---
title: "Contrainte, Présomption de fait · Cour d&#x27;appel d&#x27;Anvers, 29 novembre 2016, 2015/AR/888"
description: "Contrainte, Présomption de fait, Présomption légale, Présomption réfragable. Cour d'appel d'Anvers (Belgique), 29 novembre 2016, 2015/AR/888."
url: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-presomption-fait-legale-refragable-cour-appel-anvers-2016-11-29-5d62"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Contrainte, Présomption de fait, Présomption légale, Présomption réfragable

**Juridiction**

Cour d'appel

**Siège**

Anvers

**Numéro de rôle**

2015/AR/888

**Date**

29 novembre 2016

## Sur le document

**Collection**

Jurisprudence belge

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

**Sens lu par le SPF**

favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

189 paragraphes

### Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 29.11.2016 (2015/AR/888)

707-15-14/003425

\[favorable à l'administration\]

*Taxe sur la valeur ajoutée – Contrainte – Présomption de fait – Présomption légale – Présomption réfragable - Calcul de la majoration du chiffre d’affaires – Informations transmises par les impôts directs*

## Dispositions légales

[Article 53, alinéas 1, 2 et 3, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53)

[Article 39bis du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis)

[Article 58, § 4, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58)

Arrêté royal n° 53 relatif au régime particulier d'imposition de la marge bénéficiaire applicable aux biens d'occasion, objets d'art, de collection ou d'antiquité

Articles 201, 203 et 204 du Code des Sociétés

## Résumé

L’assujetti est une société en nom collectif active dans le commerce en gros ou de détail de véhicules automobiles et de camionnettes. En 2012, le bureau de contrôle de la TVA a reçu une notification de l’Administration des contributions directes l’informant que le chiffre d’affaires déclaré en matière d’impôts directs s’avérait supérieur à celui déclaré par la SNC dans ses déclarations TVA.

Un relevé de régularisation a été adressé à la SNC mais elle a refusé de marquer son accord sans motiver son refus. De même, lors d’un contrôle de l’administration préalablement annoncé, aucune personne de la SNC n’était présente. Le procès-verbal mentionnait que des infractions à l’article 53, § 1er, premier, deuxième et troisième alinéas du Code de la TVA et à l’article 18 de l’arrêté royal n° 1 du 29 novembre 1992 avaient été constatées. L’assujetti a déposé une opposition à contrainte devant le tribunal de première instance et par après devant la cour d’appel. Les juges en degré d’appel analysent les griefs mis à charge de l’assujetti.

La contrainte est le premier acte de poursuite en ce qui concerne le recouvrement des droits et des amendes. Il s’agit d’un acte extrajudiciaire qui est destiné à fournir un titre exécutoire afin de recouvrer la dette fiscale. L’administration n’a pas besoin d’un juge pour obtenir un titre exécutoire. La contrainte litigieuse mentionne expressément que l’appelant est tenu solidairement des dettes de la SNC conformément aux articles 201 et 204 du Code des sociétés. La cour considère que l’article 203 du Code des sociétés admet sans équivoque qu’une seule contrainte peut être émise à l’encontre de la SNC et/ou à un ou plusieurs associés qui sont tenus solidairement lors du recouvrement des dettes d’impôts. La finalité de l’article 203 du Code des sociétés est d’empêcher des jugements contradictoires qui pourraient survenir si différents associés débiteurs étaient poursuivis avant que la dette dans le chef de la SNC ne soit établie.

L’Administration de la TVA a déterminé à bon droit le montant du chiffre d’affaires car ce montant provient de la SNC elle-même, à savoir de son compte de résultats, et il résulte de la présomption légale qui considère que ces biens ont été livrés dans des conditions qui rendent la taxe exigible. Il revient à l’assujetti de démontrer que les biens n’ont pas été vendus ou que la livraison de biens ou la prestation de services est entièrement ou en partie exemptée. La SNC n’a jamais répond à la question lui demandant qu’elle était la raison de son désaccord et n’a jamais présenté sa comptabilité.

Une part du chiffre d’affaires concerne des livraisons intracommunautaires exemptées visées à l’[article 39bis du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) pour lesquelles aucune preuve de leur réalité n’est fournie.

La preuve contraire ne peut pas être constituée des seules allégations de la partie appelante selon lesquelles une partie du chiffre d’affaires concerne la vente de véhicules d’occasion soumis au régime particulier d’imposition de la marge bénéficiaire. Les pièces présentées par l’appelante ne satisfont pas aux conditions et modalités prescrites. Ainsi, en vertu de l’[article 8 de l’arrêté royal n° 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-53-decembre-regime-particulier-imposition-marge-3c0e#ar53-art8), une facture de vente doit reprendre la mention « Livraison soumise au régime particulier de la marge bénéficiaire TVA non-déductible ». Dès lors que ces règles n’ont pas été respectées, il résulte de l’[article 58, § 4, 12°, du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) une présomption réfragable selon laquelle les véhicules automobiles ont été vendus sous le régime normal de la TVA. Ici également l’assujetti a failli dans sa charge de la preuve.

L’amende de 20% est légale, est correctement motivée et est proportionnelle à l’infraction commise et à la gravité des faits.

La cour déclare l’appel non fondé.

Texte intégral

***L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale***

### Corps de la décision

## Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

**dd. 29.11.2016**

**(2015/AR/888)**

**D. E.** wonende te …, … eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr**. H. K.**, advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 06 februari 2015

tegen

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal van het centrum KMO Antwerpen, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 4 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. **V. L. d. J. A.**, advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 6 februari 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 8 april 2015, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

### 1. Voorafgaande feiten en procedure

#### 1.1. Voorwerp van de betwisting

Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel nummer …, uitgevaardigd lastens **V. C & E U. C.**, **E. D.** (eiser in hoger beroep) en

**C. d. G.** op 3 december 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2013.

#### 1.2. Voorgaande feiten

**V. C & E U. C.** is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer BE… voor de activiteit van groot- en detailhandel in auto's en lichte bestelwagens.

Op 22 november 2012 werd er op het BTW-controlekantoor Brasschaat een kennisgeving van de administratie der directe belastingen ontvangen waarin gesteld werd dat bij een controle van deze vennootschap was vastgesteld dat het omzetcijfer aangegeven inzake directe belastingen betreffende het jaar 2010 hoger was dan het omzetcijfer dat bleek uit de door de VOF ingediende BTW-aangiften.

Op 21/01/2013 werd er een correctieopgave toegezonden aan de **V. C & E U. C.**, met de vraag uiterlijk tegen 21 februari 2013 voor akkoord te ondertekenen en terug te zenden of binnen dezelfde termijn haar bezwaren te formuleren.

Op 18/02/2013 liet de gevolmachtigde van de VOF, zonder meer, weten dat zijn klant niet akkoord ging met de voorgestelde regularisatie. De redenen waarom werden niet toegelicht.

Er werd een controle ter plaatse aangekondigd doch er bleek op de aangekondigde datum niemand thuis te zijn.

Door de belastingadministratie werden volgende inbreuken vastgesteld:

inbreuken op [artikel 53§1, eerste lid, 2° en 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) en [art. 18 KB nr.1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) van 29/12/1992, in verband met de aangegeven omzet.

De omzet vastgesteld door de Administratie der Directe Belastingen bedroeg … euro, de omzet aangegeven in de BTW-aangiften bedroeg … euro, zijnde een verschil van … euro. Op het verschil van … euro werd de BTW tegen het normale tarief (21%) geheven. Door de **V. C & E U. C.** was verschuldigd: … euro aan BTW en … euro (20%) proportionele geldboete meer interesten en kosten.

Van deze vaststellingen werd op 27 november 2013 een proces-verbaal opgesteld.

Het dwangbevel werd, samen met het proces-verbaal van 27/11/2013, op 16/12/2013 middels gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan de **V. C & E U. C.**, **d. G. C.** en **D. E.** (eiser in hoger beroep) met bevel tot betaling.

#### 1.3. Procedure voor de eerste rechter

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 27/12/2013 tekende eiser in hoger beroep verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

Eiser in hoger beroep vorderde:

\- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- het dwangbevel, gekend onder RCIV-nummer … en uitgevaardigd op 03/12/2013 door de heer **R. D. V.**, adviseur en rekenplichtige van het Tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, te vernietigen, dan wel onwettig te verklaren;

\- minstens voor recht te zeggen dat eiser in hoger beroep de in het dwangbevel dd. 03/12/2013 gevorderde sommen niet verschuldigd is;

\- aldus de uitvoering van het dwangbevel te verbieden;

\- minstens voor recht te zeggen dat eiser in hoger beroep de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is in de mate deze hoger zijn dan … euro BTW en de hierop betrekking hebbende nalatigheidsinteresten;

\- minstens de opgelegde BTW-boete onwettig te verklaren, dan wel kwijt te schelden of in belangrijke mate te verminderen;

\- uitstel toe te kennen wat de overblijvende boete betreft;

\- aldus de uitvoering van het bestreden dwangbevel in die mate te verbieden;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiser in hoger beroep begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wees deze af. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding door verweerder in hoger beroep begroot op … euro en door de rechtbank vereffend op nihil.

De eerste rechter oordeelde als volgt:

betreffende de ongeldige uitvaardiging van het dwangbevel:

> *"…*
>
> *Noch artikel 203 W. Venn. noch enige andere wettelijke bepaling belet de administratie om de belastingplichtige vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *én eiser, als hoofdelijk aansprakelijk vennoot van deze vennootschap onder firma, gelijktijdig in één en hetzelfde dwangbevel op te nemen en inzake de verdere uitvoering van dit dwangbevel handelingen te stellen lastens de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *en/of eiser. Er is dan ook geen sprake van dat het bestreden dwangbevel ongeldig werd uitgevaardigd."*

betreffende de motivering van het dwangbevel:

> "…
>
> Het bestreden dwangbevel vermeldt uitdrukkelijk dat eiser hoofdelijk gehouden is voor de vennootschap onder firma **C&E U. C.** ingevolge de artikelen 201 en 204 W. Venn., hetgeen volstaat als motivering inzake de vordering lastens hem."

betreffende de weerhouden omzet:

*"…*

*Aangezien voornoemde omzet van … EUR afkomstig is van de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *zelf, namelijk haar jaarrekening, heeft de BTW-administratie dit bedrag van … EUR terecht als omzet weerhouden en heeft zij op basis van het wettelijk vermoeden terecht aangenomen dat deze goederen werden geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.*

*Bijgevolg dient de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *en/of eiser het tegenbewijs te leveren.*

*De vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *verklaarde zich weliswaar niet akkoord met de weerhouden omzet van … EUR, doch niettegenstaande de administratie meermaals informeerde naar de reden van niet-akkoord werd hierop niet geantwoord.*

*Bovendien heeft noch de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *noch eiser, zijnde de enige zaakvoerder, de boekhouding voorgelegd.*

*Eiser beweert dat hij in de loop van het jaar 2009 te kampen kreeg met ernstige medische problemen welke geduurd hebben tot het voorjaar van het jaar 2013, doch dan diende hij vanzelfsprekend de nodige maatregelen te nemen. Eiser had de vrije keuze om een persoon aan te wijzen die tijdens zijn ziekte zijn belangen en de belangen van de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *behartigde en hij moet dan ook de gevolgen dragen van deze keuze en van de mogelijke fouten en nalatigheden van deze persoon.*

*Eiser beweert dat voornoemde omzet van … EUR voor een bedrag van … EUR betrekking heeft op intracommunautaire leveringen die op grond van artikel 39 bis W.BTW vrijgesteld zijn van BTW, doch levert hiervan niet het minste bewijs en faalt dan ook in zijn bewijslast; hierbij dient immers te worden opgemerkt dat eiser, die de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW inroept, het bewijs dient te leveren dat de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.*

*Verder beweert eiser dat voornoemde omzet van … EUR voor minstens … EUR betrekking heeft op de verkoop van tweedehandswagens onder de margeregeling, bedoeld in artikel 58, §4 W.BTW en dat dienaangaande geen winst werd gerealiseerd zodat over de winstmarge geen BTW verschuldigd is. De door eiser voorgelegde stukken voldoen echter niet aan de voorgeschreven voorwaarden en modaliteiten; zo dient onder meer op de verkoopfactuur krachtens* [*artikel 8 KB nr. 53*](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-53-decembre-regime-particulier-imposition-marge-3c0e#ar53-art8) *van 23 december 1994 de voorgeschreven vermelding "levering onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge-BTW niet aftrekbaar" te worden aangebracht, doch deze vermelding ontbreekt.*

*Aangezien het vaststaat dat de voorgeschreven voorwaarden en modaliteiten niet werden nageleefd, geldt krachtens artikel 58, §4, 12° W.BTW een weerlegbaar wettelijk vermoeden dat de wederverkoop van deze wagens onder de normale regeling van de belasting werd verricht.*

*Bijgevolg rust op eiser de bewijslast dat de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *bij de wederverkoop van deze wagen voldeed aan de grondvoorwaarden van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, doch eiser faalt in zijn bewijslast.*

*De BTW-administratie heeft het bedrag van … EUR aldus terecht als omzet weerhouden en het vereiste tegenbewijs wordt niet geleverd.”*

*betreffende de boete van 20%:*

> *"Als enige zaakvoerder van de vennootschap onder firma* ***C&E U. C.*** *werd de inbreuk vanzelfsprekend begaan door eiser zodat hij niet kan beschouwd worden als een onafhankelijke derde; bijgevolg is hij dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor deze boete.*
>
> *Verder is de boete van 20% wettelijk en voldoende gemotiveerd en is de rechtbank van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten en dat er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen aan eiser indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien."*

*betreffende de kosten van het geding:*

> *“Verweerder begroot de kosten van het geding op … EUR, zijnde gerechtsdeurwaarderskosten voor de betekening van het dwangbevel, doch krachtens artikel 1018 Ger. W. zijn dit geen gerechtskosten.”*

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 08/04/2015 hoger beroep ingesteld.

#### 1.4. Procedure voor het hof van beroep

Eiser in hoger beroep vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, dd. 06/02/2015 te vernietigen en opnieuw rechtdoende;

\- de oorspronkelijke vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- desgevallend vooraleer recht te doen bij toepassing van art. 26 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen:

> *"Schendt art. 203 W. Venn. in die zin geïnterpreteerd dat deze bepaling aan de Fiscale Administratie zou toelaten om tegelijkertijd een BTW-dwangbevel uit te vaardigen lastens de vennootschap onder firma zonder dat de vennootschap eerst veroordeeld werd, de artikelen 10, 11 en 172 van de grondwet, doordat zo een onverantwoord onderscheid gemaakt wordt tussen vennoten van een vennootschap onder firma ten aanzien waarvan de Fiscale Administratie tot navordering van B.T.W. overgaat, terwijl vennoten van een vennootschap onder firma die door een andere schuldeiser aangesproken worden tot betaling, op grond van art. 203 W. Venn. niet kunnen veroordeeld worden zolang de vennootschap onder firma zelf niet veroordeeld is."*

\- het dwangbevel, gekend onder RCIV-nummer … en uitgevaardigd op 03/12/2013 door de heer **R. D. V.**, adviseur en rekenplichtige van het Tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, te vernietigen, dan wel onwettig te verklaren; minstens voor recht te zeggen dat eiser in hoger beroep de in het dwangbevel dd. 03/12/2013 gevorderde sommen niet verschuldigd is;

\- aldus de uitvoering van het dwangbevel te verbieden;

\- minstens voor recht te zeggen dat eiser in hoger beroep de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is in de mate deze hoger zijn dan … euro BTW en de hierop betrekking hebbende nalatigheidsinteresten;

\- minstens de opgelegde BTW-boete onwettig te verklaren, dan wel kwijt te schelden of in belangrijke mate te verminderen;

\- uitstel toe te kennen wat de overblijvende boete betreft;

\- aldus de uitvoering van het bestreden dwangbevel in die mate te verbieden;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiser in hoger beroep begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Ter zitting van 31 oktober 2016 vraagt de belastingplichtige de indexering van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, begroot op … euro.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert niet in te gaan op het verzoek een prejudiciële vraag te stellen, het dwangbevel niet te vernietigen dan wel onwettig te verklaren, voor recht te zeggen dat eiser in hoger beroep de in dit dwangbevel gevorderde sommen verschuldigd is, inclusief de nalatigheidsinteresten en inclusief de administratieve geldboete en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding hof van beroep.

### 2. Bespreking

#### *2.1. De bewijskracht van het proces-verbaal*

Wat betreft de bewijskracht van het proces-verbaal merkt eiser in hoger beroep op dat op het vlak van de BTW de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal zich enkel uitstrekt tot de persoonlijke materiële vaststellingen die de controlerende ambtenaar in de uitoefening van zijn opdracht heeft gedaan en niet tot de gevolgtrekkingen die deze maakt, noch uit de vermoedens die hij afleidt uit geconstateerde feiten.

Het hof stelt echter vast dat eiser in hoger beroep voormelde opmerking weergeeft in conclusies doch in onderhavig geval daar geen enkel concreet gevolg aan koppelt.

In voormelde omstandigheden kan het hof dan ook enkel bevestigen dat overeenkomstig [artikel 59 §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) de processen-verbaal bewijs opleveren zolang het tegendeel niet bewezen is en dat deze bewijskracht inderdaad enkel betrekking heeft op de materiële vaststellingen die door de verbaliserende ambtenaar zelf werden gedaan: alles wat zij persoonlijk en daadwerkelijk vaststellen en als dusdanig wordt vermeld in het proces-verbaal, wordt geacht juist te zijn tot bewijs van het tegendeel.

Voormelde principes worden in onderhavig geval gerespecteerd.

#### *2.2. De geldigheid van het lastens eiser in hoger beroep uitgevaardigd dwangbevel/prejudiciële vraag*

Volgens eiser in hoger beroep is de BTW-administratie niet gerechtigd om een dwangbevel uit te vaardigen lastens een vennoot van een VOF, noch om tot vervolging lastens deze vennoot over te gaan op grond van een dwangbevel uitgevaardigd lastens de VOF. Eiser in hoger beroep stelt dat pas na een eventuele veroordeling van de VOF tot betaling van een bepaalde schuld, de hoofdelijk aansprakelijke vennoot kan aangesproken worden tot betaling van de schuld en eventueel een dwangbevel lastens de hoofdelijk aansprakelijke vennoot kan worden uitgevaardigd. Doordat in casu toch een dwangbevel werd uitgevaardigd lastens eiser in hoger beroep, ofschoon er op het ogenblik van de uitvaardiging van dit dwangbevel nog geen veroordeling van **VOF C&E U. C.** was, is het bestreden dwangbevel, volgens eiser in hoger beroep, nietig.

Eiser in hoger beroep is vennoot-zaakvoerder van de vennootschap onder firma **C&E U. C.**.

Krachtens de artikelen 201 en 204 W. Venn, zijn de vennoten in een vennootschap onder firma hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap.

Art. 203 W. Venn. bepaalt:

*“Vennoten in een vennootschap onder firma of in een gewone commanditaire vennootschap kunnen niet persoonlijk worden veroordeeld op grond van verbintenissen van de vennootschap zolang deze niet zelf is veroordeeld."*

Artikel 203 W. Venn. strekt er toe te vermijden dat rechterlijke uitspraken ten aanzien van de vennoten in strijd zouden zijn met uitspraken ten aanzien van de VOF.

De bedoeling van deze bepaling is dus om tegenstrijdige vonnissen te voorkomen die zouden kunnen ontstaan wanneer de schuldeisers een of meerdere vennoten vervolgen, vooraleer de schuld in hoofde van de vennootschap was komen vast te staan.

De noodzakelijke voorwaarde dat de vennootschap onder firma zelf veroordeeld is alvorens de vennoten kunnen veroordeeld worden, lijkt dan ook slechts te zijn ingegeven door een noodzakelijke vaststelling van het vennootschapskarakter van de verbintenis en door de noodzakelijke eenheid van rechtspraak (vgl. Concl. Advocaat-generaal bij Cass. C.10.0290.N, 6 oktober 2011, www.cass.be ).

Het artikel doet geen afbreuk aan de eigen en rechtstreekse verbondenheid van de vennoten van een VOF en sluit niet uit dat de vennootschap onder firma en de vennoten in één zelfde rechterlijke uitspraak worden veroordeeld. Het belet evenmin de hoofdelijke veroordeling van de vennootschap samen met de vennoten (zie Cass. C.10.0290.N, 6 oktober 2011" www.cass.be).

De bepaling van artikel 203 W. Venn. verhindert aldus geenszins dat de veroordeling van de vennootschap en van de hoofdelijk gehouden vennoot zou gevorderd worden in éénzelfde geding.

Het Hof van Cassatie oordeelde reeds meermaals in het kader van de directe belastingen dat indien een uitvoerbaar verklaard kohier in de regel slechts ten uitvoer kan worden gelegd tegen de bij name in dat kohier vermelde belastingschuldige of belastingschuldigen, de tenuitvoerlegging van het kohier tegen andere personen mogelijk is wanneer zulks voortvloeit uit het systeem van de wet (zie Cass. 3 april 2014 AR.F.12.0205.N, AC 2014, nr. 262; Cass. 22 november 2007, AR. F.06.0053.N, AC 2007, nr. 577; Cass. 15 oktober 20415, AR. F.14.0187.N, www.cass.be).

De vennoten onder firma zijn persoonlijk hoofdelijk gehouden tot belastingen verschuldigd door de vennootschap onder firma en gelden als belastingschuldigen die gerechtigd zijn om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag, opdeciemen, verhogingen en boeten inbegrepen, die ten name van de vennootschap zijn gevestigd. De aanslag kan tegen de vennoten onder firma ten uitvoer worden gelegd (vgl. Cass. 22 november 2007, AR. F.06.0053.N, AC 2007, nr. 577).

Inzake belasting over de toegevoegde waarde is het dwangbevel enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld (vgl. Cass. AR [C.04.0284.N](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-contestation-contrainte-obligations-cassation-bruxelles-2006-03-09-840a), 9 maart 2006, www.cass.be).

Het dwangbevel is de eerste akte van vervolging voor de invordering van rechten, boetes en bijkomende sommen. Het is een buitengerechtelijke akte die bestemd is om als uitvoerbare titel te dienen voor de invordering van staatsgelden en waarbij de bevoegde ambtenaar het bedrag van de schuld, haar oorzaak en de persoon die ze verschuldigd is vaststelt. Het ter kennis gebrachte dwangbevel maakt de gedwongen tenuitvoerlegging van de schuldvordering van de administratie mogelijk. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte bij de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg.

De administratie heeft geen tussenkomst van de rechter nodig om een uitvoerbare titel te bekomen die haar schuldvordering vaststelt.

Evenals de authentieke akten en de vonnissen, is het dwangbevel een voldoende uitvoerbare titel voor de invordering van de staatsschuld.

De met de invordering van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren belaste ambtenaar kan aldus een dwangbevel uitvaardigen, niet uitsluitend tegen de belastingplichtige vennootschap maar ook tegen de hoofdelijk gehouden vennoten.

De bepaling van artikel 203 W. Venn. moet in casu worden getransponeerd met dien verstande dat er gelet op voormelde principes inzake BTW geen gerechtelijke uitspraak noch enige "rechterlijke veroordeling" nodig is.

Bijgevolg is het hof van oordeel dat art. 203 W. Venn wel degelijk toelaat dat éénzelfde dwangbevel wordt uitgevaardigd lastens de VOF en/of één of meerdere hoofdelijk gehouden vennoten, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt en die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld lastens de VOF, en/of de hoofdelijk gehouden vennoten.

Eiser in hoger beroep stelt dat er een onverantwoord onderscheid gemaakt wordt doordat de vennoten van een VOF die aangesproken worden door een andere schuldeiser dan de fiscale administratie wel kunnen genieten van de waarborg, voorzien in artikel 203 W. Venn.

De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Zoals hoger reeds geoordeeld is het de bedoeling van art. 203 W. Venn. om tegenstrijdige vonnissen te voorkomen die zouden kunnen ontstaan wanneer de schuldeisers een of meerdere vennoten vervolgen, vooraleer de schuld in hoofde van de vennootschap was komen vast te staan. Door het uitvaardigen van éénzelfde dwangbevel lastens de VOF en/of één of meerdere hoofdelijk gehouden vennoten, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt en die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld lastens de VOF, en/of de hoofdelijk gehouden vennoten wordt de waarborg voorzien in artikel 203 W. Venn. gerespecteerd.

Aangezien de opbrengst van de belasting enkel mag worden aangewend voor de behartiging van het algemeen belang en de inwerkingstelling door de overheid van haar verbintenissen ten aanzien van de collectiviteit, kan worden aangenomen dat de procedure van invordering in bepaalde mate mag afwijken van de regels van het gemeen recht.

De hoofdelijk gehouden vennoten kunnen bovendien de uitvoerbaarheid van de lastens hen uitgevaardigde dwangbevelen betwisten en deze betwisting voorleggen aan het oordeel van de rechtbank zodat ze het voorwerp uitmaken van een rechterlijke controle met volle rechtsmacht.

Rekening houdend met voormelde ratio legis van art. 203 W. Venn., de aard en het doel van de fiscale schuldvordering is het hof van oordeel dat er te dezen kennelijk geen schending is van de artikelen 10,11 en 172 van de GW. Er dient dan ook geen prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof.

#### *2.3. Motivering van het dwangbevel*

Eiser in hoger beroep stelt dat het dwangbevel gebrekkig gemotiveerd is omdat het dwangbevel in het geheel niet zou vermelden waarop de BTW-vordering lastens eiser in hoger beroep zelf gesteund is.

Een dwangbevel inzake btw is een administratieve rechtshandeling waarop de wet van 29 juni 1991 op de formele motivering van administratieve rechtshandelingen toepasselijk is. Krachtens artikel 3 van deze wet, moet de administratie de juridische en feitelijke overwegingen aanduiden die als grondslag gelden voor de belastingschuld waarvoor het dwangbevel is uitgereikt.

Een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de wet motivering bestuurshandelingen van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd; als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt, dient het dwangbevel het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk te maken.

Het is noodzakelijk dat het proces-verbaal, als bijlage waarnaar het dwangbevel verwijst, mee betekend wordt om de belastingplichtige in de mogelijkheid te stellen zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie.

Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen van hem wordt gevorderd en over de motivering van deze vordering.

Te dezen blijkt dat in het dwangbevel verwezen wordt naar de hoofdelijke gehoudenheid van eiser in hoger beroep ingevolge de artikelen 201 en 204 W. Venn. en naar het eraan gehecht proces-verbaal van 27/11/2013.

Uit samenlezing van de inhoud van het proces-verbaal en de vermeldingen op het dwangbevel wordt eiser in hoger beroep afdoende ingelicht over het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar.

Het bestreden dwangbevel vermeldt uitdrukkelijk dat eiser hoofdelijk gehouden is voor de vennootschap onder firma **C&E U. C.** ingevolge de artikelen 201 en 204 W. Venn.

Door de motivering werd eiser in hoger beroep tevens ingelicht over het gegeven dat de belastingadministratie op basis van de kennisgeving toegezonden door de administratie der directe belastingen van oordeel was dat er door de **VOF C & E U. C.** te weinig omzet werd aangegeven inzake BTW. Het omzetcijfer zoals bleek uit de herwerkte resultatenrekening bezorgd door de administratie der directe belastingen met betrekking tot de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 was hoger dan de omzet aangegeven inzake BTW en de verschuldigde belasting op deze verschillen werd niet voldaan. Er werden aldus inbreuken vastgesteld op [artikel 53 § 1, eerste lid, 2° en 3° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) en [art. 18 KB nr.1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) van 29 december 1992 in verband met de aangegeven omzet. De precieze berekening van de verschuldigde BTW met vermelding van het toepasselijke tarief wordt uitdrukkelijk weergegeven, alsook de redenen waarom en de omvang van de geldboete en de gevorderde interesten, met telkens de vermelding van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

Uit de motivering van het dwangbevel volgt ongetwijfeld dat eiser in hoger beroep zonder misverstand ingelicht werd over hetgeen van hem gevorderd werd en over de motivering van deze vordering zodat hij kon beoordelen of het zin had zich te weren tegen het dwangbevel en hij in staat was met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst het dwangbevel aan te vechten.

Het dwangbevel is te dezen voldoende gemotiveerd en aldus rechtsgeldig.

Bijgevolg is het hof van oordeel dat te dezen het recht van eiser in hoger beroep om zich te weren tegen het dwangbevel niet in het gedrang gebracht werd en het doel van de formele motivering werd bereikt. Er is te dezen dan ook geen schending van de rechten van verdediging.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen desbetreffende af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

#### *2.4. De weerhouden meeromzet*

Het hof treedt de oordeelkundige bevindingen van de eerste rechter desbetreffende volledig bij.

Terecht stelt de eerste rechter dat aangezien de omzet van … EUR, weerhouden in het proces-verbaal van 27/11/2013, afkomstig is van de vennootschap onder firma **C&E U. C.** zelf, namelijk haar resultatenrekening, de BTW-administratie dit bedrag van … EUR terecht als omzet heeft weerhouden en zij op basis van het wettelijk vermoeden terecht aangenomen heeft dat deze goederen werden geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Aangezien er sprake is van een verhoging van de omzet impliceert dit dat goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, werden geleverd of diensten werden verstrekt. Bijgevolg speelt het wettelijk vermoeden van [art. 64 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) zodat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Het is aan de belastingplichtige om aan te tonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van BTW (vgl. Cass. 11 maart 2010, Fiscoloog, 2010, editie 1201, p 13).

Bijgevolg dient de vennootschap onder firma **C&E U. C.** en/of eiser in hoger beroep het tegenbewijs te leveren.

De vennootschap onder firma **C&E U. C.** verklaarde zich weliswaar niet akkoord met de weerhouden omzet van … EUR, doch niettegenstaande de administratie meermaals informeerde naar de reden van niet-akkoord werd hierop niet geantwoord.

Bovendien heeft noch de vennootschap onder firma **C&E U. C.** noch eiser in hoger beroep, zijnde de enige zaakvoerder, de boekhouding voorgelegd.

De BTW-administratie heeft het bedrag van … EUR aldus terecht als omzet weerhouden en het vereiste tegenbewijs wordt niet geleverd.

Eiser in hoger beroep beweert dat hij in de loop van het jaar 2009 te kampen kreeg met ernstige medische problemen welke geduurd hebben tot het voorjaar van het jaar 2013, doch dan diende hij vanzelfsprekend de nodige maatregelen te nemen. Eiser in hoger beroep had de vrije keuze om een persoon aan te wijzen die tijdens zijn ziekte zijn belangen en de belangen van de vennootschap onder firma **C&E U. C.** behartigde en hij moet dan ook de gevolgen dragen van deze keuze en van de mogelijke fouten en nalatigheden van deze persoon.

Eiser in hoger beroep beweert dat voornoemde omzet van … EUR voor een bedrag van … EUR betrekking heeft op intracommunautaire leveringen die op grond van artikel 39 bis W.BTW vrijgesteld zijn van BTW, doch levert hiervan niet het minste bewijs en faalt dan ook in zijn bewijslast. Eiser in hoger beroep, die de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW inroept, dient het bewijs te leveren dat de vennootschap onder firma **C&E U. C.** zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.

Het tegenbewijs van de weerhouden omzet wordt ook niet geleverd door de bewering van eiser in hoger beroep dat voornoemde omzet van … EUR voor minstens … EUR betrekking heeft op de verkoop van tweedehandswagens onder de margeregeling, bedoeld in artikel 58, §4 W.BTW en dat dienaangaande geen winst werd gerealiseerd zodat over de winstmarge geen BTW verschuldigd is. De door eiser in hoger beroep voorgelegde stukken voldoen bovendien niet aan de voorgeschreven voorwaarden en modaliteiten (o.a. het voorgelegde aankoopborderel is niet gehandtekend door de contracterende partijen, het blijkt niet dat een afzonderlijke boekhouding werd gevoerd of dat deze handeling werd ingeschreven in afzonderlijke kolommen in het boek voor uitgaande facturen en in het dagboek van ontvangsten). Noch voldoen de voorgelegde stukken aan de factureringsvereisten. Zo dient onder meer op de verkoopfactuur krachtens [artikel 8 KB nr. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-53-decembre-regime-particulier-imposition-marge-3c0e#ar53-art8) van 23 december 1994 de voorgeschreven vermelding "levering onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge-BTW niet aftrekbaar" te worden aangebracht, doch deze vermelding ontbreekt.

Aangezien het vaststaat dat de voorgeschreven voorwaarden en modaliteiten niet werden nageleefd, geldt krachtens artikel 58, §4, 12° W.BTW een weerlegbaar wettelijk vermoeden dat de wederverkoop van deze wagens onder de normale regeling van de belasting werd verricht.

Bijgevolg rust op eiser in hoger beroep de bewijslast dat de vennootschap onder firma **C&E U. C.** bij de wederverkoop van deze wagen voldeed aan de grondvoorwaarden van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, doch eiser in hoger beroep faalt in zijn bewijslast.

#### *2.5. De BTW-boete*

Eiser in hoger beroep stelt dat de opgelegde boete een strafsanctie is in de zin van art. 6 EVRM en dat ingevolge het persoonlijk karakter van een straf een derde niet hoofdelijk aansprakelijk kan gesteld worden voor deze straf. Hij stelt dat de boete derhalve ten onrechte van hem wordt nagevorderd. Volgens eiser in hoger beroep werd het beginsel van proportionaliteit geschonden bij de oplegging van de boete. Eiser in hoger beroep verzoekt hem het voordeel van uitstel toe te kennen wat de boete betreft indien deze niet volledig kan kwijtgescholden worden.

De vennootschap onder firma is een vennootschap die wordt aangegaan tussen hoofdelijk aansprakelijke vennoten en die tot doel heeft een burgerlijke activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen (art. 201 W. Venn.).

De vennoten onder firma zijn overeenkomstig artikel 204 W. Venn. hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap en kunnen bijgevolg persoonlijk worden veroordeeld op grond van de verbintenissen van de vennootschap.

De vennoot van een VOF is hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap en dus ook de fiscale schulden met inbegrip van de geldboetes.

Hoofdelijkheid tussen schuldenaars die verplicht zijn tot één en dezelfde zaak, betekent immers dat ieder voor het geheel kan worden aangesproken (art. 1200 BW).

Elke schuld van de vennootschap, en bij uitbreiding dus ook de fiscale schulden van de vennootschap, verbindt van bij haar ontstaan ook de aansprakelijke vennoot. De schulden van de vennootschap worden van bij hun ontstaan vastgeknoopt aan het vermogen van de rechtspersoon zelf, en tegelijk ook meteen aan het persoonlijk vermogen van de vennoten. Er is een vereenzelviging tussen vennoot en vennootschap.

Ofschoon de vennoten onder firma en de vennootschap onderscheiden rechtssubjecten zijn vloeit hun persoonlijkheid, krachtens de aard van de vennootschap onder firma, praktisch samen.

Het feit, bijvoorbeeld, dat het faillissement van de vennootschap ook het faillissement van de vennoten impliceert, illustreert de verknochtheid tussen beide vermogens.

Als de vennootschap haar schuldeisers niet betaalt, kunnen die zich, in een VOF, tegen de hoofdelijk aansprakelijke vennoten keren en wel voor het totale bedrag van de schuld. Dit geldt ook op het gebied van de BTW.

Eiser in hoger beroep is dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale schuld van de VOF met inbegrip van de sancties met strafkarakter.

De hoofdelijk aansprakelijke personen kunnen dan ook geacht worden persoonlijk gestraft te worden.

De hoofdelijk aansprakelijke vennoten van een VOF zijn gerechtigd een vordering in rechte in te stellen teneinde de BTW-schuld, met inbegrip van de boete te betwisten.

Een straf heeft inderdaad een individueel karakter. Eiser in hoger beroep kan dan ook de verweermiddelen inroepen die hem eigen zijn en alleen hemzelf ten goede komen.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Uit de concrete gegevens van het dossier blijkt dat de inbreuken geenszins buiten de wil van eiser in hoger beroep liggen.

Het is eiser in hoger beroep die als vennoot en enig zaakvoerder de inbreuken op de BTW wetgeving beging. De inbreuken zijn veroorzaakt door de handelingen van eiser in hoger beroep en de medische problemen kunnen dit niet rechtvaardigen/verantwoorden, zoals hoger reeds geoordeeld.

Rekening houdende met voormelde vereenzelviging tussen eiser in hoger beroep als vennoot en de VOF en het feit dat te dezen de inbreuken op de BTW-wetgeving ook effectief werden begaan door eiser in hoger beroep is de boete van 20% een passende bestraffing en in de gegeven omstandigheden verantwoord rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten.

De boete van 20% werd opgelegd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen van [art. 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) en het KB nr. 41.

Het hof is aldus, samen met de eerste rechter, van oordeel dat de boete van 20% wettelijk en voldoende gemotiveerd is en dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de aard en de ernst van de feiten en dat er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen aan eiser in hoger beroep indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

#### *2.6. De rechtsplegingsvergoeding*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W dient eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten gewezen te worden.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op … euro.

Het hof vereffent de kosten van het geding in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op … euro rechtsplegingsvergoeding.

### Dispositif

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep, toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst eiser in hoger beroep in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op … euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 29 november 2016 door

Ondertekeningen

## Textes cités

8

[CTVA art. 53](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-53) 4 occurrences

[AR no 53 art. 8](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-53-decembre-regime-particulier-imposition-marge-3c0e) 3 occurrences

[CTVA art. 39bis](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-39bis) 3 occurrences

[CTVA art. 58](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-58) 3 occurrences

[AR no 1 art. 18](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-1-article-18-ae74) 2 occurrences

[CTVA art. 70](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-70) 2 occurrences

[CTVA art. 59](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-59) 1 occurrence

[CTVA art. 64](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-64) 1 occurrence

## Décisions similaires

8

[Chiffre d'affaires non déclaré, Présomption légale, Amende légale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-presomption-cour-appel-gand-2024-06-11-bab9) 5 dispositions communes

[Droit à déduction](https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-lien-direct-immediat-tribunal-luxembourg-2022-10-12-162a) 4 dispositions communes

[Siège d'une activité économique, compétence pénale](https://juriel.be/fr/jurisprudence/siege-activite-economique-competence-penale-cour-appel-gand-2024-01-09-4bee) 4 dispositions communes

[Chiffre d'affaires non déclaré, Consultation du dossier judiciaire](https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-consultation-tribunal-gand-2024-03-13-4c82) 4 dispositions communes

[Absence de déclaration, Enquête bancaire, Reconstitution du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/absence-declaration-enquete-bancaire-reconstitution-tribunal-gand-2022-06-23-5e19) 4 dispositions communes

[Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70) 4 dispositions communes

[Livraison intracommunautaire, Exportation, Chiffre d’affaires, Preuve](https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-exportation-chiffre-affaires-cour-appel-anvers-2020-12-15-ba33) 4 dispositions communes

[Procès-verbal, Arbitraire, Motivation, Calcul du chiffre d'affaires](https://juriel.be/fr/jurisprudence/proces-verbal-arbitraire-motivation-calcul-tribunal-louvain-2022-02-18-d398) 4 dispositions communes
