---
title: "Cour d&#x27;appel de Gand, 28 mars 2002"
description: "Cour d'appel de Gand (Belgique), 28 mars 2002."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-gand-2002-03-28-5e4c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel de Gand, 28 mars 2002 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Gand

**Date**

28 mars 2002

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

349 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 28.03.2002

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Hof van beroep te Gent – 1****e** **Kamer - terechtzitting van 28-03-2002**

**2002/AR/30**

In de zaak van :

**S. NV**, financieel adviseur, coördinator en beheerder van werven en tussenpersoon in immobiliën, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder het nummer …,

**appellante,**

hebbende als raadsman Mr. **S. J.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**1. DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen op vervolging en benaarstiging van de heer Ontvanger van het 1 ste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**2. DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen op vervolging en benaarstiging van de heer Hoofdcontroleur der BTW te Kortrijk 1, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**geïntimeerden,**

hebbende als raadsman Mr. **P. M.**, advocaat te …, …,

velt het Hof het volgend arrest :

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935.

De NV **S.** tekent bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 januari 2002 hoger beroep tegen het vonnis, gewezen op 5 maart 2001 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, tweede kamer, waarbij haar verzet aangetekend tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 20 juni 1995 door **P. L.**, ontvanger van het 1 ste BTW-Ontvangkantoor van Kortrijk, slechts in beperkte mate gegrond wordt verklaard.

De geïntimeerde werpt op dat het hoger beroep laattijdig is.

Het beroep vonnis werpt aan de appellante betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. P.** op 30 november 2001.

Het verzoekschrift hoger beroep werd neergelegd op 7 januari 2002, d.i. na verloop van de termijn van hoger beroep, welke overeenkomstig art. 57 Ger.W. begint te lopen vanaf de afgifte (art. 33 t.e.m. 35 Ger.W.) zoals te dezen.

### Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op **tegenspraak**,

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk wegens laattijdigheid;

Laat de kosten van deze aanleg ten laste van de appellante;

Begroot deze in hoofde van de geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **EERSTE KAMER**, zitting houdende in burgerlijke zaken, van **ACHTENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN TWEE**.

Aanwezig :

**G. B.**, Kamervoorzitter;

**B. D.**, Raadsheer;

**H. V. B.**, Raadsheer;

**B. C.**, Griffier.

**B. C.** **H. V. B.** **B. D.** **G. B.**

### Décision jointe par le SPF

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHT SPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :**

In de zaak : **96/59596/A**

**NV S.**, financiële adviezen, coördinatie en beheer van werven en tussenpersonen in immobiliën; met zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …;

**eiseres;**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **F. V.**, loco Meester **J. S.**, beiden advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door dhr. Minister van Financiën wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, op vervolging en benaarstiging van :

1) Dhr. Ontvanger van het 1 e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hovenierstraat 31;

2) Dhr. Hoofdcontroleur der BTW te Kortrijk 1, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

**verweerder;**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **F. W.**, advocaat te …, …;

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Gezien het vonnis gewezen op tegenspraak op 17 januari 2000 waarin reeds de feiten, antecedenten, betwistingen en de verzetsvordering (in fiscalibus) werden uiteengezet.

Het vonnis van 17 januari 2000 beslecht reeds definitief volgende betwisting tussen partijen : het probleem van de vermindering van de voorbelasting met de BTW op privé-uitgaven en de BTW die aan wettelijke aftrekbepalingen onderhevig is (artikel 45 Wetboek­BTW) met de onderverdelingen :

a) afgehouden BTW (voorbelasting) met betrekking tot het eigen gebouw (woning) + tuin en open haard;

b) autokosten;

c) BTW met betrekking tot privé-uitgaven en geschenken.

Op sommige punten legde eiseres (verzetdoenster) zich neer bij het standpunt van de administratie, op de overige punten werd haar verzet ongegrond bevonden.

Het verzet van eiseres wat betreft deze voormelde betwisting komt in zijn geheel derhalve ongegrond voor en het standpunt van de administratie wordt bevestigd.

Het vonnis van 17 januari 2000 heeft het verzet toelaatbaar, ontvankelijk, tijdig en regelmatig naar de vorm verklaard.

Alvorens verder te oordelen nopens de al dan niet gegrondheid van het verzet, wat de overige discussiepunten tussen partijen betreft, werd de ambtshalve heropening der debatten bevolen (artikel 774 Ger.W.) ten einde partijen de gelegenheid te geven te antwoorden op de onder de punten II tot en met V gerezen vragen en onduidelijkheden en desgevallend de taxatie te herberekenen en aan te passen in cijfers.

---

Rechtzetting van een materiële vergissing geslopen op bladzijde 2 van het vonnis van 17 januari 2000.

Waar het vonnis vermeldt op bladzijde 2 dat de kwestige controle plaatsvond op 27 maart 1996 moet dit zijn 27 maart 1995.

Zoals correct gesteld in het vonnis van 17 januari 2000 betrof de controle de periode van 1 Juli 1991 tot 30 juni 1994 (dit wil zeggen het boekjaar 91-92, boekjaar 92-93 en boekjaar 93-94).

---

Punt II : Wat de aftrekregeling betreft zoals van toepassing na hetgeen reeds onder punt 1 werd beslist (bij vonnis d.d. 17 januari 2000).

Eiseres dringt ten zeerste aan op de toepassing van de aftrek volgens werkelijk gebruik, wat betreft de gecontroleerde periode, dus retroactief toe te passen door de administratie.

Het is evenwel eiseres die zal moeten aantonen dat zij in de voorwaarden verkeert om op deze aanspraak te maken voor het verleden, met andere woorden dat de aftrek volgens werkelijk gebruik zich als logisch opdringt voor het verleden (de in casu gecontroleerde periode).

In casu handelt de problematiek niet over een taxatie voor ontdoken of te weinig betaalde BTW, doch integendeel om verwerping door verweerder van door eiseres reeds uitgevoerde te veel afgetrokken BTW.

In het proces-verbaal van 15 juni 1995 van **D. J.**, verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, bij het dwangbevel gevoegd, onderbouwt de administratie haar weigering op 2 gronden :

1° met te zeggen dat er vooreerst geen verzoek was ingediend door eiseres tot aftrek volgens het werkelijk gebruik;

(dit verzoek van eiseres, ook voor het verleden, is er eerst gekomen bij brief van 21 augustus 1995 en werd door de administratie enkel toegestaan voor de toekomst)

2° dat uit het door eiseres voorgelegd inkomend facturenboek voor de boekjaren 91-92 tot en met 93-94 bleek dat eiseres de aftrek van voorbelasting uitoefende zonder daarbij rekening te houden met hetzij artikel 46, § 1, hetzij artikel 46, § 2 Wetboek-BTW).

Eiseres heeft gewoon de aangerekende BTW integraal afgetrokken, voor 100 % (alhoewel zij zelf stelt en toegeeft een gemengd belastingplichtige te zijn).

Dil is en kan geen aftrek volgens werkelijk gebruik zijn.

Het proces-verbaal heeft twee functies, enerzijds de motivering van een dwangbevel, anderzijds een bewijsmiddel.

Als bewijsmiddel kan een proces-verbaal zeer zeker aangevuld worden.

In zoverre evenwel het proces-verbaal het dwangbevel motiveert, als eigenlijke motivering van het dwangbevel daarentegen, is geen wijziging of aanvulling mogelijk.

Verweerder kan dienvolgens zeer zeker het proces-verbaal als bewijsmiddel aanvullen en kan alvast op elk element dat eiseres aanhaalt om te bewijzen dat zij het recht op aftrek wegens werkelijk gebruik zou verdienen, antwoorden en aldus verder tegen indiceren dat zij zulks niet verdient.

Verweerder handelt aldus in alle geval niet in strijd met de Wet Motivering Bestuurshandelingen waarvan de rechtbank voor zoveel als nodig zegt dat zij ze niet als van openbare orde aanziet zodat eiseres een belang moet bewijzen om zich op de sancties van deze Wet te beroepen en welk belang ontbreekt wanneer eiseres, zoals in deze, zeer goed wist waarover het gaat en in staat was een behoorlijk gemotiveerd verzet in te dienen.

Verweerder is alvast nooit teruggekomen op een eerder aangenomen afwijkend standpunt inzake de aftrekregeling voor eiseres om de eenvoudige reden dat het hier om de eerste BTW-controle blijkt te gaan sedert de registratie van eiseres als BTW-belastingplichtige.

Verweerder haalt aan dat het arrest ven de Raad van State d.d. 3 november 1997, IXe kamer, inzake **S.** tegen de Belgische Staat, waaruit geciteerd werd op blz. 7 van het vonnis van 17 januari 2000 en waarin het principe van de retroactieve gunning van de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik aan de orde kwam, een geval betrof van een BTW-belastingplichtige die effectief in het verleden reeds de facto de aftrek wegens werkelijk gebruik had toegepast (zonder vergunning), wat bij eiseres niet het geval was nu zij gewoon de 100 % aftrekregeling toepaste zonder meer.

De regeling van de aftrek volgens werkelijk gebruik impliceert dat de belastingplichtige een aangepaste boekhouding voert, waaruit de aanwending van de investerings- en gebruiksgoederen duidelijk blijkt (en dus controleerbaar is) en waarbij met betrekking tot de gemeenschappelijke algemene onkosten (telefoon, verwarming, verlichting en verbruiksgoederen) zonodig hetzij een algemeen, hetzij een bijzonder verhoudingsgetal wordt toegepast (cfr. Aanschrijving nummer 17 van 29 juli 1975 - tweede afdeling - stuk 19 verweerder).

In het geval van een dergelijke boekhouding (zoals voormeld), evenals in het geval dat iemand gemengd belastingplichtige is ingevolge meerdere duidelijk onderscheiden activiteiten, is het duidelijk dat regel van de aftrek volgens werkelijk gebruik in feite evident en logisch is zodat er geen bezwaren zijn om in deze gevallen een vergunning voor aftrek volgens werkelijk gebruik, ook voor het verleden toe te staan.

Eiseres bevindt zich evenwel in geen van deze (2) gevallen (voormeld).

Eiseres haalt aan dat zij van verweerder wel vanaf 28 augustus 1995 de aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik mocht toepassen en dit terwijl in al die tijd haar werkzaamheden niet of nauwelijks zijn gewijzigd.

Verweerder laat uitschijnen dat eiseres ook op heden nog niet geleerd wil hebben hoe dit systeem van aftrek volgens werkelijk gebruik dan wel effectief werkt en boekhoudkundig dient verwerkt.

Verweerder haalt aan in besluiten neergelegd op 12 mei 2000, blz. 2, 3° § :

"Bij razicht van de jaarrekeningen, door eiseres opgemaakt voor de jaren 1994 t/m 1999, blijkt dat in de post “niet-aftrekbare BTW” uitsluitend de niet aftrekbare BTW van 50 pct. M.b.t. de maakte autokosten wordt geboekt.” (mer andere woorden voor de rest wordt opnieuw alle BTW aan 100 % afgetrokken…)

Het is in alle geval eiseres die de bestemming voor handelingen die recht op aftrek verlenen, zou moeten bewijzen en eiseres beweert veel meer dan zij bewijst.

Nu de rechtbank reeds over de aftrok van de voorbelasting op investeringen (gebouw) heeft beslist in het vonnis van 17 januari 2000, handelt de discussie over het recht op aftrek volgens werkelijk gebruik bij eiseres in hoofdzaak nog over de oordeling der algemene kosten.

Daar waar blijkbaar de aanwijzing/verdeling van de genaamde algemene onkosten over de wel en niet BTW-plichtige activiteit van eiseres ook op heden nog problematisch en moeilijk controleerbaar zou kunnen zijn, geldt dit ongetwijfeld nog veel meer wat het verleden betreft.

In casu brengt de immobiliënsector, waarin eiseres actief is, met zich dat er gronden of onverdeelde aandelen in gronden worden verkocht, alsook verkopen plaatsvinden van appartementen met registratierecht, welke handelingen buiten de werkingssfeer van het Wetboek-BTW vallen en bijgevolg geen recht op aftrek geven.

Eiseres kan niet geloofwaardig zomaar voorhouden dat er voorafgaand aan de verkoop van gronden en grondaandelen in onroerende goederen geen opmetingen, bodemattesten, publiciteit enz. nodig zijn...

Ook met betrekking tot de onroerende verhuur moeten er kosten worden gemaakt voor publiciteit, akten, verzekering en, rondleiding met potentiële huurders, administratiekosten voor de opvolging van de betalingen, nazicht van de staat van het goed bij de beëindiging van de huur en terugbetaling van de borgsommen.

Van algemene onkosten (zoals verwarming, elektriciteit, telefoon, kantoormateriaal, verbruiksgoederen zoals papier…) is het evident dat deze een algemeen gemengd karakter hebben en juist niet-exclusief binnen het kader van de BTW-activiteit worden aangewend en in gevallen zoals dit (waar eiseres gewoon 100 % BTW voorbelasting aftrekt zonder meer) kan post factum nog moeilijk een verdeling volgens het bestemmingsbeginsel worden verricht,

Aan eiseres werd terecht de aftrek volgens werkelijk gebruik voor de gecontroleerde periode geweigerd.

In beginsel dient alsdan het algemeen verhoudingsgetal van artikel 46, § 1 Wetboek-BTW te worden toegepast waarbij in casu concreet de algemenen onkosten worden afgemeten aan hun aandeel in de omzet en komt het algemeen verhoudingsgetal in feite overeen met een bijzonder verhoudingsgetal.

(het aandeel in de omzet is een door eiseres zelf geciteerd bruikbaar criterium voor een (bijzonder) verhoudingsgetal)

In de jaren dat de omzet bijna uitsluitend betrekking heeft op verkoop van gronden en huurgelden is het evident dat de algemene onkosten grotendeels niet aftrekbaar zijn.

Eiseres haalt niet aan en toont niet aan dat dit algemeen verhoudingsgetal tot ongelijkheid in de heffing van de belasting zou leiden.

Een algemeen verhoudingsgetal dat in zijn praktische toepassing overeenstemt met een bijzonder verhoudingsgetal voor de algemene onkosten, kan alvast niet strijdig zijn met de zesde BTW-richtlijn (die precies ook een pro rata-systeem, bijzonder verhoudingsgetal voorschrijft inzake de aftrek van BTW geheven op goederen en dien­ sten die zowel voor de belastbare als voor de niet belastbare sector gebruikt worden).

## Wat de berekening van het algemeen verhoudingsgetal betreft

\* Inzake de TV. NV **W.**-NV **S.** neemt verweerder de argumentatie van eiseres aan en bepaalt het verhoudingsgetal met betrekking 1992-1993 derhalve op :

… fr. (inkomsten binnen de BTW-werkingssfeer)

… fr. (alle inkomsten)

of afgerond … = 65,36 of 65 pct afgerond.

…

\* Berekening van de inkomsten buiten de werkingssfeer :

… fr. - … fr. = … fr

… fr. + .. fr.. = … fr.

Aldus is er aftrekbaar met betrekking tot 1992-1993 :

… fr. x 65 pct. (in plaats van 54 pct) = … fr.

in plaats van … fr., hetzij … fr . BTW verschil.

De verkoop van de Residentie **E.**, van aandelen in de FV **G.** en de FV **D. G. S.** zijn niet te beschouwen als de verkoop van bedrijfsmiddelen.

Vooreerst is het zo dat in de resultatenrekening (stuk 15 a verweerder) deze zijn opgenomen onder de rubriek van de gewone "omzet-verkopen" en niet onder de uitzonderlijke baten/opbrengsten (stuk 21 verweerder).

Bedrijfsmiddelen daarentegen zijn lichamelijke, roerende of onroerende goederen die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen (K.B. nr. 3 van 10 december 1969, artikel 6, § 1).

Artikel 13, 2° van het voormeld K.B. nr. 3 schrijft de uitsluiting voor van de opbrengsten van en de inkomsten uit roerende verrichtingen (verkoop van grond, onroerende verhuur enz.), tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke beroepswerkzaamheid van die aard (immobiliënkantoor). hetgeen in casu het geval is.

Wat de verkoop van aandeel in de optie-overeenkomst met de NV **R.** betreft (ook nog NV **P.** genoemd in besluiten).

Deze verkoop is geboekt onder de rubriek omzet (stuk 15 b verweerder).

Verweerder houdt zich terecht aan de omschrijving “verkoop aandeel optie-overeenkomst" zoals vermeld in de resultatenrekening, dit gelet op verschillende boekhoudkundige eigenaardigheden waarop eiseres geen sluitend en eenduidig antwoord kan geven zodat verweerder terecht aanneemt dat eiseres niet bewijst dat het hier om een terugbetaling van rechten zou gaan.

Deze boekhoudkundige eigenaardigheden zijn de volgende :

\- de aankoopoptie dateert van 25 januari 1993 terwijl de zogezegde terugbetaling van in totaal … fr. via twee verrichtingen van telkens … fr. reeds op 26 januari 199 3 en 23 februari 199 3 door de NV **R.** is geschied;

Dit is duidelijk in tegenstelling met de weerlegging en uitleg van de zaakvoerder van eiseres van 12 juni 1995 : "... wegens het jaarverschil tussen de datum van betaling van … fr. en de datum van recuperatie van … fr konden de boekhouding niet anders dan de betaling in opbrengsten boeken". (de jaarrekening loopt van 1 juli tot 30 juni van het erop volgende jaar);

\- ondanks de zogezegde terugbetaling in januari en februari door **R.** komt in het dagboek van eiseres op 22 maart 1993 en 1 april 1993 nog een boeking "verkoop goederen" van … fr. in debet en krediet voor, dewelke niet is opgenomen in de resultatenrekening (en het is een noodzaak of het is althans ten zeerste aangewezen om de terugbetaling van een voorschot te boeken via de resultatenrekening (opbrengst) om een neutrale verrichting te bekomen);

\- blijkens de post "600.000 – aankopen goederen" in de ontleding van de resultatenrekening heeft eiseres kennelijk slechts 25 pct optie-aandeel in plaats van 50 pct;

\- uit de akte van 25 januari 1993 blijkt ook nog de NV **O.** als derde vennootschap solidair en ondeelbaar samen met de NV **R.** en eiseres als optienemer aangeduid te zijn.

Voor zoveel als nodig, gezien eiseres dit achteraf niet meer lijkt te betwisten, wordt nog vermeld dat ook het grondaandeel is ondergebracht in de rubriek voorraden (stuk 15 c verweerder).

Punt III : Wat betreft de teruggevorderde BTW op voorgehouden verloren schuldvorderingen.

Ook hier moet er voorafgaandelijk op gewezen worden dat het eiseres is die de bewijslast draagt van het verloren gaan van haar schuldvorderingen op debiteuren, wat uiteraard ook impliceert dat deze schuldvorderingen eerst moeten hebben bestaan en zeker waren.

Wat betreft het proces-verbaal bij het dwangbevel als bewijsmiddel en de Wet Motivering Bestuurshandelingen, geldt ook hier het standpunt dat de rechtbank innam op dit vlak bij de behandeling van de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik - verhoudingsgetal.

Dit standpunt wordt alhier eveneens toepasselijk en als herhaald beschouwd.

Ook hier is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aan haar bewijslast voldoet en deelt het standpunt van de administratie.

De administratie van de BTW is in geen enkele mate gebonden door de houding van de Directe Belastingen.

Uit de besluiten en stukken komt naar voor dat de administratie van de BTW dit onderdeel goed heeft onderzocht en daarbij op zoveel boekhoudkundige eigenaardigheden, soms tegenstrijdigheden en ongerijmdheden is gestoten dat het - soms in de loop van het geding bijgestuurd verhaal - van eiseres niet kan kloppen.

Eiseres weet geen sluitend en eenduidig standpunt in te nemen wat tevens een voldoende antwoord geeft op de vele boekhoudkundige eigenaardigheden.

Aanvankelijk, tijdens de controle, waren er geen creditnota's.

Deze duiken nadien op en verweerder wijst in het licht van de vele boekhoudkundige ongerijmdheden terecht op gevaren : interne creditnota’s zijn niet tegenstelbaar aan derden (zoals de fiscus).

Het annuleren van vorderingen op bedrijven waarvan de zaakvoerder (**V.**) dezelfde is als bij de NV **S.** (eiseres) kunnen niet zonder meer worden aangenomen.

Er zou kunnen worden geprobeerd om betalingen van klanten buiten de boekhouding van de vennootschap te houden, mits het boekhoudkundig "corrigeren" met eenzijdig opgemaakte creditnota's (en de belastbare winst van de vennootschap wordt op deze wijze eveneens verminderd).

Voor het detail van de boekhoudkundige eigenaardigheden en ongerijmdheden waar eiseres geen sluitend antwoord weet op te geven, verwijst de rechtbank naar :

\- 2 e antwoordbesluiten van verweerder neergelegd ter griffie op 13 oktober 1997, punt III B blz. 7 onderaan en 8 tot het midden;

\- 3 e antwoordbesluiten van verweerder neergelegd ter griffie op 13 maart 1998 - punt III B blz. 4-5 en 6 bovenaan;

\- 2 e besluiten na vonnis van 17 januari 2000 van verweerder neergelegd ter griffie op 21 september 2000 - punt III blz. 3 onderaan 4-5 en 6.

Het gevolg van dit alles is dat eiseres tekortschiet in haar bewijslast.

Er zijn geen aangiftes in enig faillissement neergelegd (ook niet in dat van M.V.B. - het vroegere **A.**).

Het attest (stuk 23) van de curator dat eiseres voorlegt en stelt dat er voor de gewone schuldeisers geen dividend zal kunnen worden uitgekeerd, is hic et nunc van geen belang nu er niet blijkt dat eiseres aangifte van schuldvordering deed en voor welk bedrag deze schuldvordering als zeker en vaststaand is te beschouwen.

Laten wij niet uit het oog verliezen dat eiseres hier op dit onderdeel de bewijslast draagt en dat het verweerder vrij staat de bewijslevering op alle mogelijke manieren in twijfel te trekken en te betwisten.

Een sluitende bewijslevering wordt door eiseres niet geleverd.

Punt IV: Wat betreft de voordelen van alle aard (ter beschikkingstelling van een wagen in natura door de vennootschap aan de gedelegeerde bestuurder)

De rechtbank verwijst vooreerst naar wat gesteld werd onder :

a) onderaan blz. 8 van het vonnis van 17 januari 2000.

De private aankoop van brandstof/wagens ten bedrage van … fr. is tot op heden niet bewezen (er worden geen aankoopbewijzen ten private titel en privaat gefinancierd, voorgelegd).

De rechtbank kan hier dan ook verder geen rekening mee houden.

Wat de redenering onder punt b), blz. 9 en 10 bovenaan van het vonnis van 17 januari 2000 betreft, wenst de rechtbank op te merken dat enkel opgaat en van toepassing is vanaf 1 januari 1993.

Wanneer de aftrek van BTW-voorbelasting op de aanschaf van een personenwagen voor eiseres als gemengd BTW-belastingplichtige (evenals voor vele andere BTW-belastingplichtigen die in deze situatie verkeren) ingevolge artikel 45, § 2 Wetboek-BTW beperkt is tot maximaal 50 % en vanaf 1 januari 1993 eveneens de maatstaf van BTW-heffing op het voordeel in natura van het ter beschikking stellen van deze personenwagen door de vennootschap aan haar gedelegeerd bestuurder beperkt is tot 50 %, dan komt te neutralititeit van de BTW-heffing nergens in het gedrang en er is dus geen gevaar voor heffing van BTW op BTW.

Nader onderzoek van de Rechtspraak en Rechtsleer door partijen voorgelegd na het vonnis van 17 januari 2000 leert dat de administratie precies de beslissing nam die de maatstaf van heffing op het voordeel in natura van het ter beschikking stellen van een wagen door de vennootschap aan haar afgevaardigd beheerder heeft beperkt tot 50 % (beslissing nr. ET 76.476 van 25 september 1992 toepasselijk vanaf 1 januari 1993) onder druk van bepaalde rechtspraak van het Hof van Justitie en om eventuele economische dubbele belasting te vermijden.

Verwezen kan worden naar volgende arresten van het Hof van Justitie :

\- het arrest Kühne van het Hof van Justitie van 27 juni 1989 (F.J.F., N. 90/26, 60);

\- het arrest Mohsche van het Hof van Justitie van 25 mei 1993 (PB EG nr. C 173/16, 24 juni 1993).

Het arrest Mohsche noopte zeer duidelijk tot beperking van de maatstaf van heffing met betrekking tot diensten aan zichzelf tot dat gedeelte van de uitgaven waarvoor er reent op aftrek van voorbelasting heeft bestaan.

Wanneer verweerder ook voor de periode voorafgaand aan 1993 de maatstaf van heffing voor het voordeel in natura op 100 % van zijn waarde wil toepassen dan kan dit niet want dit leidt tot economische dubbele belasting.

De vennootschap heeft immers de BTW op de personenwagen slechts voor 50 % in aftrek kunnen brengen (ingevolge artikel 45, § 2 Wetboek-BTW).

De niet-recupereerbare BTW is een deel van de kostprijs van de wagen.

Indien men dan BTW aanrekent op het volledig voordeel met betrekking tot het ter beschikking stellen van de wagen, heft men gedeeltelijk BTW op BTW.

Dit is in strijd met het neutraliteitsbeginsel van de BTW.

Om deze redenen (gevaar voor economische dubbele belasting, strijdig met BTW-neutraliteit) dient ook, al was de beslissing ET 76.476 van 25 september 1992 stricto sensu nog niet van toepassing, het voordeel van alle aard (auto) weerhouden door de BTW-administratie voor de periode juli tot december 1992 met 50 % verminderd te worden van … fr. tot … fr. 19,5 % BTW op … fr. geeft dan … fr. BTW (in plaats van … fr.).

Punt V : Wat de boetes betreft.

Een boete van 10 % op het BTW-bedrag waarop verweerder gerechtigd is komt na controle door de rechtbank, verantwoord voor.

Verweerder heeft in besluiten neergelegd na het vonnis van 17 januari 2000 zijn vordering aan boetes herleid tot 10 %.

Waar hij (verweerder) aanvankelijk een verhoging van de boete met 50 % vorderde omdat een dwangbevel moest worden ter kennis gegeven aan eiseres, was dit alvast in strijd met artikel 6 EVRH daar het de toegang tot de onafhankelijke rechter, waar eiseres recht op heeft, al te zeer en zonder evidente reden bemoeilijkte.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende op **tegenspraak**,

Wijst het verzet, bij vonnis van 17 januari 2000 reeds toelaatbaar, ontvankelijk, tijdig en regelmatig naar de vorm verklaard, af als merendeels ongegrond, dit wil zeggen met uitzondering van de correctie van het algemeen verhoudingsgetal 1992-1993 dat op 65 % wordt bepaald, de 50 % stijging van de boete wegens het uitvaardigen en kennisgeven van een dwangbevel die niet kan worden toegestaan en de voordelen van alle aard (wagen) met betrekking tot de periode juli tot december 1991 waar de maatstaf van heffing eveneens op slechts 50 % van het geraamde voordeel in natura wordt bepaald.

Doet enkel op deze punten het bestreden dwangbevel teniet en zegt dat de administratie conform de principes van dit vonnis dient te taxeren.

Legt de geding- en gerechtskosten ten laste van eiseres, zowel deze aan haar zijde gevallen, als deze aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding van … fr. (besluiten neergelegd op 21 september 2000).

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement (zoals door eiseres zelf gevorderd).

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op **VIJF MAART TWEEDUIZEND EN EEN**.

Aanwezig :

**M. B.**, alleenzetelend rechter,

**G. H.**, griffier.

**G. H.** **M. B.**

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :**

In de zaak : **AR/59596**

**NV S.**, financiële adviezen, coördinatie en beheer van werven en tussenpersonen in immobiliën; met zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …;

**eiseres,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **J. S.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door dhr. Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, op vervolging en benaarstiging van :

1) Dhr. Ontvanger van het 1° BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat, 31;

2) dhr. Hoofdcontroleur der BTW te Kortrijk 1, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat, 31;

**verweerder,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **F. W.**, advocaat te …, …;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Bij dagvaarding betekend op 5 september 1995 door gerechtsdeurwaarder **J. v. N. S.** met standplaats te … heeft eiseres verzet aangetekend tegen het dwangbevel :

\- uitgevaardigd op 20 juni 1995 door **P. L.**, ontvanger van het 1 ste BTW-Ontvangkantoor van Kortrijk (stuk 5 verweerder):

\- geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 juni 1995 door **M. M.**, Hoofdcontroleur BTW Kortrijk I, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge (stukken 5 en 8 verweerder);

\- aangetekend ter kennis gebracht in toepassing van [artikel 85, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) op 27 juni 1995 (stuk 6 verweerder).

Het dwangbevel vordert :

… fr. aan BTW

… fr. geldboete krachtens de artikelen [70, § 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en [70, § 1bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) BTW-Wetboek

… fr. samen, vermeerderd met :

1° de intrest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 juli 1994;

2° de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel ([art. 91, § 4 BTW­Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91));

3° de vervolgingskosten.

Eiseres oefent enerzijds geregeld en zelfstandig de werkzaamheid uit van financieel adviesbureau en tussenpersoon in immobiliën, waarvoor zij bij toepassing van artikel 2, § 1 en [artikel 4 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft. Zij werd sinds 1985 geregistreerd onder het BTW-nummer ….

Anderzijds heeft eiseres ontvangsten uit de verkopen van gronden en appartementen (met registratierecht), dewelke handelingen buiten de werkingssfeer van de BTW vallen.

Eiseres heeft derhalve de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige.

Op 27 maart 1996 werd door dhr. **J. D.**, verificateur bij de Administratie van de BTW, verbonden aan de 1 ste BTW­controle te Kortrijk een toezicht inzake de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake BTW uitgeoefend over de periode van 1 juli 1991 tot 30 juni 1994.

De vastgestelde onregelmatigheden werden opgenomen in de correctie-opgave die op 19 mei 1995 werd toegezonden aan eiseres (stuk nr. 1 verweerder).

Op 12 juni 1995 antwoordde dhr. **V.**, gedelegeerd bestuurder van eiseres, slechts gedeeltelijk akkoord te kunnen gaan met deze correctie-opgave (stuk nr. 2 verweerder).

Bij ontstentenis van een minnelijk akkoord werd op 15 juni 1995 een proces-verbaal opgesteld (stuk nr. 3 verweerder).

Overeenkomstig [artikel 93 ter BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93ter) gaf de instrumenterende notaris op 13 juni 1995 kennis aan verweerder dat eiseres voornemens was een onroerend goed te vervreemden (stuk nr. 4 verweerder).

Conform [artikel 85, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk nr. 5 verweerder).

Bij aangetekend schrijven van 27 juni 1995 werd het dwangbevel ter kennisgeving aan eiseres verstuurd (stuk nr. 6 verweerder);

Op dezelfde datum werd overeenkomstig [artikel 93quater BTW­Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93quater) aan de notaris kennis gegeven van het bedrag aan BTW en toebehoren, verschuldigd in hoofde van eiseres (stuk nr. 7 verweerder).

Conform [artikel 89, tweede lid BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) werd verzet aan­ getekend tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, bij exploot van 5 september 1995.

Het verzet van eiseres is gericht tegen het dwangbevel, zijn kennisgeving, elke uitvoering ervan, elke hypothecaire inschrijving en andere bewarende of uitvoerende maatregelen, elke onrechtmatige inhouding of compensatie.

Eiseres vordert haar verzet bij dagvaarding ontvankelijk en IJ"<Jrond t " verklaren.

Dienvolgens rechtdoende het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren.

Dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de betekening ervan geen enkel gevolg mogen hebben.

De terugbetaling te bevelen van alle sommen die werden betaald of op eender welke wijze werden achtergehouden of gecompenseerd, met veroordeling van verweerder tot de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Dit alles bij vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

## Beoordeling

Verweerder heeft op vraag van eiseres de machtiging voorgelegd van 3 april 1995 waaruit blijkt dat **M. M.**, hoofdcontroleur van de BTW te Kortrijk I door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge werd gemachtigd om in gevallen als deze het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren (stuk nr. 8 verweerder).

In besluiten d.d. 12 april 1996 ter griffie neergelegd doet eiseres afstand van de eerder opgeworpen grief nopens de regelmatigheid van het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel.

Verweerder aanvaardt de afstand in zijn op 16 januari 1997 neergelegde besluiten.

---

Terecht stelt verweerder dat conform [art. 89 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) het verzet moet worden gedaan bij exploot met dagvaarding betekend aan de Staat, meer bepaald aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

Het exploot betekend aan de hoofdcontroleur BTW van Kortrijk I komt dienvolgens overbodig voor.

Verweerder stelt dat de onnodige kosten verbonden aan de betekening aan de hoofdcontroleur niet op hem kunnen verhaald worden.

Er blijkt evenwel niet dat de betekening aan de hoofdcontroleur, op hetzelfde adres als de ontvanger, extra-kosten heeft veroorzaakt, partijen duiden deze in alle geval nergens aan.

Eiseres wil haar betekening van het verzet aan de hoofdcontroleur rechtvaardigen door te verwijzen naar het derdenbeslag door verweerder gelegd in handen van de notaris in toepassing van [artikel 93quinquies BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93quinquies), als gevolg waarvan de notaris in de praktijk betaalt aan de Ontvanger zodat het verzet van eiseres meteen een terugvordering is van betaalde BTW, terugvordering die conform [artikel 90 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-90) en [artikel 14 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b#ar4-art14) moet worden betekend aan de hoofdcontroleur.

In casu is het echter zo dat een vordering tot teruggave in beginsel maar moet worden ingesteld wanneer de Staat in gebreke zou blijven om betaalde en niet verschuldigde bedragen terug te geven, wat lang niet blijkt (de opbrengst van het op 27 juni 1995 gelegde derdenbeslag in handen van de notaris bedroeg klaarblijkelijk slechts … fr.).

De thans gevoerde procedure is duidelijk een verzet over de grond van de zaak, zodat enkel een met redenen omkleed verzet met dagvaarding aan de persoon van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, moest worden betekend conform [artikel 89 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89).

De betekening aan de hoofdcontroleur was, zoals reeds gezegd, overbodig.

---

Elseres betwist niet dat zij een gemengd belastingplichtige is, met name dat zij in de uitoefening van haar economische activiteit ook andere handelingen verricht dan de handelingen waarvoor op grond van [artikel 45 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) aanspraak op aftrek bestaat.

Eiseres heeft evenwel alle betaalde BTW-voorbelasting afgetrokken en de bedoeling is uiteraard thans om zo weinig mogelijk aftrek van BTW verworpen te zien (te moeten prijsgeven).

---

## Betreffende de aftrekregeling

Eerst moet de voorbelasting verminderd worden met de BTW op privé-uitgaven en de BTW die aan wettelijke aftrekbeperkingen onderhevig is ([artikel 45 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45)).

## a) Afgetrokken BTW-(voorbelasting) met betrekking tot het eigen gebouw (woning) – boekjaar 91-92, 92-93, 93-94 - + tuin en open haard

Voor het boekJaar 91-92 werd … fr. in aftrek gebracht (voor de samenstelling van dit bedrag wordt verwezen naar stuk nr. 11 van verweerder).

Het beroepsmatig gedeelte van het huis werd door de Administratie van de Directe Belastingen met akkoord van eiseres bepaald op 30 % (stuk 9 verweerder).

Eiseres stelt dat zij dit akkoord zal betwisten aangezien het werd bekomen onder druk.

Zij maakt deze argumentatie evenwel geeneens plausibel.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 6 april 1995 in de zaak [C - 4/94](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-4-94-arret), BLP Group plc c/ Commissioners of Customs & Excice besliste het Hof dat het recht op aftrek pas ontstaat wanneer goederen en diensten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met belaste handelingen en dat in dit opzicht het uiteindelijke doel dat door de belastingplichtige werd nagestreefd onbelangrijk is.

Eiseres dient aan te tonen dat de bedoelde woning en de gemaakte onkosten worden gebruikt voor het stellen van in [artikel 45, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) bedoelde handelingen.

Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het bedoelde gebouw in de eerste plaats een woonfunctie heeft.

Eiseres toont niet aan dat relaties in de living/eetkamer worden ontvangen met een gepast diner (geen spoor daarvan is aan te treffen in de boekhouding) en evenmin wordt aangetoond dat deze kosten - zo deze al zouden gemaakt zijn - rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de belaste handelingen.

Twee ruimten, die volgens het bouwplan als "bureau" worden aangemerkt, worden in de realiteit als slaapkamer voor de kinderen aangewend en zijn dus zuiver privé, zoals eiseres zelf toegeeft op blz. 5 van haar besluiten neergelegd ter griffie op 12 april 1996.

De eigenlijke burelen kunnen ook aangewend worden voor het bijhouden van private documenten (facturen, verzekeringspolissen e.d.).

De garages bieden plaats aan 4 à 5 voertuigen.

Er zijn maar 2 wagens die ook al voor een deel privaat worden gebruikt.

De garages kunnen ook aangewend worden als fietsstalling, speelruimte, berging voor tuinmeubelen, gereedschap, wasgoed.

Zolderruimte in se impliceert een overkapping van de volledige woning.

Dat een fraaie woning met tuin, open haard ook een onrechtstreekse uitstraling geeft naar buitenuit, doet niet terzake (een direct en onmiddellijk verband met belaste handelingen is vereist).

Bovendien komt al dat fraais in de eerste plaats het bewonend gezin ten goede.

Waar eiseres opmerkt dat zij als NV evengoed een kantoor zou kunnen huren of kopen en dat deze kosten niet zouden betwist worden, is dit vermoedelijk juist maar er moet onmiddellijk aan toegevoegd worden dat dergelijke kantoorruimtes geen living, eetplaats enz., bevatten.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen groter beroepsgebruik dan 30 %, rechtstreeks en onmiddellijk verband houdend met haar belaste handelingen, bewijst wat de woning zelf betreft.

De tuin en open haard zelf komen als louter privé voor. (zie verder)

Een plaatsbezoek, ten behoeve waarvan één en ander kan worden aangepast door eiseres, komt niet opportuun voor.

### b) Autokosten – boekjaar 91-92

\* Wat betreft de BTW ten bedrage·van … fr. op de factuur 93 en 94 van de SA IBL Luxemburg, spreekt eiseres niet tegen dat het hier belasting op de levering van autobrandstof, Luxemburgse BTW (TVA) betreft.

Volgens verweerder was van intracommunautaire handelingen, meer bepaald inzake vooraftrek van BTW, in de jaren 91-92 nog geen sprake.

Volgens eiseres wil zij zich best neerleggen bij het administratief standpunt, wanneer een tekst met kracht van wet wordt aangeduid waaruit blijkt dat in Luxemburg betaalde BTW op brandstof niet in België mag worden afgetrokken.

Verweerder verwijst terzake naar [artikel 9, § 2 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-b8ab) van 29 december 1969, genomen ter uitvoering van de artikelen [75](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-75) tot en met [80](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-80) BTW-Wetboek :

> "Wanneer de rechthebbende op teruggaaf een in het buitenland gevestigde persoon is en wanneer, indien het gaat om een belastingplichtige, deze hier ten lande geen in het Wetboek beoogde handelingen verricht, moet hij een aanvraag tot teruggaaf indienen bij het hoofd van het Centrale BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. De aanvraag moet bij die ambtenaar toekomen, in drie exemplaren, binnen de vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan. Op de aanvraag tot teruggaaf wordt niet ingegaan indien zij betrekking heeft op een bedrag van minder dan … frank”.

Kwestige regeling is mutatis mutandis van toepassing op eiseres die geen recht op aftrek mocht uitoefenen via de periodieke BTW­aangifte, doch mogelijks een aanvraag tot teruggave moest indienen tegenover de Luxemburgse instanties, aldus verweerder.

Eiseres betwist na deze uitleg niet meer.

De rechtbank neemt aan dat verweerder terecht deze uitgeoefende aftrek van … fr. BTW via de periodieke BTW-aangifte heeft verworpen.

\* Inzake autokosten boekjaar 92-93 gaat eiseres akkoord met een niet aftrekbaar bedrag van … fr.

\- Inzake autokosten boekjaar 93-94 gaat eiseres akkoord met een niet aftrekbaar bedrag van … fr.

c) Inzake BTW met betrekking tot privé-uitgaven en geschenken, boekjaar 91-92 gaat eiseres akkoord met de … fr. te verwerpen BTW.

Inzake BTW met betrekking tot privé-uitgaven en geschenken boekjaar 92-93 : de aansluiting WVEM-distributie.

Het bewijs is niet geleverd van het rechtstreeks en onmiddellijk gebruik voor de belaste handelingen.

De tv-distributie situeert zich duidelijk in de privé-sfeer waardoor elk recht op aftrek uitgesloten is.

Inzake BTW met betrekking tot privé-uitgaven en geschenken, boekjaar 93-94; het gaat hier om de kosten voor tuin en open haard.

Het gaat hier om kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de persoonlijke huisvesting van cje zaakvoerder en zijn gezin.

De post is totaal te verwerpen (zie ook hiervoren onder de uiteenzetting in verband met de woning zelfde gebouwen, waar zulks reeds werd gesteld).

## II. De aftrekregeling wat betreft de gecontroleerde periode

Eiseres dringt ten stelligste aan op de toepassing van de aftrek volgens het werkelijk gebruik.

Verweerder concludeert eerder tot de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal vervat in [artikel 46 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46).

Bij schrijven, aangetekend genoemd d.d. 21 augustus 1995 verzocht eiseres om het recht op aftrek te mogen uitoefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van goederen en diensten en dit met ingang van 1 juli 1991.

Bij schrijven, aangetekend genoemd d.d. 28 augustus 1995, deelde de hoofdcontroleur van Kortrijk I, **M. M.**, aan eiseres mede dat haar de vergunning nr. CB 15-8/524 werd verleend om het recht op aftrek van de BTW uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten en dit vanaf 28 augustus 1995.

De brief is verder niet gemotiveerd .

Eiseres legt een arrest van de Raad van State d.d. 3 november 1997, lXe K., inzake **S.** t/ Belgische Staat voor en waarin het principe van de retro-actieve gunning van de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik aan de orde kwam.

De Raad van State oordeelde onder meer :

"Overwegende dat de ruime discretionaire bevoegdheid bij het beslissen over de in [artikel 46, § 2 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) bedoelde aanvragen beschikt, niet wegneemt dat de beslissing waarbij over die aanvragen uitspraak wordt gedaan, moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven; dat de verzoekende partij in haar brief van 17 mei 1990 uitdrukkelijk heeft gevraagd om voor verleden en toekomst de regel van het werkelijk gebruik als bedoeld in [artikel 46, § 2 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) te mogen toepassen; dat noch uit de bestreden beslissing, noch uit enig stuk uit het administratief dossier blijkt waarom de gevraagde toelating voor de periode voorafgaand aan 20 mei 1990 werd geweigerd.

Overwegende dat de verwerende partij tevergeefs ter verantwoording van de bestreden beslissing het beginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen inroept; dat dit beginsel immers niet absoluut is; dat het onder meer uitzondering lijdt wanneer de administratieve rechtshandeling ertoe strekt aan de bestuurde een voordeel toe te kennen, terwijl geen verkregen rechten worden aangetast en derden niet worden benadeeld.”.

Als gevolg aan de argumentatie van eiseres stelt verweerder in zijn tweede antwoordbesluiten, neergelegd ter griffie op 13 oktober 1997 op blz.6 :

> "Dit is juist wat verweerder in casu duidelijk wenst te stellen.
>
> Niet het stelsel van het werkelijk gebruik (met zijn vier categorieën) wordt aan eiseres ontzegd, wel het verkeerdelijk toepassen van de volledige aftrek wegens vermeend “werkelijk gebruik van investerngsgoederen/algemene onkosten voor uitsluitend BTW-activiteiten".

In derde antwoordbesluiten, neergelegd ter griffie op 13 maart 1998 stelt verweerder dan tenslotte :

> "Eisres kan, waar zij van meetaf aan de aftrek van voorbelasting voor 100 % heeft uitgeoefend, a posteriori van algemene onkosten/investeringen niet (meer) bewijzen.".

Vooreerst moet worden uitgemaakt of eiseres inderdaad alsnog aanspraak kan maken op de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik.

Pas in tweede orde komt eventueel de samenstelling van het algemeen verhoudingsgetal aan de orde.

De rechtbank acht het aangewezen op het eerste punt, de mogelijkheid.tot aftrek volgens werkelijk gebruik, ambtshalve de debatten te heropenen.

Zij vraagt de partijen nader te besluiten over volgende vragen die terzake oprijzen :

\- het komt bevreemdend voor dat vanaf 28 augustus 1995 ineens zonder problemen de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik kan worden toegestaan en niet voor het verleden, terwijl niet blijkt dat de activiteiten van eiseres, de wijze van investeren, onkosten maken en het boekhoudkundig verwerken ervan zouden gewijzigd zijn, of is er toch een verschil ?

\- langs de andere kant lijkt het weinig voor de hand liggend dat de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik zou kunnen leiden tot een 100 % aftrek van de voorbelasting (BTW);

eiseres dient aan te tonen hoe haar algemene onkosten en investeringen dienen te worden opgesplitst;

hoe blijkt dit uit de bewijsstukken en boekhouding ?

welke criteria blijken aldus ?

de algemene criteria door eiseres gegeven op blz. 12 punt 5 van haar op 12 april 1996 neergelegde besluiten lijken niet te voldoen.

Er dient voor zoveel als nodig ook rekening gehouden met de principes reeds beslist in dit vonnis.

Partijen krijgen de gelegenheid hierover te besluiten.

## III. Wat betreft de BTW op verloren schuldvorderingen

Verweerder stelt ons inziens terecht dat als er geen schuldvordering is/was, deze niet kan verloren gaan en er dus ook geen boekhoudkundige correctie dient te geschieden.

Eiseres heeft daarop willen aantonen dat de schuldvorderingen in kwestie alvast werden opgenomen in de jaarrekeningen en de BTW­aangiften van eiseres.

In derde antwoordbesluiten neergelegd ter griffie op 13 maart 1998 zet verweerder onder punt III een aantal boekhoudkundige eigenaardigheden en onjuistheden uiteen.

Het past dat eiseres daar zo mogelijk een antwoord zou op geven en waar gevraagd, de ontbrekende stukken zou voorleggen of zou motiveren waarom deze niet ter zake zouden doen.

## IV. Wat betreft de voordelen van alle aard

a) Wat betreft de … fr. private aankoop aan brandstof voor wagens, wordt er niet het minste bewijs voorgelegd tot op heden (aankoopbewijzen ten private titel en privaat gefinancierd).

b) De terbeschikkingstelling voor privé-gebruik van personenauto's door een vennootschap aan haar beheerders is een prestatie in natura die staat tegenover de prestaties die de beheerders in het raam van het vennootschapscontract leveren ten bate van de vennootschap.

Dergelijk voordeel in natura is in hoofde van de beheerders een voordeel behaald uit hoofde van of ter gelegenheid van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en is aldus een belastbaar bedrijfsinkomen.

In hoofde van een BTW-belastingplichtige, wat de betrokken vennootschap is, maakt dergelijk voordeel een belastbare dienst uit.

De beperkingen van de aftrek tot 50 % van de betaalde belasting op leveringen en diensten met betrekking tot voertuigen voer personenvervoer is ingevolge [artikel 45, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) toe te passen op degenen die deze leveringen of diensten verstrekken in casu de vennootschap.

De BTW-heffing op de betwiste voordelen is in principe uiteindelijk verschuldigd door degenen die deze dienst ontvangen, in casu de beheerders van de vennootschap.

Derhalve bestaat er geen dubbele belasting in hoofde van de vennootschap.

Dat de beperking van de aftrek tot 50 % ingevolge [art. 45, § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) bestaat, ongeacht of de voertuigen in kwestie al dan niet geheel, gedeeltelijk of helemaal niet ten private titel worden gebruikt door personeelsleden of beheerders.

Dat de beperking van de aftrek dan ook geen belasting van het privé-gebruik is.

Bij de vraag naar de belastbaarheid van een dienst bedoeld in het Wetboek is de aftrekbaarheid van de voorbelasting ter zake van geen invloed.

Het feit dat een gemengde belastingplichtige op deze wijze voor die wagens meer BTW betaalt dan hij kan aftrekken, vloeit voort uit de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige en is, betreffende de vraag naar de belastbaarheid van het ter beschikking stellen van wagens, niet relevant.

Uit blz. 14 van het proces-verbaal (stuk nr. 3 verweerder) valt op dat de voordelen in natura voor het auto-gebruik bepaald zijn als volgt :

\- voor de periode van juli tot december 1992 : … fr.

\- voor de periode van januari tot juni 1993 : … fr.

\- voor de periode van juli tot december 1993 : … fr.

Het voordeel in natura is berekend als volgt :

\- Chrysler : 5.000 km x 12,3 fr/km = … fr.

\- BMW : 5.000 km x 13,3 fr/km = … fr.

… fr.

De maatstaf van heffing bedraagt sinds 1 januari 1993 evenwel slechts 50 % hiervan (nl. 2 x … fr. of … fr. (excl. BTW) voor 1993 en … fr. (excl. BTW) voor het eerste semester 1994 volgens verweerder).

Vanaf 1 januari 1993 is de belasting over het voordeel in natura gesteund op [artikel 19, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19), dat een omzetting is in het nationaal recht van artikel 6, tweede lid, a van de Zesde Richtlijn.

Voor 1 januari 1993 was de heffing van de BTW op de voordelen in natura gesteund op artikel 18, § 1, 4° van het BTW-Wetboek en [artikel 6, eerste lid van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) van 17 mei 1977 van de raad van de EEG.

De nieuwe regeling, vervat in de Beslissing nr. ET 76.463 van 25 september 1992, waar eiseres naar refereert, geldt pas vanaf 1 Januari 1993 (zie Fiscoloog 426/93).

De beslissing van 25 september 1992 volgens dewelke het voordeel van alle aard wegens gebruik van een firmawagen slechts op 50 % van de maatstaf moet worden berekend en dit met ingang vanaf 1 januari 1993, heeft te maken met het feit dat juist de wet terzake diende gewijzigd.

Vanaf 1 januari 1993 worden de voordelen van alle aard niet meer beoogd in artikel 18, § 1, 4° maar wel in het [artikel 19, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19), zoals gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 28 december 1992.

Het is de rechtbank niet meteen duidelijk dat, hoe en waarom, de administratieve beslissing ET nr. 76.463 d.d. 25 september 1992 ook de wet van toepassing voor 1 januari 1993 zou interpreteren.

Eiseres gelieve desgevallend haar standpunt te preciseren.

## V. De boetes

Partijen gelieven hun standpunt terzake zo nodig te actualiseren aan de meest recente rechtspraak (o.a. van het Arbitragehof) en de rechtbank de gegevens te verstrekken die haar zo nodig moe ten mogelijk maken de gevorderde boetes te beoordelen en te toetsen.

**OM DE ZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de art. 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart het verzet toelaatbaar, ontvankelijk, tijdig en regelmatig naar de vorm.

Alvorens verder te oordelen nopens de al dan niet gegrondheid ervan, beveelt ambtshalve de heropening der debatten (art. 774 Ger.W.), ten einde partijen de gelegenheid te geven te antwoorden op de ander de punten II tot en met V gerezen vragen en onduidelijkheden en desgevallend de taxatie te herberekenen en aan te passen in cijfers.

Stelt de zaak daartoe op de terechtzitting van **MAANDAG 19 JUNI 2000 te 11,00 uur**, **tweede kamer (fiscaal)**, zetelend in het Gerechtsgebouw te 8500 Kortrijk, Bgm. Nolfstraat, 10 A, zaal 102 (tweede verdieping vooraan).

Houdt de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op **ZEVENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND**.

Aanwezig :

**M. B.**, alleenzetelend rechter,

**G. H.**, griffier.

**G. H.** **M. B.**

## Textes cités

18

[CTVA art. 45](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-45) 5 occurrences

[CTVA art. 46](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-46) 3 occurrences

[CTVA art. 89](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-89) 3 occurrences

[CTVA art. 19](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-19) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 85](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-85) 2 occurrences

[AR no 4 art. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-decembre-restitutions-matiere-taxe-valeur-406b) 1 occurrence

[AR no 4 art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-4-article-b8ab) 1 occurrence

[CTVA art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) 1 occurrence

[CTVA art. 75](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-75) 1 occurrence

[CTVA art. 80](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-80) 1 occurrence

[CTVA art. 90](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-90) 1 occurrence

[CTVA art. 91](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-91) 1 occurrence

[CTVA art. 93quater](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93quater) 1 occurrence

[CTVA art. 93quinquies](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93quinquies) 1 occurrence

[CTVA art. 93ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-93ter) 1 occurrence

[6e directive 77/388 art. 6](https://juriel.be/fr/droit-union/6e-directive-77-388/article-6) 1 occurrence

[C-4/94, arrêt du 6 avril 1995](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-4-94-arret) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Droit à restitution, Assujettis non établis en Belgique, Prescription](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-restitution-assujettis-non-etablis-cour-appel-bruxelles-2019-12-03-d595) 7 dispositions communes

[Indices de fraude, Relevé de régularisation, Procès-verbal](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-releve-regularisation-proces-tribunal-nivelles-2024-01-08-9601) 6 dispositions communes

[Droit à déduction, Bien immobilier, Frais de construction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-bien-immobilier-frais-cassation-bruxelles-2019-09-27-59d6) 6 dispositions communes

[Registre de perception et recouvrement, Titre exécutoire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/registre-perception-recouvrement-titre-executoire-cour-appel-gand-2024-03-12-1183) 5 dispositions communes

[Validité de la contrainte, Motivation adéquate](https://juriel.be/fr/jurisprudence/validite-contrainte-motivation-adequate-reference-cour-appel-liege-2022-09-14-234b) 5 dispositions communes

[Déclaration d’accord, renonciation à l’action, Prescription, Intérêts de retard](https://juriel.be/fr/jurisprudence/declaration-accord-renonciation-action-prescription-cour-appel-2026-01-27-c906) 5 dispositions communes

[Nullité du procès-verbal, Droit à déduction, Fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/nullite-proces-verbal-droit-deduction-cour-appel-gand-2024-03-05-cbc5) 5 dispositions communes

[Assujetti, Début de l’assujettissement, Activité économique, Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-debut-assujettissement-activite-economique-cour-appel-gand-2013-09-24-4114) 5 dispositions communes
