---
title: "Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 11 septembre 2003"
description: "Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 11 septembre 2003."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2003-09-11-e7d6"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel d'Anvers, 11 septembre 2003 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

11 septembre 2003

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

78 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 11.09.2003

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken, heeft het volgend arrest gewezen :**

Zitting van **11 september 2003**

**EINDARREST**

Inzake : **2002/AR/1861**

**BVBA G. C.**, met zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

**appellante,**

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 8 april 2002

vertegenwoordigd door Mr. **J. V. D. M.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

1\. **De BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de ONTVANGER VAN HET TWEEDE BTW-ONTVANGKANTOOR TE ANTWERPEN, met burelen te Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **A. v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

2\. **NV A.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven In het handelsregister te Antwerpen onder nr. ...;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **M.-J. V. N.** loco Mr. **I. V. O.**, advocaat te …, …;

---

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verklaarde in het bestreden vonnis van 8 april 2002 het verzet van appellante tegen het dwangbevel d.d. 16 april 1997 inzake BTW ongegrond.

Ook de vordering van appellante ten overstaan van NV **A.**, dezes veroordeling beogend tot betaling van het provisioneel bedrag van … EUR, werd ongegrond verklaard.

De tegenvordering van **A.** wegens tergend en roekeloos geding werd deels gegrond verklaard en appellante werd veroordeeld tot betaling van … EUR.

Appellante tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 juli 2002.

Zij handhaaft haar verzet en haar vordering ten overstaan van **A.**.

De Belgische Staat, eerste geïntimeerde, concludeert tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep en ondergeschikt tot de ongegrondheid ervan.

**A.**, tweede geïntimeerde heeft incidenteel beroep aangetekend en vordert een schadevergoeding van … EUR.

---

Het door de Staat opgeworpen middel van niet ontvankelijkheid is gesteund op een beweerd gebrek aan motivering van de beroepsakte. Hij houdt voor dat hierin geen enkele nieuwe grief in vergelijking; met de conclusies genomen in eerste aanleg wordt ontwikkeld.

Uit de lezing van het verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat appellante zich gegriefd acht door het bestreden vonnis omdat de eerste rechter haar argumentatie niet is gevolgd. Appellante vraagt in het verzoekschrift dat het hof deze argumentatie wél zou volgen om te besluiten tot de gegrondheid van haar eisen. In de omstandigheden kan aan appellante niet worden verweten dat zij deze argumentatie herhaalt.

Aldus wisten geïntimeerden waarom appellante hoger beroep aantekende en konden zij hun verdediging in hoger beroep voeren.

Het verzoekschrift is aldus voldoende gemotiveerd zodat het middel van niet ontvankelijkheid ongegrond is.

De feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de betwisting zijn door de eerste rechter uitgebreid beschreven en het hof verwijst ter zake naar het vonnis.

Appellante houdt terecht voor dat uit de stukken niet het eerste door de eerste rechter aangenomen feitelijk vermoeden blijkt. De BTW ambtenaren hebben niets vastgesteld met betrekking tot de facturen uitgaande van **A.** waarop de BTW-aangifte van appellante steunt. Het staat niet vast, zoals de eerste rechter oordeelde, "dat het door eiseres (appellante) aangewende inkoopbedrag (exclusief BTW) niet toe te wijzen is aan welbepaalde en precieze factuurtotalen van de door eiseres aangewende bij haar berustende, van tweede verweerster (**A.**) uitgaande facturen".

In hoger beroep brengt appellante kopie bij van de facturen waarop haar aangifte steunde.

De Staat laat deze stukken in conclusies onbesproken. In aanvullende conclusies merkt hij enkel op "dat dit argument nergens op slaat en totaal irrelevant is" (p. 7).

Uit de gegevens volgt nochtans dat de zogezegde meeromzet uitsluitend blijkt gebaseerd te zijn op facturatie die appellante ontkent ontvangen te hebben en die volgens haar n:et beantwoordt aan werkelijke leveringen.

Het tweede door de eerste rechter aangenomen feitelijk vermoeden heeft betrekking op de inhoud van de litigieuze facturen die zou wijzen op een zekere regelmaat en op beroepsverbruik.

Dit feitelijk vermoeden is te dezen niet relevant om te besluiten tot hetgeen moet bewezen worden : dat appellante de werkelijke koper is van de leveringen waarop de facturen betrekking hebben. Genoemd vermoeden kan immers gelden voor iedere beroepskoper van dranken.

Het derde door de eerste rechter gehanteerde vermoeden wordt gevormd door het geheel van de gedane vaststellingen.

Daarbij wordt voorbij gegaan aan het fundamenteel gegeven dat in het PV de controlerende ambtenaren er zonder meer van uit zijn gegaan dat de uitgaande facturen van **A.** met de werkelijkheid overeenstemmen en appellante dus de leveringen heeft ontvangen die in deze facturen vermeld werden.

De ambtenaren hebben daarbij blijkbaar noch de waarachtigheid van de boekhouding van **A.** onderzocht noch de waarachtigheid van de leveringen in kwestie.

Daarbij valt het op dat de ambtenaren de zaakvoerder van appellante niet ondervraagd hebben over de gedane vaststelling dat een aantal facturen van **A.** niet in de boekhouding van appellante terug te vinden waren.

De omstandigheid dat appellante in de onmiddellijke omgeving gevestigd is van **A.** vormt op zich geen bewijskrachtig vermoeden dat de leveringen in kwestie daadwerkelijk gebeurd zijn.

Vermits appellante haar standpunt volhoudt dat haar boekhouding overeenstemt met de realiteit en dat zij de leveringen, voorwerp van de kwestieuze facturen van **A.**, niet ontvangen heeft, is in genoemde omstandigheden niet bewezen dat appellante een meeromzet heeft gerealiseerd zoals door eerste geïntimeerde wordt voorgehouden.

Omgekeerd is niet bewezen dat de facturatie van **A.** kwaadwillig is en schade berokkend heeft aan appellante.

De vordering ten overstaan van **A.** is terecht ongegrond verklaard.

Voor het voeren van haar verdediging tegen het betwiste dwangbevel was het geenszins vereist om **A.** in de procedure te betrekken.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het geding tegen tweede geïntimeerde tergend en roekeloos was en een passende schadevergoeding toegekend.

Dezelfde motieven gelden ook voor wat betreft het aantekenen van hoger beroep tegen tweede geïntimeerde.

Dit hoger beroep is om dezelfde redenen tergend en roekeloos. Een schadevergoeding van … EUR wordt hiervoor toegekend.

### Dispositif

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep deels gegrond;

Wijzigt het bestreden vonnis in zover uitspraak werd gedaan over het verzet tegen het dwangbevel;

Verklaart dit verzet gegrond en zegt rechtens dat appellante niet gehouden is tot betaling van de in dit dwangbevel gevorderde betalingen;

Bevestigt het vonnis in zover de eis ten overstaan van tweede geïntimeerde ongegrond werd verklaard;

Verklaart het incidenteel beroep van tweede geïntimeerde wat betreft de schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ongegrond;

Verklaart de vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep gegrond;

Veroordeelt appellante tot betaling van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.

Verwijst appellante en eerste geïntimeerde in ieder de helft van de kosten van beide aanleggen; begroot deze tot op heden in hun geheel op :

\- aan de zijde van *appellante* :

dagvaarding en rolrecht … EUR

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van *eerste geïntimeerde* :

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van *tweede geïntimeerde* :

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **elf september tweeduizend en drie**

waar aanwezig waren :

de heer **E. H.**, Voorzitter;

mevrouw **A. W.**, Raadsheer;

de heer **E. L.**, Raadsheer;

mevrouw **G. V.**, Griffier.

**G. V.** **E. L.** **A. W.** **E. H.**
