---
title: "Cour d&#x27;appel de Gand, 26 décembre 2002"
description: "Cour d'appel de Gand (Belgique), 26 décembre 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2002-12-26-f3e8"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel de Gand, 26 décembre 2002 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

26 décembre 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

423 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 26.12.2002

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Gent in correctionele zaken in de zaak van het Openbaar Ministerie bij wie zich voegde als burgerlijke partij :**

**NV KBC-V.**, met zetel te …, …

**NV F. AG**, met zetel te …, …

na tussen arrest d.d. 18/9/02

1\. Nr. 2215

**V. d. V. A., G.**, zaakvoerder, geboren te … op …, wonende te …, …

2\. Nr. 2216

**V. M., M.**, handelaarster, van Nederlandse nationaliteit, geboren te … op …, wonende te …, …

Verdacht van :

**A I.** om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader (art. 66 S.W.B.)

Met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid in handels-, bank of private geschriften te hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk te hebben opgemaakt of door ze achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen en vast te stellen, namelijk

## 1. De eerste. de tweede en de derde

door op een ongevalsaangifte valselijk te hebben ingevuld dat zich op 30.06.1989 een aanrijding voordeed tussen enerzijds het voertuig (vrachtwagen), merk "MAN" met nummerplaat …, bestuurd door **V. P.**, rijdend voor rekening van PVBA **R.- en V.** **A. V. d. V.** en anderzijds het voertuig (tractor), merk "Deutz", met nummerplaat …, bestuurd door **C. D.**, te …, in de …, daar waar uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat het voertuig. merk "MAN", met nummerplaat …, in werkelijkheid werd bestuurd door **D. B. L.**, die in aanrijding kwam op 08.02.1989 met een stilstaande container op het terrein van Shell Gent, waardoor de vrachtwagen schade opliep.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te …, op 30.06.1989 (OK 1).

## 2. De eerste en de tweede

door valselijk een aangifte formulier van arbeidsongeval gedateerd op 06.07.1990 te hebben opgesteld of te hebben laten opstellen, waarbij werd vermeld dat **D. B. L.**, werknemer van PVBA **R.- en V.** op 05.07.1990 een arbeidsongeval had te ..., aan het U.Z., waarbij hij zogezegd gekwetst was aan het been en meer bepaald een snijwonde opliep ten gevolge van het blijven haperen aan een haak van een leiding bij het afdalen in een put en hierdoor het werk zou gestaakt hebben met ingang van 05.07.1990, en deze aangifte te hebben ondertekend, daar waar het gerechtelijk onderzoek heeft uitgewezen dat **D. B. L.** na het hem overkomen ongeval op 05.07.1990 onmiddellijk opnieuw aan het werk kon en dus geenszins werk onbekwaam was.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te …, op 06.07.1990 (OK 2).

## 3. De eerste en de tweede

door valselijk een aangifteformulier van arbeidsongeval gedateerd op 11.09.1990 te hebben opgesteld of te hebben laten opstellen waarbij werd vermeld dat **C. D.** op 06.09.1990 een arbeidsongeval had te …, …, bij **V. M.** en meerbepaald bij het spuiten ten val kwam op zijn elleboog omdat het ter plaatse glibberig was en dienvolgens werk onbekwaam was met ingang van 06.09.1990, daar waar in werkelijkheid **C. D.** op 06.09.1990 wel een arbeidsongeval had te …, …, bij **V. M.**, doch bij het kuisen van een silo naar beneden is gevallen in zijn pols bezeerde en hierdoor werk onbekwaam was met ingang van 06.09.1990.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 1° der overtuigingsstukken

te …, op 11.09.1990 (OK 3).

## 4. De eerste en de tweede

door valselijk een aangifte van arbeidsongeval d.d. 13.12.1990 te hebben opgesteld of te hebben laten opstellen waarbij werd ingevuld dat **W. D.**, werknemer van PVBA **R.- en V.**, op 12.07.1990 een arbeidsongeval had te Gent, waarbij deze laatste bij het kuisen van rioolputten de darm op zijn rug zou gekregen hebben, dit alles in het bijzijn van getuige **V. D. B. P.** en deze verklaring te hebben ondertekend, daar waar in werkelijkheid weliswaar een arbeidsongeval plaatsvond, doch op datum van 07.12.1990, op de terreinen van **O. T.** te Gent, en waarbij **W. D.** bij het afkoppelen van een darm van een vrachtwagen een soort vloeistof vermengd met zand in de ogen kreeg, dit alles in het bijzijn van **B. D.**.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 1° der overtuigingsstukken

te …, op 13.12.1990 (OK 4).

## 5. De eerste en de tweede

door valselijk een aangifte van arbeidsongeval d.d. 23.01.1991 te hebben opgesteld of te hebben laten opstellen. waarbij werd ingevuld dat **C. D.**, werknemer van PVBA **R.- en V.** een arbeidsongeval had op 21.01.1991 te Drongen op de openbare weg en bij het kuisen van riolen gevallen is en zijn borstkas bezeerde en deze aangifte te hebben ondertekend, daar waar in werkelijkheid **C. D.** thuis ten val kwam op niet nader te bepalen datum in de periode van januari 1991.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te …, op 23.01.1991 (OK 5).

## 6. De eerste en de tweede

door valselijk een verklaring patroon, gedateerd op 14.05.1991 te hebben opgesteld waarin werd vermeld dat **C. D.** opnieuw aan het werk is gegaan op 13.05.1991, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat **C. D.** met ingang van een niet nader te bepalen datum in januari 1991 hoogstens 14 dagen werk onbekwaam was.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te …, op 14.05.1991 (OK 5).

## 7. De eerste en de tweede

door valselijk in een verklaring d.d. 10.09.1991 aan A.B.B. te hebben vermeld dat **C. D.** werk onbekwaam was van 09.04.1991 tot 30.07.1991, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat **C. D.** hoogstens 3 weken werk onbekwaam was sedert de datum van het ongeval op 09.04.1991,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 4° der overtuigingsstukken

te …, op 10.09.1991 (OK 7).

## 8. De eerste en de tweede

door valselijk in een verklaring patroon d.d. 07.08.1991 aan A.B.B. te hebben vermeld dat **C. D.** werk onbekwaam was van 09.04.1991 tot 30.07.1991, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat **C. D.** werk onbekwaam was sedert de datum van het ongeval op 09.04.1991 tot hoogstens 3 weken erna,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 7° der overtuigingsstukken

te …, op 07.08.1991 (OK 7).

## 9. De eerste en de tweede

door valselijk in een verklaring aan A.B.B. d.d. 16.06.1991 te hebben vermeld dat **C. D.** op voormelde datum nog volledig werk onbekwaam was, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat **C. D.** werk onbekwaam was sedert de datum van het ongeval op 08.04.1991 tot hoogstens 3 weken erna,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 6° der overtuigingsstukken

te …, op 16.06.1991 (OK 7).

## 10. De eerste en de tweede

door valselijk een ongevalsaangifte nopens een fictief arbeidsongeval zogezegd overkomen aan **C. D.** op 12.12.1990, waarbij deze laatste zijn linkerarm verstuikte, te hebben opgesteld of te hebben laten opstellen, daar waar uit het gerechtelijk onderzoek blijkt dat **C. D.** in die periode geen ongeval had.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 1° der .overtuigingsstukken

te … op 13.12.1990 (OK XIII).

## 11. De eerste, de tweede, de vierde en de vijfde

door valselijk aangifte te hebben gedaan in het aanrijdingsformulier van 19.02.1990 van een fictief ongeval overkomen te Oost Eeklo tussen enerzijds een VW Golf. met nummerplaat …, bestuurd door **V. d. V. R.** en anderzijds een Mercedes met nummerplaat … toebehorende aan PVBA **R.- en V.** bestuurd door **V. P.**, waarbij zogezegd de rechtervoorkant van de VW Golf werd beschadigd. doordat **V.** het geparkeerd voertuig van **V. d. V.** aanreed. daar waar uit het strafonderzoek is gebleken dat **V. d. V.** enkel op 16.01.1990 een aanrijding had te Eeklo met haar VW Golf met als tegenpartij **B. M.**, waarbij het rechtervoorwiel beschadigd werd,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …/… der overtuigingsstukken

te … of elders in het Rijk, op niet nader te bepalen datum in de periode van 16.02.1990 tot 25.11.1990 (OK XIV).

## 12. De eerste en de tweede

door valselijk aangifte te hebben gedaan van een fictief ongeval overkomen op 03.09.1992 te Eeklo tussen enerzijds de Citroën CX met nummerplaat …, bestuurd door **V. D. V. E.** en de Soverein 42 bestuurd door **V. d. V. A.**, waarbij **V. d. V.** zogezegd achteruit de baan opreed en daardoor in aanrijding kwam met **V. D. V.**, wiens voertuig werd beschadigd, terwijl het voertuig van **V. d. V.** in de gracht terechtkwam, terwijl uit het onderzoek is gebleken dat. gelet op de materiële vaststellingen een dergelijke aanrijding onmogelijk was.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … of elders in het Rijk op 03.09.1992 (OK XV).

## 13. De eerste en de tweede

door valselijk aangifte te hebben gedaan op 08.09.1991 van glasbreuk en schade aan het koetswerk van het voertuig Jaguar met nummerplaat XJ6, die zogezegd geparkeerd stond langs de expressweg en aldaar door een voorbijrijdend voertuig werd beschadigd en door 2 facturen d.d. 28.09.1991 van "Jaguar **V.**" ten bedrage van respectievelijk …,- en …,- te hebben overgemaakt aan A.B.B., als herstellingskosten van de fictieve opgelopen schade, daar waar uit het onderzoek is gebleken dat het bedrag van …,- frank nooit werd uitgegeven door **V. d. V. A.**, en er door "Jaguar **V.**" zelfs een kredietnota voor hetzelfde bedrag werd opgemaakt en het bedrag van …,- frank een uitgave voor normaal onderhoud betrof

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … op 08.09.1991 (OK XVI)

## 14. De eerste en de tweede

door valselijk een niet-ondertekende ongevalsaangifte nopens een zogezegd arbeidsongeval overkomen op 29.01.1993 aan **D. B. L.** te hebben opgesteld waarbij **D. B.** zogezegd van een vrachtwagen viel en zijn knie bezeerde daar waar hij thuis buiten de werkuren van de trap viel

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … op 01.02.1993 (kaft XIX).

**A.II.** Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door art. 66 van het Strafwetboek.

En met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik gemaakt te hebben van de valse akten of van de valse stukken wetende dat het vervalst was, namelijk

## 1. De eerste, de tweede en de derde

van het hierboven onder A.I.1 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 30 juni 1989 tot heden (OK 1).

## 2. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.2 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 06.07.1990 tot heden (OK 2).

## 3. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.3 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 11.09.1990 tot heden (OK 3).

## 4. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.4 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 13.12.1990 te heden (OK 4)

## 5. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.5 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 23.01.1991 tot heden (OK 5).

## 6. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.6 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 14.05.1991 tot heden (OK 5).

## 7. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.7 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 10.09.1991 tot heden (OK 7).

## 8. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.8 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 07.08.1991 tot heden (OK 7).

## 9. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.9 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 16.06.1991 tot heden (OK 7).

## 10. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.10 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 13.12.1990 tot heden (OK XIII).

## 11. De eerste, de tweede, de vierde en de vijfde

van het hierboven onder A.I.11 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 16.02.1990 tot heden (OK XIV).

## 12. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.12 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 03.09.1992 tot heden (OK XV).

## 13. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.13 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 08.09.1991 tot heden (OK XVI).

## 14. De eerste en de tweede

van het hierboven onder A.I.14 omschreven en als van valsheid beticht stuk

te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode van 01.02.1993 tot heden (OK XIX).

## 15. de eerste en de tweede

van 3 medische attesten, waarvan twee gedateerd op 18.8.1990 en één op 5.11.1990, waarin werd geattesteerd dat **D. B. L.** ten gevolge van het hem overkomen ongeval op 5.7.1990 een snijwonde aan het linker onderbeen opliep en hierdoor met ingang van 5.7.1990 voor 100 % werk onbekwaam was, ambulant werd behandeld en pas op 20.8.1990 opnieuw aan het werk kon, daar waar uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat **D. B. L.** tengevolge van de bedoelde snijwonde nooit werk onbekwaam is geweest en betrokken geneesheer nooit heeft geconsulteerd.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … en te …, op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 6.9.1990 tot op heden

## 16. de eerste en de tweede

van een medisch attest van genezing, op datum van 24.10.1990, waarbij werd geattesteerd dat dokter **C.**. **C. D.** onderzocht op 6.10.1990, daar waar **C. D.** in werkelijkheid nooit op consultatie is geweest bij dokter **C.**,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … en te …, op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 6.9.1990 tot 4.12.1990 (OK 3)

## 17. de eerste en de tweede

van het medisch attest d.d. 16.1.1991 waarbij werd geattesteerd dat dokter **C. W. D.** onderzocht na ongeval, op 10.12.1990 overkomen aan laatstgenoemde, en dokter **C.** de patiënt om**W.** van chemische brandwonden aan de ogen doorstuurde naar de oogarts, alsook dat de arbeidsongeschiktheid begon op 7.12.1990, daar waar in werkelijkheid **W. D.** op 7.12.1990 (dezelfde datum als het ongeval) op consultatie ging bij dokter **C.**, die hem oogdruppeltjes voorschreef en hem geenszins doorstuurde naar een oogarts,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … en te …, op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 16.1.1991 tot op heden (OK 4)

## 18. de eerste en de tweede

van het medisch attest van genezing waarin wordt geattesteerd op datum van 16.1.1991 dat **W. D.** werd getroffen door een arbeidsongeval op 10.12.1990 en tengevolge, hiervan volledig arbeidsongeschikt was van 10.12.1990 tot 13.1.1991, daar waar in werkelijkheid **W. D.** werd getroffen door een arbeidsongeval op 7.12.1990 en enkel op die datum dokter **C.** consulteerde,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 16.1.1991 tot op heden (OK 4)

## 19. de eerste en de tweede

van het medisch attest waarin wordt geattesteerd dat **C. D.** ingevolge een ongeval hem overkomen op 21.1.1991 ongeveer 6 weken volledig werk onbekwaam was, daar waar deze in werkelijkheid slechts 14 dagen werk onbekwaam was,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … en te …, meermaals op niet nader te bepalen datum inde periode vanaf 16.1.1991 tot heden (OK 5)

## 20. de eerste en de tweede

van het attest van genezing, gedateerd op 15.5.1991, waarin wordt geattesteerd dat **C. D.** ingevolge het hem overkomen arbeidsongeval op 21.1.1991, 100 % arbeidsongeschikt was vanaf 22.1.1991 tot en met 17.3.1991 en 50 % arbeidsongeschikt was van 18.3.1991 tot en met 15.5.1991 en betrokkene het werk hervatte op 16.5.1991, daar waar in werkelijkheid **C. D.** een ongeval had thuis in de loop van de maand januari 1991 en hierdoor slechts 14 dagen volledig arbeidsongeschikt was.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te ... en te ..., meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 1.1.1991 tot heden (OK 5)

## 21. de eerste en de tweede

van een medisch attest op datum van 16.8.1991 waarin wordt geattesteerd dat **C. D.** werd onderzocht na ongeval hem overkomen op 9.4.1991 en werd doorverwezen naar het U.Z. Gent ter bepaling van de werkonbekwaamheid, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat **C. D.** weliswaar een ongeval had op 9.4.1991 doch nooit op consultatie ging bij dokter **C.**, welke laatste dus nooit **C. D.** heeft onderzocht.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingstukken

te ... en te ..., meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 16.8.1991 tot heden (OK 7)

## 22. de eerste en de tweede

van het medisch attest van genezing, gedateerd op 16.8.1991, waarin wordt geattesteerd dat **C. D.**, getroffen door een arbeidsongeval op 9.4.1991 het werk heeft hervat op 29.7.1991 en volledig arbeidsongeschikt was vanaf 9.4.1991 tot en met 28.7.1991, daar waar uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat dokter **C.** nooit **C. D.** heeft onderzocht en laatstgenoemde hoogstens 3 weken na datum van het ongeval opnieuw aan het werk ging,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te ... en te ..., meermaals op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 16.8.1991 tot heden (OK 7)

## 23. de eerste en de tweede

van een medisch attest van genezing, gedateerd op 22.6.1992, waarin wordt geattesteerd dat **B. F.** werd onderzocht op 22.6.1992 en volledig arbeidsongeschikt was van 14.4.1992 tot en met 21.4.1992, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat dokter **C.** op vermelde datum **B. F.** niet onderzocht, nu deze slechts onmiddellijk na het ongeval bij hem op consultatie ging en niet meer op latere datum.

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te … en te ..., op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 22.6.1992 tot heden (OK 10)

## 24. de eerste en de tweede

van een medisch attest, gedateerd op 15.4.1992, waarin wordt geattesteerd dat **B. F.** werd onderzocht na ongeval hem overkomen op 14.4.1992, en dat laatstgenoemde arbeidsongeschikt was vanaf 15.4.1992, daar waar uit het strafdossier is gebleken dat **B. F.** reeds op 14.4.1992 - datum van het ongeval - op consultatie ging en op 15.4.1992 niet bij dokter **C.** was,

het stuk als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. … der overtuigingsstukken

te ... en te ..., op niet nader te bepalen datum in de periode vanaf 15.4.1992 tot heden (OK 10)

## 25. de eerste en de tweede

van een medisch attest waarbij dokter **C.** verklaarde **C. D.** te hebben onderzocht op 13.1.1991 en te hebben vastgesteld dat deze een distorsie van de rechterelleboog had, en werk onbekwaam was van 12.12.1990 tot en met 13.1.1991 en hieromtrent tevens een attest van genezing te hebben opgesteld.

de stukken als van valsheid beticht neergelegd zijnde ter griffie onder staat nr. …, 2° en 3° der overtuigingsstukken

te ... en te ..., meermaals in de periode vanaf 16.1.1991 tot heden (OK XIII).

B. Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door art. 66 van het Strafwetboek.

Met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen, die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen. kwijtingen, schuldbevrijdingen te hebben doen afgeven of leveren, hetzij door het gebruikmaken van valse namen, of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid. namelijk

## 1. De eerste, de tweede en de derde

een bedrag van … frank

ten nadele van A.G.

te .... op 11.10.1989 (OK 1)

## 2. De eerste en de tweede

\- een bedrag van … frank

ten nadele van A.B.B.

te ..., op 14.09.1990 (OK 2).

\- een bedrag van … frank en een bedrag van … frank, hetzij samen … frank

ten nadele van A.B.B.

te ..., op 12.09.1990 (OK 2).

## 3. De eerste en de tweede

\- een bedrag van … frank, … frank en … frank, hetzij samen … frank

ten nadele van A.B.B.

te ..., op 03.12.1990 (OK 3).

\- een bedrag van … frank

ten nadele van A.B.B.

te .... op 04.12.1990 (OK 3).

## 4. De eerste en de tweede

\- een bedrag van … frank, … frank en … frank, hetzij … frank samen

ten nadele van A.B.B.

te ... op 07.06.1991 (OK 5).

\- een bedrag van … frank

ten nadele van A.B.B:

te ..., op 29.07.1991 (OK 5).

\- een bedrag van … frank en … frank

ten nadele van A.B.B.

te ..., op 30.07.1991 (OK 5).

## 5. de eerste en de tweede

een bedrag van … frank

ten nadele van A.B.B.

te ... op 28.01.1991 (OK XIII)

## 6. de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde

\- een bedrag van … frank

ten nadele van **R. B.**

\- een bedrag van … frank

ten nadele van A.G.

te ... op niet nader te bepalen datum in de periode van 18.04.1990 tot 11.05.1990 (OK XIV)

## 7. de eerste en de tweede

een bedrag van … frank en … frank

ten nadele van A.B.B.

te ... op niet nader te bepalen datum in de periode van 03.09.1992 tot 22.09.1993 (OK XV)

## 8. de eerste en de tweede

een bedrag van … frank

ten nadele van A.B.B.

te ... op 30.09.1991 (kaft 16)

*Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. 19° correctionele kamer met 3 rechters, d.d. 23 juni 1999, rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist ten aanzien van* ***A. V. d. V.*** *en* ***M. V.*** *:*

Ontslaat **A. V. d. V.** van rechtsvervolging voor de betichtingen Al 4, AII 4, Al 12, AII 12, B 7, Al 13, AII 13, B 8, AII 23 en AII 24.

Veroordeelt V. d. V. A. voor de hierboven omschreven, verbeterde en bewezen verklaarde betichtingen Al 1, AII 1, B 1, Al 2, AII 2, B 2, Al 3, AII 3, B 3, AIS, AII 5, Al 6, AII 6, B 4, Al 7 tot en met 9, AII 7 tot en met 9, Al 10, AII 10, B 5, Al 11, AII 11, B 6, Al 14, AII 14, AII 15, AII 16, AII 17, AII 18, AII 19, AII 20, AII 21, AII 22, AII 25 samen tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van EEN JAAR en tot een GELDBOETE van … FRANK.

Verhoogt de geldboete met … decimes, aldus gebracht op … frank.

Beveelt dat bij gebreke aan betaling binnen de termijn bepaald bij artikel 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van 35 dagen.

De tegen de beklaagde uitgesproken straf, te ondergaan als hoofdstraf, gaat vijf jaar gevangenisstraf niet te boven en de veroordeelde heeft nog geen veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden opgelopen.

Terzake zijn er gronden om aan te nemen dat de veroordeelde zich aan de misdrijven zoals deze waarvoor hij werd gestraft niet meer zal schuldig maken.

Gelet op de artikelen 8 en 14/1 van de Wet van 29 juni 1964 en het K.B. van 29 augustus 1964 en art. 7 Wet 9.01.1991, zoals gewijzigd door de Wet van 10 februari 1994 en het uitvoeringsbesluit van 6 oktober 1994, beveelt de rechtbank dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van een jaar zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twee maanden zonder uitstel tot gevolg heeft.

Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van … FRANK, verhoogd met … opdeciemen, aldus gebracht op … frank, te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

---

Ontslaat **M. V.** van rechtsvervolging voor de betichtingen AI 4, AII 4, AI 12, AII 12, B 7, AI 13, AII 13, B 8, AII 23 en AII 24.

Veroordeelt **M. V.** voor de hierboven omschreven, verbeterde en bewezen verklaarde betichtingen Al 1, AII 1, B 1, Al 2, AII 2, B 2, Al 3, AII 3, B 3, AII 5, Al 6, AII 6, B 4, Al 7 tot en met 9, AII 7 tot en met 9, Al 10, AII 10, B 5, Al 11, AII 11, B 6, Al 14, AII 14, AII 15, AII 16, AII 17, AII 18, AII 19, AII 20, AII 21, AII 22, AII 25 samen tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van EEN JAAR en tot een GELDBOETE van … FRANK.

Verhoogt de geldboete met … decimen, aldus gebracht op … frank.

Beveelt dat bij gebreke aan betaling binnen de termijn bepaald bij artikel 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van 35 dagen.

De tegen de beklaagde uitgesproken straf, te ondergaan als hoofdstraf, gaat vijf jaar gevangenisstraf niet te boven en de veroordeelde heeft nog geen veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden opgelopen.

Terzake zijn er gronden om aan te nemen dat de veroordeelde zich aan de misdrijven zoals deze waarvoor zij werd gestraft niet meer zal schuldig maken.

Gelet op de artikelen 8 en 14/1 van de Wet van 29 juni 1964 en het K.B. van 29 augustus 1964 en art. 7 Wet 9.01.1991, zoals gewijzigd door de Wet van 10 februari 1994 en het uitvoeringsbesluit van 6 oktober 1994, beveelt de rechtbank dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van een jaar zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twee maanden zonder uitstel toe gevolg heeft.

Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van … FRANK, verhoogd met … opdeciemen, aldus gebracht op … frank, te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot huIp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

---

Veroordeelt de beklaagden in hun eigen specifieke kosten van vonnisafschrift, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat begroot op … frank in hoofde van **V. d. V. A.** en op … frank in hoofde van **V. M.**.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. V A.**, **V. M.**, **V. P.** en **V. d. V. R.** ieder tot 1/4de van de overige kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden voor het geheel begroot op … frank.

Legt de beklaagden **V. d. V. A.**, **V. M.**, **V. P.** en **V. d. V. R**. ieder eveneens een vergoeding op van … frank in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door K.B. 24.12.1993.

Beveelt de teruggave van de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie alhier onder nrs. 934306, 934469, 934468, 934309 3°, 934309 2°, aan de rechtmatige. eigenaar.

Verklaart verbeurd de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie alhier onder nrs. 940403, 940611, 936072, 935597, 934579, 935294, 935262, 934624, 934579, 934468, 934470, 933893, 934304, 934305, 934306, 934307, 934308, 934309, 934310, 934311, 934312, 934313, 934314, eigendom van de beklaagden en/of gediend hebbend om de misdrijven te plegen en/of voorwerp zijnde van de misdrijven.

---

### BURGERRECHTELIJK

Verklaart de eisen van de burgerlijke partijen voor het overige toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. B. A.** en **V. M.** solidair om te betalen aan de burgerlijke partij NV AG 1824 de som van … frank, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 11.10.1989 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke intrest op … frank en de kosten.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. V. A.** en **V. M.** solidair om te betalen aan de burgerlijke partij NV ABB, thans KBC de som van … frank, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 12.09.1990 op … frank tot heden en op … frank vanaf 14.09.1990 tot heden, de gerechtelijke intresten op … frank vanaf heden en de kosten.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. V. A.** en **V. M.** solidair om te betalen aan de burgerlijke partij NV ABB, thans KBC de som van … frank, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 3.12.1990 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke intrest op … frank en de kosten.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. V. A.** en **V. M.** solidair om te betalen aan de burgerlijke partij NV ABB, thans KBC de som van … frank, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 07.06.1991 op … frank tot heden, op … frank vanaf 29.07.1991 tot heden, op … frank vanaf 30.07.1991 tot heden, de gerechtelijke intresten op … frank vanaf heden en de kosten.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. V. A.** en **V. M.** solidair om te betalen aan de burgerlijke partij NV ABB, thans KBC de som van … frank, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 28.01.1991 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke intrest op … frank en de kosten.

Veroordeelt de beklaagden **V. d. V. A.**, **V. M.**, **V. P.** en **V. d. V. R.** solidair om te betalen aan de burgerlijke partij NV AG 1824 de som van … frank, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 10.05.1990 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke intrest op … frank en de kosten.

Wijst het door de burgerlijke partijen meer- of anders gevorderde af als niet gegrond.

---

*Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld door :*

\- *de eerste beklaagde,* ***A. V. d. V.****, op 8 juli 1999;*

\- *de tweede beklaagde,* ***M. V.****, op 8 juli 1999;*

\- *het Openbaar Ministerie, tegen voormelde beklaagden, op 8 juli 1999.*

---

Gelet op het tussenarrest van dit Hof d.d. 18 september 2002, waarin de vraag tot voeging van onderhavig dossier bij het dossier met not. 865/99 en de vraag tot het horen van een getuige bij de grond van de zaak werd gevoegd en het arrest uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, de beslissing nopens de kosten aanhoudend.

---

Gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands :

\- de beklaagde **V. d. v. A.** in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door Mter. **H. R.**, advocaat te Gent;

\- de beklaagde **V. M.** in haar middelen van verdediging, bijgestaan door Mter. **W. V. S.**, advocaat te Gent;

\- de burgerlijke partij NV. KBC in haar eis, vertegenwoordigd door Mter. **G. D. C.** loco Mter. **P. B.**, beiden advocaat te Gent;

\- de burgerlijke partij NV Fortis AG in haar eis, vertegenwoordigd door Mter. **G. D'H.** loco Mter. **F H.**, beiden advocaat te Gent;

\- de heer **F. O.**, Advocaat-generaal, in zijn vordering;

---

De hogere beroepen zijn regelmatig naar vorm en tijd.

### STRAFRECHTELIJK

### Nopens de verjaring

De misdrijven, voor zover bewezen, maken de uitvoering uit van eenzelfde misdadig opzet, zodat de verjaring pas begint te lopen vanaf het laatste misdrijf, hetzij 22/9/1993 (tenlastelegging B6).

De verjaringstermijn bedraagt overeenkomstig art. 21 Vfg. T. Sv. 5 jaar (art. 25 wet 24 december 1993 - procedurewet - onmiddellijk van toepassing op lopende zaken). De behandeling van de zaak voor de eerste rechter op 10 december 1997 stuit de strafvordering op geldige wijze (zie stuk 43 rechtspleging eerste aanleg). Vanaf die datum loopt een nieuwe termijn van 5 jaar. Gelet op de bepalingen van artikel 24ter Vfg. T. Sv. in verband met de schorsing van de verjaring (meer bepaald art. 24, 1° Vfg. T. Sv.) is er van enige verjaring van de strafvordering geen sprake.

### Nopens de betichtingen

De betichtingen werden door de eerste rechter op een correcte wijze verbeterd. Deze verbeteringen worden door het Hof overgenomen.

### Nopens de samenhang

Terecht heeft de eerste rechter de huidige zaak niet gevoegd met andere zaken lastens eerste en tweede beklaagden. Ook thans is er geen reden om tot voeging met de zaak not. 865/99 over te gaan.

Vooreerst dient vastgesteld te worden dat in de zaak met not. nr. AN.62. FI.1448/92 eerste beklaagde definitief werd veroordeeld wegens inbreuken op de milieuwetgeving bij arrest van 24 oktober 2001 van de tiende kamer van het Hof van Beroep te ANTWERPEN. Het door eerste beklaagde aangetekend beroep in cassatie werd verworpen bij het arrest d.d. 26 maart 2002 van het Hof van Cassatie. Wat betreft de voormelde inbreuken op de milieuwetgeving kan er aldus thans geen samenhang meer worden vastgesteld.

Evenmin bestaat er samenhang met de zaak not. nr. 865/99 waarbij eerste beklaagde sociale en fiscale misdrijven ten laste worden gelegd. De betichtingen in deze zaak en de huidige betichtingen vertonen onderling geen verband die het noodzakelijk zou maken de beide zaken samen te behandelen. De huidige zaak heeft betrekking op valsheden en oplichting bij arbeidsongevallen en verkeersongevallen, hetgeen vreemd is aan de sociale en fiscale fraude.

Uit de betrokkenheid van eerste en tweede beklaagden in de beide dossiers volgt niet noodzakelijkerwijs dat de zaken samenhangend zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat de dossiers hun oorsprong vinden in hetzelfde gerechtelijk onderzoek.

De samenhang is trouwens een modaliteit en heeft een facultatief karakter. Partijen kunnen geen absoluut recht op samenhang laten gelden.

### Nopens de nietigheden en onvolledigheid van het dossier

Zoals in de zaak voor de Correctionele Rechtbank te ANTWERPEN en vervolgens voor het Hof van Beroep te ANTWERPEN werpt eerste beklaagde opnieuw de excepties van nietigheid van het aanvankelijk proces-verbaal d.d. 12 september 1991, de onvolledigheid van het dossier, de onwettigheid van de saisine van de onderzoeksrechter door de onvolledigheid van de vordering van de Procureur des Konings te Antwerpen tot het instellen van een gerechtelijke onderzoek d.d. 11 februari 1992 en de onwettigheid van de beschikking tot huiszoeking op.

De eerste rechter heeft op correcte en oordeelkundige gronden de door beklaagden opgeworpen excepties beantwoord en verworpen. Het Hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter die hier als herhaald dienen beschouwd te worden.

Het Hof voegt er nog volgende overwegingen aan toe.

Op 11 februari 1992 werd door de Procureur des Konings te ANTWERPEN de onderzoeksrechter gevorderd tot een gerechtelijke onderzoek lastens **M. F.** en **V. d. V. A.** uit hoofde van de tenlasteleggingen :

A valsheid in geschriften en gebruik;

B ophalen afvalolie zonder erkenning;

C niet naleven van de voorwaarden van de vergunning voor het opslaan en zuiveren van afvalolie (kaft VIII, stuk 4574).

De tekst van het gedrukte formulier dat als vordering werd gebruikt, verwijst naar de bij die vordering gevoegde stukken. Uit deze stukken blijkt dat het misdrijven betrof die in verband stonden met het geheel van de beroepsactiviteiten van eerste beklaagde. De stukken verduidelijken de feiten die in de vordering tot het gerechtelijk onderzoek werden beoogd. Zij kunnen en moeten mede in aanmerking worden genomen ter interpretatie en ter bepaling van de feiten die het voorwerp uitmaakten van de strafvordering die aldus werd ingesteld.

### Nopens de huiszoekingen

1\. Op 12 september 1991 werd door opperwachtmeester **C. R.** en wachtmeester **D. R.** een proces-verbaal opgesteld waarin gesteld werd dat hen tijdens het inwinnen van informatie voor een ander onderzoek een attest bij ontvangst van afvalolie werd vertoond. Op dit attest zagen zij de naam van eerste beklaagde staan. Zij voegden er aan toe : "Wegens andere tussenkomsten inzake milieu inbreuken is **V. d. V.** ons bekend. Wij hebben twijfels of **V. d. V.** in het bezit is van een erkenning als ophaler". Op grond hiervan werd een verder onderzoek uitgevoerd waarbij bleek dat eerste beklaagde niet beschikte over een erkenning als ophaler van afvalolie.

Op 9 november 1992 werd door onderzoeksrechter **G.** beschikkingen tot huiszoeking afgeleverd op het adres "…, …, **M. F.**" en te "…, …, BVBA **A.** **M. E.**" en dit telkens "teneinde aldaar op te sporen en in beslag te nemen : alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek". Deze huiszoekingen werden uitgevoerd op 19 januari 1993. Bij de huiszoeking bij de BVBA **A.** vroegen de verbalisanten de vereiste vergunningen op vooraleer tot de huiszoeking zelf over te gaan.

Op dezelfde datum werd door onderzoeksrechter **G.** een beschikking tot huiszoeking afgeleverd op het adres "…, langs de …, gekend in kadaster Sectie 0 nr. 1253/C en 1251/A, **V. D. V. K.** en **V. D. V. S.**", op het adres "…, …, BVBA **V. d. V. A.**" en op het adres "…, …" telkens "teneinde aldaar op te sporen en in beslag te nemen : alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek". De huiszoeking te … werd op 19 januari 1993 uitgevoerd door eerste opperwachtmeester **D. V. Y.** en eerste wachtmeester **B. A**.. De huiszoeking te …, …, gebeurde door opperwachtmeester **F.**, bijgestaan door eerste wachtmeester **V. D. Y.**. De huiszoeking te …, …, werd uitgevoerd door eerste opperwachtmeester **C.**.

Op 15 januari 1993 werd door onderzoeksrechter **G.** opnieuw een beschikking tot huiszoeking op het adres …, …, afgeleverd "teneinde aldaar op te sporen en in beslag te nemen : alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek".

Voor de uitvoering van de huiszoekingen op 19 januari 1993 zijn opperwachtmeester **C.** en wachtmeester **D.** omstreeks 6 uur in de morgen overgegaan tot de briefing van drie bijkomende ploegen die elk afzonderlijk een huiszoekingsbevel dienden uit te voeren.

2\. Ook wat betreft de regelmatigheid van de huiszoekingen kan vooreerst verwezen worden naar de motieven van de eerste rechter die hier als herhaald dienen beschouwd te worden.

Ten aanzien van de door de onderzoeksrechter gegeven delegatie dient hierbij nog het volgende opgemerkt te worden.

Artikel 89bis Sv. noch enige andere wetsbepaling vereist dat de beslissing waarbij de onderzoeksrechter voor de uitvoering van een huiszoeking delegatie geeft aan een officier van gerechtelijke politie, opgave bevat van de feiten waarvoor de onderzoeksrechter geadieerd is of van hun voorlopige kwalificatie. De perken van het gerechtelijk onderzoek worden enkel bepaald door de saisine van de onderzoeksrechter die op haar beurt bepaald wordt door de vorderingen tot gerechtelijk onderzoek van de Procureur des Konings, zoals deze in casu onder meer blijkt uit de daarbij gevoegde stukken. Een vermelding op het huiszoekingsbevel van het misdrijf waarvoor de opdracht tot huiszoeking wordt afgeleverd kan deze saisine niet aanvullen noch wijzigen.

Voor de wettigheid van de delegatie volstaat het dat de officier van gerechtelijke politie die met de uitvoering van de huiszoeking gelast is, over de nodige gegevens beschikt die hem moeten toelaten te weten aangaande welk misdrijf de onderzoeksrechter zijn onderzoek voert en welke nuttige opsporingen en inbeslagnemingen hij in verband daarmee kan verrichten zonder de perken van het gerechtelijk onderzoek en van zijn opdracht te buiten te gaan.

Voor de wettigheid van de huiszoeking is geen uitdrukkelijke vermelding van het misdrijf op het huiszoekingsbevel vereist. De afwezigheid van enige vermelding op het huiszoekingsbevel in verband met het misdrijf staat er niet aan in de weg, dat de rechter, op grond van alle gegevens waarover de partijen tegenspraak kunnen voeren, de regelmatigheid van het huiszoekingsbevel en van zijn uitvoering inzonderheid de context van de vermelde saisine en van de delegatie onderzoekt. De afwezigheid van de vermelding tast op zich dan ook niet de regelmatigheid van de delegatie tot huiszoeking aan, noch levert zij een schending van art. 8 E.V.R.M. en art. 17 I.V.B.P.R. op.

De verbalisanten hebben in casu een regelmatige delegatie ontvangen zoals blijkt uit de hiervoor geschetste omstandigheden waarin de huiszoekingen werden bevolen en uitgevoerd. Voor de uitvoering van de huiszoekingen werden de verbalisanten gebrieft omtrent het onderzoek en hun opdracht. Opperwachtmeester **C.** was zelf goed op de hoogte van de misdrijven die dienden onderzocht te worden gezien hij zelf de initiële processen-verbaal heeft opgesteld.

Er zijn in dit verband geen redenen voorhanden om opperwachtmeester **C.** te horen als getuige. Het voorliggende strafdossier bevat alle noodzakelijke gegevens en stukken om de regelmatigheid van de huiszoekingen te kunnen beoordelen. Een getuigenverhoor kan deze beoordeling op geen enkele wijze beïnvloeden of nieuwe gegevens die bij deze beoordeling van belang zijn, aan het licht brengen.

Ten onrechte houden beklaagden nog voor dat de beschikkingen tot huiszoeking nietig zouden zijn op grond van art. 62bis, § 2 SV.

Beklaagden tonen niet aan dat het in art. 62bis, § 2 SV bepaalde geschonden werd. De Onderzoeksrechter oordeelt soeverein omtrent de spoedeisendheid.

### Nopens de houding van de leidende onderzoeker

Wat betreft de houding van de leidende onderzoeker verwijst het Hof eveneens naar de motieven van de eerste rechter die hier als herhaald dienen beschouwd te worden.

Het feit dat sommige door opperwachtmeester **C.** gebruikte uitdrukkingen voor kritiek vatbaar zouden kunnen zijn, doet niets af aan de waarde van zijn onderzoeksverrichtingen. Tweede beklaagde stelt hierbij dan ook ten onrechte de objectiviteit van deze verbalisant in vraag.

In ieder geval wordt vastgesteld dat de beklaagden omtrent alle in het strafdossier vermelde gegevens verweer hebben kunnen voeren. Zij hebben volop hun rechten van verdediging kunnen laten gelden zodat van een schending van art. 6 E.V.R.M. geen sprake kan zijn. Er is geen enkele onderzoeksdaad of onderzoekshandeling aangetast door een nietigheid die ook maar enigszins invloed zou kunnen uitoefenen op de beoordeling van de bewijselementen die in deze zaak werden verzameld.

### Nopens de feiten

### Tenlasteleggingen AI 1, AII 2 en B 1

Op 25 augustus 1989 werd bij de NV AG, thans NV **F.** AG een ongeval d.d. 30 juni 1989 aangegeven waarbij enerzijds de PVBA **R.- en V. V. D. V.** met als bestuurder van het voertuig **V. P.** en anderzijds **C. D.** betrokken waren.

**D. B. L.** verklaarde dat hij in 1989 een ongeval voorhad met een vuilniswagen van **V. D. V.** op de terreinen van SHELL Gent. **C. D.**; verklaarde hem wat later dat hij een aangifteformulier had ingevuld waarin beweerd werd dat hij met zijn tractor tegen de vuilniswagen had gereden zodat eerste beklaagde de herstelkosten kon recupereren van de verzekeraar. Volgens **D. B.** is het aangegeven ongeval nooit gebeurd.

**V. P.** verklaarde geen weet te hebben omtrent een ongeval met de tractor van **C.**. Hij had wel gehoord van een overeenkomst tussen eerste beklaagde en **C.** zonder dat deze laatste een ongeval had voorgehad. Ook **D. W. W.** stelde geen kennis te hebben van een ongeval tussen een vrachtwagen van eerste beklaagde en de tractor van **C.**. Hij had eveneens gehoord dat er een overeenkomst werd gesloten tussen eerste beklaagde en **C.**. Hij merkte op : "Ik weet dat **D. B.** met zijn camion (toen nog een vuilniswagen) tegen een container was gereden. **V. D. V.** heeft dan aan **C.** gevraagd om aan zijn verzekeraar aangifte te doen zodat hij zogezegd met zijn tractor tegen de camion was gereden. Zodoende werd **V. D. V.** voor de geleden schade uitbetaald. Ik herhaal dat ik dit verhaal enkel gehoord heb en dat ik niet weet van zo'n ongeval".

**C.** verklaarde geen idee meer te hebben wanneer het verkeersongeval met één van de camions van **V. D. V.** gebeurd is. Volgens hem reed hij achterwaarts van zijn hof tegen de voorkant van een camion met citerne. Hij wist evenmin nog wie de chauffeur van de vrachtwagen was.

Tweede beklaagde erkende dat zij gedeelten van het aangifteformulier invulde, onder meer de datum, plaats, verzekeringnemer partij A en de achterkant met uitzondering van het rekeningnummer. Tweede beklaagde beweerde verder zich het verkeersongeval niet meer te kunnen herinneren (stuk 44). Volgens **V. D. V. L.**, verzekeringsagent van **C.**, werd hem het aanrijdingsformulier bezorgd door tweede beklaagde (stuk 47). Uit de verklaring van **V. D. V. L.** blijkt eveneens nog dat het ongeval hem niet werd gemeld door tweede beklaagde. Tweede beklaagde had nochtans eerder verklaard : "Ik heb samen met de chauffeur het aangifteformulier ingevuld en het aan mijn verzekeraar gegeven" (stuk 21).

Bij de toenmalige verzekeringsagent van eerste beklaagde werden geen documenten teruggevonden betreffende een ongeval d.d. 30 juni 1989. De agent **D. M.** is zeker dat zij op het aangifteformulier geen vermeldingen herkent dewelke door haar zouden ingevuld zijn (stuk 60).

Eerste beklaagde verklaarde aan de verbalisanten niets af te weten van een ongeval in 1989 tussen een vrachtwagen van zijn firma en een tractor van **C.**. Volgens eerste beklaagde had hij zelfs geen weet van de storting van het schadebedrag van … fr. op zijn persoonlijke rekening (stuk 78).

De factuur met betrekking tot het herstel van de vrachtwagen blijkt gedateerd te zijn op 14 maart 1989, hetzij voor de beweerde datum van het ongeval d.d. 30 juni 1989 (stuk 80). Het ongeval bij SHELL Gent deed zich voor op 8 februari 1989. De vrachtwagen kwam bij de hersteller binnen op 10 februari 1989 (stuk 90)! Bovendien was er een regeling tussen eerste beklaagde en SHELL het ongeval niet aan te geven aan de verzekeraar.

Het staat dan ook vast dat door eerste en tweede beklaagden een valse ongevalsaangifte werd ingevuld teneinde op bedrieglijke wijze een vergoeding te bekomen van de verzekeraar. De tenlasteleggingen zijn bewezen.

### Tenlasteleggingen Al 2, AII 2, AII 15, B2

**D. B. L.** verklaarde dat hij in juli 1990 met **B. M.** aan het werken was in opdracht van eerste beklaagde in het UZ te GENT. Op een bepaald moment kwetste hij zich aan de knie waarna de wonde in de dienst spoedopname werd gehecht. Volgens **D. B.** mocht hij onmiddellijk het ziekenhuis verlaten en is hij blijven doorwerken. **D. B.** voegde er nog aan toe dat hij nooit contact gehad heeft met dr. **C.**.

Op 7 juli 1990 werd door de firma van eerste beklaagde evenwel aangifte van een arbeidsongeval gedaan waarbij **D. B.** volgens de attesten van dr. **C.** 100 % werk onbekwaam was en het werk pas hernam op 20 augustus 1990. De volledige genezing zou ingetreden zijn op 5 september 1990 (stukken 8, 12 en 13).

Dr. **C.** verklaarde dat het volkomen fout was dat hij **D. B. L.** niet zou gezien hebben voor onderzoek. **D. B.** zou meerdere malen bij hem zijn geweest. Dr. **C.** erkende wel het attest van genezing te hebben uitgeschreven zonder betrokkene gezien te hebben.

Tweede beklaagde erkende aanvankelijk haar handtekening op de aangifte niet. Na vaststelling van de gelijkenis met de handtekening op een ander stuk die zij wel erkend had, stelde zij te twijfelen aan deze laatste handtekening (stuk 29). Verzekeringsagent **V. D. V. L.** verklaarde : "Al de aangiften die getekend zijn voor 1993 zijn zeker door haar ondertekend. Ik was er persoonlijk bij... De ongevalsaangifte is door mij ingevuld. **V.** heeft het stuk getekend in mijn aanwezigheid" (stuk 56). In haar verklaring d.d. 23 november 1993 erkende tweede beklaagde dan toch haar handtekening (stuk 62/4).

Het staat aldus vast dat **D. B.** door het arbeidsongeval d.d. 7 juli 1990 niet werk onbekwaam was en beklaagden op de aangifte van het arbeidsongeval op valse wijze het tegendeel hebben vermeld. De tenlasteleggingen blijven bewezen.

### Tenlasteleggingen Al 3, AII 3, AII 16 en B3

**C. D.** verklaarde dat hij bij zijn tewerkstelling op het bedrijf **V. M.** een arbeidsongeval voorhad ingevolge een val bij het kuisen van een silo. Hij wees er op dat hij niet bij het spuiten is uitgegleden (stuk 6) en dat hij niet bij dr. **C.** is geweest. Volgens **C.** was hij zeker geen maand werkongeschikt doch hoogstens twee of drie weken.

Volgens de aangifte van het arbeidsongeval, opgesteld op 11 september 1990 en ondertekend door tweede beklaagde, was sprake van : "Spuiten - Het lag er glibberig - Bij het uitslieren is het slachtoffer op de elleboog gevallen". Dr. **C.** zou **C.** onderzocht hebben op 6 oktober 1990 terwijl volgens een niet ondertekende verklaring d.d. 24 oktober 1990 van de patroon de werkhervatting werd bepaald op 8 oktober 1990.

Tweede beklaagde verklaarde het geschrift, noch de handtekening te herkennen (stukken 26-27). Verzekeringsagent **V. D. V.** stelde evenwel : "De ongevalsaangifte is door mij ingevuld. **V.** heeft het stuk getekend in mijn aanwezigheid". Tweede beklaagde reageerde hierop in haar verklaring d.d. 23 november 1993 : "Ook hier moet de handtekening van mij zijn. Ik ben hier wel geen 100 % zeker van".

De ongevalsaangifte werd op een niet correcte wijze ingevuld. De tenlasteleggingen blijven bewezen.

### Tenlasteleggingen Al 4, AII 4, AII 17 en AII 18

**W. D.** verklaarde dat hij in opdracht van eerste beklaagde diende te werken op het bedrijf **O. T.** te GENT. Tijdens het afkoppelen van darmen van één van de vrachtwagens kreeg **W.** een soort vloeistof vermengd met zand in zijn aangezicht. Na een bezoek bij dr. **C.** ging **W.** naar de dienst spoedopname van de Volkskliniek te GENT en werd werk onbekwaam verklaard tot 13 januari 1991. **W.** was aan het werk samen met **B. D.**.

Het aangifteformulier vermeldt **V. P.** als getuige terwijl volgens **W.** enkel **B.** aanwezig was. Tevens wordt melding gemaakt van het feit dat het slachtoffer een darm op zijn rug zou gekregen hebben. Volgens attest van dr. **C.** heeft hij betrokkene doorgestuurd naar een oogarts, hetgeen door **W.** ontkend wordt.

Ook ten aanzien van deze aangifte verklaarde tweede beklaagde het geschrift noch de handtekening te herkennen (stuk 24/2), waarna verzekeringsagent **V. D. V.** stelde dat de aangifte door hem was ingevuld en door **V.** ondertekend werd in zijn aanwezigheid (stuk 40/4). Nadien achtte tweede beklaagde het wel mogelijk dat zij de ongevalsaangifte had getekend doch zij twijfelde wanneer zij de handtekening zag (stuk 41).

**V. P.** verklaarde dat hij wel degelijk getuige was van het ongeval d.d. 7 december 1990 overkomen aan **W. D.** (stuk 38). Dit wordt formeel ontkend door **B.** (stuk43). Volgens **V.** was ook **D. W.** getuige (stuk 44), hetgeen door deze laatste eveneens werd ontkend (stuk 45).

De tenlasteleggingen Al 4 en AII 4 zijn ook voor het Hof niet bewezen gebleven, nu vaststaat dat **W.** het slachtoffer was van een arbeidsongeval. De tenlasteleggingen AII 17 en AII18 zijn wel bewezen gebleven gezien het medisch attest d.d. 16 januari 1991 niet aan de werkelijkheid beantwoordde.

### Tenlasteleggingen Al 5, AII 5, AII 19 en AII 20 (aangifte arbeidsongeval) en Al 6, AII 6 en B4 (verklaring patroon)

**C. D.** verklaarde dat hij geen ongeval voorhad op 21 januari 1991 op de openbare weg te DRONGEN doch in die periode wel een ongeval had bij hem thuis waarbij hij ten val kwam. Dr. **C.** schreef 14 dagen platte rust voor. Na die veertien dagen is **C.** terug beginnen werken.

Door tweede beklaagde werd op 23 januari 1991 een aangifte van een arbeidsongeval gedaan waarvan **C.** geen kennis had.

Volgens het attest van dr. **C.** was **C.** werk onbekwaam gedurende een zestal weken vanaf 22 januari 1991, en dit in tegenstelling tot het doktersbriefje afgegeven aan betrokkene.

De verklaring van de patroon vermeldt een werkhervatting op 13 mei 1991, hetzij 4 maanden na het ongeval, daar waar **C.** reeds na veertien dagen het werk hernam.

Tweede beklaagde verklaarde het geschrift noch de handtekening van de aangifte en verklaring van de patroon te herkennen (stuk 23/2). Volgens verzekeringsagent **V. D. V.** is ook deze aangifte door hem ingevuld en ondertekend door **V.** (stuk 47/4). Na een huiszoeking gaf tweede beklaagde toe dat de verklaring van **C.** door haar geschreven was en ook de handtekening werkgever van haar was (stuk 53).

De tenlasteleggingen blijven voor het Hof bewezen. De eerste rechter vergat evenwel in het beschikkend gedeelte de tenlastelegging Al 5 te vermelden wat **V. M.** betreft.

Tenlasteleggingen Al 7 en AII 7 (aangifte arbeidsongeval), Al 8, AII 8, AII 21 en AII 22 (verklaring patroon) en Al 9 en AII 9 (verklaring aan verzekeraar)

**C. D.** verklaarde dat hij op 9 april 1991 een arbeidsongeval voorhad tijdens zijn tewerkstelling op het bedrijf **K.**. In het UZ werd een arbeidsongeschiktheid geattesteerd van twee tot drie weken. Volgens **C.** ging hij na een drietal weken terug werken en was hij zeker niet arbeidsongeschikt tot 29 juli 1991 zoals vermeld door de firma en de verklaring van tweede beklaagde. **C.** wijst er nog op dat hij nooit bij dr. **C.** is geweest.

Dr. **C.** leverde een attest af op 16 augustus 1991 waarin wordt vermeld dat hij **C.** doorverwees naar het UZ. Tweede beklaagde stelde in de verklaring van de werkgever dat **C.** het werk zou hervat hebben op 30 juli 1991.

Eens te meer verklaarde tweede beklaagde het geschrift en handtekening van de aangifte en verklaring patroon niet te herkennen (stuk 25). Ook de verzekeringsagent verklaarde opnieuw dat de ongevalsaangifte door hem ingevuld was en door **V.** ondertekend was in zijn aanwezigheid (stuk 34/4). In haar verklaring d.d. 23 november 1993 achtte tweede beklaagde het wel mogelijk dat zij de ongevalsaangifte heeft getekend.

### De tenlasteleggingen blijven bewezen

### Tenlasteleggingen Al 10, AII 10, AII 25 en B 5

**C. D.** verklaarde dat een ongeval d.d. 12 december 1990 waarbij hij op de openbare weg te GENT bij het kuisen van rioolputten zijn linkerarm verstuikte, hem onbekend was. Volgens **C.** is hij in de periode december 1990 - januari 1991 nooit arbeidsongeschikt geweest.

Op 13 december 1990 werd door tweede beklaagde evenwel een aangifte gedaan van een arbeidsongeval in de voormelde omstandigheden~ Volgens een medisch attest d.d. 16 januari 1991 van dr. **C.** was **C.** werk onbekwaam van 12 december 1990 tot 13 januari 1991. Dit attest vermeldt een kwetsuur aan de rechterelleboog terwijl de aangifte gewag maakt van de linkerarm.

Tweede beklaagde verklaarde andermaal het geschrift van de aangifte niet te kennen (stuk 16/3), hetgeen daaropvolgend werd tegengesproken door verzekeringsagent **V. D. V.** (stuk 48/4).

De tenlasteleggingen blijven bewezen

### Tenlastelegging Al 11, AII 11 en B6

**V. D. V. R.** verklaarde aan de verbalisanten dat zij betrokken was in een verkeersongeval met en voertuig van de firma van eerste beklaagde. bestuurd door **V. P.**. Volgens **V. D. V.** is **V.** tegen haar geparkeerd voertuig gereden ter hoogte van de oprit van haar woning te ….

**V.** stelde dat hij op 19 februari 1990 betrokken was in een verkeersongeval te …, …, waarbij hij bij het achterwaarts maneuvreren een geparkeerd voertuig raakte. Volgens **V.** zag hij enkele minuten later dat de bestuurde van dit voertuig **V. D. V.** was die op dat·ogenblik werknemer was van eerste beklaagde. Het voertuig van **V. D. V.** zou beschadigd geweest zijn linksvoor.

Uit het onderzoek is gebleken dat de versies van beide partijen elkaar op verschillende plaatsen tegenspreken.

Bij de NV **R. B.** werd vernomen dat **V. D. V.** een ongeval d.d. 16 en vervolgens 19 februari 1990 aangaf. **B. M.** bevestigde dat hij op 16 februari 1990 een ongeval had met **V. D. V.** waardoor het voertuig van deze laatste niet meer kon rijden.

Het staat dan ook vast dat op het aanrijdingsformulier d.d. 19 februari 1990 een fictief ongeval werd aangegeven. De tenlasteleggingen blijven bewezen.

### Tenlasteleggingen Al 12, AII 12 en B7

De verbalisanten vermoedden dat het ongeval d.d. 3 september 1992 fictief was gezien op de enig mogelijke plaats van het ongeval geen sporen werden aangetroffen (stuk 4), Tevens stelden zij dat het hen onmogelijk leek dat een Citroën, bestuurd door **V. D. V. E.**, de zware personenauto Jaguar van eerste beklaagde zomaar een gracht in slingerde, rekening houdend met de relatief lichte schade aan de Citroën.

De takeldienst **V.** bevestigde evenwel dat een Jaguar in de gracht zat terwijl ook de beschadigde Citroën op de plaats van het ongeval aanwezig was. **V. L.** van de NV. Jaguar **V.** verklaarde dat de auto van eerste beklaagde na het ongeval in september 1992 goed beschadigd was. Hij verwees naar het feit dat de binnenkant van de auto nat was en met water doortrokken was tot de zittingen van de zetels. Het voertuig was rondom rond gekrast en gedeukt.

Eerste beklaagde verklaarde dat hij zich een ongeval te EEKLO op een baantje dat uitkomt op de N49 herinnerde. Hij wist niet meer juist waar het was, noch kon hij de datum van het ongeval meedelen. Wel stelde hij dat zijn auto in de gracht terecht kwam. Naderhand zou hem meegedeeld zijn dat de aanrijder **V. D. V. E.** was.

Gelet op de verklaring van de opsleper en de garagehouder kan aangenomen worden dat er zich effectief een aanrijding heeft voorgedaan. De tenlasteleggingen zijn niet bewezen gebleven.

### Tenlasteleggingen Al 13, AII 13 en B8

Eerste beklaagde deed op 8 september 1991 aangifte bij de NV ABB van schade aan het voertuig Jaguar XJG met nummerplaat …. Volgens de aangifte werd dit voertuig beschadigd toen het langs de expresweg geparkeerd stond en waarschijnlijk bij het passeren van een ander voertuig de ruiten gebroken zijn.

Door de firma **V.** bij wie het voertuig ter herstelling werd binnengebracht, werden twee facturen opgesteld. De factuur nr. … (… fr.) betrof het herstel van de schade. Voor deze factuur werd een kredietnota uitgeschreven gezien het herstel niet uitgevoerd werd.

De factuur nr. … betrof onder andere twee nieuwe banden en het herstellen van lichte lakschade (… fr.) Deze factuur werd evenwel niet aan de verzekeraar overgemaakt.

De NV ABB betaalde een bedrag van … fr. uit aan eerste beklaagde op basis van de factuur nr. … fr. Dat de herstelling niet werd uitgevoerd, houdt op zich niet in dat het voertuig niet beschadigd werd door het ongeval en de verzekeraar niet tot uitbetaling gehouden was.

De tenlasteleggingen zijn voor het Hof niet bewezen gebleven.

### Tenlastelegging AI 14 en AII 14

**D. B. L.** verklaarde aan de verbalisanten dat het ongeval d.d. 29 januari 1993 geen arbeidsongeval was maat de kwetsuren werden veroorzaakt door de val van de trap bij hem thuis (stuk 5). Tweede beklaagde liet aan **D. B.** weten dat zij het ongeval als een arbeidsongeval zou aangeven. Volgens deze aangifte was **D. B.** van de vrachtwagen gevallen.

De aangifte werd ingevuld door de bediende van verzekeringsagent **V. D. V.** op basis van de telefonische meldingen van tweede beklaagde (stuk 12/5).

Het staat vast dat een valse ongevalsaangifte werd opgesteld. De tenlasteleggingen zijn bewezen gebleven.

### Tenlasteleggingen AII 23 en AII 24

**B. F.** verklaarde dat hij een arbeidsongeval voorhad aan de rechterenkel. De enkel werd door dr. **C.** in het gips gestoken. Betrokkene kon zich de omstandigheden van het ongeval niet meer voorstellen. Volgens **B.** heeft hij zich niet meer bij dr. **C.** aangemeld bij het einde van zijn werkonbekwaamheid.

Op 22 juni 1992 werd door dr. **C.** een medisch attest van genezing uitgeschreven (stuk 10). Volgens dr. **C.** was het mogelijk dat hij het attest heeft geschreven zonder betrokkene vooraf gezien te hebben (stuk 13/3).

Uit de verklaringen van **B.** blijkt niet op afdoende wijze dat de medische attesten dd. 15 april 1992 en 22 juni 1992 niet met de werkelijkheid overeen stemmen. De tenlasteleggingen zijn ook voor het Hof niet bewezen gebleven.

### Nopens de strafmaat

### Voorafgaandelijk

Er dient rekening gehouden te worden met de wetgeving omtrent de invoering van de euro. Beklaagden dienen veroordeeld te worden tot betaling van geldsommen die uitgedrukt zijn in euro.

In de thans te beoordelen zaak werden de bewezen verklaarde feiten allen gepleegd vóór datum van 01/01/2002. Nu deze feiten ook na 01/01/2002 strafbaar zijn gebleven, dient het Hof bij de uiteindelijke straftoemeting ook rekening te houden met de regels inzake de werking van de strafwet in de tijd (nI. artikel 2 Swb. en de artikelen 7.1. van het E.V.R.M. en 15 van het I.V.B.P.R. of B.U.P.O.-verdrag). De beginselen inzake de niet-retroactiviteit van de strengere strafwet (artikel 2, lid 1 Swb.) en de retroactiviteit van de mildere strafwet (artikel 2, lid 2 Swb) moeten worden toegepast. De invoering van de euro kan geen strafverzwaring meebrengen ten aanzien van feiten die gepleegd werden vóór 01/01/2002.

Het Hof merkt hierbij nog op dat de nieuwe regeling, ingevoerd door de artikelen 2 en 4 van de wet van 26/06/2000 (in werking getreden vanaf 01/01/2002 - zie artikel 9 van deze wet) betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de grondwet (B.S. 29/07/2000, 26.213), in casu niet wordt toegepast, nu dergelijke toepassing in strijd zou zijn met de beginselen zoals vervat in artikel 2 Swb. Immers, het resultaat van de rekenkundige bewerking welke dient toegepast vanaf 01/01/2002 (nI. bedragen van de geldsommen waarop de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten worden toegepast, uitgedrukt in euro, en vermenigvuldigd met 5 - zie art. 2 en 4 wet 26/06/2000) zal steeds hoger zijn dan dit van de rekenkundige bewerking welke voorheen diende toegepast (nI. bedragen van de geldsommen waarop de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten werden toegepast, uitgedrukt in de toenmalige nationale munteenheid, verhoogd met de opdeciemen en gedeeld door 40,3399, met afronding van het aldus bekomen resultaat op de tweede decimaal).

De huidige straf verschilt aldus van de straf die bepaald was ten tijde van de misdrijven zoals thans in hoofde van beklaagden bewezen verklaard. Nu deze laatste straf lichter was, dient de geldboete berekend te worden overeenkomstig de oude wetsbepalingen en verder omgezet te worden in euro.

### In hoofde van eerste beklaagde

1\. Eerste beklaagde kan niet gevolgd worden waar hij voorhoudt dat een eenheid van opzet bestaat tussen de huidige zaak en de zaak die reeds definitief werd beslecht bij het arrest d.d. 24 oktober 2001 van het Hof van Beroep te ANTWERPEN.

Tussen de inbreuken op de milieuwetgeving waarvoor hij veroordeeld werd bij voormeld arrest en de valsheden en oplichtingen waarvoor eerste beklaagde thans terechtstaat, bestaat geen eenheid van opzet. De feiten zijn van een volkomen andere aard.

Dat de misdrijven aan het licht zijn gekomen in het kader van hetzelfde gerechtelijk onderzoek, toont op zich de eenheid van opzet niet aan. Evenmin blijkt deze eenheid uit het feit dat de misdrijven in de beide zaken enig verband hebben met de beroepsactiviteiten van eerste beklaagde.

2\. Eerste beklaagde heeft zich op grote schaal schuldig gemaakt valsheden en fraude ten overstaan van zijn verzekeraars. De feiten zijn bijzonder ernstig en getuigen van een totaal gebrek aan maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De feiten dateren uit de periode 1989 - 1993. Gelet op het tijdsverloop sedert de feiten dient de overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld te worden en volstaat bij toepassing van art. 21ter Vfg. T. Sv. de door de eerste rechter opgelegde geldboete.

### Nopens tweede beklaagde

Ook tweede beklaagde heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige fraude. De feiten in hoofde van tweede beklaagde getuigen eveneens van een gemis aan maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De feiten dateren uit de periode 1989 - 1993. Gelet op het tijdsverloop sedert de feiten dient de overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld te worden en volstaat bij toepassing van art. 21ter Vfg. 1. Sv. de door de eerste rechter opgelegde geldboete.

### Nopens de overtuigingsstukken, de kosten, de bijzondere vergoeding en de solidariteitsbijdrage

De eerste rechter statueerde oordeelkundig over de overtuigingsstukken, de gerechtskosten, de vergoedingen voor de kosten van het verloop van de strafprocedure en de solidariteitsbijdragen.

Hierbij dient thans eveneens rekening gehouden te worden met de wettelijke bepalingen betreffende de invoering van de euro.

### BURGERRECHTELIJK

De eerste rechter heeft de vorderingen van de burgerlijke partijen correct beoordeeld. De toegekende bedragen vergoeden op passende wijze de door de burgerlijke partijen geleden schade. Omtrent de vorderingen van de burgerlijke partijen werd trouwens door beklaagden cijfermatig geen verweer gevoerd.

De aan de burgerlijke partijen toegekende vergoedingen dienen thans omgezet te worden in euro.

**OP DEZE GRONDEN,**

**Het Hof**, rechtdoende op **tegenspraak**;

Gelet op :

\- de artikelen door de eerste rechter aangehaald;

\- artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

\- art. 21 Vfg. T. Wetboek van Strafvordering;

\- artikel 190, 210 en 211 van het Wetboek van Strafvordering;

\- artikel 3 en 4 van de wet van 30 oktober 1998 betreffende de euro;

\- Verordening (EG) nr. 2866/98 van de Raad van de Europese Unie van 31 december 1998 over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen;

\- artikel 2 en 4 van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet;

\- artikel 1 en 2 van het KB. van 11december 2001;

\- art. 2 S.W.

al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de Voorzitter aangeduid;

Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en erover beslissend

### OP STRAFRECHTELIJK GEBIED

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande :

\- dat gepreciseerd wordt dat de bestraffing, wat **V. M.** betreft, ook geldt voor het misdrijf Al 5, zoals trouwens ook bewezen verklaard in het eerste vonnis;

\- dat aan eerste en tweede beklaagden geen gevangenisstraf wordt opgelegd;

\- dat de aan eerste beklaagde opgelegde geldboete thans wordt bepaald op … FRANK, vermeerderd met 990 opdeciemen, en aldus gebracht op … fr. : 40,3399 = … EUR;

\- dat de aan tweede beklaagde opgelegde geldboete thans wordt bepaald op … FRANK, vermeerderd met 990 opdeciemen, en aldus gebracht op … fr. : 40,3399 = … EUR;

\- dat het bedrag van de kosten, zoals begroot in het bestreden vonnis, thans wordt in hoofde van eerste en tweede beklaagden elk wordt bepaald op … fr. : 40,3399 = … EUR en één vierde van … fr. : 40,3399 = … EUR;

\- dat de vergoedingen opgelegd in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992 en het KB. van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het KB. van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, gewijzigd bij KB. van 23 december 1993, overeenkomstig art. 1 van het KB van 11 december 2001 worden bepaald op … EUR;

\- dat de bijdragen tot financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, zoals bepaald bij artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gewijzigd bij artikel 3 van de programmawet van 24 december 1993, worden bepaald op 10 EUR, verhoogd met 40 opdeciemen, en aldus worden gebracht op … EUR.

Veroordeelt eerste en tweede beklaagden elk tot de helft van de kosten van hoger beroep gevallen aan de zijde van het OPENBAAR MINISTERIE en begroot deze op … EUR.

### OP BURGERRECHTELIJK GEBIED

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat :

\- de aan de NV **F.** AG toekomende bedragen in hoofdsom worden bepaald op … fr. : 40,3399 = … EUR en … fr. : 40,3399 = … EUR;

\- de aan de NV ABB, thans NV KBC **V.**, toekomende bedragen worden bepaald op :

o … fr. : 40,3399 = … EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 12 september 1990 op … fr. : 40,3399 = … EUR tot datum van het bestreden vonnis en op … fr. : 40,3399 = …4 EUR vanaf 14 september 1990 tot datum van het bestreden vonnis, de gerechtelijke intresten op … fr. : 40,3399 = … EUR van de datum van het bestreden vonnis;

o … fr. : 40,3399 = … EUR;

o … fr. : 40,3399 = … EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 7 juni 1991 op … fr. : 40,3399 = … EUR tot datum van het bestreden vonnis, op … fr. : 40,3399 = … EUR vanaf 29 juli 1991 tot datum van het bestreden vonnis, op … fr. : 40,3399 = … EUR vanaf 30 juli 1991 tot datum van het bestreden vonnis, de gerechtelijke intresten op … fr. : 40,3399 = … EUR vanaf de datum van het bestreden vonnis;

o … fr. : 40,3399 = … EUR.

Veroordeelt eerste en tweede beklaagden tot de kosten van hoger beroep gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen.

*Bij bevelschrift van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Gent d.d. 26 december 2002 werd Raadsheer* ***K. D.*** *aangewezen om Raadsheer* ***G. J.*** *op het ogenblik van de uitspraak te vervangen, deze laatste wettig verhinderd zijnde de uitspraak bij te wonen van onderhavig arrest waarover hij mede heeft beraadslaagd.*

*(art. 779 al. 2 G. W)*

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van **zesentwintig december tweeduizend en twee**.

Aanwezig de heren :

**B. D.**, Voorzitter,

**M. M.** en **K. D.**, Raadsheren,

**F. D.**, Advocaat-generaal,

**D. B.**, Griffier.

**B.** **D.** **M.** **D.**
