---
title: "Contrainte, sanction administrative · Cour d&#x27;appel de Bruxelles, 27 juin 2017"
description: "Contrainte, sanction administrative, amende administrative. Cour d'appel de Bruxelles (Belgique), 27 juin 2017."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-sanction-administrative-amende-cour-appel-bruxelles-2017-06-27-4b10"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Contrainte, sanction administrative, amende administrative

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Bruxelles

**Date**

27 juin 2017

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

68 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

**Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 27.06.2017**

\[Défavorable à l’administration\]

*Contrainte - sanction administrative*

Tekst van het arrest

### Corps de la décision

**Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 27.06.2017 (2015/AR/2497)**

**C. P.,** wonende te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar qualitate qua van de NV B. 2000 (waarvan de vereffening afgesloten werd bij algemene vergadering dd. 1 maart 2004), voorheen met maatschappelijke zetel te …, … eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. B. Ch., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 28 mei 2015

tegen

**DE BELGISCHE STAAT**. Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het lste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 HASSELT, Voorstraat 41-45/46 (voorheen gevestigd te 3500 HASSELT, Thonissenlaan 20) verweerster in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. O. loco Mr. R. F., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 28 mei 2015 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 13 november 2015, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

**1.De feiten.**

Huidige betwisting heeft betrekking op een B.T.W.-navordering bij dwangbevel, Reg. …, R.C.I.V. nr. …, met betrekking tot de periode van 20 februari 2002 tot 5 juni 2003 voor een bedrag van … EUR in hoofdsom, meer geldboete ten bedrage van … EUR en intresten in toepassing van artikel 91, § 1 W.B.T.W.

Bij buitengewone algemene vergadering van 23 december 2003 werd beslist tot de ontbinding van de NV B. 2000. Eiser in hoger beroep werd aangesteld als vereffenaar. De vereffening werd afgesloten bij beslissing van de algemene vergadering dd. 1 maart 2004.

Op 9 november 2004 werd een proces-verbaal opgesteld door de B.T.W.-administratie ten laste van NV B. 2000 waarbij werd meegedeeld dat inzage was bekomen van een strafdossier met notitienummer HA…. waaruit was gebleken dat een circuit van valse facturen was opgezet teneinde in hoofde van de afnemers, waaronder NV B. 2000, onterecht B.T.W. terug te vorderen. Tijdens de B.T.W.-controle op 8 september 2004 had eiser in hoger beroep de valsheid van de betrokken facturen erkend. De B.T.W. aangerekend in de valse facturen werd dan ook ten onrechte in aftrek gebracht en zulks voor een bedrag van … EUR. Tevens zou een boete van 200% verschuldigd zijn omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiking of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Op 23 november 2004 werd een dwangbevel Reg. …, R.C.I.V. nr. … uitgevaardigd lastens "NV B. 2000, in vereffening, … te …", waarbij de ten onrechte in aftrek gebrachte B.T.W., boete en intresten werd nagevorderd. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijk directeur a.i. van de Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen op 29 november 2004 en bij aangetekend schrijven dd. 3 december 2004 ter kennis gebracht van "NV B. 2000 in vereffening P/A P.C. (vereffenaar), …, …".

**2.De voorafgaande procedure.**

2.1- Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 29 december 2004, vorderden eiser in hoger beroep en de NV B. 2000 in gesloten vereffening

\- de vordering ontvankelijk te verklaren;

-in hoofdorde te zeggen dat het dwangbevel nietig is;

-in ondergeschikte orde, de behandeling van de vordering ten gronde te schorsen tot een definitieve eindbeslissing is genomen met betrekking tot het strafonderzoek;

-uiterst ondergeschikt het dwangbevel te vernietigen omdat het ongegrond is;

-eiser in hoger beroep voorbehoud te verlenen tot na inzage van het strafdossier om de argumentatie van het dwangbevel te weerleggen.

2.2- De eerste rechter stelde vast dat eiser in hoger beroep en de NV B. 2000 in feite dezelfde persoon zijn, verklaarde hun vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, door de rechtbank vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter stelde vast dat het dwangbevel en de kennisgeving werden overgemaakt aan eiser in hoger beroep in zijn specifieke hoedanigheid van vereffenaar van de NV B. 2000 en dat deze geldig zijn.

Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat de vaststellingen in het proces-verbaal een bijzondere bewijskracht hebben, net als de vaststelling dat eiser in hoger beroep de valsheid van de facturen tijdens de B.T.W.-controle heeft erkend. De gegevens waarop de administratie zich baseert, zijn vaststaande en zekere feiten. Dat er nog geen strafrechtelijke uitspraak was, doet hier geen afbreuk aan. Er is geen reden voor de vernietiging van het dwangbevel.

Bij het opleggen van de boete werd een correcte toepassing gemaakt van artikel 70, §1 en § 1bis W.B.T.W. Er blijkt niet dat de boete onevenredig is of dat er sprake is van een dubbele bestraffing.

2.3.- Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 13 november 2015, hoger beroep ingesteld.

**3De vorderingen en standpunten in hoger beroep.**

3.1.- Eiser in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,

-het bestreden vonnis te vernietigen;

-in hoofdorde : het dwangbevel uitgevaardigd op 23 november 2004 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 november 2004 te vernietigen, minstens te zeggen voor recht dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn;

-de kennisgevingen van het dwangbevel te vernietigen, zodat de verjaring niet werd gestuit en te zeggen voor recht dat de in het dwangbevel opgenomen vordering verjaard is;

-in ondergeschikte orde : de administratieve geldboete van 200% volledig kwijt te schelden, dan wel te verminderen;

-dienvolgens de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op het dwangbevel zijn ingehouden en betaald, vermeerderd met moratoriumintresten;

-de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, hierin begrepen de minimale rechtsplegingsvergoeding.

Eiser in hoger beroep stelt dat het bestreden dwangbevel nietig is omdat het werd gericht tegen een onbestaande vennootschap. De uitvaardiging van het dwangbevel diende immers te gebeuren vooraleer de vennootschap ophield te bestaan en, na vereffening, ten aanzien van de vereffenaar.

De kennisgevingen van het dwangbevel zijn nietig omdat deze gericht zijn aan een niet bestaande rechtspersoon en stuiten derhalve de verjaring niet.

De aanslagen zijn hoe dan ook nietig wegens schending van de artikelen 1349 en 1353 B.W. wegens willekeur. De gegevens uit het strafdossier zouden niet voldoende vaststaand zijn wanneer de strafrechtelijke uitspraak nog niet definitief is. De latere veroordeling van eiser in hoger beroep zou daar geen afbreuk aan doen.

Ondergeschikt dient de boete van 200% te worden kwijtgescholden, minstens verminderd. Uiterst ondergeschikt wordt verzocht om uitstel van de opgelegde boete.

3.2.- Verweerster in hoger beroep vordert het hoger beroep van eiser in hoger beroep ongegrond te verklaren, hem ervan af te wijzen, het bestreden vonnis te bevestigen en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding.

De administratie stelt dat het bestreden dwangbevel terecht op naam van de vennootschap werd uitgevaardigd en werd toegezonden aan de eiser in hoger beroep als vereffenaar. ln ieder geval heeft de betekening haar doel bereikt en is er geen belangenschade.

Er werd beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens en vaststellingen die een geheel van bepaalde, gewichtige, geverifieerde en met elkaar overeenstemmende feiten vormen ten bewijze van de valsheid van de facturen. Het proces-verbaal bezit bijzondere bewijskracht.

Terecht werd ook een boete van 200% opgelegd.

**4.Bespreking.**

Het bestreden dwangbevel werd in casu uitgevaardigd na de sluiting van de vereffening van de NV B. 2000 bij beslissing van de algemene vergadering dd. 1 maart 2004, lastens "NV B. 2000 in vereffening". NV B. 2000 werd daarbij aangeduid als schuldenaar van de belasting en boete, meer intresten. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurde enerzijds aan de NV B. 2000 op het adres van haar maatschappelijke zetel en anderzijds aan "NV B. 2000 in vereffening P/A P. C. …, …". Eiser in hoger beroep is van oordeel dat het dwangbevel aldus werd uitgevaardigd lastens en ter kennis werd gebracht van een onbestaande rechtspersoon, waardoor het dwangbevel nietig is.

Artikel 85 W.B.T.W. bepaalt dat bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren een dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar. De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. Het dwangbevel geldt als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane betaling van de verschuldigde belasting, doch eveneens als uitvoerbare titel, nodig voor de invordering van de fiscale schuld. Het betreft de eerste vervolgingsakte waarin melding wordt gemaakt van de identiteit van de vervolgende schuldeiser en van de schuldenaar van de belasting, waarbij opgave wordt gedaan van voorwerp en oorzaak van de belastingschuld (VANDEBERGH, H. (ed.), BTW-Handboek, Larcier, Gent, 2014, nrs. 3008 en 3011).

Er wordt niet bepaald bij wet wie als schuldenaar van de belasting dient te worden aangemerkt indien de vereffening van de belastingplichtige vennootschap is afgesloten, zodat ter zake dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht, in casu het Wetboek Vennootschappen.

lngevolge artikel 183, § 1 W.Venn. wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening. Zij behoudt derhalve haar rechtspersoonlijkheid. De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 W.Venn., maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van die vennootschap (Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N). Zij verdwijnt als afzonderlijk rechtssubject, zonder vermogen, organen of maatschappelijke zetel (cfr. ook H., C., "Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus", T.F.R., 2009, afl. 370, 890, nr. 3; C., C., "Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid", T.R.V., 2010, 157-158; B., C., De vereffeningsprocedure, Kluwer, Mechelen, 2014, nr. 863 en L., J., De vereffening van de BVBA en de NV, Kluwer, Mechelen, 2012, RNPS, 216).

Een vereffende vennootschap leidt echter nog een passief voortbestaan in de persoon van de vereffenaar. Overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje, W.Venn. kan een schuldeiser van de vennootschap immers nog gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening een vordering instellen tegen "de vereffenaar als zodanig". Het betreft een fictie die het de schuldeisers mogelijk maakt om alsnog hun rechten te doen gelden tegen een vereffende vennootschap en zulks middels een vordering ingesteld tegen de vereffenaar. Het betreft een passief voortbestaan van de vennootschap die tevens omschreven wordt als "passieve rechtspersoonlijkheid" alhoewel, zoals hiervoor toegelicht, de sluiting van de vereffening in beginsel een einde maakt aan de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap.

Uit artikel 198, §1, derde streepje W.Venn. volgt dat de vennootschap enkel nog kan worden aangesproken middels een vordering tegen "de vereffenaar als zodanig", zijnde de vereffenaar qualitate qua, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap. De tekst van de wet is ter zake duidelijk en behoeft geen nadere duiding. Na de sluiting van de vereffening houdt het actief bestaan van de vennootschap op en is zij vanaf dat ogenblik nog enkel aanspreekbaar als passieve rechtspersoon in de persoon en in de woonplaats van haar vereffenaar (cfr. Gent 13 december 1988, F.J.F., 1989, 251). De vereffenaar wordt derhalve overeenkomstig artikel 198, § 1, derde streepje W.Venn. de schuldenaar van de belasting na de sluiting van de vereffening van de belastingplichtige vennootschap.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel in casu werd uitgevaardigd op naam van de NV B. 2000 in vereffening op het adres van haar maatschappelijke zetel. De vordering van de administratie, door uitvaardiging van het dwangbevel, is derhalve niet gericht tegen de vereffenaar als zodanig. De vaststelling dat het dwangbevel, uitgevaardigd lastens NV B. 2000 in vereffening, vervolgens ter kennis werd gebracht aan de NV B. 2000 in vereffening P/A P. C., doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het dwangbevel werd uitgevaardigd lastens een rechtspersoon die in beginsel niet meer bestaat. Bovendien werd de kennisgeving niet gedaan aan het adres van de vereffenaar, doch op de maatschappelijke zetel van de vereffende vennootschap en op het adres van een derde. Uit de kennisgeving van het dwangbevel "P/A P. C." kan dan ook niet worden afgeleid dat het dwangbevel werd uitgevaardigd lastens "de vereffenaar als zodanig".

Dat de B.T.W.-schuld betrekking heeft op handelingen die door de vennootschap voor haar vereffening werden gesteld, rechtvaardigt niet de uitvaardiging van het dwangbevel lastens de vennootschap na afsluiting van de vereffening. De bevoegdheid om te handelen door middel van een dwangbevel bestaat immers alleen tegenover de wettelijke schuldenaar van de B.T.W. (VANDEBERGH, H. (ed.), BTW-Handboek, Larder, Gent, 2014, nrs. 3008, 3010 en 3011). Na de afsluiting van de vereffening is slechts de vereffenaar als zodanig, in toepassing van artikel 198, §1, derde streepje W.Venn., de wettelijke schuldenaar van de belasting, aangezien de vennootschap, gelet op het verlies van haar rechtspersoonlijkheid, niet meer bestaat. Het dwangbevel diende dan ook, om rechtsgeldig te zijn, te worden uitgevaardigd lastens de vereffenaar qualitate qua, als vertegenwoordiger van de vereffende vennootschap.

Het gaat daarbij niet om een materiële vergissing in de identificatie van de schuldenaar van de belasting in het bijzonder nu dient te worden vastgesteld dat het dwangbevel ook niet werd verzonden naar het adres van de vereffenaar maar naar de maatschappelijke zetel en naar het adres van een derde (vgl. Gent 13 december 1988, F.J.F., 1989, 251 en HOTTERBEECKX, C., "Kan een vennootschap zich na de sluiting van haar vereffening nog verder verweren tegen de fiscus", T.F.R., 2009, afl. 370, 890, nr. 11). Het gaat dan ook geenszins om een slechte identificatie doch om een foutieve identificatie die de nietigheid van het dwangbevel met zich brengt aangezien een verkeerde schuldenaar van de belasting wordt aangeduid.

Belangenschade dient daarbij niet te worden aangetoond aangezien het dwangbevel een administratieve rechtshandeling is en geen proceshandeling waarop de artikelen 860 Ger.W. en volgende van toepassing zijn (Cass. 3 maart 2011, AR [F.10.0039.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuites-instances-suretes-donnees-tresor-cassation-bruxelles-2011-03-3469)). Ook de vaststelling dat het normdoel zou zijn bereikt, doet geen afbreuk aan de vastgestelde nietigheid van het dwangbevel.

Aangezien het dwangbevel derhalve niet werd uitgevaardigd lastens de vereffenaar als zodanig, doch lastens de NV B. 2000 in vereffening, die door de sluiting van de vereffening geen rechtspersoonlijkheid meer bezat en derhalve was opgehouden te bestaan, is het dwangbevel nietig.

*Het bestreden vonnis dient te worden hervormd.*

Gelet op het bovenstaande dienen de overige argumenten van partijen niet verder onderzocht te worden.

Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is gegrond en het bestreden vonnis dient hervormd te worden.

Verweerster in hoger beroep dient, als in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten. Rekening houdend met de eerder beperkte complexiteit van het geschil, wordt de toegekende rechtsplegingsvergoeding in toepassing van artikel 1022, derde lid Ger.W. verminderd, zoals hierna begroot.

### Dispositif

**5. Beslissing.**

**Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.**

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof vernietigt het dwangbevel, Reg. 127/12718, R.C.I.V. nr. …, uitgevaardigd op 23 november 2004 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 november 2004.

Het hof beveelt de terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van het aldus vernietigde dwangbevel ten onrechte werden betaald en / of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.B.T.W.

Het hof veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot en door het hof vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en … EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 27 juni 2017 door:

Ondertekeningen
