---
title: "Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 11 janvier 2000"
description: "Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 11 janvier 2000."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2000-01-11-1489"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Cour d'appel d'Anvers, 11 janvier 2000 · Taxe sur la valeur ajoutée

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

11 janvier 2000

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

83 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 11.01.2000

Résumé non fourni

**Texte de l’arrêt**

### Corps de la décision

***Le texte est publié uniquement dans la langue originale***

**HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, zesde kamer – Openbare terechtzitting van ELF JANUARI TWEEDUIZEND**

Nummer van de zaak : **1997/FR/271**

Aanwezig :

mevrouw **M. B.**, Voorzitter;

mevrouwen **A. W.** en **D. W.**, Raadsheren;

de heer **A. v. L.**, Griffier.

\_\_\_\_\_\_

INZAKE :

1\. **J. R.**, installateur centrale verwarming, HR te Turnhout nr. … , en zijn echtgenote,

2\. **A. P.**, zonder gekend beroep, beiden wonende te …, …;

**eisers in voorziening,**

vertegenwoordigd door Meester **H. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Meester **J. B.**;

Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest :

Gelet op de aanslagen in de personenbelasting - Gemeente Geel :

aanslagjaar 1980 – artikel … - d.d. 29.12.1982;

aanslagjaar 1981 – artikel … - d.d. 11.4.1983;

aanslagjaar 1982 – artikel … - d.d. 7.3.1983;

Gelet op de bezwaarschriften tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur op 21.12.1983 en 6.6.1983;

Gelet op de bestreden beslissing genomen door de gedelegeerde ambtenaar van de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Antwerpen op 25.6.1997 en op dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingplichtigen op waardoor de bezwaren werden afgewezen;

Gelet op het verzoekschrift tot voorziening tijdig ingediend ter griffie van dit Hof op 29.7.1997 samen met het exploot van betekening d.d. 23.7.1997;

Overwegende dat het Hof naar de bestreden beslissing verwijst in zoverre de aanslagprocedure, de onderliggende feiten en de bezwaren worden toegelicht;

Overwegende dat de bestreden aanslagen gevestigd werden na verzending van een bericht van wijziging d.d. 6.10.1982 waarbij werd aangekondigd dat uit een controle van de BTW-administratie over de jaren 1979 tot en met 1981 een aanzienlijke omzetverhoging zou gebleken zijn;

Dat eisers in verzet gingen tegen de omzetverhoging inzake BTW procedure uiteindelijk resulteerde in de ongegrondverklaring van het verzet bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Turnhout d.d. 29.9.1988, vonnis bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 25.1.1993; Dat de voorziening in cassatie werd verworpen bij arrest d.d. 3.1.1997;

Overwegende dat eisers als grief inroepen dat de omzetverhoging op grond waarvan de bestreden aanslagen gevestigd werden op willekeurige wijze werd bepaald namelijk op grond van loutere veronderstellingen, algemeen bekende feiten en vergelijkingen die geen bekende vaststaande gegevens uitmaken;

Dat de aangeklaagde willekeur derhalve zou liggen in de ongeoorloofde wijze van bewijsvoering van de administratie;

Dat eisers verder betogen dat nu de behandeling van het bezwaarschrift werd uitgesteld totdat een definitieve beslissing tussenkwam inzake de BTW-vordering is aangetoond dat bij het vestigen der aanslagen de (betwiste) gegevens van het proces­verbaal der BTW-administratie geen bekende feiten opleveren;

Overwegende dat de door de BTW-administratie berekende omzetverhoging gebaseerd is op de verhoging der gepresteerde productieve werkuren in het kader van de activiteit als installateur centrale verwarming;

Overwegende dat nu de bestreden aanslagen gevestigd werden na een bericht van wijziging de bewijslast bij de administratie berust; Dat de administratie gebruik heeft gemaakt van het bewijsmiddel feitelijke vermoedens en derhalve dient onderzocht te worden of de regels van deze specifieke bewijsvoering werden nageleefd;

Overwegende dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een of meerdere bekende feiten om te besluiten tot een onbekend feit;

Dat de bewijstechniek der feitelijke vermoedens derhalve veronderstelt dat als vertrekpunt een bekend en vaststaand gegeven voorhanden is dat op verantwoorde wijze tot de gewenste gevolgtrekking kan leiden;

Overwegende dat te dezen het onbekende feit waartoe dient besloten te worden de meerwinst gevolg der omzetverhoging is;

Overwegende dat de berekening van deze omzetverhoging ,zoals vervat in het proces-verbaal van de BTW-administratie bekrachtigd op 20.9.1982 en volgens de bewoordingen zelf van dit proces­verbaal gesteund is op het vermoeden dat in het bedrijf van eiser beduidend meer productieve werkuren werden gepresteerd dan door eiser opgegeven;

Dat ondermeer in bedoeld proces-verbaal werd vastgesteld :

\- dat voor het jaar 1979 eiser als aantal gewerkte uren 2096 opgaf samengesteld als volgt :

1184 werkuren gepresteerd door een vreemde werknemer;

736 werkuren gepresteerd door de zoon;

76 werkuren gepresteerd door eiser zelf

\- dat voor het jaar 1980 eiser 1998 werkuren opgaf samengesteld als volgt :

596 werkuren gepresteerd door de vreemde werknemer;

1192 werkuren gepresteerd door de zoon;

210 werkuren gepresteerd door eiser;

\- dat voor het jaar 1981 eiser 986,5 werkuren gepresteerd door hemzelf en zijn zoon samen opgaf (de werknemer was niet meer in dienst);

Overwegende dat de onderzoekende ambtenaar de opgave van de productieve uren onaanvaardbaar achtte -inzonderheid de door eiser zelf gepresteerde productieve uren- en hij "steunende op het feitelijk vermoeden dat in dezelfde bedrijfssectoren meestal dezelfde winstmarges worden toegepast en dat doorgaans ook een gelijkaardig aantal uren productieve arbeid wordt verricht" het omzetcijfer herberekende uitgaande van volgende cijfermatige gegevens met betrekking tot de productieve werkuren :

\- voor 1979 : aantal werkdagen 254 x 2 (eiser en zijn zoon) = 508;

na aftrek van verlof-en feestdagen, toevallig verlet en onproductieve prestaties;

te herleiden op 366 dagen aan acht uur per dag hetgeen 2928 productieve werkuren geeft;

\- voor 1980 : aantal werkdagen min verlofdagen 436 te verminderen met onproductieve prestaties en

dagen zonder prestaties zodat 338 productieve dagen resten hetgeen aan acht uur per dag

2704 productieve uren geeft;

\- voor 1981 : aantal werkdagen min verlofdagen 436 te verminderen met onproductieve prestaties en

dagen zonder prestaties zodat 288 productieve dagen resten aan acht uur per dag of 2304

productieve uren;

Overwegende dat het bericht van wijziging der aangifte een taxatie aankondigde op grond van de door de BTW-administratie bepaalde omzetverhoging die ab initio door eiser werd betwist;

Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat in acht genomen de rechterlijke uitspraken met betrekking tot het geschil inzake de BTW moet besloten worden dat de basisberekeningen der BTW-administratie gesteund zijn op een volledig verantwoord vermoeden van gepresteerde uren en niet op vergelijking met gelijkaardige beroepen en de omzetberekeningen zoveel mogelijk steunen op reële gegevens;

Overwegende dat het resultaat van de gerechtelijke procedure inzake de BTW-navordering niet het vereiste bekende feit, vertrekpunt van de bewijsvoering, kan opleveren nu het geoorloofd karakter der bewijsvoering moet beoordeeld worden ten tijde van de taxatie die op dat ogenblik moet kunnen verantwoord worden;

Overwegende dat volgens het bericht van wijziging het proces­verbaal der BTW-administratie werd aangewend als feitelijk vermoeden;

Dat uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat het aantal aangegeven productieve uren onaanvaardbaar werd geacht en de omzet bepaald werd uitgaande van een dubbel vermoeden met name het "meestal" behalen van dezelfde winstmarges in dezelfde bedrijfssector en het "doorgaans" presteren van een gelijkaardig aantal uren productieve arbeid;

Overwegende dat een als dusdanig omschreven vermoeden meer wijst op een algemene bekendheid dan op een vergelijking doch alleszins geen bekend feit kan opleveren dienstig om de betwiste meerwinst te bepalen;

Overwegende dat als vertrekpunt derhalve niet een bekend feit doch een vermoeden van normale productieve werkuren werd gebruikt gecorrigeerd door een aantal eveneens vermoede aftrekken wegens verlof of verlet;

Dat dergelijke werkwijze de regels der bewijsvoering door middel van feitelijke vermoedens schendt;

Dat zo als bekend gegeven het abnormaal laag aantal opgegeven productieve uren in aanmerking werd genomen als basis der bewijsvoering de eindberekening niet een verantwoorde gevolgtrekking kan zijn van dit bekend feit nu nog andere vermoedens die niet teruggaan op vaststaande elementen in verband met het aantal onproductieve uren worden gehanteerd;

Dat derhalve de door de administratie getaxeerde meerwinst niet op geoorloofde wijze werd aangetoond en de aanslagen dan ook op een willekeurige grondslag werden gevestigd en dienen vernietigd te worden;

Dat de voorziening dan ook gegrond is;

### Dispositif

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare zitting het verslag van raadsheer **A. W.**;

Verklaart de voorziening ontvankelijk en gegrond;

Hervormt de bestreden beslissing en opnieuw recht doende, verklaart de bezwaren gegrond;

Doet de bestreden aanslagen teniet;

Beveelt de teruggave van de onterecht geïnde bedragen meer de moratoriumintresten op de belastingen;

Verwijst verweerder in de kosten, begroot aan de zijde van eisers op : (orig. + kopie : 331 + rollen : 158) = … fr.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover de heer Voorzitter **R. T.**, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door mevrouw de Voorzitter **M. B.** hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij bevelschrift van de heer Eerste Voorzitter van het **Hof van beroep te Antwerpen** in datum van **11 januari 2000**.

**A. V. L.** **D. W.** **A. W.** **M.B.**
