---
title: "Demande de remboursement, Principe de neutralité · Tribunal de première instance de Gand, 14 janvier 2025"
description: "Demande de remboursement, Principe de neutralité. Tribunal de première instance de Gand (Belgique), 14 janvier 2025."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/demande-remboursement-principe-neutralite-competence-tribunal-gand-2025-01-14-4e7e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Demande de remboursement, Principe de neutralité · TVA - Demande de remboursement - Principe de neutralité - Compétence du tribunal pour apprécier l'exonération des intérêts

**Juridiction**

Tribunal de première instance

**Siège**

Gand

**Date**

14 janvier 2025

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

138 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance du Gand du 14.01.2025 (Rôle 22/1771/A)

503-15-22/044403

\[ Jugement favorable \]

*Demande de remboursement - Principe de neutralité - Compétence du tribunal pour apprécier l'exonération des intérêts*

## Résumé du jugement

La société BV Transportlease fait partie d’un groupe de sociétés belges et étrangères. Selon l’AABBI, le siège de l’activité économique des sociétés étrangères était en réalité établi en Belgique. Dès lors, la TVA belge était due sur les prestations (période 2008 – mars 2011) fournies par Transportlease à la société sœur bulgare. Le mécanisme d’autoliquidation a été appliqué à tort, ce qui a généré artificiellement des crédits de TVA élevés. La position de l’administration a été confirmée par un arrêt de la cour d’appel de Gand.

À partir de janvier 2012, après le contrôle de l’AABBI, les mêmes prestations ont été facturées à la société sœur belge, Manutra, qui les a ensuite refacturées à la société bulgare. L’administration a estimé que le flux de facturation vers Manutra était fictif et que Manutra ne jouait qu’un rôle d’intermédiaire artificiel, inséré dans le seul but de transférer les crédits de TVA vers cette société. Le droit à déduction de la TVA sur les factures entrantes de Transportlease a été refusé à Manutra, l’opération ayant été mise en place dans le cadre d’un abus de droit. Cette position a également été confirmée par la cour d’appel de Gand.

Transportlease a inscrit à titre préventif le montant de la TVA due et versée relative aux prestations à Manutra dans la grille 62 de sa déclaration de novembre 2015. Selon Transportlease, si les prestations à Manutra étaient fictives, la TVA afférente ne serait pas due. L’administration a toutefois considéré que cette TVA était bel et bien exigible, la réalité des prestations n’ayant pas été remise en cause. La demande de remboursement a donc été rejetée.

Selon Transportlease, ce rejet viole le principe de neutralité : puisque le droit à déduction a été définitivement refusé à Manutra, sa propre demande de remboursement devrait être acceptée. À défaut, la TVA serait perçue deux fois.

Le tribunal ne suit pas la position de Transportlease : seule l’identité du véritable preneur des prestations est contestée, non la réalité des prestations effectuées. Il ne s’agit donc pas de prestations fictives, mais de l’émission de fausses factures sur lesquelles la TVA a été mentionnée et reste donc due. La TVA versée par la demanderesse ne dépasse pas le montant réellement dû.

L’amende de 10 % sur l’impôt dû est maintenue ; elle est légale et proportionnée aux infractions commises par Transportlease.

Transportlease soutient encore qu’il n’existe aucune base légale pour réclamer des intérêts de retard, puisqu’il ne s’agit pas d’un paiement tardif de la TVA, mais de l’exercice du droit au remboursement. En outre, le tribunal disposerait du pouvoir d’annuler ces intérêts. À tout le moins, un sursis à leur recouvrement devrait être accordé.

Le tribunal estime qu’il existe bien une base légale pour réclamer les intérêts : la demanderesse a exercé de manière prématurée en novembre 2015 un prétendu droit au remboursement, avec l’intention réelle de récupérer ce montant, ce qui a été empêché par l’existence fortuite d’une autre dette à son égard, ayant conduit à l’établissement d’un acte de retenue et à l’absence de remboursement effectif. Après l’arrêt définitif de la cour concernant Manutra, Transportlease n’a pas corrigé sa facturation initiale ni émis de factures à l’attention du véritable preneur. Les intérêts sont donc dus à partir du 21 décembre 2015.

Enfin, le juge confirme qu’il n’existe aucun droit subjectif à la réduction ou à l’exonération des intérêts. Il s’agit d’un pouvoir discrétionnaire du conseiller général. Le tribunal ne dispose pas d’une compétence juridictionnelle pleine et ne peut se substituer à l’administration pour exercer son pouvoir d’appréciation.

**Texte intégral :**

**Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.**

### Corps de la décision

**Vonnis van de Rechtbank eerste aanleg van Gent d.d. 14.01.2025**

**A.R. 22/1770/A**

IN DE ZAAK VAN:

**T. BV,** in faling, ON …, met zetel te …,

eiseres, niet verschenen en niet vertegenwoordigd,

TEGEN:

De **BELGISCHE STAAT,** FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer Adviseur-Generaal van de bijzondere belastinginspectie, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6 bus 803 te 9050 Gent (Ledeberg), op vervolging en benaarstiging van de Adviseur - Ontvanger van het Team Invorderingen Rechtspersonen Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Dr. André Sierensstraat 16, Bus 1,

verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.B. Ioco mr. C.D., advocaat te 9041 Gent, Orchideestraat 61A,

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1.**De rechtspleging.**

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van **10 december 2024** verweerder in zijn argumenten. Eiseres is niet verschenen noch iemand voor hen, ondanks regelmatige oproeping. De rechtbank sloot het debat en nam de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2.**De relevante feiten en de voorafgaande procedure.**

2.1.

Eiseres is sinds 1 mei 1993 als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van verhuur en lease van vrachtwagens en overige motorvoertuigen. Ze maakt deel uit van de T.-groep, die een reeks van vennootschappen werkzaam in de transportsector, bestaande uit zowel Belgische vennootschappen als vennootschappen met een officiële maatschappelijke zetel in het buitenland, waaronder Bulgarije.

2.2.

De administratie heeft m.b.t. de buitenlandse vennootschappen van de groep (B. Ltd. in Bulgarije en SRL DW in Italië) de stelling ingenomen dat deze in werkelijkheid vanuit België werden bestuurd en dat de werkelijke zetel van economische activiteit in België en niet in het buitenland moet worden gesitueerd. Dit had volgens de administratie tot gevolg dat de prestaties die door de Belgische leden van de groep, waaronder eiseres, voor de buitenlandse vennootschappen werden verricht, niet met verlegging van de heffing van de BTW mochten worden gefactureerd, maar dat Belgische BTW op de facturen diende te worden aangerekend en door de Belgische vennootschappen, waaronder eiseres, moest worden voldaan.

Het standpunt van de administratie werd door eiseres betwist. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, bevestigde de door verweerder ingenomen stelling in haar vonnis van 1 april 2022. Tegen dit vonnis werd door eiseres hoger beroep aangetekend. Bij arrest van 9 januari 2024 verklaarde het hof van beroep te Gent dit hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Het hierboven vermelde geschil had betrekking op facturen die eiseres m.b.t. de door haar verrichte leasingprestaties in de periode van 1 januari 2008 tot 31 maart 2011 met verlegging van de heffing van de BTW aan B. Ltd (de Bulgaarse vennootschap binnen de groep) had uitgereikt.

2.3.

Vanaf 1 januari 2012 tot 30 juni 2012 reikte eiseres m.b.t. de door haar verrichte leasingprestaties facturen uit aan een verbonden Belgische vennootschap, M. BV. De totale maatstaf van heffing bedroeg 177.399,05 € en de totale verschuldigde BTW was 37.253,80 €. Eiseres nam het bedrag aan BTW in haar periodieke aangiften op en betaalde het aan de Schatkist.

Bij een controle van de boekhouding van M. BV stelde de administratie vast dat deze vennootschap uitgaande verrichtingen had aangegeven en BTW in aftrek had gebracht op de inkomende verrichtingen o.a. vanwege eiseres, die niet overeenstemden met de economische realiteit. Volgens de administratie was de facturatiestroom naar en van M. BV vals en kaderde deze enkel in een constructie die was opgezet met misbruik van recht. De administratie was van oordeel dat M. BV niet de werkelijke afnemer van de gefactureerde prestaties was, maar enkel fungeerde als een papieren tussenschakel in het kader van een organisatieschema dat door de T.-groep met frauduleuze bedoelingen was opgezet. De administratie besloot aldus dat de facturatie- en geldstroom op kunstmatige wijze afweek van de dienstenstroom.

De administratie maakte op 17 juni 2015 lastens M. BV een proces-verbaal op waarbij haar het recht op aftrek van de BTW vermeld op de valse facturen werd ontzegd wegens misbruik van BTW-recht. De administratie betwistte echter niet dat de o.a. door eiseres gefactureerde prestaties daadwerkelijk werden verricht, het weze voor een andere afnemer dan M. BV.

Voornoemd proces-verbaal d.d. 17 juni 2015 gaf aanleiding tot een gerechtelijke procedure die definitief werd beslecht middels een arrest dd. 22 mei 2018 van het hof van beroep te Gent, waarbij de administratie in het gelijk werd gesteld.

2.4.

Eiseres nam, ingevolge de lastens M. BV gestelde vordering, preventief in haar periodieke aangifte van november 2015 een bedrag van 37.253,80 € in rooster 62 van de aangifte op. Het rooster 62 van de aangifte is bestemd voor de inschrijving van "diverse BTW-regularisaties in het voordeel van de aangever", waaronder het bedrag van de belasting waarvan de aangever teruggaaf kan verkrijgen. Na verrekening met het bedrag van de voor november 2015 verschuldigde BTW, resulteerde deze aangifte in een BTW-tegoed van 35.966 €.

Op 22 december 2015 verzocht eiseres om de teruggaaf van dit bedrag om haar rechten te vrijwaren in afwachting van de gerechtelijke uitspraak over het proces-verbaal dat lastens M. BV werd opgemaakt. Indien het recht op aftrek in hoofde van M. BV zou worden verworpen omdat er sprake zou zijn van fictieve handelingen, impliceerde dit volgens eiseres dat er door haar geen BTW over deze transacties verschuldigd was.

De administratie wees dit verzoek van eiseres af. Op grond van de gecombineerde toepassing van artikel 51, § 1, 30, artikel 1, § 10 en [artikel 64, § 1 en 2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64), kwam de administratie tot het besluit dat eiseres de BTW op de door haar geleverde prestaties wel degelijk verschuldigd was. Het bedrag van 37.253,80 € werd volgens de administratie ten onrechte in het rooster 62 van de BTW-aangifte opgenomen en moet aan de Belgische Staat worden teruggestort.

Op 7 november 2018 maakte de administratie een correctieopgave op, die eiseres niet voor akkoord wilde ondertekenen. Bijgevolg werd op 24 november 2018 een proces-verbaal opgemaakt, waarin de volgende bedragen werden gevorderd:

 37.253 € BTW,

 3.720 € wettelijke boete en

 interesten overeenkomstig [artikel 91, § 1, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) per maand vertraging te rekenen over het bedrag van de verschuldigde BTW afgerond naar het lagere tiental vanaf 21 december 2015.

Het proces-verbaal werd bij aangetekend schrijven dd. 26 november 2018 aan eiseres ter kennis gebracht.

Op 30 november 2018 ondertekende eiseres een afstand van de verlopen tijd van de verjaring.

Op 25 mei 2021 werd de schuld onder het nummer 202105NL018 ingeschreven in het innings- en invorderingsregister. Het register werd vervolgens op 28 mei 2021 uitvoerbaar verklaard en op 28 mei 2021 aan eiseres ter kennis gebracht.

Bij gebrek aan betaling werd het innings- en invorderingsregister op 2 juni 2022 aan eiseres betekend.

Eiseres maakte de zaak bij deze rechtbank aanhangig door op 19 juli 2022 een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neer te leggen.

**3.** **De vorderingen van de partijen.**

**Eiseres** vraagt in haar Iaatste besluiten aan de rechtbank om:

*De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*Het proces-verbaal van regularisatie dan wel de erin vervatte vordering ten titel van belasting over de toegevoegde waarde, verhogingen en interesten, vanwege verweerster, opgesteld op 24 november 2018 door mevrouw An GORDIER, adviseur, betreffende de gecontroleerde periode november 2015, met verschuldigde BTW ten bedrage van 37.253,80 EUR en een proportionele geldboete ten bedrage van 3.720,00 EUR, interesten in meer, te vernietigen, minstens te ontheffen;*

*De opname van de schuld met schuldnummer 500204542155 in het innings- en invorderingsregister, opgemaakt op 25 mei 2021, uitvoerbaar verklaard op 28 mei 2021 en gekend onder het registernummer 202105NL018 te vernietigen, minstens te ontheffen;*

*Dienvolgens te horen zeggen voor recht dat concluante de middels voormeld proces-verbaal en middels voormelde opname van schuld in het innings- en invorderingsregister gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerster te horen veroordelen om alle ten onrechte betaalde, ingehouden en/of op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan concluante terug te betalen, meer de moratoriuminteresten;*

*En tot slot, verweerster te veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, daarin begrepen het betaalde bedrag aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding, thans begroot op 3.500,00 EUR cfr. artikel 1022 Ger.W juncto het KB d.d. 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007), en zoals van toepassing vanaf 1 maart 2023.*

**Verweerder** vraagt in zijn Iaatste besluiten aan de rechtbank om:

*Het verzet door eiseres ingesteld bij middel van tegensprekelijk verzoekschrift van 19 juli 2022 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren,*

*Dienvolgens de vordering van de administratie met referte 500204542155, zoals opgenomen in het in het innings- en invorderingsregister dd.25 mei 2021 met nummer 202105NL018, uitvoerbaar verklaard op 28 mei 2021, te bevestigen als zijnde terecht gevorderd;*

*Eiseres te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen:*

*-* *37.253,80 euro aan BTW*

*-* *3.720,00 euro aan proportionele boete*

\- vermeerderd met de interesten op het bedrag van de verschuldigde BTW afgerond tot het lager tiental te rekenen vanaf 21 december 2015 ([artikel 91, §1, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)) en de moratoire interesten op het bedrag van de boete te rekenen vanaf de uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister ([artikel 91, § 2bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91)) en de kosten,

Tot slot, eiseres te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aan zijde van verweerster begroot op 3.500,00 EUR (bedrag voorzien voor vorderingen meer dan 40.000,01 euro en minder dan 60.001 euro).

**4.** **De betwistingen en hun beoordeling door de rechtbank.**

4.1. Over het eerste middel van eiseres: "het verzoek tot teruggaaf wordt ten onrechte

geweigerd door verweerster".

4.1.1.

Eiseres reikte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2011 facturen m.b.t. de leasing van vrachtwagens en trailers uit aan B. Ltd., een Bulgaarse vennootschap deel uitmakend van de T.-groep, waartoe eiseres eveneens behoort. De administratie beschouwde deze werkwijze frauduleus, een standpunt dat door deze rechtbank en het hof van beroep te Gent werd bijgetreden (zie hoger randnummer 2.2).

Van zodra eiseres kennis nam van het fraudeonderzoek m.b.t. de facturen aan B. Ltd, schoof eiseres M. BV, een voorheen slapende vennootschap van de T.-groep, in de facturatiestroom tussen (zie hoger randnummer 2.3). Ook deze constructie werd door de administratie als frauduleus bestempeld. De administratie was van oordeel dat M. BV enkel te beschouwen was ais een vehikel om belastingkredieten te verschuiven. De doorfacturatie van hetgeen door eiseres aan M. BV werd gefactureerd was volgens de administratie louter artificieel, hetgeen volgens de administratie echter niet betekende dat eiseres deze prestaties niet zou hebben verricht, zoals zij deze ook in het verleden rechtstreeks voor B. Ltd had verricht. De administratie was dus van oordeel dat eiseres aan M. BV valse facturen had uitgereikt met een onjuiste vermelding van de afnemer van de dienst, maar stelde de werkelijkheid van de door eiseres gepresteerde leasingdiensten niet in vraag.

Volgens de administratie was er in de relatie tussen eiseres en M. BV sprake van misbruik van recht en moest op basis daarvan M. BV, ais louter artificiële tussenschakel in de facturatiestroom, genegeerd worden. En moest haar het recht op aftrek van de BTW op de door eiseres uitgereikte facturen worden ontzegd.

Net standpunt van de administratie werd door de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep te Gent gevolgd. In zijn arrest van 22 mei 2018 bevestigde het hof in eerste instantie dat de T.-groep met vennootschappen in verschillende landen binnen en buiten de EU, een constructie had opgezet om diensten te verrichten met een facturatie-en geldstroom die in belangrijke mate, op kunstmatige wijze, afweek van de diensten-

stroom. Dit met de bedoeling om kunstmatig hoge BTW-tegoeden te creëren en belastbare winst, zonder heffing van de vennootschapsbelasting, naar een belasting-paradijs te versluizen. Het hof stelde dat dit opzet werd bereikt door doorfacturatie van alle in België gemaakte kosten in verband met de transportactiviteit aan uiteindelijk een buitenlandse vennootschap, aanvankelijk zonder, maar na verloop van tijd via een Belgische tussenvennootschap, met name M. BV.

Essentieel was dat de positie en bestaansreden van M. BV uitsluitend zijn oorzaak vond in de bedoeling om een kunstmatige afwijkende stroom te kunnen opzetten.

Het hof kwam tot het besluit dat om dezelfde prestaties te kunnen leveren de omweg van geld- en facturatiestroom ais dusdanig niet nodig was en dat er wel degelijk misbruik in het spel was, met het doel fiscale voordelen te behalen.

M. BV voerde voor het hof aan dat zij in die omstandigheden ten onrechte BTW had betaald aan eiseres en dat eiseres aldus ten onrechte die BTW aan de Schatkist had doorgestort. Door enerzijds aan M. BV het recht op aftrek te ontzeggen en anderzijds de verschuldigde BTW op de door eiseres uitgereikte facturen te vorderen, zou de administratie volgens eiseres ten onrechte de BTW twee maal invorderen.

Het hof antwoordde hierop dat, ingevolge de vaststelling van misbruik van recht, van de ingeschakelde tussenvennootschappen, zoals M. BV, abstractie moest worden gemaakt en dat de doorgevoerde transacties moesten genegeerd en geherdefinieerd worden, in die zin dat de situatie zoals ze zou zijn geweest zonder de handelingen die het misbruik vormen, moest worden hersteld. Het hof oordeelde dat het bij de correctie niet van belang was wie van de bij het misbruik betrokken partijen een bepaalde handeling in het kader van het misbruik heeft verricht, noch wie van het beoogde belastingvoordeel heeft geprofiteerd en in welke mate. Volgens het hof kon de administratie tegen die achtergrond wel degelijk de BTW navorderen, verschuldigd op de werkelijke transacties die zouden hebben plaatsgevonden ais er geen misbruik was geweest. Het hof wees erop dat, in geval van misbruik van recht, het ontzeggen van het recht op aftrek geen schending uitmaakt van het neutraliteitsbeginsel, zelfs wanneer er geen gevaar is voor verlies van belastinginkomsten omdat de leverancier/dienstverrichter de BTW over de gepresteerde handeling heeft voldaan.

4.1.2.

Eiseres beroept zich in deze procedure opnieuw op een schending van het neutraliteitsbeginsel. Zij stelt dat het ontzeggen van het recht op BTW-aftrek in hoofde van M. BV onlosmakelijk verband houdt met het al dan niet weigeren van het recht op BTW-teruggaaf in haren hoofde. Doordat het recht op BTW-aftrek in hoofde van M. BV uiteindelijk definitief werd geweigerd, dient het verzoek tot teruggaaf volgens eiseres te worden toegekend. In ontkennend geval zou de fiscale administratie twee maal de BTW invorderen, namelijk via de verwerping van het recht op aftrek enerzijds en door de betaling van de BTW door eisers anderzijds. Bijgevolg dient het bestreden proces-verbaal

volgens eiseres te worden vernietigd en dient het verzoek tot BTW-teruggaaf ten belope van het bedrag 37.253,80 € te worden toegekend.

4.1.3.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet en benadrukt dat de werkelijkheid van de door eiseres geleverde leasingprestaties niet wordt betwist. Alleen werden deze prestaties in werkelijkheid niet aan M. BV geleverd, maar aan een andere afnemer. Het gaat m.a.w. niet om fictieve prestaties maar om het uitreiken van valse facturen, die onjuiste vermeldingen bevatten ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen. Meer bepaald gaat het om een onjuiste vermelding m.b.t. de identiteit van de afnemer van de dienst.

Door het tussenschuiven van M. BV als louter artificiële schakel in de facturatiestroom werd, zoals uitvoerig uiteengezet in het hierboven vermelde arrest van het hof van beroep te Gent, misbruik gemaakt van BTW-recht, met de uitsluitende bedoeling ongeoorloofde fiscale voordelen te verkrijgen.

Aangezien echter de prestaties wel degelijk door eiseres werden verricht en zij op de door haar uitgereikte facturen de Belgische BTW had vermeld, blijft deze, overeenkomstig [artikel 51, § 1, 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) wel degelijk verschuldigd.

De rechtbank herhaalt dat partijen niet betwisten dat de gefactureerde prestaties effectief werden verricht. Op grond van het wettelijk vermoeden van [artikel 64, § 1 en 2 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) worden deze diensten, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn verricht onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. In die omstandigheden is de BTW verschuldigd geworden.

Het neutraliteitsbeginsel is in casu niet geschonden. De door eiseres doorgestorte BTW gaat het bedrag van de wettelijk verschuldigde BTW niet te boven. De administratie heeft dan ook terecht de bedragen die eiseres ter vrijwaring van haar rechten had opgenomen in het rooster 62 van haar BTW-aangifte van november 2015, middels het proces-verbaal van 24 november 2018 teruggevorderd.

Dit middel van eiseres wordt afgewezen.

4.2. Over het tweede middel van eiseres in ondergeschikte orde: "kwijtscheldinq proportionele qeldboete en vrijstelling nalatigheidsintresten".

Aan eiseres werd op grond van [artikel 70, § 1, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) een proportionele administratieve geldboete van 3.720 € opgelegd, namelijk van 10 % van de verschuldigde belasting.

Eiseres meent dat deze boete onevenredig is in verhouding met de vermeende inbreuk en benadrukt dat haar geen kwade trouw kan worden verweten. Zij verwijst in dat verband naar het schrijven dat zij aan de bevoegde BTW-controle heeft gericht, waarin zij haar verzoek tot teruggaaf heeft gemotiveerd.

Zoals hierboven reeds werd uiteengezet, was eiseres betrokken bij het opzetten van een artificiële constructie, waarbij de inschakeling van M. BV niet nodig was om haar vervoerdiensten uit te voeren en die er uitsluitend op gericht was een fiscaal voordeel te behalen, meer bepaald door de kunstmatige creatie van te hoge BTW-tegoeden. Eiseres was dus onmiskenbaar betrokken bij het opzetten van een systeem dat misbruik van BTW-recht uitmaakt.

Uit de chronologie van de feiten blijkt dat eiseres oorspronkelijk rechtstreeks factureerde aan de buitenlandse vennootschappen met verlegging van de heffing en pas overging tot het inschakelen van een voorheen slapende vennootschap nadat de administratie het frauduleus karakter van de werkwijze binnen de T.-groep aan de kaak had gesteld. De inschakeling van M. BV in de facturatie- en geldstroom is op initiatief van eiseres gebeurd.

Dat eiseres reeds in november 2015 heeft gepoogd haar rechten te vrijwaren door in afwachting van de gerechtelijke uitspraak over het proces-verbaal lastens M. BV de op haar facturen aangerekende en voldane BTW te recupereren via rooster 62 van haar aangifte, maakt op zich geen misbruik, noch fraude uit. Zoals hierboven werd aangetoond was eiseres zich er wel van bewust dat zij door haar handelswijze deelnam aan misbruik, minstens misbruik in hoofde van M. BV mogelijk maakte. Net als immers eiseres die het initiatief nam om M. BV als tussenschakel te gebruiken.

Bovendien is het zo dat eiseres heel goed wist dat zij de leasingdiensten wel degelijk had gepresteerd en dat zij wist of moest weten dat de BTW daarop wettelijk verschuldigd bleef, ongeacht wie de werkelijke afnemer van de dienst was. Eiseres vermeldde immers de Belgische BTW op de uitgereikte facturen, zodat [artikel 51, § 1, 30 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) toepasselijk is. Eiseres heeft dus hoe dan ook een inbreuk gepleegd op haar verplichting de belasting te voldoen zodat de administratie terecht de verminderde boete wegens het niet voldoen van de belasting heeft opgelegd.

De rechtbank heeft de bevoegdheid om met voile rechtsmacht de opgelegde BTW-boete te beoordelen en kan nagaan of de opgelegde boete wettelijk en niet onevenredig is met de begane overtreding en of de belastingadministratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen ervan.

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boete van 10 % van de verschuldigde BTW wettelijk en evenredig is met de door eiseres begane inbreuken. Deze boete kon in redelijkheid door de administratie worden opgelegd.

Ook dit middel van eiseres is ongegrond.

4.3. Over het derde middel van eiseres in ondergeschikte orde: "vriistellinq nalatiqheidsintresten".

4.3.1.

Inzake de ingevorderde nalatigheidsinteresten voert eiseres aan dat daarvoor geen wettelijke basis is, aangezien het niet gaat om het niet tijdig voldoen van de BTW, maar over het uitoefenen van het recht op teruggaaf.

Daarnaast is eiseres van mening dat de rechterlijke macht de bevoegdheid heeft om nalatigheidsinteresten kwijt te schelden. In de rechtspraak werd reeds meermaals geoordeeld dat eens een fiscale rechter geldig is gevat, hij het voorgelegde geschil volledig kan oplossen. Ook het aspect van de nalatigheidsinteresten betreft een geschil betreffende de toepassing van de belastingwet, waarvoor de fiscale rechtbanken en hoven bevoegd zijn.

Indien de rechtbank toch zou oordelen dat nalatigheidsinteresten ingevorderd kunnen worden, verzoekt eiseres in subsidiaire orde uitstel van tenuitvoerlegging van de nalatigheidsinteresten.

4.3.2.

De rechtbank is van oordeel dat er wel degelijk een wettelijke basis is om nalatigheidsintresten te vorderen.

Eiseres stortte in eerste instantie de aangerekende BTW op de aan M. BV uitgereikte facturen aan de Schatkist door, maar vroeg deze BTW in haar periodieke aangifte van november 2015 via het rooster 62 terug, waardoor deze aangifte resulteerde in een bedrag van 35.966 € in haar voordeel. Na indiening van de aangifte van december 2015, beschikte eiseres per 31 januari 2016 nog over een BTW-tegoed van 35.685,37 euro, dat in principe voor teruggaaf in aanmerking kwam. Aangezien op dat ogenblik reeds een eerdere (betwiste) fiscale schuld lastens eiseres was vastgesteld ingevolge haar deelname aan het opgezette fraudesysteem binnen de T.-groep, werd niet tot effectieve teruggave overgegaan, maar werd een akte van inhouding opgemaakt. Deze inhouding geldt als een bewarend beslag onder derden.

Het feit dat het BTW-tegoed door de administratie ten bewarende titel in beslag werd genomen in het kader van een eerdere gevestigde en betwiste schuld, belet niet dat het wel degelijk de bedoeling van eiseres was dit bedrag effectief te recupereren en dat zij de verschuldigde BTW niet tijdig heeft voldaan. Was er op 31 januari 2016 in hoofde van eiseres geen BTW-schuld geweest, dan had eiseres het BTW-tegoed van 35.685,37 € effectief terug gekregen. De administratie stelde immers pas op 24 november 2018 vast dat eiseres via haar rooster 62 van de aangifte van november 2015 haar vermeend recht op teruggaaf had uitgeoefend en stelde pas dan daarvan een proces-verbaal op.

Nadat het hof van beroep te Gent definitief besliste dat er in de relatie tussen eiseres en M. BV wel degelijk misbruik in het spel was en dat M. BV niet als de werkelijke afnemer van de door eiseres gepresteerde diensten kon worden beschouwd, corrigeerde eiseres haar oorspronkelijke facturen niet en reikte zij geen facturen aan de werkelijke afnemer van de dienst uit.

[Artikel 91, § 1, 10 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) bepaalt dat een nalatigheidsinterest van 0,8 pct. per maand van rechtswege verschuldigd is wanneer de belasting niet voldaan is binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, § 1, eerste Iid, 30, 53ter, 20 en 53octies, is gesteld. Zoals hoger werd beslist, heeft eiseres een inbreuk gepleegd op haar verplichting tot tijdige voldoening van de verschuldigde BTW op de door haar aan M. BV uitgereikte facturen. [Artikel 91, § 1, WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) vormt dus wel degelijk de wettelijke basis voor het van rechtswege aanrekenen van een interest van 0,8 % per maand vertraging over het bedrag van de verschuldigde BTW (afgerond tot het lager tiental). Aangezien eiseres haar vermeend recht op teruggaaf heeft uitgeoefend in haar aangifte van november 2015, zijn de interesten verschuldigd vanaf 21 december 2015.

4.3.3.

M.b.t. de vraag van eiseres om de gevorderde intresten te verminderen of om uitstel van de tenuitvoerlegging ervan te verlenen, verwijst de rechtbank naar [artikel 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI). Dit artikel Iuidt als volgt:

ln bijzondere gevallen mag de adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen of zijn gemachtigde ambtenaar, onder de door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of een deel ervan verschuldigd op de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Dit artikel vervangt vanaf 1 januari 2020 het vroegere [artikel 84bis WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis) dat in een gelijkaardige regeling voorzag.

Deze wettelijke regeling houdt in dat er geen subjectief recht is op een kwijtschelding/vrijstelling van nalatigheidsinteresten. Deze mogelijkheid tot vrijstelling is een gunstmaatregel, die volgens de tekst van de wet enkel kan worden verleend door de bevoegde adviseur-generaal en onder de door hem bepaalde voorwaarden.

In het bijzonder moet de bevoegde adviseur-generaal het wettelijk begrip \`bijzonder geval' eerbiedigen, maar beschikt hij, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid (zie en vergelijk Cass. 10 januari 2014, rolnr. F.12.0081.F). Dit laatste houdt in dat de gewestelijke directeur over een beoordelingsvrijheid beschikt die het hem binnen de perken van de wet mogelijk maakt om zelf de wijze van uitoefening van zijn bevoegdheid te bepalen en de oplossing te kiezen die hem het meest geschikt voorkomt (zie en vergelijk Cass. 26 maart 2009, Pas. 2009, nr. 218).

Waar in de regel wordt aangenomen dat de fiscale rechter, gevat op grond van artikel 569, eerste Iid, 32°, Ger.W. en aldus geroepen met volstrekte bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, is die wetsbepaling nochtans niet relevant om de aard te bepalen van de bevoegdheid die de gewestelijke directeur (nu 'de adviseur-generaal') heeft om vrijstelling van nalatigheidsinterest te verlenen, noch, bijgevolg, om de omvang van het toezicht door de rechter op de uitoefening van die bevoegdheid vast te stellen. In het hoger genoemde arrest van 10 januari 2014 heeft het Hof van Cassatie om die reden het middel verworpen dat inhield dat "de wetgever, die de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid van voile rechtsmacht heeft verleend om zonder enige uitzondering of beperking te oordelen over de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, \[...\] die rechtbank in staat \[heeft\] willen stellen op de kwijtschelding van de verwijlinterest een toezicht van voile rechtsmacht uit te oefenen dat even uitgebreid is ais het toezicht indien de beslissing van de \[adviseur-generaal\] niet de uitdrukking van een discretionaire bevoegdheid zou zijn".

Het behoort niet aan de rechtbank om zich in de plaats te stellen van de bevoegde administratie en om de opportuniteit van haar beslissing te beoordelen. De rechtbank heeft geen voile rechtsmacht en kan niet in de plaats van de administratie treden om haar beoordelingsmacht uit te oefenen (zie en vergelijk RvSt 24 oktober 1990, FJF 1991, 401).

De bevoegdheid van de rechter is in dat verband beperkt tot een controle op de interne en externe wettigheid van de beslissingen van de administratie.

In zoverre eiseres de rechtbank vordert om "nalatigheidsintresten kwijt te schelden" of om "uitstel van tenuitvoerlegging van de nalatigheidsintresten" te verlenen, kan de rechtbank daar niet op ingaan. De rechtbank kan immers niets meer doen dan oordelen over de wettigheid van een beslissing van de adviseur-generaal' i.v.m. een verzoek om vrijstelling van nalatigheidsinterest. Dat houdt in dat zelfs na nietigverklaring (wegens gebeurlijke onwettigheid) de rechtbank niets meer zou kunnen dan vast te stellen dat de administratie een nieuwe beslissing moet nemen over het verzoek van eiseres tot kwijtschelding van de nalatigheidsinterest (zie en vergelijk Gent 28 maart 2023, rolnr. 2022/AR/159). In casu heeft eiseres geen dergelijk verzoek ingediend. Dit betekent dat de vordering van eiseres in ondergeschikte orde om de gevorderde intresten kwijt te schelden of om uitstel van de tenuitvoerlegging ervan te bevelen, niet kan worden ingegaan.

Ook dit onderdeel van de vordering van eiseres is ongegrond.

## 5. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten dragen.

Eiseres moet conform artikel 1022 juncto 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek, naast haar eigen kosten, de rechtsplegingsvergoeding dragen van verweerder die door een advocaat wordt vertegenwoordigd.

Indien geen procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, noch een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dan moet de rechter ambtshalve het, met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepalen (waarmee hij het algemeen rechtsbeginsel houdende de autonomie van de procespartijen in het civiele geding niet miskent, noch het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging, aangezien de procespartijen zich redelijkerwijze eraan mogen verwachten dat de rechter het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correct toepast (zie en vergelijk Cass. 16 januari 2023, rolnr. C.21.0193.F; Cass. 13 januari 2023, rolnr. C.22.0158.N; Cass. 3 maart 2023, rolnr. C.22.0258.N).

De waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W., situeert zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 €, zodat het geïndexeerd basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden vastgesteld op 3.750 €.

### Dispositif

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK,**

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding van deze aanleg, aan de zijde van verweerder bepaald op een rechtsplegingsvergoeding van 3.750 €.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag **14 januari 2025,** waar aanwezig waren:

De heer F.J., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw A.C., griffier.

### Note du SPF Finances

## Référence WF

503-15-22/044403

## Textes cités

5

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 5 occurrences

[CTVA art. 51](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-51) 2 occurrences

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 84bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84bis) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 4 dispositions communes

[Notification d’indices de fraude, Achats non comptabilisés](https://juriel.be/fr/jurisprudence/notification-indices-fraude-achats-non-tribunal-namur-2020-04-02-7968) 4 dispositions communes

[Valeur probante, preuve, procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/valeur-probante-pv-preuve-proces-tribunal-gand-2021-03-22-81cf) 4 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-883d) 4 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 4 dispositions communes

[Reconstitution du chiffres d’affaires, Preuve par présomptions](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffres-affaires-preuve-presomptions-cour-appel-bruxelles-2023-02-0e22) 3 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 3 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 3 dispositions communes
