelijk aan … euro en … cent (… EUR), meer de daarop aangerekende interest;

beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriuminterest.

veroordeelt de appellant tot het dragen van een tiende en de geïntimeerden tot het dragen van negen tienden van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerden :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **TWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN TWAALF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en D. V., Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Textes cités

5

[AR no 3 art. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-article-historique-e9dd) 4 occurrences

[AR no 1 art. 5](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-c6ca) 2 occurrences

[AR no 1 art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) 1 occurrence

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 1 occurrence

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 5 dispositions communes

[Droit de déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-mise-disposition-garages-tribunal-bruxelles-2025-03-17-9c4f) 5 dispositions communes

[Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2011-06-10-cf98) 5 dispositions communes

[Champ d'application, service, opération imposable](https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-louvain-2007-06-15-d3d2) 5 dispositions communes

[Droit à déduction, Factures de sous-traitance imprécises et irrégulières](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-sous-traitance-tribunal-bruxelles-2023-06-09-23dd) 4 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-conditions-formelles-materielles-tribunal-2023-05-19-3638) 4 dispositions communes

[Droit à déduction, Charge de la preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-charge-preuve-etendue-tribunal-bruxelles-2025-07-03-3d32) 4 dispositions communes

[Transport, Créances, Refus de déduction de TVA](https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-creances-refus-deduction-tva-tribunal-2026-03-02-5220) 4 dispositions communes
