---
title: "Contrôle, Fraude · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 1er avril 2025"
description: "Contrôle, Fraude, Prolongation du délai de prescription. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 1er avril 2025."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/controle-fraude-prolongation-delai-prescription-cour-appel-anvers-2025-04-01-5b2d"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Contrôle, Fraude, Prolongation du délai de prescription

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Date**

1er avril 2025

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

92 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 01.04.2025

\[ Arrêt favorable \]

*TVA – Contrôle – Fraude – Prolongation du délai de prescription*

**Texte intégral:**

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

### Corps de la décision

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 01.04.2025**

**(2023/AR/1562)**

1.**B.S.,** ON …, RRN …, wonende te …,

2.**T.N.,** RRN …, wonende te …,

Eisers in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. S.Z. loco mr. D.T., advocaat te … en loco mr. R.P., advocaat te …

tegen het vonnis van de 11A kamer van rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 22 juni 2023, gekend onder rolnummer 22/315/A

tegen

**BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN,** ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de **ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT,** met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,

Verweerder in hoger beroep

vertegenwoordigd door mr. R.J. loco mr. B.B., advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 22 juni 2023, waarvan partijen ter zitting verklaarden dat het niet betekend werd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 29 september 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;

## I. Feiten

De voorliggende betwisting betreft de geldboete die aan eerste eiser in hoger beroep werd opgelegd bij proces-verbaal d.d. 26 oktober 2021 en uitvoerbaar werd verklaard in het innings- en invorderingsregister 202112NL005 op 9 december 2021, schuldnummer 500.2475.25178.

Eerste eiser in hoger beroep is sedert 1 maart 2012 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE••••.•••.••• voor de hoofdactiviteit van "diverse administratieve activiteiten ten behoeve van kantoren".

Er werd een btw-controle uitgevoerd bij eerste eiser in hoger beroep met betrekking tot de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2020.

Op 14 april 2021 werd een kennisgeving bij toepassing van [artikel 84ter btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) verstuurd voor de uitbreiding van de verjaringstermijn waarbij de vermoedens van belastingontduiking werden meegedeeld.

De controleambtenaar stelde vast dat er diverse inbreuken werden gepleegd op de btw-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Deze overtredingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 26 oktober 2021. Ingevolge hiervan was eerste eiser in hoger beroep een boete verschuldigd van 107.812,56 euro.

De fiscale schuld werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister opgemaakt op 6 december 2021 en uitvoerbaar verklaard op 9 december 2021.

## II. Vorderingen eerste aanleg en bestreden vonnis

1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 februari 2022 maakten eisers in hoger beroep de zaak aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.

Voor de eerste rechter vorderden eisers in hoger beroep hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens in hoofdorde voor recht te zeggen dat de opgelegde boetes opgenomen in het proces-verbaal van 26 oktober 2021 en het innings- en invorderingsregister van 14 december 2021 dienden te worden kwijtgescholden, minstens verminderd. In ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat een boete met uitstel diende te worden opgelegd. Ze verzochten in ieder geval de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

2 Verweerder in hoger beroep verzocht de vorderingen van tweede eiseres in hoger beroep onontvankelijk en ongegrond te verklaren. Hij verzocht de vordering van eerste eiser in hoger beroep wat de geldboete betrof ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. Hij verzocht de vordering van eerste eiser in hoger beroep wat de vrijstelling of vermindering van nalatigheidsintresten betrof nietig te verklaren, minstens onontvankelijk en dienvolgens zich onbevoegd te verklaren om te oordelen over de vordering tot het verlenen van een vrijstelling of vermindering van nalatigheidsintresten. Hij verzocht eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

3 De eerste rechter verklaarde de vordering van eisers in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde hen tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op 0 euro rechtsplegingsvergoeding en 22 euro bijdrage juridische tweedelijnsbijstand.

De eerste rechter oordeelde dat tweede eiseres in hoger beroep wel degelijk belang had bij het instellen van de rechtsvordering aangezien eventuele btw-schulden gemeenschappelijke schulden zijn.

De eerste rechter wees erop dat het feit dat voorafgaand geen genadeverzoek werd gericht aan de minister in toepassing van het Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 geen gevolgen kon hebben op de beoordelingsbevoegdheid van de rechter op grond van artikel 6 EVRM. De evenredigheid van de boete kon derhalve getoetst worden.

De eerste rechter wees erop dat eerste eiser in hoger beroep zich als boekhouder niet kon verschuilen achter onwetendheid. Ze wees erop dat er in casu duidelijk sprake was van fraude. Verder stelde ze dat niet bleek dat het betalen van de boete een enorme financiële druk op eerste eiser in hoger beroep zette noch dat hij deze niet zou kunnen betalen. Het feit dat het bedrag hoog opliep was louter het gevolg van het feit dat jaren systematisch werd nagelaten om de inkomsten aan te geven en de btw door te storten aan de Belgische Staat. De boete was dan ook niet onevenredig. Er bleken geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

Tegen dit vonnis tekenden eisers in hoger beroep bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 29 september 2023 hoger beroep aan.

## III. Vorderingen in hoger beroep

1 Eisers in hoger beroep verzoeken het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, in hoofdorde voor recht te zeggen dat de opgelegde boetes opgenomen in het proces-verbaal van 26 oktober 2021 en het innings- en invorderingsregister van 14 december 2021. dienen te worden kwijtgescholden, minstens verminderd. In ondergeschikte orde verzoeken ze te zeggen voor recht dat een boete met uitstel dient te worden opgelegd. Ze verzoeken in ieder geval de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van eisers in hoger beroep begroot 22 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 7.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 7.500 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

2 De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen. Hij verzoekt eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten, in hoofde van de Belgische Staat begroot op 7.500 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

3 Ter zitting verzochten partijen met betrekking tot de begroting van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding sinds 1 maart 2025 toe te passen.

## IV. Beoordeling

1 Het hof merkt vooreerst op dat door eisers in hoger beroep geen betwisting gevoerd wordt omtrent het verschuldigde btw-bedrag noch omtrent het bedrieglijk opzet in hoofde van eerste eiser in hoger beroep. Ze voeren enkel betwisting omtrent de evenredigheid van de opgelegde boete van 200%. Eisers in hoger beroep stellen dat de boete onevenredig is met de begane overtreding en vorderen de kwijtschelding of de vermindering van de boete, minstens verzoeken ze deze met uitstel op te leggen.

2 De in betwisting zijnde geldboete werd in casu opgelegd op grond van [artikel 70 § 1 btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70). Aangezien de overtredingen in casu werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, hetgeen niet betwist wordt door eisers in hoger beroep, komt deze geldboete niet in aanmerking voor vermindering conform artikel 1 Iaatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

De boete werd in casu overeenkomstig de wettelijke bepalingen opgelegd. Dit wordt op zich ook niet betwist door eisers in hoger beroep. Ze voeren enkel betwisting omtrent de evenredigheid van de boete.

3 Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van artikel 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoum t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Ozturk/Duitsland).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie o.a. Cass., 21 januari 2005, [C.02.0572.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2005-01-21-2739); Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, [C.04.0390.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-fiscales-reduction-remise-pouvoir-cassation-bruxelles-2007-02-16-3ad4); Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N; Cass. (le k.) AR [F.21.0056.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-droit-grace-cassation-bruxelles-2023-03-24-d9b4), 24 maart 2023 (BELGISCHE STAAT / L. V. O.), FJF 2023 (samenvatting), afl. 8, 333 en http://www.monkey.be/ (6 november 2023)).

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om louter redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.

De uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan de toetsingsvereiste met volheid van bevoegdheid vervat in artikel 6.1 van het EVRM is niet afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete heeft ingediend (Cass. (le k.) AR [F.21.0056.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-fiscale-proportionnalite-droit-grace-cassation-bruxelles-2023-03-24-d9b4), 24 maart 2023 (BELGISCHE STAAT / L. V. O.), FJF 2023 (samenvatting), afl. 8, 333 en http://www.monkey.be/ (6 november 2023)).

4 Het hof is van oordeel dat de administratieve boete, die in onderhavig geval in principe 200% bedraagt, een strafsanctie betreft in de zin van artikel 6 EVRM. Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen gekoppeld aan artikel 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met voile rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, Silvester's Horeca Services, TFR, 2004, nr. 264, p 363 met noot B. Coopman, 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr.22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002). De evenredigheid van de boete kan dan ook getoetst worden.

Het hof ziet te dezen evenwel geen enkele reden om een vermindering of kwijtschelding van de boete toe te kennen.

Ten bewijze van het bedrieglijk opzet verwijst de Belgische Staat onder meer naar volgende vaststellingen zoals opgenomen in het proces-verbaal van 26 oktober 2021 die niet betwist worden door eisers in hoger beroep:

— de niet-aangegeven inkomsten betreffen gewone inkomsten uit zijn beroepsactiviteit als boekhouder, waarover geen onduidelijkheid kan bestaan wat betreft de belastbaarheid en de verplichting tot aangifte ervan;

\- de belastingplichtige is als boekhouder werkzaam; hij kan zich zeker niet achter onwetendheid verschuilen;

 uit het aantal facturen dat niet aangegeven werd of waarmee door eerste eiser in hoger beroep geen rekening werd gehouden, de langere periode van meerdere jaren waarin hij telkens naliet inkomsten aan te geven en/of de vrijstellingsregeling stop te zetten, en de aanzienlijke bedragen van die inkomsten waarmee hij geen rekening houdt (ook in verhouding tot de inkomsten waarmee hij wel rekening houdt), blijkt ook dat hier geen sprake kan zijn van een materiele vergissing of een eenvoudige vergetelheid. Het gaat niet om het toevallig vergeten opnemen van een factuur in de boekhouding, maar om het herhaaldelijk elk jaar opnieuw achterhouden van beduidende inkomsten;

 uit de verkregen rekeninguittreksels en uit de eigen opsomming van eerste eiser in hoger beroep blijkt dat eerste eiser in hoger beroep in de eerste twee kwartalen van 2016 betalingen van klanten ontvangen heeft en facturen heeft opgesteld met aanrekening van btw. Hij diende echter nihil-aangiften in voor zowel het 1ste als het 2de kwartaal van 2016;

 ook heeft belastingplichtige voor de eerste 3 kwartalen van 2020 zijn periodieke btw-aangiften niet tijdig ingediend: deze (nihilaangiften) werden pas laattijdig op 25/01/2021 ingediend (dus nadat belastingplichtige al op de hoogte was van de fiscale controle). De btw-klantenlisting van 2019 werd eveneens zeer laattijdig pas ingediend op 25/01/2021, nadat hij al op de hoogte was van het fiscale onderzoek;

 op 1 juli 2016 is belastingplichtige overgeschakeld naar de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen voorzien door [artikel 56bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56bis). Uit de bij de financiële instellingen opgevraagde rekeninguittreksels blijkt nochtans dat belastingplichtige betalingen van zijn klanten ontving in 2016 tot en met 2020 die 40.000 euro overschreden en hoger waren dan de aangegeven bedragen op de klanten listing.

 uit de boekhouding blijkt dat belastingplichtige 21% meer in kosten boekte dan hij aangaf in zijn klantenlisting en in de omzet in de personenbelasting.

\- eerste eiser in hoger beroep volgt geen correcte nummering bij het uitreiken van verkoopfacturen: verschillende factuurnummers werden dubbel uitgereikt aan verschillende klanten. De door belastingplichtige opgestelde lijst van verkoopfacturen blijkt eveneens totaal niet te kloppen. Dit is manifest in strijd met de verplichting van artikel 15, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nummer 1 van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde dat stelt dat de boeken die deel uitmaken van de boekhouding, ieder naargelang zijn oogmerk, een doorlopende reeks vormen.

De administratie is van oordeel dat uit haar vaststellingen blijkt dat er geen sprake geweest kan zijn van onwetendheid, van een loutere vergetelheid of van een materiele vergissing. Eerste eiser in hoger beroep is met andere woorden bewust en consequent zijn fiscale verplichtingen niet nagekomen. Hij heeft onterecht gebruik gemaakt van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen gedurende meer dan 3 volledige jaren en in de periode dat hij geen gebruik maakte van deze regeling heeft belastingplichtige bewust een groot gedeelte van de verschuldigde btw niet afgedragen door het meermaals indienen van nihil aangiften. Op deze manier heeft eerste eiser in hoger beroep bewust zichzelf op een onrechtmatige manier verrijkt, namelijk door het niet betalen van verschuldigde btw en dit ten koste van de gemeenschap. Het gebrek aan medewerking aan het onderzoek, zoals bleek uit het niet of slechts zeer fragmentarisch antwoorden op vragen om inlichtingen en uit het niet voorleggen van stukken tijdens een controle ter plaatse, waardoor de belastingplichtige het onderzoek trachtte te bemoeilijken, waren volgens de administratie nog bijkomende elementen waaruit het bedrieglijk opzet blijkt.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde boete evenredig is met de aard en ernst van de feiten.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete te dezen niet alleen de inbreuken op gepaste wijze bestraft, maar ook passend is om de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen op meer nauwgezette wijze na te komen. De naleving van de fiscale verplichtingen door de belastingplichtige is noodzakelijk voor de goede werking van het BTW-mechanisme.

Eerste eiser in hoger beroep heeft gedurende meerdere jaren nagelaten zijn inkomsten aan te geven. Hij heeft onterecht gebruik gemaakt van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen gedurende meer dan 3 volledige jaren en in de periode dat hij geen gebruik maakte van deze regeling heeft hij bewust een groot gedeelte van de verschuldigde btw niet afgedragen door het meermaals indienen van nihilaangiftes.

De aanvoeringen van eisers in hoger beroep zijn niet van aard het hof tot andere inzichten te brengen. De niet-aangegeven inkomsten betreffen inkomsten uit de beroepsactiviteit van eerste eiser in hoger beroep als boekhouder waarvan geen onduidelijkheid/onwetendheid kan bestaan hebben omtrent de belastbaarheid en de verplichting tot aangifte ervan.

Het feit dat de boete hoog oploopt is het loutere gevolg van het feit dat eerste eiser in hoger beroep gedurende verschillende jaren systematisch heeft nagelaten om de inkomsten aan te geven en door te storten aan de Belgische Staat. Deze werd proportioneel berekend met inachtneming van de ontdoken btw. Louter de omvang ervan maakt deze niet buitensporig.

Van het feit dat eisers in hoger beroep financieel niet in staat zouden zijn om de gevorderde bedragen te betalen, tevens rekening houdende met de aanslagen in de personenbelasting, wordt geen bewijs voorgelegd. Louter uit het voorleggen van de rekeningstanden van enkele bankrekeningen kan dit niet afgeleid worden. Het feit dat de Belgische Staat een wettelijke hypotheek zou genomen hebben op het huis van eisers in hoger beroep toont dit even min aan.

De raadsman van eisers in hoger beroep verwees ter zitting nog naar medische problemen in hoofde van eisers in hoger beroep doch hiervan worden geen bewijsstukken voorgelegd.

Het feit dat eisers in hoger beroep na ontvangst van de vraag om inlichtingen een deel van de verschuldigde btw zouden betaald hebben, doet geen afbreuk aan het hogergemelde en doet er niet toe besluiten dat de opgelegde btw-boete niet correct zou berekend zijn dan wel onevenredig zou zijn. Geenszins doet dit er afbreuk aan dat eerste eiser in hoger beroep de inbreuken met bedrieglijk opzet gepleegd heeft.

Dat de belastingplichtige tevens intrest dient te betalen op de niet-tijdig betaalde btw acht het hof evenmin relevant. Nalatigheidsintrest betreft geen strafsanctie maar een vergoeding voor de schade die het gevolg is van de laattijdige betaling van de verschuldigde belasting.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de boete van 200 % evenredig is met de ernst en aard van de gepleegde inbreuken. Er is dan ook geen reden om deze boete te verminderen of kwijt te schelden.

De door eisers in hoger beroep aangehaalde rechtspraak doet niet anders besluiten aangezien deze betrekking heeft op andere feitelijke omstandigheden.

5 [Artikel 70 § 1, eerste lid btw-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel (Grondwettelijk Hof nr. 157/2008, 6 november 2008 (prejudiciële vraag). In zijn arrest van 21 februari 2013 (arrest nr. 13/2013) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat [artikel 70, § 2, eerste lid BTW-wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan overtreders van het BTW-wetboek. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft volgens het Hof echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (overwegingen B.4.2 en B.4.3 van voormeld arrest).

Ook het Hof van Cassatie bevestigde deze zienswijze. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen. Indien om uitstel wordt verzocht kan de rechter, zonder schending van het gelijkheidsbeginsel, het verzoek van de belastingplichtige verwerpen en de opgelegde belastingverhoging bevestigen wanneer hij vaststelt dat er geen aanleiding zou geweest zijn om uitstel toe te kennen, wanneer de wet in die mogelijkheid had voorzien (cfr. Cass., 20 juni 2013, [F.11.0007.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/juge-fait-application-article-70-cassation-bruxelles-2013-06-20-8313), www.juportal.be, Fiscoloog, 2013, nr.1351, p.13; Cass., 13 november 2015, F.14.0119.F, www.juportal.be).

In onderhavig geval blijken uit het dossier geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien. Gelet op het voorgaande kan de betrokken boete zonder uitstel behouden blijven.

6 Eisers in hoger beroep verwijzen tevens naar artikel 1244 Oud B.W. (thans artikel 5.201 Burgerlijk Wetboek) en halen aan dat er geen enkele reden is waarom dit artikel niet zou doorwerken in het fiscaal recht.

De Belgische Staat haalt aan dat artikel 1244 Oud B.W. (thans artikel 5.201 Burgerlijk Wetboek) niet van toepassing is in fiscale zaken.

7 Het oordelen over het toekennen van betalingsfaciliteiten valt niet onder de 'voile rechtsmacht' van de rechtbank. Een toezicht met \`voile rechtsmacht' moet het de rechter mogelijk maken na te gaan of de beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Het al dan niet toestaan van betalingsfaciliteiten heeft geen uitstaans met deze rechterlijke controle.

Artikel 1244 Oud B.W. is niet toepasselijk met betrekking tot een belastingschuld. Geen enkele wettelijke bepaling verleent de rechter of rekenplichtige ontvanger de bevoegdheid van de wettelijke betalingstermijnen inzake inkomstenbelastingen of te wijken door bijkomende betalingstermijnen toe te staan voor vervallen belastingschulden; dit neemt niet weg dat de rekenplichtige de mogelijkheid heeft op autonome wijze en op zijn verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging te organiseren en om in die optiek in betalingsfaciliteiten te voorzien (Cass. 3 september 2015, rolnr. F.13.0088.N, via www.juridat.be). Het is dan de rekenplichtige ontvanger die op autonome wijze en op zijn verantwoordelijkheid de invordering en de vervolging moet organiseren en binnen dat kader in betalingsfaciliteiten kan voorzien zonder daarbij afbreuk te doen aan de wettelijke betalingstermijnen; die mogelijkheid komt exclusief toe aan de rekenplichtige wiens beslissing ter zake zich opdringt aan de rechter (Cass. 24 april 2008, rolnr. [F.06.0042.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/delais-paiement-facilites-octroyees-receveur-cassation-bruxelles-2008-04-24-16b8)).

Het hof gaat hier dan ook niet verder op in.

8 Gelet op het hogergemelde wordt het hoger beroep afgewezen als ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd met uitzondering wat de begroting van de gerechtskosten in hoofde van verweerder in hoger beroep betreft. De kosten met betrekking tot de procedure in eerste aanleg dienen in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot te worden op 0,00 euro. De bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 22 euro werd immers gedragen door eisers in hoger beroep en dient te hunnen laste te blijven. Het bestreden vonnis dient in die zin aangepast te worden.

Rekening houdende met het ongelijk in hoofde van eisers in hoger beroep worden zij veroordeeld tot de kosten met betrekking tot de procedure in hoger beroep. Deze dienen in hoofde van eisers in hoger beroep niet begroot te worden aangezien ze te hunnen laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze begroot op 7.848,84 euro rechtsplegingsvergoeding (indexatie vanaf 1 maart 2025).

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Dispositif

## V. Uitspraak

Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eisers in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis met uitzondering wat betreft de begroting van de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep. Het hof begroot de kosten met betrekking tot de procedure in eerste aanleg in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0,00 euro.

Het hof veroordeelt eisers in hoger beroep tot de kosten met betrekking tot de procedure in hoger beroep. Deze worden in hoofde van eisers in hoger beroep niet vastgesteld aangezien ze te hunnen laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze vastgesteld op 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer B. P. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 1 april 2025,

C.P., Raadsheer dd. Voorzitter

K.L., Raadsheer

E.C, Griffier

Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro d'entreprise) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

## Textes cités

3

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 3 occurrences

[CTVA art. 56bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-56bis) 1 occurrence

[CTVA art. 84ter](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-84ter) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Fraude, régime de franchise pour les petites entreprises](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-regime-franchise-petites-entreprises-tribunal-2025-10-13-d501) 3 dispositions communes

[Finalité, Lieu d'établissement, Principe de neutralité](https://juriel.be/fr/jurisprudence/finalite-lieu-etablissement-principe-neutralite-cour-appel-bruxelles-2026-05-13-12b2) 2 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, délai de prescription prolongé, Visite](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-delai-cour-appel-anvers-2025-06-24-3862) 2 dispositions communes

[Fraude fiscale, Fausses factures, Indices de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-fiscale-fausses-factures-indices-cour-appel-bruxelles-2022-12-01-3bd0) 2 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, Consultation du dossier judiciaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-consultation-tribunal-gand-2024-03-13-4c82) 2 dispositions communes

[Prescription, Délai étendu de prescription en cas de fraude](https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-delai-etendu-cas-fraude-cour-appel-gand-2023-06-17-5158) 2 dispositions communes

[Reconstitution du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffre-affaires-preuve-presomptions-tribunal-liege-2022-03-01-5c71) 2 dispositions communes

[Indices de fraude, Droit de se taire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-droit-se-taire-cour-appel-bruxelles-2023-06-28-5ed6) 2 dispositions communes
