---
title: "Défaut de soumission de la liste des clients · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 14 janvier 2020"
description: "Défaut de soumission de la liste des clients, défaut de dépôt d'un listing, liste des clients assujettis. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 14 janvier 2020."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/defaut-soumission-liste-clients-depot-cour-appel-anvers-2020-01-14-6b39"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Défaut de soumission de la liste des clients

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

14 janvier 2020

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

60 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 14.01.2020

\[ Arrêt favorable \]

*TVA – Défaut de soumission de la liste des clients*

**Texte intégral**

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

### Corps de la décision

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 14.01.2020**

**2018/AR/1604**

**BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN,** ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR KMO CENTRUM HASSELT, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,

eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. D.A., advocaat te …

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 12 april 2018, gekend onder rolnummer 16/2685/A

tegen

**X.,** RRN …, ON …, wonende te …,

verweerster in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. H.M. loco mr. E.J., advocaat te …

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 12 april 2018 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 augustus 2018, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op het dwangbevel, RCIV-nr. 500/1575/77280, uitgevaardigd op 19 april 2016 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 april 2016 waarbij een geldboete werd nagevorderd wegens het niet indienen van de B.T.W.-klantenlisting voor 2014.

Er werd verweerster in hoger beroep een herinnering tot indiening van de listing verzonden op 22 juli 2015. Bij brief van 22 april 2016 werd verweerster in hoger beroep een beslissing

tot naheffing verzonden met als bijlage een proces-verbaal van dezelfde datum waarin de inbreuk op artikel 53quinquies W.B.T.W. werd vastgesteld.

Verweerster in hoger beroep diende alsnog een nihil-listing in op 19 mei 2016. Partijen betwisten niet dat deze correct is. Bij brief van 20 mei 2016 verzocht verweerster in hoger beroep om kwijtschelding van de boete, verzoek dat werd afgewezen bij beslissing van 28 juli 2016.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 19 oktober 2016 vorderde verweerster in hoger beroep te horen zeggen voor recht dat de geldboete, zoals voorzien in het dwangbevel van 19 april 2016, wordt herleid tot 50 EUR, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het dwangbevel zijn geïnd of ingehouden meer nalatigheids- en moratoriumintresten en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en het te vellen vonnis uitvoerbaar te verklaren niettegenstaande alle verhaal en zonder enige borgstelling noch kantonnement.

De eerste rechter verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de mate de opgelegde geldboete van 3.000 EUR wegens het niet tijdig indienen van de klantenlisting voor het jaar 2014, zoals voorzien in het dwangbevel van 19 april 2016, dient verminderd te worden tot een geldboete van 300 EUR. De eerste rechter zei voor recht dat de reeds gemaakte uitvoeringskosten ten laste van de Belgische Staat vallen en veroordeelde de Belgische Staat tot de helft van de kosten van het geding, begroot op 780 EUR rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde dat in onderhavig geval elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak. De eerste rechter stelde vast dat een boete van 50 EUR werd opgelegd voor het niet tijdig neerleggen van de klantenlisting voor 2015. Verweerster stelt geen herinneringsbrieven te hebben ontvangen voor 2014 en zich naar aanleiding van de herinnering voor 2015 in regel te hebben gesteld voor 2014. Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout maar voor een fout te wijten aan onvoorzichtigheid, sluit het opleggen van een zware financiële geldboete van 3.000 EUR niet aan bij de feiten. De boete wordt verminderd tot 300 EUR.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 23 augustus 2018.

2.De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiser in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg het eerste vonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering of te wijzen en verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide instanties, begroot op 780 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en te oordelen dat het niet noodzakelijk is om met betrekking tot de controle met voile rechtsmacht een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

2.2. Verweerder in hoger beroep vordert het hoger beroep ongegrond te verklaren, akte te verlenen van het incidenteel beroep, dienvolgens te oordelen dat artikel 70, §4 W.B.T.W. niet kan toegepast worden en de boete kwijt te schelden, subsidiair het vonnis a quo te bevestigen, meer subsidiair het Grondwettelijk hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: *"Schenden artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831, alsook de artikelen 70 en 84 W.B.T.W., die de tenuitvoerlegging ervan op gerechtelijk vlak zouden verhinderen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de rechter die in fiscale zaken uitspraak moet doen over een verwerping door de minister van Financiën of de door hem gedelegeerde ambtenaar van een bezwaarschrift tot vermindering of kwijtschelding van geldboeten van repressieve aard waarin de belastingwetten (met name de artikelen 70, 71, 72 en 84 WB.T.W. en de bepalingen van het K.B. nr. 44 van 9 full 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de B.T.W.) voorzien, niet toestaan die geldboeten zelf te verminderen of kwijt te schelden, terwijl het voormelde artikel 9 die mogelijkheid wel biedt aan de minister van Financiën, aan wie het de bevoegdheid verleend uitspraak te doen over de verzoeken tot kwijtschelding van geldboeten en van verhogingen van rechten als geldboete, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 E.V.R.M.?"* Verweerster in hoger beroep verzoekt tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, begroot op 780 EUR rechtsplegingsvergoeding per aanleg.

3.Bespreking.

3.1. Verweerster in hoger beroep stelt dat de opgelegde boete niet in verhouding is tot de begane overtreding. Verweerster in hoger beroep, die als huisarts niet B.T.W.-plichtig was, ontplooide geen B.T.W.-activiteiten, beging een niet-intentionele fout en diende een aangifte van stopzetting in op 4 juli 2016. De schade die de Belgische Staat zou kunnen Iijden ingevolge een laattijdige nihil-aangifte is verwaarloosbaar. Verweerster in hoger beroep grondt de onevenredigheid van de opgelegde geldboete op de beperkte duur van de uitoefening van de zelfstandige activiteit, de relatief zeer beperkte omzet tot geen enkele omzet, het zeer beperkte patiëntenbestand en de definitieve stopzetting van de activiteit.

De administratie erkent dat de rechter over de voile rechtsmacht beschikt om te oordelen over de opportuniteit en de hoogte van de boete. Zij stelt echter dat de eerste rechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gebonden bevoegdheid van de Belgische Staat en een foutieve toepassing heeft gemaakt van het evenredigheidsbeginsel.

3.2. De boete die de administratie oplegt in toepassing van art. 70 W.B.T.W. is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van art. 6 EVRM. De rechter moet aldus kunnen nagaan of de sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen eerbiedigt die de administratie in acht moet nemen (G.W.-Hof 24 februari 1999, *Fiscoloog,* nr. 697, 5). Artikel 6 EVRM verschaft aan de rechter de bevoegdheid het opleggen van dergelijke boete te controleren met voile rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (EHRM 4 maart 2004, *Fiscoloog,* 2004, nr. 928,1).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag aldus de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 13 februari 2009, Nr. [F.06.0108.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-remise-reduction-amende-cassation-bruxelles-2009-02-13-c03f)).

Aangezien vaststaat dat het hof, binnen de hiervoor bepaalde grenzen, het recht heeft de opgelegde boete te toetsen aan, onder meer, het evenredigheidsbeginsel, en desgevallend deze te verminderen of kwijt te schelden, dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, zoals geformuleerd door verweerster in hoger beroep.

3.3. Krachtens artikel 70, §4 W.B.T.W. worden de niet in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 EUR tot 5.000 EUR per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens [artikel 1 van het K.B. nr. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art1) van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn de bedragen van de niet-proportionele fiscale geldboeten voor de overtredingen beoogd in artikel 70, § 4, eerste lid, van het W.B.T.W., opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Overeenkomstig de bijlage van het KB nr. 44 van 9 juli 2012, eerste afdeling, IV, A en B wordt de boete bij niet-indiening van de klantenlisting, dan wel bij indiening met vertraging van meer dan 9 maanden, bepaald op 3.000 EUR.

Het hof is in casu van oordeel dat verweerster in hoger beroep niet aantoont dat de inbreuk louter te wijten is aan onvoorzichtigheid, zoals de eerste rechter stelde in het bestreden vonnis. Verweerster in hoger beroep toont niet aan aan de hand van de hiervoor opgesomde concrete omstandigheden (sub 3.1) dat de boete van 3.000 EUR in casu onevenredig zou zijn met de begane overtreding.

Daarbij merkt het hof op dat bij het opleggen van de geldboete reeds rekening werd gehouden met het feit dat de overtreding te goeder trouw werd begaan. [Artikel 2 K.B. nr. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456#ar44-art2) voorziet immers in een verdubbeling van de boete indien de overtreding werd begaan met de bedoeling de belasting te ontduiken, verdubbeling die in casu niet werd doorgevoerd. Het enkele niet-intentionele karakter van de overtreding is dan ook onvoldoende om te besluiten tot de onevenredigheid van de boete.

Uit het proces-verbaal d.d. 22 april 2016 blijkt dat de klantenlisting voor het jaar 2014 niet werd ingediend in weerwil van de herinnering daartoe bij brief van 22 juli 2015. Verweerster in hoger beroep stelt dit herinneringsschrijven niet te hebben ontvangen. Zulks doet echter geen afbreuk aan de verplichting tot de tijdige indiening van de klantenlisting die voortvloeit uit artikel 53quinquies W.B.T.W. en die door verweerster diende te worden nagekomen.

Uiteindelijk werd de klantenlisting voor het Jaar 2014 pas ingediend op 19 mei 2016, zijnde meer dan een jaar te laat en nadat de boete wegens niet-indiening reeds werd opgelegd door de belastingadministratie. De indiening gebeurde dan ook niet spontaan, naar aanleiding van de herinnering tot indiening van de listing voor het jaar 2015.

De verplichting tot het indienen van de klantenlijst, gaat uit van de noodzaak om de financiën van de Staat te beschermen tegen diegenen die deze zouden kunnen ontwrichten door hun onachtzaamheid of misbruik. De klantenlisting geeft belangrijke informatie over de relaties die men onderhoud met ander belastingplichtigen. Dat in casu, zoals achteraf is gebleken, een nihil-klantenlisting werd ingediend voor het betrokken jaar en geen B.T.W.-activiteiten werden ontplooid, doet daaraan geen afbreuk. Ook dan bleef verweerster in hoger beroep gehouden tot de tijdige indiening ervan voor het jaar 2014.

Verweerster in hoger beroep verwijst naar de beperkte duur van de uitoefening van de zelfstandige activiteit, de relatief zeer beperkte omzet tot geen enkele omzet, het zeer beperkte patiëntenbestand en de definitieve stopzetting van de activiteit, zonder dat hieruit Verweerster in hoger beroep kan althans geen rechten putten uit het nieuwe boetebeleid inzake B.T.W. De richtlijnen ter zake zijn immers pas van toepassing voor de boeten die werden opgelegd na 1 januari 2018. Inbreuken te goeder trouw ten aanzien van de niet-indiening of laattijdige indiening van de klantenlisting worden binnen het nieuwe boetebeleid bovendien slechts kwijtgescholden indien het een eerste overtreding betreft, wat in casu geenszins het geval is, gelet op de laattijdige indiening ook voor de jaren 2012 en 2013. De enkele invoering van het nieuwe boetebeleid, impliceert overigens niet dat de boete in casu per definitie onevenredig zou zijn -quod non.

Het hof is dan ook van oordeel dat er onvoldoende elementen worden aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete van 3.000 EUR onevenredig zou zijn met de aard en de ernst van de begane inbreuk en de concrete gegevens van de zaak. De gepleegde inbreuk, het niet indienen van de klantenlijst 2014, ligt niet buiten de wil van verweerster in hoger beroep en is haar volledig toerekenbaar. Het hof oordeelt dat de boete van 3.000 EUR wettelijk is, voldoende gemotiveerd en evenredig met de aard en de ernst van de feiten en dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen.

Het vonnis van de eerste rechter wordt dan ook hervormd.

3.4. Verweerster in hoger beroep stelt in aanmerking te komen voor uitstel van de boete, *"gelet op de specifieke omstandigheden".* Zij motiveert echter niet welke specifieke omstandigheden in casu een uitstel zouden rechtvaardigen. De beperkte duur van de uitoefening van de zelfstandige activiteit, de relatief zeer beperkte omzet tot geen enkele omzet, het zeer beperkte patiëntenbestand, in zoverre reeds aangetoond, en de definitieve stopzetting van de activiteit, rechtvaardigen in ieder geval niet dat de boete met uitstel wordt opgelegd, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien, in het bijzonder gelet op de eerdere en herhaalde overtredingen bij de indiening van de klantenlistings voor voorgaande en latere jaren. Evenmin is er aldus een grond voorhanden om de toepassing van artikel 70, §4 W.B.T.W. te weigeren.

3.5. Verweerster in hoger beroep wijst tenslotte op de retroactiviteit van de lichtere straf onder verwijzing naar het nieuwe boetebeleid. Verweerster stelt door de herinnering aan de niet-indiening van de listing voor 2015 spontaan te zijn overgegaan tot regularisatie voor 2014.

De laattijdige indiening van de klantenlisting voor 2014 gebeurde echter op 19 mei 2016, na de verzending van de beslissing tot naheffing van de boete voor 2014 op 22 april 2016. Van enige spontane regularisatie is dan ook geen sprake. Het nieuwe boetebeleid is bovendien slechts van toepassing voor de boeten die werden opgelegd na 1 januari 2018, zodat verweerster er geen rechten uit kan putten.

---

Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is gegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt hervormd. Het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep is ongegrond.

Het hof begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep met inachtneming van het bedrag van de vordering zoals blijkt uit het bestreden dwangbevel op 780 EUR. De rechtsplegingsvergoeding wordt ten laste gelegd van verweerster in hoger beroep als in het ongelijk gestelde partij. De Belgische Staat verzoekt ook de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 20 EUR ten laste te leggen van verweerster in hoger beroep.

### Dispositif

4\. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond en hervormt het bestreden vonnis.

Het hof verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof veroordeelt verweerster in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 780 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en 20 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 14 januari 2020 door

E. D. Raadsheer

E. C. Griffier

## Textes cités

2

[AR no 44 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456) 1 occurrence

[AR no 44 art. 2](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-44-juillet-fixant-montant-amendes-fiscales-8456) 1 occurrence
