---
title: "Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 20 novembre 2003"
description: "Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 20 novembre 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-bruxelles-2003-11-20-c88a"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel de Bruxelles, 20 novembre 2003 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

20 novembre 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

53 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 20.11.2003

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **1998/AR/2548**

Openbare terechtzitting van 20.11.2003

IN ZAKE VAN :

**De NV C.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …; ingeschreven in het handelsregister van … onder het nummer …,

**appellante,**

vertegenwoordigd door Meester **V. O.** loco **M.**, advocaat (…, …)

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der Directe belastingen Directie Brussel I-Vennootschappen, met burelen gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan, 233-245,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **L. V. H.**, advocaat, (…, …)

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

**R. 2003/7088 EINDARREST – Ontvankelijk gegrond.**

## De Processtukken

Een verzoekschrift in hoger beroep werd neergelegd op 27 augustus 1998.

Het hoger beroep is gericht tegen een vonnis op tegenspraak geveld op 08 juni 1998 door de 7 de kamer van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel.

De partijen leggen geen akte van betekening van dit vonnis neer.

Het hoger beroep dat regelmatig naar de vorm en binnen de door de wet voorgeschreven termijn werd ingesteld is ontvankelijk.

Partijen doen afstand van de toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek.

## Het voorwerp van het geschil en de beslissing van de eerste rechter

De eerste rechter heeft de vordering van appellante, die erop gericht is betaling te bekomen van de intresten vervallen tussen 11 juli 1990 en 26 mei 1993 op de voorafbetalingen ten belope van … Fr. en de roerende voorheffing ten belope van … Fr., afgewezen omdat bij terugbetaling van de voorheffingen en de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 419, 1 ste lid, 2° van het WIB 92 zoals het toen was opgesteld, geen intresten verschuldigd zijn.

## De feiten

Verzoekster heeft voor het aanslagjaar 1985 .. fr voorbetalingen uitgevoerd. Ook werd … Fr roerende voorheffing betaald.

De gewestelijke directeur Brussel I-vennootschappen heeft op 18 maart 1993 het bezwaarschrift van 11 juli 1990 dat erop gericht was terugbetaling te bekomen van het bedrag van … Fr ingewilligd.

Partijen betwisten niet dat de belasting waarop voorafbetalingen en de roerende voorheffing dienden te worden verrekend, niet werd gevestigd.

## De discussie

Op 20 september 2001 heeft het Arbitrage hof beslist dat artikel 419, 1 ste lid, 2° van het WIB 92 (artikel 309, 1 ste lid, 2° van het WIB 64) de artikels 10 en 11 van de Grondwet schendt als het zo wordt uitgelegd dat het de toekenning van moratorium intresten aan de belastingplichtige uitsluit wanneer de roerende voorheffing niet op de belasting kan worden aangerekend vanwege het verstrijken van de wettelijke aanslagtermijn.

In aanvullend conclusies neergelegd op 14 december 2001 door appellante stelt deze dat fiscale moratoriumintresten dienen te worden betaald.

De Belgische staat erkent in wederantwoord conclusies, neergelegd op 21 oktober 2002, uitdrukkelijk, terecht trouwens, dat de principes die door het arrest van het Arbitrage hof worden gehanteerd voor de roerende voorheffing ook gelden voor de voorafbetalingen.

Tevergeefs stelt de Belgische Staat dat hij voor het verleden, bij zijn vroeger standpunt blijft. De Belgische Staat hield voor het arrest staande dat artikel 419, 1 ste lid, 2° van het WIB 92 (artikel 309, 1 ste lid, 2° van het WIB 64) de terugbetaling van intresten uitsloot.

Het arrest van het Arbitrage hof heeft immers voor gevolg dat voor alle geschillen waarin nog geen eindbeslissing tussenkwam, die in kracht van gewijsde is gegaan, moet worden aanvaard dat artikel 419, 1 ste lid, 2° van het WIB 92 (artikel 309, 1 ste lid, 2° van het WIB 64) de artikels 10 en 11 van de Grondwet schendt als het zo wordt uitgelegd dat het de toekenning van moratoriumintresten aan de belastingplichtige uitsluit wanneer de roerende voorheffing niet op de belasting kan worden aangerekend vanwege het verstrijken van de wettelijke aanslagtermijn.

---

De Belgische Staat berekent in ondergeschikte orde de intresten op … € terwijl de verschuldigde intresten volgens appellante … € bedragen. Appellante laat echter geen enkele kritiek gelden ten opzichte van de berekening van de intresten uitgevoerd door de Belgische. Staat.

Dit verschil vindt zijn oorsprong in het feit dat volgens de administratie de intrest begint te lopen vanaf de maand na het indienen van het bezwaar - augustus 1990 - gedurende 34 maand tot aan de maand van terugbetaling - mei 1993. De berekening van de Belgische Staat komt overeen met de tekst van de wet.

---

Appellante vraagt nalatigheidintresten op deze moratoriumintresten vanaf augustus 1993 en gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding.

Zij vordert betaling van nalatigheidintresten verschuldigd op moratoriumintresten betreffende voorafbetalingen en roerende voorheffingen. De moratoriumintresten betreffende voorafbetalingen en voorheffingen kunnen echter niet worden beschouwd als "kapitalen" in de zin van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek dat uitsluitend toepasselijk is op verbintenissen ontstaan uiteen overeenkomst terwijl terzake de intresten verschuldigd zijn ingevolge de specifieke rechtsregels eigen aan het fiscaal recht.

De gerechtelijke intresten zijn weliswaar verschuldigd vanaf de datum van het arrest.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt de Belgische Staat om aan appellante de som te betalen van … € te vermeerderen met de gerechtelijke intresten sedert het arrest.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten, begroot in graad van hoger beroep op € … voor appellante en op € … + voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op **20.11.2020**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**K. V. H.**, voorzitter,

**B. V.**, raadsheer,

**B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **B. V.** **K. V. H.**
