---
title: "Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 14 septembre 2010"
description: "Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 14 septembre 2010."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2010-09-14-e3d8"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel d'Anvers, 14 septembre 2010 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

14 septembre 2010

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

76 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 14.09.2010

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van : **14/9/2010**

In zake : **2009/AR/137**

**de BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Belastingen en Invorderingen, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43-45;

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 februari 1990, 18 februari 1991, en 20 januari 1992 en 27 oktober 2008;

vertegenwoordigd door Meester **P. B.** loco Meester **P. V. d. S.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**F. G.**, wonende te …, …;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **H. D.**, advocaat te …, …, en Meester **H. V.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 februari 1990, 18 februari 1991 en 20 januari 1992, waarvan geen betekeningen voorliggen, en het bestreden vonnis van 27 oktober 2008, betekend bij exploot van 29 december 2008.

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 januari 2009, waarbij tijdig en naar de vorm geldig hoger beroep wordt ingesteld.

1\. **Feiten en voorgaanden**

Door de administratie van de BBl werd op 11 december 1980 een proces-verbaal opgesteld lastens **G.**, die op dat ogenblik de hoedanigheid van belastingplichtige bezat voor de toepassing van het BTW-wetboek. Volgens voormeld proces-verbaal zou **G.** de som van … EUR verschuldigd zijn voor niet afgedragen BTW bij de verkoop van tweedehandse auto's.

Op basis van voormeld proces-verbaal werd door de ontvanger van de BTW op 11 december 1980 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 15 december 1980 uitvoerbaar werd verklaard door de gewestelijk directeur. Het dwangbevel werd aan **G.** betekend bij exploot van 18 december 1980.

Bij exploot van 23 december 1985 werd het proces-verbaal van 11 december 1980 en het dwangbevel van dezelfde datum opnieuw aan **G.** betekend en werd hem tevens bevel tot betaling gedaan. **G.** tekende bij exploot van 16 januari 1986 hiertegen verzet aan.

**G.** vorderde om het bestreden dwangbevel te horen vernietigen. In hoofdorde beriep hij zich op de verjaring en in ondergeschikte orde stelde hij dat hij niet gehouden was tot BTW schulden opzichtens de FOD FINANCIEN.

2\. Bij tussenvonnis van 19 februari 1990 werd het verzet ontvankelijk verklaard.

Bij tussenvonnis van 20 januari 1992 werd geoordeeld dat er m.b.t. de vordering van **G.** geen verjaring was ingetreden. Voor het overige werd de zaak naar de rol verwezen vermits **G.** had nagelaten te besluiten over de overige door de FOD FINANCIEN ingeroepen middelen.

Nadat de zaak op 6 december 1995, overeenkomstig art. 730, § 2 Ger. W. ambtshalve werd weggelaten, werd zij op verzoek van **G.** in 2006 terug op de rol gebracht onder nummer ….

**G.** vorderde, in conclusies neergelegd ter griffie van de rechtbank op 3 juli 2008, de nietigverklaring van het dwangbevel van 11 december 1980, alsmede de terugbetaling van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.

3\. Er werd wegens dezelfde onderliggende feiten ook een onderzoek gevoerd door de Administratie van de Directe Belastingen dat leidde tot aanvullende aanslagen van 23 december 1992 betreffende de aanslagjaren 1976 tot en met 1980 inzake directe belastingen.

De aanslagen inzake de directe belastingen werden bij eindarrest van 20 januari 2004 van deze kamer vernietigd, om reden ondermeer dat het proces-verbaal dat inzake BTW werd opgesteld door de leden van de BBl district Hasselt A, werd opgesteld vooraleer de betrokken ambtenaren toelating hadden tot inzage in het strafdossier.

4\. In het bestreden eindvonnis van 27 oktober 2008 verklaart de eerste rechter het verzet gegrond en doet het dwangbevel van 11 december 1980 teniet en veroordeelt de FOD FINANCIEN tot terugbetaling van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.

De eerste rechter overweegt dat de FOD FINANCIEN niet aantoont dat de betrokken BTW-heffing werd gebaseerd op ander dan onwettig of onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, zodat tot de nietigheid dient te worden besloten en tot de gegrondheid van het verzet.

De eerste rechter overweegt dat dient aangehaald te worden dat de 6 de kamer van dit Hof in haar arrest van 20 januari 2004 reeds tot de vaststelling kwam dat uit het thans niet bijgebrachte administratief dossier bleek dat het proces-verbaal van 11 december 1980, waarop de BTW-invordering ten aanzien van **G.** in casu is gebaseerd, werd opgesteld vooraleer de betrokken ambtenaren toelating hadden tot inzage in het strafdossier.

5\. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis van 27 oktober 2008 te horen vernietigen en de oorspronkelijke vordering van **G.**, eiser op verzet, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis, de nietigheid van het dwangbevel van 11 december 1980. Geïntimeerde verzoekt het Hof de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden ingehouden, verhoogd met de wettelijke intresten.

6\. *Beoordeling :*

Aan de hand van de uiteenzetting van partijen en de neergelegde stukken overweegt het Hof als volgt :

*Grieven van appellant :*

Appellant houdt voor dat wanneer de eerste rechter zich baseert op de actieve medewerking aan het gerechtelijk onderzoek van de ambtenaren van de Bijzondere Belastinginspectie om tot de nietigheid van het dwangbevel te besluiten hij de toenmalige werkwijze van deze ambtenaren negeert.

Verder stelt appellant dat het proces-verbaal als basis waarop de fiscale vordering is gesteund en waarnaar de tenlastelegging op strafrechtelijk gebied uitdrukkelijk verwees en dat opgenomen is in het strafdossier niet nietig is.

Er is geen reden om te twijfelen aan de bewijskracht van het proces-verbaal.

7\. Met een arrest van 24 oktober 1985, uitgesproken door de 8 ste kamer van dit Hof werd de heer **G.** veroordeeld wegens inbreuken op de BTW-wetgeving. Er was vastgesteld dat geïntimeerde aan diverse afnemers auto's verkocht en ook dat hij de verkoopprijs en de daarvoor verschuldigde BTW in ontvangst nam terwijl hij aan de kopers facturen afleverde waarop niet hijzelf maar een derde als verkoper werd vermeld. Dergelijke werkwijze liet geïntimeerde toe de in ontvangst genomen BTW niet af te dragen aan de Belgische Schatkist. De vastgestelde overtredingen werden omschreven in het proces-verbaal van 11 december 1980.

8\. De administratie houdt voor dat vóór de invoering van de wet van 4 augustus 1986 de ambtenaren van de BBl, een actievere rol vervulden, en deel konden nemen aan huiszoekingen, verhoren en dergelijke.

Nochtans blijkt duidelijk uit het door de administratie zelf geciteerde arrest van het Hof van Cassatie dat de onderzoeksverrichtingen steeds door de onderzoeksrechter zelf dienden gesteld te worden en dat de strafvordering steeds aan het OM behoorde :

> *"Het beginsel van het geheim van het vooronderzoek verzet er zich niet tegen dat de onderzoeksrechter die een onderzoek leidt inzake valsheid in geschrifte met het oogmerk om de inkomstenbelasting en de BTW te ontduiken en inzake inbreuken op het WIB. en het W.BTW de beschuldigde ondervraagt en tot een huiszoeking laat overgaan in aanwezigheid van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën, wanneer de onderzoeksverrichtingen zelf werden gesteld door de onderzoeksrechter of door officieren van de gerechtelijke politie die hij daartoe heeft gemachtigd”;*

(Cassatie, 27 maart 1985, F.J.F. Or85/209)

9\. In casu blijkt overduidelijk dat het onderzoek formeel geleid werd door de onderzoeksrechter, maar in werkelijkheid geleid en gevoerd werd door de fiscale ambtenaren.

Het optreden en deelnemen van de ambtenaren van de BBl aan het strafonderzoek, heeft geleid tot een schending van het geheim van het onderzoek.

De vordering inzake BTW is gesteund op onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Uit de vermeldingen van het proces-verbaal van 11 december 1980 (stuk 1 dossier van geïntimeerde) blijkt enerzijds dat het gerechtelijk onderzoek werd gevoerd met actieve medewerking van de ambtenaren van de BBI en dat anderzijds de gegevens waarop het proces-verbaal is gesteund niet bekomen werden ingevolge inzage in het strafdossier na toelating hiertoe vanwege de procureur-generaal, maar op basis van eigen vaststellingen van deze ambtenaren, op 14/15 december 1977 en 4 november 1980 tijdens het gevoerde strafrechtelijk onderzoek.

In een arrest van deze kamer van 17 juni 2003 besliste het Hof dat het administratief dossier diende voorgelegd te worden, teneinde het Hof toe te laten na te gaan of de inlichtingen waarop gesteund werd om de betwiste aanslagen te vestigen op regelmatige wijze verkregen zijn.

In een arrest van deze kamer van 20 januari 2004 werd door het Hof vastgesteld dat het administratief dossier niet werd bijgebracht en werden de aanslagen in de personenbelasting aanslagjaren 1976-1980 vernietigd.

10\. Het administratief dossier wordt nog steeds niet voorgelegd en de eerste rechter besliste dan ook terecht dat de betrokken BTW-heffing werd gebaseerd op onwettig of onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, zodat tot de nietigheid dient te worden besloten en tot de gegrondheid van het verzet van geïntimeerde.

11\. Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. zijn de gerechtskosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.

Appellant is gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij.

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep bedraagt overeenkomstig het KB van 26.10.2007 de som van … EUR.

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Recht doende op **tegenspraak**;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR (rechtsplegingsvergoeding);

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZENDENTIEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. D.** en S. B., Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **S. B.** **M. D.** **D. W.**

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;

Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.

Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan Mr. **V. H.**, advocaat, die optreedt voor geïntimeerde.

Antwerpen, 21 september 2010

**V. V.**

Griffier-hoofd van dienst

Vrij van expeditierecht

Art. 162, § 4 W. R.

Art. 280, § 1 W. R.
