---
title: "Cour d&#x27;appel de Gand, 23 septembre 2003"
description: "Cour d'appel de Gand (Belgique), 23 septembre 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2003-09-23-0839"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel de Gand, 23 septembre 2003 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

23 septembre 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

49 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 23.09.2003

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Nr.2001/AR/1552**

in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 GENT, Martelaarslaan 17,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. K. D.** loco **V. A. E.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**O. P.**, wonende te …, …,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. M. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

**1.** Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 14.5.1998 dagvaardde de geïntimeerde de appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent om recht te horen doen over het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) te zijnen laste uitgevaardigd door **B. P.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Gent, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.4.1998 door **G. D. C.**, eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, en waarvan aan de geïntimeerde kennis werd gegeven bij aangetekende brief van 15.4.1998.

Bij vonnis van 10.5.2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard, werd vermeld dwangbevel vernietigd en werd de appellant veroordeeld tot terugbetaling van de bedragen die desgevallend inmiddels teveel werden geïnd. De appellant werd veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 5.7.2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen vermeld vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig, en strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond te horen verklaren.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

**2.** Uit de door de appellant voorgelegde stukken blijkt dat de NV **D. H.** een systeem van niet-officiële leveringen had opgezet. Meer bepaald laat onder meer het proces-verbaal van 20.8.1997 van de BBI (deel van stuk 1 van de appellant) hierover geen twijfel bestaan.

In dit proces-verbaal is de verklaring opgenomen van **R. H.**, gedelegeerd-bestuurder van de NV **D. H.**, waarin hij het systeem uiteenzet. In deze uiteenzetting maakt hij onderscheid tussen aan de ene kant de verkoop van bakken (aan twee klanten-groothandelaars), en aan de andere kant de verkoop van vaten (voornamelijk aan caféhouders).

Omtrent deze laatste soort verkopen stelt hij : *"Wat de verkopen van vaten betreft, is het systeem enigszins anders. Deze afnemers zijn voornamelijk café-houders. De levering werd eveneens opgesplitst in een deel officieel en een ander deel niet-officieel. Er werden telkens twee verzendnota’s en twee facturen opgesteld. Het niet-officiële gedeelte werd gefactureerd op naam van een particulier met klantnummer …. De nummers van de verzendingsnota’s volgden mekaar op.*

*De betalingen gebeurden in beide gevallen steeds kontant”.*

Hoewel omtrent de identiteit van de afnemers met wie het systeem van de valse facturen werd toegepast door **R. H.** mededelingen werden gedaan (zie het proces-verhaal van de BBI dd 20.8 1997, vijfde blad, nr. 2.6.2 – deel van stuk 1 van de appellant) blijkt uit niets dat de geïntimeerde nominatim als dergelijke afnemer door hem werd aangewezen.

Uit het proces-verbaal van 20 8 1997 (deel van stuk 1 van de appellant) blijkt dat er voor de valse facturen qua adressering twee systemen bestonden.

Aan de ene kant werd gefactureerd op naam en adres van een particulier die in de BTW-bestanden niet gekend was als handelaar (tweede blad van het proces­verbaal, punt 2.3.1). Op de vraag wie de valse namen en adressen verzon, antwoordde **R. H.** dat het de klanten zelf waren die de valse gegevens doorspeelden en de cafébaas soms zelfs een lijst opgaf met valse namen (vierde blad van het proces-verbaal, tweede paragraaf).

Aan de andere kant werd gefactureerd met de vermelding "Diversen" of “Particulier Verkoop", met als adres de administratieve zetel van de leverancier, met het nummer … als klantnummer vanaf 1.1.1994 en het nummer … tot 31.121993 (tweede blad van het proces-verbaal, punt 2.3.2). Omtrent dit soort valse facturen werd verduidelijkt door **R. H.** dat het globale facturen zijn die meerdere leveringen dekken aan verscheidene afnemers (vijfde blad van het proces-verbaal, punt 2.6.2).

Bij nazicht van de door de appellant voorgelegde facturen van de NV **R. H.** en de BVBA **H. N.**, zowel op naam van de geïntimeerde, als op naam van particulieren, als opgesteld op naam van *"Diversen”*, blijkt het volgende (stukken 15-16-17 van de appellant) :

\- tal van facturen op naam van de geïntimeerde aan de ene kant en facturen op naam van particulieren of *“Diversen”* aan de andere kant hebben betrekking op leveringen op zelfde datum (hetzij expliciet vermeld hetzij volgens factuurdatum), dragen opeenvolgende factuurnummers en opeenvolgende verzendnotanummers, en hebben betrekking op een identieke hoeveelheid vaten bier van dezelfde soort, volgens de factuur op naam van particulieren of *“Diversen”* wordt ook telkens een voor een particulier (niet BTW-plichtige), vastgesteld door de BBI, zie hoger; afwezigheid van BTW-nummer op de factuur) grote hoeveelheid lege vaten terugbezorgd; in deze categorie facturen zijn terug te vinden de facturen met nummers …, … (creditnota en factuur), …, …, …, …, …, …, …, … (hoewel beperkt leeggoed), … (hoewel geen leeggoed), …;

De vermelde facturen staan duidelijk in verband met elkaar, en moeten geacht worden allen betrekking te hebben op leveringen aan de geïntimeerde, mede gelet op de hoger aangehaalde verklaringen van **R. H.**. Dit is ook in overeenstemming met diens verklaring punt 2.5 van het proces-verbaal van 20.8.1997 waar bij stelt dat er een aantal afnemers waren die kochten in een verhouding van ½ officieel en ½ niet-officieel.

\- er is een gelijkaardige groep van facturen, met dezelfde kenmerken, waarbij echter ofwel de factuurnummers ofwel de verzendnotanummers elkaar niet onmiddellijk opvolgen. Ook hier blijkt dat deze facturen duidelijk in verband staan met elkaar, en moeten geacht worden allen betrekking te hebben op leveringen aan de geïntimeerde, mede gelet op de hoger aangehaalde verklaringen van **R. H.** en de vaststelling dat ofwel factuurnummer, ofwel verzendnummer opvolgend is. Het betreft de facturen met nummers …, …, …, …, …, …, …, … (wat deze laatste betreft : beide nummers volgen elkaar niet op doch zijn zeer nader, en het gaat om dezelfde hoeveelheid en soorten vaten geleverd op dezelfde datum);

\- er is een gelijkaardige groep van facturen, waarbij een factuur op naam van de geïntimeerde, en twee andere facturen – één met vaten en één met dranken in bak -, opeenvolgende factuurnummers en/of verzendnotanummers hebben. De nummers met betrekking tot de dranken in bak bevinden zich tussen de twee overige facturen. Op grond hiervan en van zelfde hogere gegevens dient ook hier het onderling verband en de eenheid van levering aan één en zelfde persoon, nl. de geïntimeerde te worden afgeleid. Het betreft de facturen met nummers …, …, …, …, …, …, …;

Alle vermelde facturen dienen geacht te worden betrekking te hebben op leveringen aan de geïntimeerde. Hierbij dient geen onderscheid gemaakt te worden naargelang het een levering betreft door de NV **R. H.** dan wel door de BVBA **H. N.** : beiden volgen duidelijk hetzelfde systeem van niet-officiële levering zoals uit vergelijking van de vermelde facturen blijkt, en het betreft twee verwante vennootschappen die over hetzelfde magazijn beschikken gelegen … te …. De manifeste overeenkomst die bestaat tussen de facturen sluit meteen ook uit dat de niet­officiële facturen te dezen betrekking zouden hebben op meerdere afnemers.

De bewering dat de facturen op naam van een particulier bestemd waren voor private feesten door de particulier in kwestie, is ongeloofwaardig gezien de hoger aangetoonde verbanden met de facturen op naam van de geïntimeerde. Deze uitleg kan trouwens ook niet de teruggave van belangrijke hoeveelheden leeggoed staven.

Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de verklaringen van **R. H.** onjuist zouden zijn omdat hij volgens de geïntimeerde zelf een zwart circuit had ten voordele van de cafés van de groep **H.**. De insinuaties van de geïntimeerde daaromtrent wegen niet op tegen de duidelijke verbanden, te leggen tussen de hoger aangehaalde facturen, terwijl **R. H.** ook in de gemaakte veronderstelling er geen belang bij had toe te geven hoe het zwart circuit in elkaar stak Het is ook niet omdat de appellant een vergissing blijkt gemaakt te hebben ten aanzien van de moeder van de geïntimeerde dat de in huidige procedure voorgelegde facturen onjuist zijn.

In het dwangbevel is een bedrag opgenomen van … BEF (thans … EUR) aan BTW. Dit bedrag wordt berekend in het proces-verbaal van de BBI van 1.4.1998, waarbij vertrokken wordt van de aankopen die volgens de BBI niet officieel gebeurden om daaruit de omzet te berekenen (verkopen). Deze niet­officiële aankopen moeten blijken uit de in bijlage bij het vermelde proces­verbaal gevoegde lijst, waarvan evenwel niet alle facturen worden voorgelegd door de appellant, zodat het Hof de juistheid ervan niet kan nagaan. Het zal aan de appellant behoren alle facturen van niet-officiële leveringen voor te leggen waarop het bedrag aan BTW in het dwangbevel is gesteund, aan te tonen - zoals voor de hoger aangehaalde facturen - dat het leveringen betreft aan de geïntimeerde, en desgevallend een herberekening uit te voeren mocht hij hierin niet slagen. Zulks is des te meer noodzakelijk nu er geen overeenstemming is in het weerhouden bedrag van de niet-officiële aankopen in de minnelijke inregelstelling (stuk 1 van de geïntimeerde) en dat in het proces-verbaal van 1.4.1998. De debatten dienen met het oog daarop te worden heropend, en partijen dienen te worden uitgenodigd nader te concluderen over de door de appellant eventueel aangebrachte staving van het BTW-bedrag.

### Dispositif

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Ontvangt het hoger beroep,

Alvorens verder recht te doen, **heropent ambtshalve de debatten**, en stelt de zaak voor verdere behandeling op de zitting van **2 maart 2004 om 14u30**.

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op **DRIEËNTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN DRIE**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter

De heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raadsheren

**M. V.** Griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. v. I.**
